Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH0887

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
01/825428-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis.

Bewezen verklaard zijn een verkrachting op 8 oktober 1992 en 20 mei 2002 gepleegd.

DNA-profiel van verdachte was op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden bekend.

Hoewel het bevel tot DNA-afname onrechtmatig is gegeven volgt geen niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie en geen bewijsuitsluiting.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825428-08

Datum uitspraak: 27 januari 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

wonende te [adres],

thans gedetineerd te: PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier te Vught.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 oktober 2008 en 13 januari 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 september 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 oktober 1992 te Bakel, gemeente Bakel en Milheeze (thans genaamd: gemeente Gemert-Bakel), door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte [slachtoffer] gedwongen te dulden

- dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van [slachtoffer] duwde/bracht

en/of

- (daarbij) een of meer op en neer gaande bewegingen maakte,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin

- dat verdachte [slachtoffer] (terwijl zij bij de auto stond en/of in de auto zat)

onverhoeds bij de schouders heeft (vast)gepakt en/of

- (daarbij) [slachtoffer] achterover (terug) in de auto)) en/of opzij heeft geduwd en/of

- (daarbij) zijn, verdachtes (rechter)vuist, voor het gezicht van [slachtoffer] heeft gehouden (waarbij hij [slachtoffer] belette overeind (uit de passagiersstoel) te komen en/of

- tegen [slachtoffer] heeft gezegd: "Ik sla en stomp je" en/of "Doe je broek maar

uit" en/of (aldus) voor [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

artikel 242 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 20 mei 2002 in de gemeente Deurne, althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 2], hebbende verdachte [slachtoffer 2] gedwongen te dulden

- dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van [slachtoffer 2] duwde/bracht en/of

- (daarbij) een of meer op en neer gaande bewegingen maakte en/of

- (vervolgens) in een of meer borsten van [slachtoffer 2] kneep,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin

- dat verdachte [slachtoffer 2] onverhoeds van achteren heeft (vast)gepakt en/of

- (vervolgens) [slachtoffer 2] bij/om de keel/hals heeft (vast)gepakt en/of

- (daarbij) een hand voor/op de mond van [slachtoffer 2] heeft gehouden/gedaan en/of

- [slachtoffer 2] (vervolgens) in/naar een of meer bosjes/struiken heeft getrokken en/of

- (vervolgens) de benen van [slachtoffer 2] uit elkaar heeft gedaan, en/of (aldus) voor [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

artikel 242 Wetboek van Strafrecht

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Tengevolge van een kennelijke schrijffout in de tenlastelegging begaan, staat in regelnummer 8 ‘bracht’ vermeld in plaats van ‘te brengen’. De rechtbank herstelt deze schrijffout en leest het laatste in plaats van het eerste. Tengevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging begaan, is tussen de woorden ‘en/of’ (regelnummer 9) en ‘(daarbij) een of meer op en neer gaande bewegingen maakte’ (regelnummer 10) weggevallen: ‘te dulden dat hij’. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Inleiding.

Op 8 oktober 1992 deed [slachtoffer] aangifte van de verkrachting die haar die dag was overkomen. Tijdens het onderzoek naar deze verkrachting zijn spermasporen veiliggesteld waaruit een DNA-profiel werd verkregen. Op 23 mei 2002 deed [slachtoffer 2] aangifte van de verkrachting die haar op 20 mei 2002 was overkomen. Tijdens het onderzoek naar deze verkrachting zijn spermasporen veiliggesteld waaruit een DNA-profiel werd verkregen dat overeenkwam met bovengenoemd DNA-profiel

Naar aanleiding van een bevel tot DNA-afname van verdachte op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden werd uiteindelijk een match verkregen tussen het DNA-profiel van verdachte en de DNA-profielen die in beide verkrachtingszaken werden verkregen.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen. Van de zijde van de verdediging is verweer gevoerd tegen de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het bevel tot DNA-afname van verdachte op basis van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden onrechtmatig is gegeven. Dit bevel is immers gestoeld op een feit (poging doodslag) waarvoor verdachte is vrijgesproken en kan voorts niet gegrond worden op het feit waarvoor verdachte wél is veroordeeld (bedreiging). Daar de officier van justitie, ten tijde van het geven van dit bevel, wist dat dit bevel niet op de voornoemde feiten gegrond kon worden zijn de belangen van verdachte welbewust en op grove wijze geschonden. Nu dit een vormverzuim is dat niet meer hersteld kan worden dient de officier van justitie niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat er geen sprake is van welbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van verdachte. Zij stelt dat de poging doodslag waarop het bevel tot DNA-afname is gegrond een administratieve fout betrof en dat zij dit ook openlijk kenbaar heeft gemaakt aan de rechtbank. Gelet op het voorgaande is de officier van justitie van mening dat zij wel ontvankelijk is in haar vervolging.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat het voornoemde bevel tot DNA-afname onrechtmatig is gegeven. Niet is evenwel gebleken dat er sprake is van een handelwijze die een dusdanig ernstige inbreuk maakt op de beginselen van een goede procesorde dat daardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging en oordeelt dat de officier van justitie in haar vervolging kan worden ontvangen.

Voorts zijn de rechtbank geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Verweer bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a Wetboek van Strafvordering

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het bevel tot DNA-afname van verdachte onder de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden onrechtmatig is gegeven. Dit maakt de opname van het aldus verkregen profiel in de DNA-databank onrechtmatig. Ook de aansluitende DNA-match tussen het profiel van verdachte en de DNA-profielen die zijn verkregen uit sporen van de verkrachtingen, is daarom onrechtmatig. Nu dit een vormverzuim is dat niet meer hersteld kan worden is de verdediging, onder verwijzing naar het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch d.d. 16 juli 20081, van mening dat deze DNA-match van het bewijs dient te worden uitgesloten.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie erkent dat het DNA-profiel van verdachte onrechtmatig in de databank is terechtgekomen en daaruit verwijderd had moeten worden. De officier van justitie wijst er evenwel op dat verdachte in 2006 is veroordeeld voor feiten waarvoor zeker een bevel tot DNA-afname onder de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden zou zijn gegeven. Dit bevel kon echter niet gegeven worden omdat het DNA-profiel van verdachte nog in de databank aanwezig was. De officier van justitie is van mening dat het DNA-profiel van verdachte, indien het onrechtmatige profiel wel tijdig uit de databank was verwijderd, na de veroordeling in 2006 weer in de databank zou zijn opgenomen. De match tussen de DNA-profielen zou dus sowieso hebben plaatsgevonden.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat het bevel tot DNA-afname onrechtmatig is gegeven. Het DNA-profiel van verdachte had dus nimmer in de databank opgenomen mogen worden en had daar direct uit verwijderd moeten worden.

De rechtbank overweegt dat DNA-matches, die zijn verkregen middels DNA-profielen die onrechtmatig in de DNA-databank aanwezig zijn, in beginsel niet in nieuwe strafzaken mogen worden gebruikt. Echter, de onderhavige zaak is in zoverre bijzonder dat verdachte in 2006 is veroordeeld voor delicten waarvoor een wettelijke verplichting bestond een bevel tot DNA-afname uit te vaardigen. Op grond van dit bevel zou het DNA-profiel van verdachte zijn opgenomen in de DNA-databank. De reden waarom dit niet is gebeurd, is de omstandigheid dat het DNA-profiel van verdachte reeds in de DNA-databank (2003) was opgenomen en het daarom niet opnieuw in de databank kon worden opgenomen.

Ten tijde van de DNA-match, zoals opgetekend in het NFI-rapport d.d. 12 februari 2008, diende het DNA-profiel van verdachte, gelet op de bovengenoemde wettelijke verplichting, in de DNA-databank te zitten vanaf 2006/2007. Deze DNA-gegevens zouden dezelfde zijn als die in 2003 in de Databank zijn opgenomen. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de DNA-matches tot het bewijs van de tenlastegelegde feiten mogen worden gebruikt.

De rechtbank verwerpt het bewijsverweer.

De bewijsmiddelen

Het standpunt van de verdediging.

Met betrekking tot het eerste feit

De verdediging verzoekt om aanhouding van de zaak teneinde de 110 tips die zijn binnengekomen naar aanleiding van de uitzending van Opsporing Verzocht aan het dossier toe te voegen. Ook acht de verdediging toevoeging van de processen-verbaal die betrekking hebben op het sporenonderzoek naar de schoensporen noodzakelijk. Het schoenspoor zou namelijk een schoen van het merk Nike Air maat 11, zijnde schoenmaat 46, betreffen en verdachte heeft schoenmaat 42½.

De verdediging voert subsidiair aan dat niet bewezen kan worden dat verdachte het lichaam van [slachtoffer] seksueel is binnengedrongen. Alleen aangeefster spreekt immers van een feitelijk binnendringen in haar lichaam en daarnaast is er louter sperma op haar rok gevonden. De verdediging stelt zich dan ook op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1.

Met betrekking tot het tweede feit

De verdediging verzoekt om aanhouding van de zaak en voert daartoe aan dat er twijfels zijn omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 2]. De verdediging stelt dat [slachtoffer 2] wisselende en tegenstrijdige verklaringen aflegt. Voorts bevreemdt het de verdediging dat aangeefster vlak na de vermeende verkrachting douchet en gemeenschap heeft met haar partner. Ook het markeren van de plaats delict door [slachtoffer 2] roept bij de verdediging vragen op. De verdediging verzoekt de rechtbank dan ook nader onderzoek te gelasten en [slachtoffer 2] als getuige te laten horen.

Voorts acht de verdediging het noodzakelijk de [verbalisant 1] en [verbalisant 2] nader te horen omtrent het eventuele onderzoek naar ‘de man in het zwembad’, die volgens aangeefster op de dader lijkt.

Daarnaast wenst de verdediging dat het dossier wordt aangevuld met de originele conceptverklaring van getuige [getuige 1].

Subsidiair voert de verdediging het verweer dat vanwege de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] niet bewezen kan worden dat haar lichaam feitelijk is binnengedrongen. Alleen aangeefster spreekt immers van een feitelijk binnendringen in haar lichaam en er is daarnaast alleen sperma in haar slip gevonden. De verdediging stelt zich daarom op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2.

Meer subsidiair voert de verdediging aan dat de gemeenschap tussen [slachtoffer 2] en verdachte vrijwillig plaats heeft kunnen vinden. De aanwezigheid van rode striemen in de hals van [slachtoffer 2] maakt dit, volgens de verdediging, niet anders.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op de aangiftes van de beide slachtoffers, de DNA-match en de omschrijving van het signalement van verdachte door [getuige 2], een ex-vriendin van verdachte.

De officier van justitie acht de aangifte van [slachtoffer 2] betrouwbaar nu het vastgestelde letsel in haar hals strookt met haar verklaringen omtrent het vastgrijpen om haar keel door verdachte. Zij hecht daarom geen waarde aan het door de verdediging geschetste scenario van vrijwillige gemeenschap. Zij acht het dan ook niet noodzakelijk dat het slachtoffer nogmaals door de politie wordt gehoord. Ook het horen van de verbalisanten omtrent ‘de man in het zwembad’, die op de dader zou lijken, acht de officier van justitie niet noodzakelijk.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het eerste feit

Uit de aangifte van [slachtoffer] leidt de rechtbank af dat zij op 8 oktober 1992 bij de Aarlese visvijver te Bakel met geweld en onder bedreiging met geweld is verkracht door een man met een rechteroog dat iets uit het midden naar rechts stond.2 [slachtoffer] werd onverhoeds bij haar schouder vastgepakt terwijl zij in de auto zat en daarbij achterover en opzij geduwd. De dader hield hierbij zijn vuist voor het gezicht van [slachtoffer] en belette haar aldus om overeind te komen. Daarnaast voegde hij haar de woorden toe “Ik sla je” en “ik stomp je”3 en “Doe je broek maar uit”.4 [slachtoffer] werd aansluitend gedwongen zijn penis in haar vagina te brengen en te dulden dat hij daarna in haar op en neer gaande bewegingen maakte waarna hij in een keer op hield.5 Na de verkrachting liep de dader richting zijn eigen auto, een auberginekleurige soort stationwagen, en achtervolgde hij het slachtoffer een tijdje.6

De rechtbank overweegt dat deze aangifte op onderdelen steun vindt in de verklaring van verdachte. Verdachte verklaart immers dat hij sedert zijn geboorte een oogbol naar buiten heeft staan.7 De rechtbank stelt ter terechtzitting vast dat het linkeroog van verdachte iets loenst.8

Daarnaast verklaart verdachte dat hij in november 1992 de Renault 5 van zijn vriendin bij zich had en dat hij heel vaak bij de Aarlese visvijver kwam.9

Uit het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium d.d. 16 december 1992 is de rechtbank gebleken dat onder meer ook in de uitstrijkjes uit de vagina van [slachtoffer] aanwijzingen op de aanwezigheid van sperma werden verkregen.10 De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze conclusies te twijfelen.

Nu er voorts een match heeft plaatsgevonden tussen het DNA-profiel van verdachte en het DNA-profiel van het sperma dat op de rok van [slachtoffer] werd aangetroffen, met een berekende frequentie van het DNA-profiel van kleiner dan één op één miljard,11 12 acht de rechtbank bewezen dat verdachte -kort gezegd- [slachtoffer] heeft verkracht.

De rechtbank ziet geen aanleiding het onderzoek te heropenen nu er, gelet op de bovenstaande overwegingen, geen noodzaak bestaat tot het toevoegen aan het dossier van de door de verdediging verzochte stukken.

Ten aanzien van het tweede feit

De rechtbank leidt uit de aangifte van [slachtoffer 2] af dat zij op 20 mei 2002 aan het joggen was in de bossen te Deurne.13 Zij kwam in deze bossen tot driemaal toe een man tegen op een fiets. De vierde maal dat zij hem zag had hij zijn fiets niet bij zich en sprak hij haar aan. Op het moment dat zij hem voorbij liep pakte hij haar onverhoeds van achteren vast, sloeg zijn rechterarm om haar keel heen en deed zijn linkerhand voor haar mond. Daarna werd zij door hem het bos in getrokken en duwde hij, toen zij op de grond lag, haar benen uit elkaar.14 [slachtoffer 2] werd gedwongen te dulden dat de man zijn penis in haar vagina duwde, daarbij op en neer gaande bewegingen maakte en in haar borsten kneep. [slachtoffer 2] zag dat de man klaarkwam.15 Volgens [slachtoffer 2] had de man kort haar met lichte inhammen, rook zijn adem naar sigarettenrook en heeft hij een kleine penis.16

Met betrekking tot het verzoek aangeefster [slachtoffer 2] als getuige te horen

Anders dan de raadsvrouwe heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 2]. Weliswaar heeft aangeefster aanvankelijk verklaard dat zij niet door de dader was gepenetreerd. Diezelfde dag heeft [slachtoffer 2] echter, zodra haar de partner niet meer in haar directe omgeving aanwezig was, onmiddellijk en spontaan tegen de verbalisanten verklaard dat er wel degelijk penetratie heeft plaatsgevonden.17 Zij verklaarde dat zij dit aanvankelijk niet durfde te zeggen uit vrees haar partner kwijt te raken wanneer hij dit te weten zou komen. Pas een dag later heeft zij het tegen haar vriend durven vertellen.18 Het enkele feit dat [slachtoffer 2] aanvankelijk in bijzijn van haar vriend niet heeft durven vertellen dat ze is gepenetreerd door de dader maakt deze verklaringen niet minder betrouwbaar. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat de verklaringen van aangeefster als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt. De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak het onderzoek te heropenen om aangeefster [slachtoffer 2] nader te horen.

Met betrekking tot het verweer omtrent de betrouwbaarheid van getuige [slachtoffer 2]

Uit het deskundigenrapport d.d. 3 januari 2003 is de rechtbank gebleken dat zich in de slip van het slachtoffer evenals in schede-uitstrijkjes celmateriaal bevond van dezelfde, toen nog onbekende man.19 Het DNA-profiel van het spermaspoor uit de slip komt niet overeen met het DNA-profiel van [betrokkene]. Dit is de partner van getuige [slachtoffer 2] met wie zij na het feit gemeenschap heeft gehad. De rechtbank ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de conclusies in dit rapport te twijfelen. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank reeds heeft overwogen omtrent de betrouwbaarheid van getuige [slachtoffer 2] verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging en zal zij de verklaringen bezigen tot het bewijs.

Met betrekking tot het tweede verweer

Voorts is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat de penetratie van [slachtoffer 2] door verdachte onvrijwillig heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt hierbij dat zij, in tegenstelling tot de verdediging, de striemen die in de hals van aangeefster werden aangetroffen20 juist een ondersteuning vindt voor deze onvrijwilligheid.

De rechtbank zal het verweer van de verdediging om deze reden verwerpen.

De rechtbank vervolgt ten aanzien van het bewijs.

De rechtbank overweegt dat de aangifte van [slachtoffer 2] op onderdelen steun vindt in de verklaring van [getuige 1], een ex-vriendin van verdachte. [getuige 2] verklaart immers dat verdachte in 2002/2003 inhammen had op zijn voorhoofd,21 rookte en een niet bijzonder grote penis heeft, maar eerder klein en dik.22

Nu er voorts een match heeft plaatsgevonden tussen het DNA-profiel van verdachte en het DNA-profiel van het sperma dat in de slip van [slachtoffer 2] werd aangetroffen, met een berekende frequentie van het DNA-profiel van kleiner dan één op één miljard,23 24 acht de rechtbank bewezen dat verdachte -kort gezegd- [slachtoffer 2] heeft verkracht.

Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding om het onderzoek te heropenen nu er, gelet op de bovenstaande overwegingen, geen noodzaak is tot het nader horen van de getuigen noch tot het toevoegen van de aanvullende processen-verbaal aan het dossier, zoals door de verdediging is verzocht. Ten aanzien van het verzoek betreffende het onderzoek naar de man in het zwembad overweegt de rechtbank nog dat aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat deze man leek op de man die haar had verkracht maar dat hij het niet was.25

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 08 oktober 1992 te Bakel, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte [slachtoffer] gedwongen zijn, verdachtes, penis in de vagina van [slachtoffer] te brengen en te dulden dat hij daarbij op en neer gaande bewegingen maakte,

en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin

- dat verdachte [slachtoffer] terwijl zij in de auto zat onverhoeds bij de schouders heeft vastgepakt en

- (daarbij) [slachtoffer] achterover in de auto en/of opzij heeft geduwd en

- (daarbij) zijn, verdachtes (rechter)vuist, voor het gezicht van [slachtoffer] heeft gehouden (waarbij hij [slachtoffer] belette overeind (uit de passagiersstoel) te komen en

- tegen [slachtoffer] heeft gezegd: "Ik sla en stomp je" en "Doe je broek maar uit" en (aldus) voor [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

en

op 20 mei 2002 in de gemeente Deurne door geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 2], hebbende verdachte [slachtoffer 2]

gedwongen te dulden

- dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van [slachtoffer 2] duwde en

- (daarbij) op en neer gaande bewegingen maakte en

- in de borsten van [slachtoffer 2] kneep,

en bestaande dat geweld hierin

- dat verdachte [slachtoffer 2] onverhoeds van achteren heeft (vast)gepakt en

- (vervolgens) [slachtoffer 2] bij/om de keel/hals heeft (vast)gepakt en

- (daarbij) een hand voor/op de mond van [slachtoffer 2] heeft gedaan en

- [slachtoffer 2] (vervolgens) in/naar een of meer bosjes/struiken heeft getrokken en

- (vervolgens) de benen van [slachtoffer 2] uit elkaar heeft gedaan,

en (aldus) voor [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 57, 63, 242.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de deskundigenrapportages van F.

Bruinsma d.d. 29 januari 1993 (forensisch psychiater-seksuoloog) en B.G.T.J. ter Heine d.d. januari 2003 (klinisch psycholoog) in deze strafzaak juridische consequenties kunnen hebben. Verdachte heeft immers bij het Pieter Baan Centrum geweigerd mee te werken aan het onderzoek en dan vervalt de verplichting tot een dubbelrapportage. De rechtbank kan in dat geval ook gebruik maken van oudere rapportages. De officier van justitie acht het van belang dat de beide rapporten ongeveer in de periode van de onderhavige feiten zijn opgesteld. De officier van justitie wijst met name op het rapport van Ter Heine waarin gesproken wordt van een structureel defect in de persoonlijkheid van verdachte. De officier van justitie stelt dat dit structurele defect zich ten tijde van de beide feiten heeft geopenbaard. Gelet op de ernst van de feiten, de persoon van de verdachte en de bescherming van de maatschappij acht de officier van justitie dan ook TBS met dwangverpleging op zijn plaats. De officier van justitie eist, primair, een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en TBS met dwangverpleging.

In geval de rechtbank geen termen aanwezig acht om TBS met dwangverpleging op te leggen eist de officier van justitie, subsidiair, een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rapportages van Bruinsma en Ter Heine hun geldigheid hebben verloren nu deze rapportages maar een geldigheidsduur hebben van 1 jaar. Voorts wijst de verdediging er op dat het Pieter Baan Centrum de beschikking heeft gehad over deze rapportages en daarin geen aanleiding heeft gezien conclusies te trekken over persoonlijkheidsstoornissen bij verdachte.

Subsidiair verzoekt de verdediging om aanhouding van de zaak om de voornoemde deskundigen, evenals de deskundigen van het Pieter Baan Centrum, aanvullend te horen omtrent hun standpunt ten opzichte van TBS.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de deskundigenrapportages

Anders dan de Officier van Justitie ziet de rechtbank geen termen tot oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging en overweegt daartoe het volgende.

Bovengenoemd rapport d.d. 29 januari 1993 concludeert dat er bij verdachte niet van een persoonlijkheidsstoornis of andere psychiatrische diagnose kan worden gesproken.

Genoemd rapport van januari 2003 concludeert dat er bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met gemengde trekken.

Het PBC concludeert in haar rapport van 6 november 2008 dat het tengevolge van betrokkene’s weigering mee te werken aan het onderzoek niet mogelijk is geweest de in het verleden gestelde diagnose (persoonlijkheidsstoornis) op basis van eigen onderzoek adequaat te toetsen. Ook kan geen uitspraak worden gedaan over zijn persoonlijkheid.

Het PBC acht zich niet in staat antwoord te geven op de vraag of betrokkene ten tijde van de tenlastegelegde feiten lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld of er bij verdachte ten tijde van het begaan van de tenlastegelegde feiten in 1992 en in 2002, een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond in de zin van artikel 37a Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank vervolgt ten aanzien van de straf.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum, en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Voorts houdt de rechtbank, ten bezware van verdachte, rekening met de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Verdachte heeft op gewelddadige wijze de beide slachtoffers verkracht. Zijn gewelddadige en meedogenloze gedrag heeft geleid tot een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Verdachte heeft zijn slachtoffers daarbij veel leed berokkend. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij er niet voor is teruggeschrokken om dergelijk geweld tegen zijn medemensen te gebruiken voor zijn eigen seksuele genoegens. Voorts overweegt de rechtbank dat door dergelijke feiten algemene gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving worden aangewakkerd.

Voorts betrekt de rechtbank de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte bij haar beoordeling. Ten nadele van verdachte overweegt de rechtbank dat verdachte

zich noch om het lot van zijn slachtoffers heeft bekommerd noch op enig moment spijt heeft betuigd van zijn daden. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij de ernst van de door hem gepleegde feiten en het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed kennelijk niet inziet. Daarnaast is de rechtbank gebleken dat verdachte terzake van strafbare feiten, soortgelijk aan de door hem gepleegde feiten, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister reeds eerder werd veroordeeld.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat het onder 1 bewezenverklaarde feit een oud feit betreft.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

verkrachting

T.a.v. feit 2:

verkrachting

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.J.H. Van Dellen, voorzitter,

mr. J.M.P. Willemse en mr. M.T. van Vliet, leden,

in tegenwoordigheid van C. Raaimakers, griffier,

en is uitgesproken op 27 januari 2009.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen

1 LJN BF7373

2 Verklaring [slachtoffer], eindproces-verbaal, p. 15-18

3 Verklaring [slachtoffer], eindproces-verbaal, p. 16

4 Verklaring [slachtoffer], eindproces-verbaal, p. 17

5 Verklaring [slachtoffer], eindproces-verbaal, p. 17

6 Verklaring van [slachtoffer], eindproces-verbaal, p. 19

7 Verklaring van verdachte, eindproces-verbaal, p. 121

8 Eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 13 januari 2009

9 Verklaring van verdachte, eindproces-verbaal, p. 126

10 Rapport van het Gerechtelijk Laboratorium d.d. 16 december 1992, eindproces-verbaal, p. 32

11 Deskundigenrapport d.d. 12 september 2008, aanvullende rapportage in zaak 1992.10.16.043, p. 4

12 Deskundigenrapport d.d. 12 februari 2008, eindproces-verbaal, p. 103, 106

13 Verklaring [slachtoffer 2], eindproces-verbaal, p. 34-35

14 Verklaring [slachtoffer 2], eindproces-verbaal, p. 35

15 Verklaring [slachtoffer 2], eindproces-verbaal, p. 36

16 Verklaring [slachtoffer 2], eindproces-verbaal, p. 39

17 Het relaas van [verbalisanten 1 en 2], eindproces-verbaal, p. 47

18 Verklaring [slachtoffer 2], eindproces-verbaal, p. 37-38

19 Deskundigenrapport d.d. 3 januari 2003, eindproces-verbaal, p. 101

20 Verklaring onderzoek zedendelicten, eindproces-verbaal, p. 74

21 Verklaring van [getuige 2], eindproces-verbaal, p. 157

22 Verklaring van [getuige 2], eindproces-verbaal, p. 158

23 Deskundigenrapport d.d. 12 februari 2008, eindproces-verbaal, p. 106

24 Deskundigenrapport d.d. 12 februari 2008, eindproces-verbaal, p. 103

25 Verklaring [slachtoffer 2], eindproces-verbaal, p. 38

??

??

8

Parketnummer: 01/825428-08

[verdachte]