Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH0392

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2009
Datum publicatie
22-01-2009
Zaaknummer
01/825591/08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis

Steekpartij in Helmond begin september 2008.

Veroordeling voor poging tot doodslag.

Opgelegd: een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825591-08

Datum uitspraak: 22 januari 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

wonende te [woonplaats], [adres] ,

thans gedetineerd te: PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 januari 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 december 2008

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 06 september 2008 te Helmond, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in diens borstkas/ buik (plm. 4 centimeter onder het hart van die [slachtoffer]), althans in het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287/45, 302/45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 september 2008 te Helmond opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer]), met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp in diens borstkas/buik (plm. 4 centimeter onder het hart van die

[slachtoffer]), althans in diens lichaam heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(Artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten

In de nacht van 6 september 2008 heeft in Helmond een vechtpartij plaatsgevonden waarbij aangever [slachtoffer] en een andere man betrokken waren.1 2 Nadat beide mannen door een derde man uit elkaar zijn getrokken, werd [slachtoffer] door deze derde man met een mes in zijn buik, onder zijn zwevende rib, gestoken.3 4 Bij [slachtoffer] is door een arts een steekwond aan de linkerzijde van de borstkas geconstateerd. 5

Bewijsoverweging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting betoogd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit, te weten poging doodslag, heeft begaan. Uit de bewijsmiddelen kan immers worden afgeleid dat het verdáchte was die het [slachtoffer] met een mes heeft gestoken.

Verdachte heeft zich vanaf zijn aanhouding op zijn zwijgrecht beroepen.

Door de raadsman van verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het verdáchte is geweest die het slachtoffer met een mes heeft gestoken. Hiertoe is het volgende aangevoerd:

- de fotoconfrontatie is niet op de juiste en gebruikelijke wijze uitgevoerd en is om die reden van onwaarde voor het bewijs;

- de verklaringen van aangever zijn niet constistent en zijn verklaringen komen niet overeen met de verklaring van de [getuige];

- de verklaringen van aangever en [getuige] vinden geen bevestiging in enig ander bewijsmiddel;

- niet valt uit te sluiten dat aangever reeds in de vechtpartij voorafgaand aan het steekincident met een mes is gestoken.

De raadsman heeft verder verzocht om – in het geval de rechtbank ook tot deze conclusie komt – de onmiddellijke opheffing van de voorlopige hechteis van verdachte te gelasten.

Subsidiair – mocht de rechtbank oordelen dat het verdachte was die aangever [slachtoffer] heeft gestoken – is door de raadsman vrijspraak van het primair tenlastegelegde feit en bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank overweegt als volgt.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop de fotoconfrontatie heeft plaatsgevonden – aangever en de getuige [getuige] zijn geconfronteerd met een viertal foto’s die bij de huiszoeking op 6 september 2008 [adres 1] 1] te Helmond (de woning van [persoon 1]) door de rechter-commissaris in beslag zijn genomen6 – afwijkt van hetgeen gebruikelijk is. Echter, in casu zijn onderstaande omstandigheden van belang.

De getuige [getuige] heeft verklaard7: ‘Ik zag vervolgens dat [persoon 1] (de rechtbank begrijpt: [persoon 1]) en haar vriend, die volgens mij [verdachte] (daarbij doelend op de persoon die later het slachtoffer steekt) heet, naar buiten kwamen.(…) Ik zag dat de vriend van [persoon 1], die ik verder [verdachte] zal noemen, naar [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer]) en de man liep. Ik zag dat [[verdachte] [slachtoffer] bij zijn nek of aan de achterzijde van zijn t-shirt vastpakte. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] van de man aftrok. (…)Ik liep toen samen met [slachtoffer] naar onze woning. Wij stonden ongeveer 1 meter van de voordeur af in onze voortuin. Ik hoorde [verdachte] achter ons schreeuwen en schelden. Ik draaide me om en zag dat [verdachte] in de voortuin van mijn tante, wonende op nummer 9, liep. Ik hoorde dat [verdachte] vroeg hoe het kon dat de man onder het bloed zat. Ik zei tegen [verdachte] dat [slachtoffer] niks gedaan had. Ik pakte [verdachte] vast bij zijn rechter arm om hem tegen te houden. Ik zag dat [verdachte] gewoon door liep in de richting van [slachtoffer]. Ik voelde dat [verdachte] zich los trok uit mijn greep. Ik zag dat [verdachte] en [slachtoffer] met hun gezichten ongeveer 30 centimeter van elkaar stonden. (…) Ik zag dat [verdachte] een mes in zijn hand vast hield. Ik weet niet meer welke hand. (…) Ik zag dat [verdachte] het mes, welke hij vast hield, naar achter bewoog en vervolgens met een vaart naar voren in de richting van de buik van [slachtoffer]. Ik zag dat het lemmet, door het shirt van [slachtoffer] heen sneed en dat de lemmet bijna helemaal weg was in het lichaam van [slachtoffer]. Ik zag dat [verdachte] het mes terug trok en dat [slachtoffer] heel hard wegrende in de richting van de [adres 2] (…) Nadat ik mijn tante had ingeschakeld zag ik dat [persoon 1] naar me toegelopen kwam. Ik voelde en zag dat [persoon 1] mij vast pakte, in een soort omhelzing. Ik hoorde dat [persoon 1] tegen mij zei: ‘Laat de dokter erna kijken en schakel niet de politie in, dit valt onderling ook op te lossen’, of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat [persoon 1] weg liep in de richting van haar huis. Ik zag dat [verdachte] en de onbekende man daar ook naar toe liepen. (…) Na ongeveer 15 minuten kwam ik terug bij onze woning en zag dat [slachtoffer] vanaf de andere kant aan kwam lopen. (…) Ik zag dat [persoon 1], [verdachte] en de voor mij onbekende man uit de woning kwamen van [persoon 1]. Ik zag dat (…) ze met zijn drieën in een zwarte Volkswagen Golf 4 stapten. Ik weet dat deze auto van [verdachte] is en dat ie hele mooie glimmende wieldoppen heeft.’

De daadwerkelijke herkenning van verdachte als de dader van de steekpartij heeft naar het oordeel van de rechtbank al eerder plaatsgevonden, namelijk al tijdens het voorval. [getuige] noemt verdachte en zijn vriendin al tijdens haar verklaring bij de naam. Nadat haar later foto’s zijn getoond van [persoon 1] en verdachte, bevestigt zij slechts haar eerdere herkenning.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard8: ‘U vraagt mij of ik de twee mannen en vrouw kan beschrijven. (…) De vrouw was volgens mij enkele dagen geleden bij mijn schoonvader aan de deur geweest. Hier had ze met mijn vrouw gesproken. Het ging over een gecrashte laptop of zoiets. (…) Volgens mij woont zij ergens op het [adres 1]. Dit is het plein dat tegenover de woning van mijn schoonvader ligt.’

De rechtbank leidt hieruit af dat ook voor verdachte reeds sprake was van een herkenning van [persoon 1] en dat deze niet slechts op grond van de hem later getoonde foto’s heeft plaatsgevonden.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het volgende. Verdachte was in het bezit van een zwarte Golf, type 4, met het kenteken [kenteken].9 [getuige] heeft een zwarte Golf herkend als de auto van [verdachte] en zij heeft gezien dat verdachte, [persoon 1] en de onbekende man instapten en wegreden.10 In deze auto werden diverse bloedsporen aangetroffen.11 De man waarmee aangever aanvankelijk in gevecht raakte, had veel bloed op zijn shirt toen hij in de auto stapte.12

De rechtbank acht om die reden de herkenningen voldoende betrouwbaar om te dienen als bewijs. Verder overweegt de rechtbank dat de verklaringen van aangever en de verklaring van [getuige] niet dusdanig onderling tegenstrijdig zijn dat moet worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van voornoemde verklaringen. Beiden verklaren dat eenmaal is gestoken met een mes en dat dit heeft plaatsgevonden op het moment dat de vechtpartij met de andere man reeds tot een einde was gekomen.13 14 [getuige] verklaart daarbij nog eens expliciet dat het verdachte was die heeft gestoken.15 Uit niets volgt dat al tijdens de vechtpartij tussen aangever en de andere man door de andere man van een mes gebruik is gemaakt.

De rechtbank zal zowel de herkenningen op grond van de getoonde foto’s als de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] tot het bewijs bezigen en komt op grond van deze en de overige in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen tot het oordeel dat het verdachte was die de aangever met een mes in zijn buik/in de onmiddellijke nabijheid van de borstkas heeft gestoken.

Ten aanzien van het opzet op de dood dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte is op enig moment met een mes in zijn hand op het slachtoffer [slachtoffer] toegelopen. [getuige] heeft getracht hem tegen te houden door hem bij zijn arm te pakken, maar verdachte was niet meer te stoppen. Hij heeft zich losgerukt en heeft [slachtoffer] doelgericht en bewust onder zijn zwevende rib, in de buurt van vitale organen zoals het hart, de aorta, de maag en de darmen met een potentieel dodelijk wapen – een mes – gestoken. Het lemmet van het mes verdween hierbij bijna geheel in het lichaam van [slachtoffer] en deze heeft hierbij een steekwond van onbekende diepte opgelopen. Dat het binnen korte tijd tot de dood had kunnen leiden indien één van de vitale organen met het mes zou zijn geraakt, behoeft geen nadere uitleg.

Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken kan worden vastgesteld dat het handelen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvormen van die handelingen was gericht op het toebrengen van dodelijk letsel bij het slachtoffer [slachtoffer]. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is slechts te danken aan omstandigheden die buiten de wil van verdachte zijn gelegen. Derhalve is sprake van opzet op het van het leven beroven van [slachtoffer].

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen (onder de kopjes vaststaande feiten en bewijsoverweging) – in onderling verband en samenhang beschouwd – komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op 06 september 2008 te Helmond, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in diens borstkas/buik(plm. 4 centimeter onder het hart van die [slachtoffer]) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte terzake het primair tenlastegelegde feit, te weten poging doodslag, zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd door verdachte in voorarrest doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om – indien tot strafoplegging wordt overgegaan – rekening te houden met de omstandigheid dat uit het dossier zou kunnen worden afgeleid dat het de zoon van verdachte is geweest met wie aangever [slachtoffer] in gevecht was voordat hij werd gestoken en dat deze zoon door [slachtoffer] op zeer ernstige, gewelddadige wijze is bejegend. Dit gegeven zou van invloed kunnen zijn geweest op het handelen van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer] met opzet in de buik- of borststreek gestoken toen de vechtpartij tussen [slachtoffer] en de andere man reeds was geëindigd en [slachtoffer] terugliep in de richting van zijn dochter en hij heeft zich door aldus te handelen schuldig gemaakt aan een zeer ernstig delict, namelijk poging tot doodslag. Dat het slachtoffer niet dood is gestoken door verdachte, is aan puur geluk te danken.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden – voor zover aan de rechtbank bekend, gelet op het feit dat verdachte ervoor heeft gekozen op geen enkele wijze openheid van zaken of inzicht in zijn beweegredenen en persoonlijke omstandigheden te geven – van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan – en laat dit ten nadele van verdachte meewegen bij de strafoplegging – dat:

- het bewezenverklaarde feit naar zijn aard tot grote onrust in de samenleving leidt;

- verdachte zich zelfs niet heeft laten weerhouden door de aanwezigheid van het zeer jonge dochtertje van het slachtoffer en door de pogingen van de vriendin van het slachtoffer om hem tegen te houden;

- verdachte met zijn handelen voor eigen rechter heeft willen spelen, terwijl eigenrichting te allen tijde dient te worden voorkomen in de samenleving;

- het door verdachte gepleegde strafbare feit een zeer gewelddadig karakter heeft en dat verdachte er niet voor is teruggeschrokken om dergelijk zwaar geweld tegen zijn medemens te gebruiken en

- verdachte zich om het lot van het slachtoffer kennelijk volstrekt niet heeft bekommerd.

Ten voordele van verdachte zal de rechtbank echter bij de strafoplegging rekening houden met de uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid, dat het zeer gewelddadige incident waarbij de zoon van verdachte was betrokken, bij verdachte emotionele gevoelens heeft opgeroepen, die ertoe hebben geleid dat verdachte gehandeld heeft zoals is bewezenverklaard. Deze omstandigheid dient naar het oordeel van de rechtbank tot matiging van de straf te leiden. Nu deze reactie van verdachte richting het slachtoffer zeer disproportioneel was, zal de rechtbank deze omstandigheid slechts in beperkte mate laten meewegen.

De rechtbank zal derhalve een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd door verdachte in voorarrest doorgebracht. De rechtbank is van oordeel dat deze straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. primair:

poging tot doodslag

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging en mr. P.J. Neijt, leden,

in tegenwoordigheid van mr. L. Soeteman, griffier,

en is uitgesproken op 22 januari 2009.

1 Een proces-verbaal van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche, met kenmerk: PL2233/08-008145, afgesloten op 6 november 2008, verder te noemen: Eindpv., pag 48: verklaring van aangever [slachtoffer].

2 Eindpv. pag. 67: verklaring van getuige [getuige].

3 Eindpv. pag. 48-49: verklaring van aangever [slachtoffer].

4 Eindpv. pag. 68: verklaring van getuige [getuige].

5 Eindpv. pag. 53: Medische verklaring d.d. 15 september 2008.

6 Eindpv. pag. 71 en 75.

7 Eindpv. pag. 67-68: verklaring van getuige [getuige].

8 Eindpv. pag. 49-50: verklaring van aangever [slachtoffer].

9 Eindpv. pag. 95: proces-verbaal van bevindingen.

10 Eindpv. pag. 69: verklaring van getuige [getuige].

11 Eindpv. pag. 93: proces-verbaal van bevindingen.

12 Eindpv. pag. 73: verklaring van getuige [getuige].

13 Eindpv. pag. 48-49: verklaring van aangever [slachtoffer].

14 Eindpv. pag. 68: verklaring van getuige [getuige].

15 Eindpv. pag. 68: verklaring van getuige [getuige].

??

??

2

Parketnummer: 01/825591-08

[verdachte]