Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2009:6887

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-02-2009
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
584972 / 08-8848
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBSHE:2009:6888
Einduitspraak: ECLI:NL:RBSHE:2010:9620
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Internationaal wegtransport. Bevoegdheid. Toepasselijk recht.

Situatieve arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0472
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie Eindhoven

Zaaknummer : 584972

Rolnummer : 08/8848

Uitspraak : 19 februari 2009

In de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] (Frankrijk),

eiser,

gemachtigde: mw. mr. L. van Luipen, advocaat te Rotterdam ([postbusnummer]);

t e g e n :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Internationaal Transportbedrijf] B.V.,

statutair gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

gemachtigde: Mr. H. Nieuwenhuizen, advocaat te Eindhoven ([postbusnummer]),

heeft de kantonrechter te Eindhoven het navolgende vonnis gewezen.

1 De procedure

1.1.

Deze blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 23 september 2008 met negen producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 6 november 2008 zijdens [Internationaal Transportbedrijf] met negen producties;

  • -

    de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt tijdens de comparitie van partijen d.d. 13 januari 2009, alwaar namens eiser verschenen eiser zelf en zijn gemachtigde voornoemd, die tevens als tolk is opgetreden, en namens gedaagde verschenen de heer [Van E.], manager Afdeling Personeelszaken bij [Internationaal Transportbedrijf] en de gemachtigde van gedaagde voornoemd.

1.2.

Partijen zullen hierna worden aangeduid met “[eiser]” en “[Internationaal Transportbedrijf]”.

1.3.

De uitspraak is thans bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[eiser] is op 25 januari 2002 in dienst getreden bij [Internationaal Transportbedrijf]. [eiser] verdiende laatstelijk een salaris van € 2.195,13 bruto per maand.

2.2.

Op 29 juni 2007 heeft [eiser] met de heer [Van E.] van [Internationaal Transportbedrijf] een gesprek gevoerd over de door [eiser] gewenste vakantie van drie weken om voor zijn vrouw te zorgen die uit het ziekenhuis kwam.

2.3.

Bij brief gedateerd 29 juni 2007 (productie 4 bij dagvaarding) heeft [Van E.] namens [Internationaal Transportbedrijf] aan [eiser] onder meer bericht:

“(…) Op donderdag 28 juni neemt u met ondergetekende telefonisch contact op om aan te geven dat u met onmiddellijke ingang 3 weken vakantie wenst om voor uw vrouw , die eerder deze week haar been brak, te zorgen. Toen aan u te kennen werd gegeven dat, dat problematisch zou zijn in verband met de reeds lopende vakanties van uw collega chauffeurs, gaf u aan dan per direct ontslag te nemen.

Op 29 juni wordt u in een gesprek aangegeven wat de juridische complicaties kunnen zijn bij het beëindigen van de arbeidsverhouding op eigen verzoek en wenst u ontslag op staande voet te krijgen. Gaandeweg het gesprek geeft u aan per direct weg te gaan en levert u uw spullen in (diverse bescheiden van [Internationaal Transportbedrijf] en de werkgeversverklaring van IVW)(…)

Dit schrijven dient (…) als bevestiging van uw ontslag op 29 juni 2007”

2.4.

Per (in het Engels gestelde) brief gedateerd 19 juli 2007 (productie 6 bij dagvaarding) heeft [eiser] aan [Van E.] onder meer bericht:

I do not accept the comments in your letter dated 29 June 2007. I have not resigned nor terminated my contract”.

2.5.

Per brief van 1 augustus 2007 heeft de gemachtigde van [eiser] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet. Tevens is aangegeven dat [eiser] zich beschikbaar houdt om de overeengekomen werkzaamheden te hervatten zodra hij hersteld is.

2.6.

Op 3 december 2007 heeft de kantonrechter te Eindhoven bij vonnis in kortgeding (528367; 07/VV 7874, productie 9 bij dagvaarding) de vordering tot wedertewerkstelling en loondoorbetaling afgewezen, hierbij overwegend “voor de nodige feitenvaststelling is de kort gedingprocedure niet het geëigende forum”.

2.7.

Eveneens op 3 december 2007 heeft de kantonrechter bij beschikking (531703; 07/1658, productie 7 bij conclusie van antwoord) het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van [Internationaal Transportbedrijf] afgewezen, hierbij overwegend “dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat er sprake is van een blijvende verstoring van de arbeidsverhouding”, dit omdat [Internationaal Transportbedrijf] herhaalde malen ter zitting zou hebben aangegeven dat zij [eiser] graag als chauffeur terug wilde hebben.

2.8.

Per brief van 20 december 2007 (productie 8 bij conclusie van antwoord), als ook in afschrift toegezonden aan de gemachtigde van [eiser], heeft de gemachtigde van [Internationaal Transportbedrijf] voorwaardelijk aan [eiser] de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 maart 2008. Tevens vermeldt de brief onder meer:

Ter voorkoming van verder procedures blijft cliënte bereid u werkzaamheden aan te bieden. Indien u uw werkzaamheden voor cliënte voort wenst te zetten, verneem ik dat gaarne van u; u kunt uw werkzaamheden dan ingang 1 januari 2008 hervatten”.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert [Internationaal Transportbedrijf] te veroordelen tot betaling van het overeengekomen salaris van € 2.195,13 bruto per maand vanaf – kort gezegd – 29 juli 2007 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente over bedoeld salaris en met proceskosten als vermeld in de dagvaarding.

[eiser] legt aan deze vordering – zakelijk weergegeven – naast de vaststaande feiten (voor zover door hem aangevoerd) ten grondslag diverse argumenten die hieronder nader worden besproken, voorzover voor de beoordeling van thans belang.

3.2.

[Internationaal Transportbedrijf] heeft de toewijzing van de vordering uitvoerig betwist op basis van de vaststaande feiten (voor zover door haar aangevoerd) en van diverse argumenten die hieronder nader worden besproken, voor zover voor de beoordeling thans van belang.

3.3.

Tijdens de comparitie van partijen hebben partijen bij hun respectieve standpunt volhard. Een schikking is vervolgens vergeefs beproefd. Op de diverse argumenten als zowel in de processtukken als tijdens de comparitie over en weer nader aangevoerd zal de kantonrechter, voor zover voor de beoordeling thans van belang, hieronder terugkomen.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter is op grond van artikel 19 EEX-Verordening (“Brussel I”) bevoegd in deze zaak waarbij een werknemer die niet woonachtig is in Nederland, zijn wel in Nederland – gezien artikel 60 EEX-Verordening – ‘woonachtige’ werkgever heeft gedagvaard.

4.2.

De in onderdeel 2.1. genoemde arbeidsovereenkomst wordt voorts beheerst door Nederlands recht, nu – zoals door [Internationaal Transportbedrijf] terecht betoogd – gezien de aard van de werkzaamheden van [eiser], zijnde internationaal chauffeur in diverse landen, op grond van artikel 6 lid 2 sub b van het EVO-verdrag het recht van het land van toepassing is waar zich de vestiging van [Internationaal Transportbedrijf] bevindt die [eiser] in dienst heeft genomen, zijnde Nederland. Een nauwere verbondenheid met een ander land is gesteld noch gebleken. [eiser] heeft zich over het toepasselijk recht in het geheel niet uitgelaten maar wel zijn vordering op Nederlands recht gebaseerd, zodat in ieder geval daarin een impliciete rechtskeuze voor Nederlands recht kan worden gelezen. [Internationaal Transportbedrijf] heeft zich voorts, als nader ter comparitie toegelicht, onder meer op artikel 7:680a BW beroepen (loonmatiging) en reeds in haar conclusie van antwoord op artikel 7:628 BW, hetgeen los van artikel 6 EVO-verdrag ook als impliciete rechtskeuze kan worden geduid.

4.3.

Partijen verschillen echter uitdrukkelijk van mening of in deze zaak artikel 6 BBA eveneens van toepassing. [eiser] stelt dat zulks wel het geval is, [Internationaal Transportbedrijf] heeft gemotiveerd het tegendeel betoogd. In het kader van begrenzing van het geschil acht de kantonrechter het dienstig deze vraag eerst te bezien.

4.4.

In een arbeidsverhouding met internationale aspecten, zoals de onderhavige, is geen sprake van automatische toepasselijkheid van artikel 6 BBA. Bepalend is, aldus vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 23 oktober 1987, NJ 1988,842 en HR 18 januari 1991, NJ 1991,296) – als terecht door [Internationaal Transportbedrijf] aangehaald – of de sociaal-economische belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt bij de internationale arbeidsverhouding zijn betrokken. Hierbij moet met name worden bezien of de ontslagen werknemer, dan wel de werknemer zoals [eiser] die stelt te zijn ontslagen, ten gevolge van het ontslag terug zou vallen op de Nederlandse arbeidsmarkt.

4.5.

Bij de beoordeling als in onderdeel 4.4 bedoeld dient van de volgende omstandigheden te worden uitgegaan. [eiser] heeft (uitsluitend) de Engels nationaliteit. [eiser] woont niet in Nederland doch in Frankrijk op ongeveer 1000 kilometer van de vestiging van [Internationaal Transportbedrijf]. [eiser] spreekt geen Nederlands, hoewel de kantonrechter tijdens de zitting is gebleken dat [eiser] wel wat Nederlandse woorden begrijpt, en kan – naar eigen zeggen tijdens de comparitie – ook geen Nederlands lezen. [eiser] heeft voor [Internationaal Transportbedrijf] vooral buiten Nederland gereden. [eiser] heeft zelf tijdens de comparitie aangegeven dat hij na de hieronder te bespreken gang van zaken in juni 2007, werk heeft gezocht in Frankrijk en dus niet in Nederland. Hij is inmiddels ook bij een Frans bedrijf in dienst getreden, aldus zijn mededeling ter comparitie. Gegeven deze omstandigheden is er geen sprake van dat de Nederlandse arbeidsmarkt bij het ‘ontslag’ in juni 2007 of in maart 2008 betrokken is geweest. Dat, zoals ter comparitie door [eiser] nog aangevoerd, [eiser] voor in dienstreding bij [Internationaal Transportbedrijf] jaren ook in Nederland heeft gewerkt maakt dit niet anders.

4.6.

Dit betekent dat, zo de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [Internationaal Transportbedrijf] niet op een eerder moment blijkt te zijn beëindigd, in ieder geval deze vanwege de voorwaardelijke opzegging (zie onderdeel 2.8) is geëindigd per 1 maart 2008.

4.7.

Zowel in de processtukken als tijdens de comparitie is uitvoerig aandacht besteed aan hetgeen zich op 29 juni 2007 heeft afgespeeld.

4.7.1.

[eiser] stelt te zijn ontslagen door de heer [Van E.], welk ontslag al telefonisch was aangekondigd. Om die reden had [eiser] tijdens het gesprek met [Van E.] de aan [Internationaal Transportbedrijf] toebehorende zaken zoals toegangspas, debet-card, wn de RVI –werkgeversverklaring al bij zich en had hij zijn persoonlijke eigendommen al uit zijn vrachtwagen gehaald. [eiser] stelt uitdrukkelijk geen ontslag te hebben genomen. [eiser] heeft ook geweigerd een in het Nederlands opgestelde brief waarin stond dat hij zelf ontslag nam, te ondertekenen. [eiser] vermoedt dat [Internationaal Transportbedrijf] hem heeft ontslagen omdat [Internationaal Transportbedrijf] dan een goedkopere (Poolse) chauffeur in zijn plaats kon aanstellen.

4.7.2.

[Internationaal Transportbedrijf] heeft gesteld dat [eiser] onverwachts drie weken verlof wenste om voor zijn vrouw te gaan zorgen, hetgeen niet uitkwam vanwege de afwezigheid van andere chauffeurs vanwege de vakantieperiode; dat [eiser] niet heeft aangegeven dat niet op ander wijze in bijstand voor zijn vrouw kon worden voorzien, maar heeft aangegeven dat hij kosten van externe hulp te duur vond; dat [Van E.] met [eiser] heeft willen overleggen; dat [Van E.] de Engelse taal redelijk beheerst; dat [eiser] heeft gezegd “I get the leave or I resign” of woorden van gelijke strekking; dat [Van E.] aan [eiser] heeft voorgehouden wat de consequenties waren van zelf ontslag nemen en een document voor beëindiging met wederzijds goedvinden heeft opgesteld; dat [eiser] de aan [Internationaal Transportbedrijf] toebehorende zaken heeft ingeleverd; dat [eiser] bij het verlaten van het pand van [Internationaal Transportbedrijf] tegen de heer [J.], ook werkzaam bij [Internationaal Transportbedrijf], heeft gezegd dat hij ontslag had genomen; dat mevrouw [H.], ook werkzaam bij [Internationaal Transportbedrijf], het gesprek tussen [Van E.] en [eiser] heeft gevolgd en daarover kan verklaren.

4.7.3.

Nu partijen uitdrukkelijk van mening verschillen over de vraag of [eiser] zelf ontslag heeft genomen op 29 juni 2007, ligt het in beginsel in de rede dat [Internationaal Transportbedrijf] - conform haar uitdrukkelijk aanbod - in de gelegenheid wordt gesteld deze ontslagname door [eiser] zelf te bewijzen. Om proceseconomische redenen zal echter thans nog niet een dergelijke bewijsopdracht worden verstrekt.

4.8.

[Internationaal Transportbedrijf] heeft zich immers, mocht blijken dat [eiser] niet zelf ontslag heeft genomen, erop beroepen dat [eiser] zich niet beschikbaar heeft gehouden voor het verrichten van arbeid, zodat derhalve voor de periode van 29 juni 2007 tot en met 29 februari 2008 de regel van artikel 7:628 BW (‘geen arbeid geen loon’) dient te gelden. [Internationaal Transportbedrijf] heeft hierbij er tevens op gewezen dat zij diverse malen aan [eiser] heeft aangeboden dat hij weer bij [Internationaal Transportbedrijf] kon komen werken. In de brief van 20 december 2007 (zie onderdeel 2.8) is een dergelijk aanbod, namelijk hervatting per 1 januari 2008 met zoveel woorden inderdaad te lezen.

4.9.

Door [eiser] is tijdens de comparitie van partijen, deels in aanvulling op hetgeen in de dagvaarding is aangevoerd, nader toegelicht waarom [eiser] toch meent aanspraak te hebben op loon vanaf 29 juni 2007. Hierbij heeft [eiser] allereerst gesteld dat, zo hij al op 29 juni 2007 ontslag zou hebben genomen, [Internationaal Transportbedrijf] hem daaraan in de gegeven omstandigheden niet mag houden, omdat dit ontslag alsdan heeft plaatsgevonden onder een hevige gemoedsbeweging. [eiser] heeft hierbij onder meer gewezen op HR 12 september 1986, NJ 1987,267 (Westhof/Van Spronssen). [eiser] heeft erop gewezen dat hij verder sinds het ontslag overspannen is geweest, slecht sliep en fysieke stressgerelateerde klachten heeft ondervonden. [eiser] verwijst hierbij naar de als productie 8 aan de dagvaarding gehechte recept. Naar de kantonrechter voorshands heeft begrepen stelt [eiser] dat hij ten gevolge van deze klachten arbeidsongeschikt geweest is van 29 juni 2007 tot en met oktober 2007. Vanaf november 2007 tot 1 maart 2008 heeft [eiser] geprobeerd werk te vinden in Frankrijk. [eiser] heeft zich niet bij [Internationaal Transportbedrijf] gemeld omdat hij verwachtte dat [Internationaal Transportbedrijf] - in zijn eigen woorden - zijn leven tot een hel zou maken, zodat het niet lang zou duren voordat [eiser] weer ziek zou worden. Het conflict rond het ontslag en het niet verlenen van verlof toen de vrouw van [eiser] uit het ziekenhuis kwam, moest eerst worden opgelost, bijvoorbeeld via mediation, aldus [eiser]

De kantonrechter begrijpt voorshands dat [eiser] zich hiermee beroept op situatieve arbeidsongeschiktheid van november 2007 tot 1 maart 2008.

4.10.

[Internationaal Transportbedrijf] heeft betwist dat [eiser] arbeidsongeschikt was in de hierboven genoemde periode van juni 2007 tot november 2007. [Internationaal Transportbedrijf] heeft eveneens gemotiveerd betwist dat [eiser] niet gewoon weer had kunnen beginnen. Het komt, aldus [Internationaal Transportbedrijf], wel vaker voor dat chauffeurs terug in dienst moesten worden genomen. Pesten van dergelijke personeelsleden is niet aan de orde. [eiser] is een goede chauffeur. Er is diverse malen door [Internationaal Transportbedrijf] aangeboden dat hij weer kon beginnen, ook tijdens de schorsing van het kortgeding.

4.11.

De kantonrechter stelt vast dat in ieder geval tot nu toe onvoldoende is gebleken dat [eiser] arbeidsongeschikt was in de door hem genoemde periode tot november 2007. Hiertoe zullen nadere stukken dienen te worden overgelegd, die bij voorkeur niet door de eigen behandelend arts zijn opgesteld. Verder ontbreekt een verklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW. [eiser] zal ook hieraan aandacht dienen te besteden, nu overlegging van een dergelijke verklaring in beginsel vereist is voor ontvankelijkheid van de vordering van [eiser] voor zover gebaseerd op artikel 7:629 BW. Het stond [Internationaal Transportbedrijf] overigens vrij eerst in de procedure de door [eiser] gestelde ziekte te betwisten (zie HR 15 juni 2007, LJN BA5315 )

Voorts acht de kantonrechter het door [eiser] gestelde arbeidsconflict over het al dan niet opnemen van vakantiedagen als zodanig, uitgaande van de stand van zaken per november 2007 onvoldoende om situatieve arbeidsongeschiktheid te onderbouwen.

De Hoge Raad heeft immers ten aanzien van situatieve arbeidsongeschiktheid in HR 27 juni 2008, LJN BC7669, JAR 2008/188 onder meer overwogen:


“3.5.2. In een geval (…), waarin sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, kan zich de situatie voordoen dat de werknemer zich op grond van (dreigende) psychische of lichamelijke klachten niet in staat acht tot het verrichten van zijn werkzaamheden, hoewel ten aanzien van de arbeidsgeschiktheid geen medische beperkingen van psychische of fysieke aard kunnen worden vastgesteld, zodat van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte in de zin van art. 7:629 BW geen sprake is. Dit geval wordt wel aangeduid als ‘‘situatieve arbeidsongeschiktheid’’ en de vraag doet zich voor in hoeverre in zo’n geval gezegd kan worden dat de werknemer zijn werkzaamheden niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen, als bedoeld in art. 7:628 lid 1 BW.

3.5.3.

De werknemer (…) die zich erop beroept dat hij als gevolg van de hiervoor bedoelde ‘‘situatieve arbeidsongeschiktheid’’ zijn werkzaamheden niet heeft verricht en over de betrokken periode doorbetaling van zijn loon vordert, zal feiten en omstandigheden moeten stellen en zonodig aannemelijk moeten maken die tot het oordeel kunnen leiden dat in die periode de arbeidsomstandigheden, door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen, voor hem zodanig waren dat, met het oog op de (dreiging van) psychische of lichamelijke klachten, van hem redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden zou verrichten. Hierbij verdient aantekening dat de werknemer in een zodanig geval van ‘‘situatieve arbeidsongeschiktheid’’ in beginsel gehouden is alle medewerking te verlenen aan inspanningen die erop gericht zijn de oorzaken daarvan weg te nemen. De werknemer behoudt dan ingevolge art. 7:628 BW zijn recht op loon, en ‘‘werkweigering’’ kan dan geen ontslaggrond vormen.

[eiser] zal zijn betoog, mede aan de hand van nog te overleggen medische gegevens, dienen toe te snijden op de eisen als in de hierboven deels geciteerde uitspraak opgenomen.

4.12.

Het eventueel terstond geheel of gedeeltelijk afdoen van de onderhavige zaak op het voorgaande lijkt in ieder geval geen recht te doen aan de door beide partijen evident beoogde beoordeling van het daadwerkelijke conflict en aan de aan de orde zijnde belangen over en weer. De jurisprudentie van de Hoge Raad ( zie onder meer HR 14 maart 2008, LJN BC 1231) laat ruimte voor de rechter om zo nodig partijen nader te laten reageren of een standpunt feitelijk nader te laten ontwikkelen. Er bestaat in deze zaak naar het oordeel van de kantonrechter om redenen van proceseconomie aanleiding toe om [eiser] in de gelegenheid te stellen zijn stellingen ter zake de gestelde arbeidsongeschiktheid en de – voorshands als zodanig begrepen – situatieve arbeidsongeschiktheid, voorzien van relevante bescheiden, in een conclusie na comparitie nader uit te werken.

[Internationaal Transportbedrijf] zal hierop vervolgens mogen reageren door middel van een antwoordconclusie na comparitie. Zonodig zal vervolgens getuigenbewijs worden opgedragen, hetzij aan [eiser] hetzij aan [Internationaal Transportbedrijf] hetzij aan beiden.

4.13.

De zaak zal worden verwezen naar de rol voor de in onderdeel 4.12 bedoelde conclusie zijdens [eiser].

4.14.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.15.

De kantonrechter geeft partijen in overweging om, gezien hetgeen reeds overwogen is en gezien het blijkens bindende eindbeslissingen thans nog in eerste aanleg aan de orde zijnde belang, te bezien of een minnelijke regeling thans kan worden bereikt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rol van donderdag 19 maart 2009 voor conclusie na comparitie zijdens [eiser] als bedoeld in onderdeel 4.12.;

bepaalt dat vervolgens [Internationaal Transportbedrijf] vier weken later zal mogen reageren bij antwoordconclusie na comparitie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. R.R.M. de Moor , kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.