Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:BH0328

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
01/839158-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroving in Helmond eind november 2007 en vondst stoffelijk overschot ruim een maand na dato in de Zuid Willemsvaart. Meer dan een doodsoorzaak is mogelijk en geen van die mogelijkheden is met afdoende mate van zekerheid vast te stellen. Het bewezen verklaarde geweld heeft niet geleid tot de dood van het slachtoffer. De rechtbank spreekt vrij van de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid dat de dood van het slachtoffer het gevolg is van de diefstal met geweld.

Bewezen verklaard is diefstal met geweld in vereniging.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact.

De benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839158-08

Datum uitspraak: 21 januari 2009

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1987,

wonende te [woonplaats, adres]

thans gedetineerd te: HvB Ooyerhoekseweg - Zutphen.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juli 2008, 15 oktober 2008 en 7 januari 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij voorlopige dagvaarding ex artikel 261 lid 3 Sv. van 1 juli 2008. Een afschrift hiervan is aan dit vonnis gehecht (bijlage 1).

De voorlopige tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 7 januari 2009 aangepast conform het bepaalde in artikel 314a Sv. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht (bijlage 2). Met inachtneming van deze aanpassing is aan verdachte tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 25 november 2007 te Helmond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld, en/of een mobiele telefoon en/of een halsketting, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [verdachte], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

-[slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, onverhoeds met kracht (met gebalde vuist)

(met een voorwerp) in/tegen diens gezicht en/of hoofd en/of keel/hals, in elk geval diens

lichaam, heeft/hebben geslagen; en/of

-[slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met geschoeide voet) in/tegen

diens gezicht en/of hoofd en/of keel/hals, in elk geval dienslichaam, heeft/hebben geschopt;

en/of

-de keel/hals van [slachtoffer] (met kracht) heeft/hebben dichtgeknepen en/of

dichtgeknepen gehouden,

tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden

[artikel 312 lid 3 Wetboek van Strafrecht]

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding.

[slachtoffer] verlaat op 25 november 2007 te 03:30 het ‘Stadscafé’, gevestigd aan de Markt te Helmond. [slachtoffer] draagt op dat moment een zwarte broek, zwarte schoenen, een zwarte trui en een zwart halflange leren jas (blz. 82 eindpv). Omstreeks genoemd tijdstip wordt [slachtoffer] door [getuige 1] lopend gezien in de [adres 1] te Helmond

(blz. 1554 eindpv). Diezelfde dag om 03:47 uur meldt [getuige 2], wonende te [adres 2] te Helmond, aan de politie dat hij een klap tegen zijn raam heeft gehoord en dat voor zijn woning een man in een zwarte leren jas op de grond ligt en dat hij een groepje mensen heeft horen wegrennen. [getuige 2] vermoedt een straatroof. Tijdens een tweede telefooncontact kort daarop meldt [getuige 2] aan verbalisanten dat hij de man moeizaam heeft zien opstaan en weglopen (blz. 84 t/m 85; blz. 1649 t/m 1652 van het eindpv). Om 04:03 uur is een surveillance-eenheid ter plaatse op het [adres 2] Door verbalisanten wordt niets relevants waargenomen (pv looproute onderzoek ‘22GH0802’

d.d. 25 september 2008 in FTO dossier).

De afstand van genoemd ‘Stadscafé’ via de [adres 1] tot het [adres 2] bedraagt 765 meter en kan lopend worden afgelegd in circa 8 minuten (pv looproute onderzoek ‘22GH0802’ met bijlagen d.d. 25 september 2008 in FTO-dossier).

[verdachte] verschijnt op 25 november 2007 niet op zijn werk en wordt twee dagen later als vermist opgegeven (blz. 73 eindpv). [slachtoffer] wordt op 27 en 28 november 2007 niet in zijn woning aangetroffen (blz. 86 t/m 91 eindpv). Op 8 januari 2008 wordt het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in de Zuid Willemsvaart te Helmond aangetroffen (blz. 92, 94 en 95 eindpv; bijlage 6 ‘identificatie’ FTO-dossier). De kleding van het stoffelijk overschot stemt overeen met de kleding [slachtoffer] bij het verlaten van het stadscafé te Helmond op 25 november 2007 te 03:30 uur droeg (blz. 82 eindpv; blz. 1 van bijlage 3 ‘Sectie’ FTO-dossier).

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] wordt onder meer het navolgende vastgesteld:

*rechts aan de wang: een circa 9 cm grote violette zwelling met bloeduitstorting en

holtevorming. Dit letsel is bij leven opgetreden. Het kan evenwel het intreden van de dood

niet zonder meer verklaren;

*een breuk van het linker grote hoorntje van het strottenhoofd met omgevende bloed-

uitstorting. Dit letsel is bij leven opgetreden. Deze breuk is het gevolg van hevig uitwendig

samendrukkend mechanisch geweld op het strottenhoofd, zoals bijvoorbeeld bij strangulatie

of verwurging zou kunnen optreden. Ook een harde val op het strottenhoofd kan dergelijk

letsel veroorzaken. Dit letsel is bij leven opgetreden. Er was geen sprake van aantoonbare

stuwing van het hoofd;

*de diagnose verdrinking is minder waarschijnlijk maar niet uitgesloten;

*de hartspier bevat aanwijzingen voor een lymfocytaire myocarditis, zijnde een

hartspierontsteking. Een dergelijk ziektebeeld is geassocieerd met acuut onwel worden

en zelfs met overlijden, met name bij lichamelijke inspanning;

*er zijn geen aanwijzingen voor ziekelijke afwijkingen aan de organen die een rol hebben

gespeeld bij het intreden van de dood (blz. 132-136 eindpv).

Uit onderzoek van de historische printgegevens van de gsm van [slachtoffer] blijkt onder

meer dat telefoonnummer (nummer), zijnde het nummer van [medeverdachte 1]

vanaf 25 november 2007 te 09:32 uur t/m 28 november 2007 gebruik heeft gemaakt

van het gsm-toestel van [slachtoffer] (blz. 30, 32, 33, 561, 1155, 1156, 1856 en 1857

van het eindpv; blz. 28 en 29 van het dossier heling).

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op 25 november 2007, op een tijdstip tussen 03:40 uur en 03:45 uur, vindt ter hoogte van [adres 2] te Helmond een beroving plaats. Hierbij wordt het slachtoffer, [verdachte], onverhoeds door [medeverdachte 1] met een harde klap met de vuist tegen de zijkant van het gezicht tegen de grond geslagen. Verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] bevinden zich op dat moment in de directe omgeving van [medeverdachte 1] en [slachtoffer]. Zij zijn kort hieraan voorafgaand gezamenlijk achter [medeverdachte 1] en [slachtoffer] aan gaan lopen. [slachtoffer] wordt al liggend op de grond door in elk geval [medeverdachte 1] gefouilleerd. Er wordt geld en een gsm van [slachtoffer] weggenomen. Verdachte en genoemde medeverdachten verwijderen zich gezamenlijk van de plaats van de beroving. [medeverdachte 2] verdeelt kort daarop het weggenomen geld onder alle betrokkenen. Verdachte krijgt 50 euro. [medeverdachte 1] houdt de weggenomen gsm.1,2,3,4,5,6,7

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] tezamen en in vereniging [verdachte] hebben beroofd van zijn geld en mobiele telefoon en dat [slachtoffer] hierbij een klap tegen zijn hoofd heeft gekregen als gevolg waarvan hij is overleden. De officier van justitie is van mening dat de dood van [slachtoffer] in redelijkheid aan verdachte en medeverdachten kan worden toegerekend. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [slachtoffer] is overleden aan hartfalen als gevolg van de gewelddadige beroving en dat dit fatale gevolg aldus in redelijkheid aan verdachte en medeverdachten kan worden toegerekend. De officier van justitie grondt zijn standpunt

- kort gezegd - op:

*de verklaringen van verdachte en medeverdachten met betrekking tot de door hen

gepleegde beroving, inclusief het geweldgebruik daarbij;

*de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2], waaruit afgeleid kan worden dat

zij zich onmiddellijk na de beroving al zorgen maakten over de toestand van het slachtoffer;

*de verklaring van [getuige 2], zijnde degene [slachtoffer] hoort vallen en heeft

gehoord dat [slachtoffer] stopt met ademen;

*de bevindingen van patholoog Van de Goot, waaruit afgeleid kan worden dat [slachtoffer]

leed aan een (virale) infectie van de hartspier en dat die aandoening wordt geassocieerd met

acuut overlijden, met name bij fysieke inspanning of stress;

*de ter zitting afgelegde verklaring van getuige-deskundige Van de Goot, waaruit afgeleid

kan worden dat [slachtoffer] binnen twee uur na het opgelopen letsel aan zijn rechter wang en

de nek is overleden;

*het ontbreken van mogelijke alternatieve scenario’s anders dan hoogst onwaarschijnlijke

scenario’s gebaseerd op louter speculatie.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij bij de gewelddadige beroving van [slachtoffer] betrokken is geweest en dat hij een deel van de buit (50 euro) heeft ontvangen.

De raadsman heeft aangevoerd dat bewezen kan worden dat verdachte als medepleger

bij de gewelddadige beroving betrokken is geweest. Voor wat betreft het overlijden van

[slachtoffer] stelt de raadsman zich op het standpunt dat uit de processtukken en uit de ter zitting afgelegde verklaringen van getuige-deskundige Van de Goot en deskundige Niessen niet afgeleid kan worden dat het overlijden van [slachtoffer] het gevolg is geweest van de klap tegen diens hoofd door [medeverdachte 1]. Volgens de raadsman valt niet uit te sluiten dat in de tijdspanne tussen het uitdelen van de klap en de dood van [slachtoffer] door derden geweld tegen [slachtoffer] is gebruikt als gevolg waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden. Het letsel aan de hals, het verdwijnen van de ketting en polsarmband van het slachtoffer en het in het kanaal dumpen van het lichaam duiden daar op. De raadsman concludeert dat het overlijden van [slachtoffer] in redelijkheid niet aan verdachte kan worden toegerekend en dat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank.

Voor wat betreft de beroving van [slachtoffer] gaat de rechtbank uit van het navolgende.

Verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] staan op 25 november 2007

rond 03:15 uur voor café (café), gelegen op de hoek (adres)/[adres 1] te Helmond.8

Verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bespreken hun geldgebrek.9 [slachtoffer] loopt kort daarop langs café (café) en loopt de [adres 1] in.10 [medeverdachte 1] maakt aan verdachte en [medeverdachte 2] in woord en/of gebaar duidelijk dat [slachtoffer] beroofd zal worden.11 [medeverdachte 1] loopt [slachtoffer] achterna.12 Verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] volgen [medeverdachte 1] op korte afstand.13 Verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] verblijven tot en met de hoek van de [adres 3] in elkaars directe nabijheid.14 Ter hoogte van het [adres 2] tikt [medeverdachte 1] [slachtoffer] van achteren op diens schouder en slaat hem neer. Verdachte en [medeverdachte 2] bevinden zich op dat moment in de directe nabijheid van [medeverdachte 1] en zijn getuige van deze geweldshandeling.15 De gewelds-handeling vindt plaats op een tijdstip tussen 03:40 en 03.45 uur.16 [slachtoffer] wordt door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gefouilleerd en hierbij wordt geld en een gsm weggenomen.17 Verdachte staat op dat moment op enkele meters afstand18 en [medeverdachte 3] bevindt zich op dat moment iets verder verwijderd van het voorval.19 Verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] verlaten gezamen-lijk de plaats van de beroving.20 Kort na de beroving wordt de buit (190 euro) redelijk gelijk verdeeld door [medeverdachte 2]. Verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] krijgen elk 50 euro en [medeverdachte 3] krijgt 40 euro.21 [medeverdachte 1] houdt de gsm.22 Verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] vertrekken binnen een uur na de overval naar een discotheek in Venray en geven hierbij een deel van de buit uit.23

Op grond van deze en de hiervoor reeds onder het kopje ‘vaststaande feiten’ omschreven feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte de gewelddadige overval op [slachtoffer] mede heeft gepleegd en dat hierbij geld en een gsm is weggenomen.

*zijn voorafgaande wetenschap dat [slachtoffer] zou worden overvallen;

*het met dat doel samen met medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] achter [slachtoffer]

aan gaan lopen;

*het op korte afstand aanwezig zijn en aanwezig blijven op twee cruciale momenten van

de beroving, te weten de door [medeverdachte 1] gepleegde geweldshandeling jegens [slachtoffer] en de

aansluitende fouillering van de op de grond liggende [slachtoffer] door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2];

*het gezamenlijk verlaten van de plaats delict;

*het kort daarop verdelen van de buit, waarbij verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] elk 50 euro

krijgen;

*het met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] vertrekken naar Venray,

rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat er in het geval van verdachte sprake is geweest van een dusdanig bewuste en nauwe samenwerking en planvorming met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tot het plegen van de overval, dat hij als medepleger daarvan dient te worden aangemerkt.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de dood van [slachtoffer]

op enige wijze aantoonbaar het gevolg is geweest van de geweldshandeling van mede- verdachte [medeverdachte 1] of ander bewezenverklaard handelen.

Uit het hiervoor aangehaalde sectierapport van arts-patholoog F.R.W. van de Goot valt af

te leiden dat er sprake is van een niet-natuurlijke dood en dat er meerdere mogelijke doodsoorzaken zijn aan te wijzen, te weten:

1.hoewel minder waarschijnlijk, niet uitgesloten: verdrinking;

2.een breuk van het linker grote hoorntje van het strottenhoofd die mogelijk kan zijn

veroorzaakt door een verwurging, strangulatie of een harde val op het strottenhoofd;

3.hartfalen als gevolg van een lymfocytaire myocarditis, welke het gevolg is van een

virusinfectie, en geassocieerd wordt met acuut onwel worden en zelfs met overlijden, met

name bij lichamelijke inspanning.

Ter zitting van 7 januari 2009 zijn genoemde arts-patholoog Van de Goot en prof. dr. J.W.M. Niessen van de afdeling pathologie van de Vrije Universiteit (Medisch Centrum) te Amsterdam als resp. getuige-deskundige en deskundige gehoord.

Getuige-deskundige Van de Goot heeft hierbij zijn conclusie uit het sectierapport herhaald dat het aangetroffen letsel aan de rechterwang van [slachtoffer] diens dood niet zonder meer kan verklaren. Volgens de getuige-deskundige kan de tijdspanne tussen de bewuste klap

en het intreden van de dood van [slachtoffer] evenwel beperkt worden tot een maximale tijdspanne van 2 uur. De getuige-deskundige grondt dit op het ontbreken van bepaalde

witte bloedlichaampjes nabij de letsels bij de sectie.

De kans dat [slachtoffer] door verdrinking om het leven is gekomen acht de getuige-deskundige, overeenkomstig zijn conclusie in het sectierapport, minder waarschijnlijk doch niet volledig uitgesloten.

Terzake van de waargenomen breuk in het hoorntje van het strottenhoofd heeft de

getuige-deskundige verklaard dat bij een dergelijke breuk normaal gesproken een zwelling en een lichte benauwdheid optreedt en dat zo’n breuk op zich niet leidt tot het intreden van de dood, behoudens bij substantieel en aanhoudend geweld op het keelgebied. Hierbij denkt de getuige-deskundige aan verwurging of strangulatie. De getuige-deskundige geeft aan

dat vanwege het ontbreken van sporen duidend op bloedstuwing van het hoofd van

[slachtoffer], niet aan te tonen is dat er sprake is geweest van verwurging of strangulatie.

Deskundige Niessen heeft diverse monsters van het hart van [slachtoffer] onderzocht en

heeft daarbij in de hartspier aanwijzingen waargenomen van de hartspierontsteking in de

zin van lymfocytaire myocarditis. Ter zitting heeft de deskundige verklaard dat van deze

ziekte zeer waarschijnlijk sprake is geweest. Volgens de deskundige en getuige-deskundige Van de Goot kan lichamelijke inspanning en stress bij genoemde hartspierontsteking tot acuut onwel worden en acuut overlijden leiden. Een dergelijke stresssituatie zou zich voor kunnen doen als gevolg van een klap tegen het hoofd en het daardoor bewusteloos raken.

In dat geval moet het hart harder werken en deze verhoogde belasting kan bij lymfocytaire myocarditis tot hartfalen leiden. Dit is volgens de deskundige echter lang niet altijd het geval. De deskundige kan hieromtrent geen mate van waarschijnlijkheid geven. Op de vraag of hartfalen in het onderhavige geval ook daadwerkelijk de doodsoorzaak is

geweest kan de getuige-deskundige geen sluitende uitspraak doen omdat specifieke verschijnselen die wijzen op de dood door hartfalen door hem niet zijn aangetroffen.

De rechtbank constateert dat de getuige-deskundige geen definitief uitsluitsel heeft kunnen bieden omtrent de hiervoor onder 1., 2. en 3. genoemde doodsoorzaken. Naar het oordeel van de rechtbank is tijdens het onderzoek ter terechtzitting dan ook in onvoldoende mate vast komen te staan dat [slachtoffer] door een van de hiervoor genoemde mogelijke doodsoorzaken is overleden. Uit het enkele feit dat [slachtoffer] een verhoogde kans op hartfalen heeft gehad, kan naar het oordeel van de rechtbank niet volgen dat hij daaraan

ook daadwerkelijk is overleden, omdat specifieke verschijnselen die vaak optreden bij hartfalen niet zijn aangetroffen.

De rechtbank gaat er vanuit dat de grote zwelling met bloeduitstorting op de rechterwang van [slachtoffer] het gevolg is geweest van de klap die [medeverdachte 1] tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft gegeven. Blijkens het sectierapport en de ter zitting gegeven toelichting door getuige-deskundige Van de Goot kan deze enkele klap de dood niet hebben veroorzaakt.

In dit verband wijst de rechtbank op de waarnemingen van [getuige 2] (kort na

03:49 uur) waaruit afgeleid kan worden dat deze de op straat liggende [slachtoffer] heeft

zien opstaan en wankelend weg heeft zien lopen.

Voor het scenario dat (het lichaam van) [slachtoffer] kort daarop zou zijn verplaatst door (mede)verdachte(n) of derden is naar het oordeel van de rechtbank uit de processtukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende gebleken. Op het moment dat [getuige 2]

- buiten zicht - [slachtoffer] hoort vallen nadat deze weg was gewankeld, hoort (getuige 2) weliswaar een snurkend/ronkend geluid dat na enige tijd stopt, echter hij verklaart niets

over op dat moment waarneembare geluiden die kunnen duiden op de aanwezigheid van

derden. Het verdient hierbij opmerking dat uit de verklaring van [getuige 2] kan worden afgeleid dat hij goed kon horen wat zich toen buiten in de omgeving van zijn woning afspeelde. De verbalisanten die kort daarop, om 04:03 uur, op het [adres 2] arriveren relateren evenmin iets over de aanwezigheid van [slachtoffer] of van derden in

de omgeving van het [adres 2]

De rechtbank concludeert het volgende.

De geweldaanwending door [medeverdachte 1] (de klap tegen het gezicht) heeft niet (rechtstreeks) tot de dood van [slachtoffer] geleid. Het overige letsel kan niet zonder meer door de klap worden verklaard. Er bestaat onduidelijkheid of de dood het gevolg is geweest van logische vervolghandelingen van (mede)verdachte(n) of van derden, zoals het verplaatsen van het lichaam van [slachtoffer]. Hierdoor kan naar het oordeel van de rechtbank geen causaal verband worden vastgesteld tussen het handelen van verdachte en zijn medeverdachten en de dood van [slachtoffer]. Daarom kan de dood van [slachtoffer] niet aan verdachte en/of zijn medeverdachten worden toegerekend. De rechtbank kan niet uitsluiten dat in de tijd van 2 uur gelegen tussen de klap van [medeverdachte 1] en de dood van [slachtoffer] door (een) onbekend gebleven derde(n) fors ander geweld op [slachtoffer] is toegepast, waarvoor verdachte geen strafwaardige verantwoordelijkheid draagt. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat

[slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte en/of zijn medeverdachten is komen te overlijden.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is

dat verdachte:

op 25 november 2007 te Helmond tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld en een mobiele telefoon toebehorende aan [verdachte], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen[slachtoffer]] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en zijn mededaders [slachtoffer] onverhoeds met kracht met gebalde vuist tegen diens gezicht hebben geslagen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 310 en 312.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie. (bijlage 3)

*een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden

voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde

reclasseringstoezicht.

*toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met daarbij de oplegging van de

schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

Uitgaande van een partiële vrijspraak terzake van het strafverzwarende onderdeel van de tenlastelegging, acht de raadsman een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren een reële straf. De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de vorderingen van de benadeelde partijen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte is betrokken geweest bij een brutale en laffe overval gepleegd in de nachtelijke uren op de toevallig langslopende [slachtoffer]. Bij deze overval is [slachtoffer] van achteren benaderd en vervolgens bij verrassing hard tegen het gezicht geslagen. Door deze klap is

[slachtoffer] knock out op de grond gevallen. Een dergelijke gewelddadig handelen betekent een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij met kennelijk gemak bij deze gewelddadige overval betrokken is geraakt.

Na de fouillering hebben verdachte en zjin medeverdachten [slachtoffer] vervolgens op de grond achtergelaten, zonder zich om het lot van hem te bekommeren. Verdachte heeft bij het plegen van het feit gehandeld uit een laag motief, te weten financieel gewin. Door een dergelijk op de openbare weg gepleegd strafbaar feit worden algemene gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving versterkt.

De rechtbank houdt er anderzijds rekening mee dat verdachte nooit eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarde naleeft. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan. De rechtbank heeft hierbij gelet

op de inhoud van het voorlichtingsrapport van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering d.d. 18 juli 2008 over verdachte.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank de sterk strafverzwarende omstandigheid dat het strafbare feit de dood van [slachtoffer] tot gevolg heeft gehad niet bewezen acht. De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen straf de ernst van het wel bewezenverklaarde afdoende tot uitdrukking brengt.

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]

De diverse posten van de vorderingen van de benadeelde partijen hebben betrekking op

het overlijden van [verdachte]. Zoals hiervoor reeds is uiteengezet wordt verdachte vrijgesproken van het onderdeel van de tenlastelegging dat daarop betrekking heeft.

De rechtbank zal de benadeelde partijen dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen, aangezien door voornoemde vrijspraak geen sprake is van rechtstreeks

verband tussen het bewezenverklaarde feit en de gevorderde schade.

De rechtbank zal, omdat de vorderingen niet kunnen worden toegewezen, de benadeelde partijen veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Beslag. (bijlage 4)

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslag-genomen voorwerpen aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Diefstal voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren en met de bijzondere voorwaarde:

dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in haar vordering. Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in haar vordering. Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden

begroot op nihil.

Beslissing op beslag.

Teruggave inbeslaggenomen goederen aan verdachte, te weten: een gsm (Toshiba), een gsm (NEC) en een simkaart (Vodafone).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,

en is uitgesproken op 21 januari 2009.

1verklaring verdachte ter zitting van 7 januari 2009; verklaring verdachte, blz. 451 (laatste alinea) t/m 453; blz, 455 t/m 456 van eindpv

2verklaring [medeverdachte 1] d.d. 25 november 2008, pv PL2233/07-141154 d.d. 25 november 2008, blz. 3 en 4; onderhoud [medeverdachte 1] d.d. 11 november

2008, pv PL2233/07-141154 d.d. 26 november 2008, blz. 3-4

3verklaring [medeverdachte 2], blz. 342 t/m 346 (1e alinea); blz. 350b (laatste alinea) van het eindpv

4verklaring [medeverdachte 3], blz. 500 (vanaf 12e alinea) t/m 501 (eerste zes alinea’s); blz. 512 (14e alinea) van het eindpv

5bevindingen verbalisant [verbalisant 1], blz. 84 van het eindpv

6verklaring [getuige 2], blz. 1876 van het eindpv

7bevindingen van [verbalisant 2] en [verbalisant 3], blz. 80 van het eindpv

8verklaring verdachte ter zitting van 7 januari 2009; onderhoud [medeverdachte 1] d.d. 11 november 2008, pv PL2233/07-141154 d.d. 26 november 2008

blz. 3; verklaring [medeverdachte 2] blz. 341 eindpv; verklaring [medeverdachte 3] blz. 493 onderaan/blz. 494 bovenaan van eindpv

9onderhoud [medeverdachte 1] blz. 255 eindpv; onderhoud [medeverdachte 1] d.d. 11 november 2008, pv PL2233/07-141154 d.d. 26 november 2008 blz. 3

10verklaring verdachte ter zitting van 7 januari 2009; verklaring [medeverdachte 2] blz. 342 onderaan en blz. 343 bovenaan eindpv; verklaring [medeverdachte 3] blz.

500 vanaf het midden eindpv; verklaring [getuige 1] blz. 1544 eindpv

11verklaring verdachte ter zitting van 7 januari 2009, verklaring [medeverdachte 2] blz. 344 5e alinea eindpv

12verklaring verdachte ter zitting van 7 januari 2009; verklaring [medeverdachte 2] blz. 344 5e alinea eindpv

13verklaring verdachte ter zitting van 7 januari 2009; verklaring [medeverdachte 2] blz. 344 5e alinea eindpv

14verklaring [medeverdachte 2] blz. 344 5e alinea eindpv; verklaring verdachte blz. 392 10e en 11e alinea eindpv; verklaring verdachte d.d. 20 oktober 2008

PL2233/07-141154 blz 2 in het midden

15verklaring verdachte ter zitting van 7 januari 2009; verklaring [medeverdachte 2] blz. 344 6e en 7e alinea eindpv; onderhoud [medeverdachte 1] blz. 255 eindpv;

relaas van bevindingen van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] d.d. 29 april 2008 blz. 80-81 eindpv

16relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] blz. 84-85 eindpv; verklaring [getuige 2] blz. 1876 eindpv; verklaring [medeverdachte 2] blz. 350b eindpv

17verklaring verdachte ter zitting van 7 januari 2009; verklaring verdachte blz. 453 7e t/m 10 eindpv; verklaring [medeverdachte 3] blz. 501 6e alinea einpv;

onderhoud [medeverdachte 1] blz. 255 eindpv;

18verklaring verdachte ter zitting van 7 januari 2009; verklaring verdachte blz. 453 11e alinea eindpv

19verklaring verdachte ter zitting van 7 januari 2009; verklaring [medeverdachte 1] d.d. 25 november 2008 PL2233/07-141154 blz. 3 27e en 28e regel

20verklaring verdachte ter zitting van 7 januari 2009; verklaring [medeverdachte 2] blz. 347 4e alinea eindpv; onderhoud [medeverdachte 1] blz. 256 1e liggende

streepje eindpv

21verklaring verdachte ter zitting van 7 januari 2009; verklaring verdachte blz. 456 3e t/m 8e alinea eindpv; verklaring [medeverdachte 2] blz. 347 8e t/m

13e alinea eindpv; verklaring [medeverdachte 3] te blz. 512 14e alinea en blz. 513 3e aliena eindpv; verklaring [medeverdachte 1] blz. 256 3e liggende streepje eindpv

22verklaring [medeverdachte 2] blz. 309 47e t/m 49e regel eindpv; verklaring verdachte blz. 453 10 alinea eindpv; verklaring [medeverdachte 1] d.d. 25 november 2008

pv PL2233/07-141154 blz. 3 4e alinea

23verklaring [medeverdachte 2] blz 309 onderaan en blz 310 bovenaan eindpv; verklaring verdachte blz. 380 onderaan eindpv, blz. 381 5e t/m 12e alinea en

blz. 405 10e t/m 12e alinea eindpv; verklaring [medeverdachte 3] blz. 526 9e en 10e alinea eindpv