Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH0618

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-01-2009
Datum publicatie
23-01-2009
Zaaknummer
01/825583-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk voor een poging tot afpersing (promis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825583-08

Datum uitspraak: 23 januari 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

verblijvende in België, doch ook daar geen vaste woon- of verblijfplaats,

thans verblijvende in P.I. Vught Nieuw Vosseveld 2 HvB regulier te Vught.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 januari 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 november 2008.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 9 januari 2009 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat (een kopie van de vordering tot wijziging is aangehecht):

1.

hij op of omstreeks 24 september 2007 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om

zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [slachtoffer1] te dwingen tot de afgifte van

goederen en/of geld van zijn gading, in elk geval van enig goed of geldbedrag,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met

voormeld oogmerk:

- het bedrijfspand van [slachtoffer2] binnen is gegaan (voorzien van een

tas met een mes en/of een pepperspray) waarbij verdachte een panty over zijn,

verdachtes hoofd heeft getrokken en/of een pet heeft opgezet en/of;

- tegen [slachtoffer1] heeft geroepen "geld, geld, dit is een overval", en/of;

- [slachtoffer1] (met kracht) heeft geduwd en/of aan [slachtoffer1] heeft

getrokken waardoor [slachtoffer1] is komen te vallen en/of;

- [slachtoffer1] met pepperspray, althans met een prikkende en/of bijtende stof,

in het gezicht heeft gespoten;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 317 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 24 september 2007 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van zijn

gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen

vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

(slachtoffer) , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

met voormeld oogmerk

- het bedrijfspand van [slachtoffer2] binnen is gegaan (voorzien van een

tas met een mes en/of een pepperspray) waarbij verdachte een panty over zijn,

verdachtes hoofd heeft getrokken en/of een pet heeft opgezet en/of;

- tegen [slachtoffer1] heeft geroepen "geld, geld, dit is een overval", en/of;

- [slachtoffer1] (met kracht) heeft geduwd en/of aan [slachtoffer1] heeft

getrokken waardoor [slachtoffer1] is komen te vallen en/of;

- [slachtoffer1] met pepperspray, althans met een prikkende en/of bijtende stof,

in het gezicht heeft gespoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

(artikel 312 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 september 2007 te Maarheeze, gemeente Cranendonck,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer1]), (met kracht)

heeft geduwd en/of getrokken tengevolge waarvan [slachtoffer1] is komen te

vallen en/of [slachtoffer1] met pepperspray, althans met een prikkende en/of

bijtende stof in het gezicht heeft gespoten, waardoor deze letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

De bewijsmiddelen.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn:

1. Het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche, met dossiernummer PL2233/08-007800, afgesloten op 4 november 2008, aantal doorgenummerde bladzijden: 122 (hierna verder genoemd PV).

2. De verklaring van verdachte zoals deze is afgelegd ter terechtzitting van 9 januari 2009.

Vaststaande feiten.

Op 24 september 2007 is verdachte het bedrijfspand van [slachtoffer2] te Maarheeze, gemeente Cranendonck binnengegaan, waar hij [slachtoffer1] trof. Buiten zat een persoon in een auto te wachten. Verdachte had deze persoon een deel van de buit beloofd als deze persoon op hem zou wachten. Verdachte had een panty over zijn hoofd getrokken en een pet opgezet. Tevens had hij een tas met een mes en pepperspray bij zich. Verdachte heeft pepperspray in het gezicht van [slachtoffer1] gespoten. Verdachte is zonder iets mee te nemen weggerend1.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het voldoende aannemelijk dat het is gegaan zoals aangever heeft verklaard. Deze gang van zaken blijkt ook duidelijk uit de camerabeelden die door de politie zijn bekeken. De officier van justitie acht daarom de primair ten eerste tenlastegelegde poging tot afpersing van [slachtoffer1] wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte ontkent iets te hebben geroepen tegen [slachtoffer1]. Het is erg snel gegaan, dus het is aannemelijk dat aangever zich heeft verbeeld dat verdachte iets tegen hem heeft geroepen. De raadsvrouwe acht daarom het dwingen tot afgifte van geld niet bewezen en bepleit vrijspraak van de primair ten eerste tenlastegelegde poging tot afpersing.

Het oordeel van de rechtbank.

Was er sprake van een poging tot afpersing?

In zijn aangifte verklaart [slachtoffer1] dat hij op 24 september 2007 aan het werk was in zijn zaak [slachtoffer2] te Maarheeze. Op een gegeven moment hoorde [slachtoffer1] de deur open gaan en is hij naar voren gelopen. Er kwam een manspersoon zijn richting in gelopen en [slachtoffer1] hoorde dat hij riep: “Geld, geld, dit is een overval”. Meteen op dat moment spoot hij een vloeistof in [slachtoffer1] gezicht. [slachtoffer1] is de man aangevlogen, waarop een worsteling ontstond. Tijdens de worsteling hoorde [slachtoffer1] de man roepen: “Ik heb een mes bij me”. Nadat [slachtoffer1] heeft geroepen dat de man op de video stond, is hij zonder iets mee te nemen weggerend2.

Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij in het bedrijfspand heeft geroepen “Geld, geld dit is een overval” en/of “Ik heb een mes bij me”. Verdachte verklaart dat hij helemaal niets heeft geroepen.

De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de aangifte, mede gezien de wijze waarop verdachte het bedrijf [slachtoffer2] is binnengekomen, met een panty over zijn hoofd getrokken en een pet op, en de middelen die hij bij zich had, een mes en pepperspray3.

De rechtbank zal de aangifte dan ook in haar geheel gebruiken voor het bewijs.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepoogd [slach[slachtoffer1] door geweld en bedreiging met geweld tot afgifte van geld te dwingen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 24 september 2007 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om

zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer1] te dwingen tot de afgifte van geld toebehorende aan [slachtoffer1] of bedrijf [slachtoffer2], met voormeld oogmerk:

- het bedrijfspand van [slachtoffer2] binnen is gegaan (voorzien van een

tas met een mes en pepperspray) waarbij verdachte een panty over zijn,

verdachtes hoofd heeft getrokken en een pet heeft opgezet en

- tegen [slachtoffer1] heeft geroepen "geld, geld, dit is een overval", en

- [slachtoffer1] met pepperspray in het gezicht heeft gespoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45, 317.

De strafoplegging.

De eis van de officier van justitie.

Vanwege de ernst van het feit en het leed dat aan het slachtoffer is aangedaan is een gevangenisstraf in de ogen van de officier van justitie de enige passende strafmodaliteit. Anderzijds houdt de officier van justitie rekening met het feit dat verdachte geen recente documentatie heeft op dit gebied. De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dit een nadere behandeling inhoudt bij de GGzE. Met deze bijzondere voorwaarde zoekt de officier van justitie aansluiting bij het reclasseringsrapport dat omtrent verdachte is opgemaakt.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich tot 2000 op het criminele pad bevonden, maar daarna niet meer. Hij had nieuwe vrienden, een nieuwe vriendin, waarmee hij zou gaan trouwen en samen met haar een eigen bedrijf. Echter toen hij zijn verloofde betrapte met de getuige bij zijn huwelijk, stortte zijn wereld in. Verdachte ging zijn verdriet verdrinken en raakte diep in de schulden. Verdachte zag geen andere uitweg meer dan een overval plegen. Hij heeft impulsief gehandeld en is er zelf van geschrokken. Via maatschappelijk werk wordt er nu een oplossing gezocht voor zijn schulden. Verdachte wil als hij vrij komt hard werken en niet meer in aanraking komen met justitie. Het voorval kan worden gezien als een eenmalig incident.

Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit komen, zoals de verdediging heeft bepleit, is de raadsvrouwe van oordeel dat kan worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Dit kan eventueel worden opgelegd in combinatie met een voorwaardelijk deel met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit komen, dan voert de raadsvrouwe aan om een groter deel, dan de officier van justitie heeft geëist, van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft de geplande overval goed voorbereid. Hij heeft een bedrijf gezocht, waar contant geld voorhanden zou zijn en zich voorzien van vermommingen en wapens. Vervolgens heeft verdachte [slachtoffer1] in zijn eigen zaak geprobeerd af te persen. Hierbij is verdachte er niet voor teruggedeinsd het nodige geweld te gebruiken door pepperspray in de ogen van [slachtoffer1] te spuiten. Dit handelen van verdachte betreft een grove aantasting van de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer.

De rechtbank is daarom van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank acht het, gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, aannemelijk dat er kennelijk sprake is van een eenmalige misstap van verdachte om een dermate ernstig misdrijf te plegen. Uit het relatief beperkte strafblad van verdachte leidt de rechtbank af dat hij nooit eerder is veroordeeld tot een dermate ernstig feit en evenmin is verdachte eerder veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarden naleeft. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

Met de bijzondere voorwaarde zoekt de rechtbank aansluiting bij het reclasseringsrapport dat omtrent verdachte is opgemaakt4.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

primair (ten eerste)

poging tot afpersing

De rechtbank:

verklaart verdachte hiervoor strafbaar,

legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en):

t.a.v. primair:

gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren en de bijzondere voorwaarde:

dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de

aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio

's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze

instelling zulks noodzakelijk acht, ook als dit inhoudt het volgen van ambulante behandeling

bij de GGzE danwel een soortgelijke instelling.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d

van het Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J.H. Bruggink, voorzitter,

mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. P.J. Appelhof, leden,

in tegenwoordigheid van L.M. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 23 januari 2009.

1 Aangifte [slachtoffer1], PV, p. 39-40; Bevindingen politie, PV, p. 49; Verklaring verdachte ter terechtzitting.

2 Aangifte [slachtoffer1], PV, p. 39-40.

3 Bevindingen politie, PV, p. 49; Verklaring verdachte ter terechtzitting.

4 Voorlichtingsrapport van het Leger des Heils, Jeugdzorg & Reclassering d.d. 8 december 2008