Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BI0701

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
163712 - HA ZA 07-1708
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Gebrekkige opstal. Kelderluikcriteria. Eigen schuld.

Tijdens een bezoek aan het kantoorpand van gedaagde (notariskantoor) valt eiseres van een steile trap in een kelder, wanneer zij - op zoek naar het toilet - een verkeerde deur opent. Zij heeft als gevolg van deze val ernstig letsel opgelopen. De rechtbank oordeelt dat het pand van gedaagde niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden gesteld mochten worden, doordat de kelderdeur, waarachter zich direct een steile trap naar beneden bevindt, niet was afgesloten en ook niet was voorzien van een aanduiding waaruit bezoekers van het pand konden begrijpen dat zij daar niet naar binnen moesten gaan, terwijl deze deur zich bevindt in een (minder goed verlicht) halletje waarnaar bezoekers worden verwezen wanneer zij het toilet willen bezoeken. De rechtbank acht gedaagde aansprakelijk voor de door eiseres geleden schade op grond van de artikelen 6:174 BW en 6:162 BW. De rechtbank is van oordeel dat 40% van de ontstane schade het gevolg is van de aan eiseres toe te rekenen omstandigheid dat zij onvoldoende oplettend was (eigen schuld).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 163712 / HA ZA 07-1708

Vonnis van 6 augustus 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. G.J.L.F.M. Schakenraad,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CUSTOS PRAKTIJK B.V.,

gevestigd te Waalre,

gedaagde,

procureur mr. B.M. Stroetinga.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Custos genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 oktober 2007,

- de brief van 1 april 2008 met producties zijdens [eiseres],

- het proces-verbaal van comparitie van 14 april 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vordering

2.1. [eiseres] verzoekt de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat Custos aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade als gevolg van een onrechtmatige daad,

2. Custos te veroordelen om ter zake materiële schade tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van EUR 176.830,42, waaronder begrepen EUR 10.447,- aan buitengerechtelijke kosten inclusief 7% kantoorkosten, 19% BTW berekend over honorarium en kantoorkosten en de betaalde andere kosten (hierover wordt geen BTW berekend), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2007 tot de dag van algehele voldoening,

3. Custos te veroordelen om ter zake immateriële schade tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van EUR 16.092,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2007 tot de dag van algehele voldoening,

4. met veroordeling van Custos in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede voor nakosten met een bedrag van EUR 131,-, dan wel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, van EUR 199,-.

2.2. Custos voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiseres], bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan

3. Het geschil en de beoordeling

3.1. Op 18 maart 2004 bracht de toen 69-jarige [eiseres] samen met haar echtgenoot een bezoek aan het notariskantoor van Custos aan de Markt 14 te Waalre.

Op zoek naar het toilet heeft [eiseres] een deur geopend, waarachter zich een trap naar de kelder bleek te bevinden. [eiseres] is van de trap gevallen en heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. In deze procedure gaat het om de vraag of Custos de (letsel)schade die [eiseres] als gevolg hiervan heeft geleden en nog lijdt, dient te vergoeden.

Criteria voor aansprakelijkheid

3.2. [eiseres] acht Custos aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW juncto artikel 6:181 BW als bezitter of (zakelijk) gebruiker van een gebrekkige opstal, dan wel op grond van artikel 6:162 BW omdat Custos een gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen.

3.3. Een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW is een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert. Wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, is op grond van artikel 6:174 BW de bezitter van de opstal (of, wanneer de schade bedrijfsgerelateerd is te noemen, op grond van artikel 6:181 BW degene die de opstal gebruikt in de uitoefening van een bedrijf) aansprakelijk, behoudens hier niet aan de orde zijnde uitzonderingen.

3.4. Het in het leven roepen van een gevaarzettende situatie kan, bij verwezenlijking van dat gevaar, leiden tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW, indien is voldaan aan de criteria die door de Hoge Raad zijn geformuleerd in het Kelderluikarrest van 5 november 1965 (NJ 1966, 136). In dit arrest is bepaald dat alleen in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval kan worden beoordeeld of en in hoeverre aan iemand, die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld, dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt. Daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. Deze criteria dienen in onderling verband te worden beschouwd.

Situatie ter plaatse

3.5. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken blijkt over de situatie in het pand waar de valpartij plaatsvond het volgende.

3.5.1. Het notariskantoor van Custos is sinds 2002 gevestigd in het pand aan de Markt 14 te Waalre. Het pand heeft een centrale hal. Aan de linkerzijde hiervan bevindt zich de kamer waar [eiseres] en haar echtgenoot het gesprek voerden met de notaris. Tegenover deze kamer, aan de andere zijde van de centrale hal, bevindt zich een deur die toegang geeft tot een klein L-vormig halletje. Om dit halletje binnen te gaan moet de (rechtsdraaiende) toegangsdeur worden geduwd. In het halletje bevinden zich, behalve de toegangsdeur, in totaal nog vier deuren. Direct tegenover (althans schuin links van) de toegangsdeur bevindt zich de deur naar de kelder. Aan de rechterzijde (de lange zijde van de L) bevindt zich vooraan de deur van de meterkast, en links daarvan de deur van het toilet (één deur voor zowel dames- als herentoilet). Aan de achterzijde is een deur die toegang geeft tot een werkruimte (receptie/secretariaat).

3.5.2. De kelderdeur, de meterkastdeur en de toiletdeur zijn identiek, zij het dat de meterkast geen klink heeft maar een ronde trekknop. Op de kelderdeur en de meterkastdeur was ten tijde hier van belang geen bordje of sticker met een aanduiding of waarschuwing aangebracht. Op de toiletdeur zat een (kleine) sticker met de aanduiding “toiletten” er op.

3.5.3. De (linksdraaiende) kelderdeur is te openen door deze naar zich toe te trekken. De schakelaar voor het licht in de kelder bevindt zich direct achter de kelderdeur rechts op de muur. De tamelijk steile keldertrap begint direct in de deuropening na de dorpel waarbij de eerste trede op of kort onder vloerhoogte ligt. Een trapleuning bevindt zich aan de muur links van de trap. De kelderdeur was op het moment van het ongeval wel dicht maar niet afgesloten.

3.5.4. Custos stelt dat de kelder sinds 2002 in gebruik is als archiefruimte. Ten tijde van het ongeval kwam volgens Custos gemiddeld drie keer per week iemand in de kelder om een dossier te halen. [eiseres] betwist dat de kelder in gebruik was als archief.

3.5.5. Ook over de verlichting in het kleine halletje verschillen partijen van mening.

[eiseres] stelt dat het halfdonker was in het kleine halletje, dat de lampen niet aan waren, dat de deur naar de werkruimte dicht was en dat het achter de deur van de keldertrap heel donker was. Er was een groot verschil met de door vol zonlicht verlichte centrale hal, aldus [eiseres].

Custos voert aan dat het kleine halletje adequaat werd verlicht. Niet alleen door de daar aanwezige plafondverlichting (drie lichtpunten), maar ook door lichttoetreding via de openstaande toegangsdeur vanuit de centrale hal (die is verlicht door helderwitte TL-verlichting en door daglicht dat binnentreedt via toegangsdeuren en raampartijen), en door daglichttoetreding vanuit de werkruimte (deze deur met glasstrook staat meestal open).

De rechtbank overweegt dat uit de stellingen van partijen en de foto’s genoegzaam blijkt dat het in het kleine halletje minder licht was dan in de centrale hal. De lichtpunten geven minder fel licht dan de TL-balken in de hal, en er is geen directe daglichttoetreding. De hoeveelheid licht in het halletje kan wel toenemen door lichttoetreding vanuit de centrale hal (als de toegangsdeur open staat) en vanuit de achtergelegen werkruimte (als de deur open staat of via de glasstrook in de deur).

Toedracht van het ongeval

3.6. Over de toedracht en de gevolgen van het ongeval is naar het oordeel van de rechtbank het volgende komen vast te staan. [eiseres] heeft de notaris met wie zij sprak gevraagd of zij het toilet kon bezoeken. Deze notaris heeft haar de deur gewezen die toegang bood tot het kleine halletje en heeft verder niets gezegd. [eiseres] is die deur ingegaan, kwam in het minder goed verlichte halletje, en heeft de eerste deur die zij zag geopend. Achter de deur was het donker. Op de tast ging zij op zoek naar het lichtknopje waarbij zij een stap naar voren deed. Vervolgens is zij in de kelder gevallen. Na haar val werd [eiseres] bewusteloos in de kelder aangetroffen. Het heeft vele uren geduurd voor zij via de keldertrap, volledig vastgetaped en met brace op een brancard naar boven kon worden gebracht. Zij bleek meerdere letsels te hebben opgelopen; een fractuur van het wervellichaam en de wervelboog van de zevende halswervel, een hersenschudding, een fractuur aan de linkerpols, gebitsschade, en diverse kneuzingen, waaronder een zware heupkneuzing.

3.7. Custos stelt dat het in haar kantoor niet vaker is voorgekomen dat mensen die naar het toilet wilden gaan de verkeerde deur hebben genomen. Na het ongeval zijn op de toiletdeur twee grotere toiletbordjes aangebracht met pictogrammen van een man en een vrouw. De kelderdeur is inmiddels voorzien van een waarschuwingssticker dat de deur gesloten moet blijven en de klink is uit de deur verwijderd. Ook op de meterkast is thans een zelfde waarschuwingssticker aangebracht.

Beoordeling aansprakelijkheid

3.8. Tussen partijen is niet in geschil dat het hier gaat om een opstal in de zin van artikel 6:174 BW, waarvan Custos bezitter is.

3.9. De rechtbank stelt voorop dat een niet afgesloten deur met direct daarachter een diepe onverlichte kelder met een trap naar beneden, het risico in zich bergt dat iemand daar naar binnen loopt en van de trap af valt. Het bestaan van een latent gevaar is echter op zichzelf niet voldoende om aansprakelijkheid van de bezitter of (zakelijk) gebruiker van een opstal in het leven te roepen. Relevant is de vraag aan welke veiligheidseisen de opstal van Custos in de hier gegeven omstandigheden diende te voldoen. Hierbij moet, zoals door [eiseres] is aangevoerd, rekening worden gehouden met het feit dat het hier gaat om een kantoorpand dat niet alleen toegankelijk is voor het eigen personeel van Custos, maar ook voor bezoekende klanten van alle leeftijden, van wie de gedachten in beslag genomen kunnen zijn door de reden van hun notarisbezoek. Met Custos is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat Custos thans verdergaande veiligheidsmaatregelen heeft getroffen door de kelderdeur af te sluiten en duidelijk zichtbare waarschuwingen en aanduidingen aan te brengen op de verschillende deuren, nog niet betekent dat Custos erkent dat zonder deze maatregelen sprake was van een gebrekkige opstal of van een gevaarzettende situatie.

3.10. De rechtbank overweegt dat het in beginsel op de weg van [eiseres] ligt om de gebrekkigheid van de opstal, dan wel het bestaan van de gevaarzettende situatie te stellen en bewijzen. De rechtbank volgt [eiseres] niet in de door haar ingenomen stelling dat haar een beroep zou toekomen op artikel 7:658 BW. Van een arbeidsrelatie tussen partijen is immers geen sprake. Voor reflexwerking bestaat geen aanleiding.

3.11. De rechtbank is van oordeel dat het kantoorpand van Custos ten tijde van het ongeval van [eiseres] niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden gesteld mochten worden, doordat de kelderdeur, waarachter zich direct een steile trap naar beneden bevindt, niet was afgesloten en ook niet was voorzien van een aanduiding waaruit bezoekers van het pand konden begrijpen dat zij daar niet naar binnen moesten gaan, terwijl deze deur zich bevindt in een (minder goed verlicht) halletje waarnaar bezoekers worden verwezen wanneer zij het toilet willen bezoeken.

3.12. Custos had rekening moeten houden met de mogelijkheid dat een bezoeker die op zoek was naar het toilet per ongeluk de kelderdeur zou kunnen openen. Bezoekers zoals [eiseres] die vragen naar het toilet worden verwezen naar de toegangsdeur van het kleine halletje. Na binnenkomst in het halletje is de kelderdeur de eerste deur die men ziet. De kelderdeur was weliswaar niet aangeduid als “toilet”, maar er stond ook geen aanduiding op waaruit kon blijken dat het geen toilet betrof, zoals de in openbare gelegenheden wel gebruikelijke aanduidingen “dienst”, “privé” of “geen toegang”. De twee andere nagenoeg identieke deuren zijn na binnenkomst rechts in het lange gedeelte van het L-vormig halletje te vinden. De achterste van deze deuren is de toiletdeur waarop destijds een kleine sticker met de aanduiding “toiletten” was aangebracht. Blijkens de overgelegde foto’s bevindt die sticker zich nog altijd op de deur, zo’n tien centimeter onder de later aangebrachte grotere stickers met man/vrouw-pictogrammen. De rechtbank overweegt dat de kleine sticker “toiletten” op de overgelegde foto’s nauwelijks te onderscheiden is vanwege het bijzonder kleine formaat daarvan en de onopvallende kleur. Bij binnenkomst in het halletje zal deze sticker destijds daarom niet zodanig in het oog zijn gesprongen dat voor een normaal oplettend persoon direct duidelijk moet zijn geweest dat (alleen) deze achterste deur toegang biedt tot één of meer toiletten. Dit in tegenstelling tot de later aangebrachte opvallende man/vrouw-stickers, die niet snel tot verwarring zullen leiden.

3.13. Hoewel niet vaststaat hoe licht/donker het precies in het halletje was en hoeveel licht in de kelder viel na het openen van de kelderdeur, acht de rechtbank gelet op de afgelegde verklaringen en de overgelegde foto’s aannemelijk dat van een bijzonder goede verlichting geen sprake was. De drie plafondlichtpunten bevinden zich blijkens de foto’s op het hoge plafond boven de lange zijde van het L-vormig halletje, terwijl de kelderdeur zich bevindt aan de korte (binnen)zijde van de L. Het plafond boven de korte zijde van het halletje ligt lager, althans is blijkens de foto’s afgescheiden door een muur vanaf het hoge plafond tot aan deurhoogte tussen de lange en de korte zijde van de L. Van een directe verlichting direct bij de kelderdeur lijkt hierdoor geen sprake te zijn. Voor zover sprake is geweest van daglichttoetreding vanuit de werkruimte achterin het halletje (door de openstaande deur of de glasstrook in die deur aan het einde van de lange zijde van de L) betreft het tegenlicht dat niet direct de kelderdeur in valt. Gelet op de positie van de deuren en de wijze waarop zij open gaan, acht de rechtbank het mogelijk, en ook aannemelijk dat [eiseres] de toegangsdeur van het halletje eerst geheel of gedeeltelijk weer achter zich heeft gesloten alvorens de kelderdeur te openen. Dat veel licht door die toegangsdeur op de keldertrap is gevallen staat dan ook niet vast. Dat geldt ook als [eiseres] de toegangsdeur naar het halletje wel (deels) zou hebben opengelaten. Uit de foto’s valt af te leiden dat ter plaatse van de toegangsdeur naar het halletje geen sprake is van directe daglichttoetreding vanuit de centrale hal omdat de toegangsdeur zich op enige afstand - en om de hoek - van de plaats van directe daglichttoetreding bevindt. Vast staat dat het licht in de kelder uit was en niet automatisch aanging bij het openen van de kelderdeur. In de kelder zelf was het dus zeer donker.

3.14. De rechtbank acht het redelijkerwijs voorzienbaar dat een persoon die in de veronderstelling verkeert dat zich achter een deur het toilet bevindt, deze deur niet alleen opent, maar daar ook instapt zonder zich er eerst van te vergewissen of het inderdaad het toilet betreft. Natuurlijk zullen de meeste mensen die zich in een voor hen onbekend pand bevinden en niet zeker weten of zij de juiste deur hebben gekozen, eerst goed kijken of zij inderdaad bij het toilet zijn, zeker als het donker is achter de geopende deur waardoor zij niet goed kunnen zien wat daarachter is. Custos had echter toch rekening moeten houden met de niet denkbeeldige mogelijkheid dat er ook bezoekers zijn die, in gedachten verzonken of door emoties overmand, niet de normale voorzichtigheid betrachten en wél die stap naar binnen zetten omdat ze in de onjuiste veronderstelling verkeren dat zich daar het toilet bevindt. Dit geldt ook in het onderhavige geval waarin men de kelderdeur moet openen door deze naar zich toe te trekken, zodat men niet met de deur “naar binnen” valt, maar nog een extra stap moet zetten om de ruimte erachter te betreden. Dat het ondanks een niet optimale verlichting bij normale oplettendheid voldoende zichtbaar was dat zich een trap achter de deur bevond, maakt dit ook niet anders.

3.15. Het verweer van Custos komt er op neer dat niet meer dan de alledaagse normale oplettendheid was vereist om te voorkomen dat men zomaar de kelder in zou stappen. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer niet slaagt omdat Custos als bezitter/zakelijk gebruiker van een voor het publiek toegankelijk pand ook rekening moet houden met de mogelijkheid dat bezoekers níet altijd de normale oplettendheid betrachten. Dit geldt temeer ten aanzien van een situatie als de onderhavige, waarvan wellicht gezegd moet worden dat de kans op een ongeval niet groot is, maar waarvan wel voorzienbaar is dat een ongeval ernstige gevolgen zal hebben. In dit geval konden bovendien zeer eenvoudig en nagenoeg kosteloos maatregelen worden getroffen zoals nadien ook is gebeurd door het aanbrengen van een waarschuwing op de deur en het verwijderen van de deurklink.

3.16. Het beroep van Custos op het vonnis van de rechtbank Maastricht van 25 mei 2005 (97053/HA ZA 04-1110, niet overgelegd en niet gepubliceerd) slaagt niet. Uit het in de conclusie van antwoord gegeven citaat blijkt niet de volledige casuïstiek. Een relevant verschil met de onderhavige casus lijkt er in te bestaan dat in onderhavig geval het gevaar er met name in schuilt dat de kelderdeur zich bevindt op een plaats waarnaar men wordt verwezen als men het toilet zoekt en waar men dus verwacht het toilet aan te treffen, temeer nu de kelderdeur de eerste deur is die men bij binnenkomst in het halletje aantreft.

3.17. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat Custos op grond van de artikelen 6:174 BW en 6:162 BW aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade als gevolg van haar val in de kelder op 18 maart 2004.

Eigen schuld

3.18. De rechtbank is echter met Custos van oordeel dat deze schade mede een gevolg is van de aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheid dat zij onvoldoende oplettend is geweest. Zij heeft verklaard dat zij niet wist waar het toilet was en dat het donker was in het halletje. Zij had daarom beter moeten kijken welke deur zij had moeten nemen en had niet zomaar een donkere ruimte in moeten stappen waarvan zij niet wist wat daarachter was. Gelet hierop dient de vergoedingsplicht van Custos te worden verminderd door de schade over [eiseres] en Custos te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. De rechtbank is van oordeel dat 40% van de ontstane schade het gevolg is van de aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheid dat zij onvoldoende oplettend was. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval geen reden om te oordelen dat de billijkheid een andere verdeling van de schade eist.

3.19. De vordering van [eiseres] genoemd in 2.1 onder 1 zal daarom in zoverre worden toegewezen, dat voor recht zal worden verklaard dat Custos aansprakelijk is voor 60% van de door [eiseres] geleden schade.

Letsel

3.20. Uit de door [eiseres] overgelegde medische stukken blijkt het volgende over het letsel dat zij heeft opgelopen bij het ongeval op 18 maart 2004 en over haar herstel.

3.21. [eiseres] heeft na het ongeval vijf dagen in het ziekenhuis gelegen. De halswervelfractuur (breuk van wervel C7, zonder neurologische uitval) is gemobiliseerd met een halskraag, die zij gedurende drie maanden heeft gedragen. De polsfractuur is behandeld met gips gedurende zes weken. [eiseres] had ook een hersenschudding, diverse kneuzingen en gebitsschade.

3.22. De behandelend orthopedisch chirurg rapporteert:

“Bij de laatste controle op 13 december 2004 was er nog vrij veel pijn in de nek bij draaien van de nek. Bij onderzoek waren de nekexcursies fors beperkt. Schouderexcursies waren licht beperkt.”

3.23. De fysiotherapeut die [eiseres] in 2004 enige tijd behandelde, rapporteert: “Mobiliteit pols vrij goed herteld, er blijft echter een lichte bewegingsbeperking. De mobiliteit van de nekregio is echter slecht gebleven; nog iets minder mobiliteit dan voor het ongeval. De pijnklachten waren wisselend maar bleven aanwezig en de belastbaarheid van de nekregio is fors verminderd.”

3.24. De arts-acupuncturist die [eiseres] vanaf januari 2005 behandelt, rapporteert in juni 2006:

“De acupunctuurbehandelingen hebben gezorgd voor duidelijke vermindering van de pijnklachten; alsmede werd de mobiliteit van de nekmusculatuur verbeterd. (…) Patiënte klacht minder over pijn en de beweeglijkheid van de nek is toegenomen. Ze blijft nog onder behandeling, omdat verdere verbetering te verwachten is. Ze begint binnenkort ook met manuele therapie.”

3.25. De revalidatie-arts die [eiseres] heeft gezien op 7 juni 2006 rapporteert op 12 juni 2006 onder meer:

“Patiënt klaagt over forse bewegingsbeperking ter hoogte van cervicale wervelkolom bij status na traumatische C7 fractuur dd 2004. Dit i.c.m. degeneratieve afwijking mid- en

laagcervicaal verklaren voor een groot deel haar bewegingsbeperkingen.”

Deze arts heeft [eiseres] verwezen voor manueel therapeutisch onderzoek.

3.26. De arts manuele geneeskunde die [eiseres] behandelde in de periode juli-september 2006 rapporteert onder meer het volgende:

“Naast de mobilisaties van de nekwervelkolom werd de eerste rib zowel rechts als links gemobiliseerd, de rechter sleutelbeen, Th 2-3 met na een vijftal maal een dusdanige verandering dat het lopen beter ging, de algemene houding van patiënte werd ervaren als dat zij zich beter kon rechten en de bewegingen zowel in de nek als in de thoracale wk waren verbeterd. (…) Toen mevr. bemerkte dat de nek qua beweeglijkheid toch enige winst resulteerde bleek dit nog positief beïnvloed te kunnen worden door ontspanningstechnieken welke zij traint via yoga. Na een vijftal behandelingen heb ik de behandeling met bovengenoemd resultaat afgesloten en heb ik afgesproken dat ik mevrouw alleen op haar verzoek zonodig terugzie indien de klachten hier aanleiding toe geven.”

3.27. Blijkens een brief van 19 oktober 2006 ontvangt [eiseres] vanaf eind september 2006 individuele begeleiding van een sportleraar bij oefeningen ter verbetering van hart- en longfunctie, de bevordering van de lenigheid, het losmaken van verharde spieren rondom de nekpartij en het verbeteren van uithoudingsvermogen en spierkracht.

3.28. De door de raadsman van [eiseres] ingeschakelde medisch adviseur [S] geeft aan dat rekening gehouden moet worden met blijvende restklachten en een blijvend verminderde belastbaarheid ten opzichte van de situatie van vóór het ongeval, hoofdzakelijk voor wat betreft de belastbaarheid van de nek en de schoudergordels.

Pre-existente factoren

3.29. Uit de medische stukken die door [eiseres] zijn overgelegd blijkt dat in 1998 bij [eiseres] sprake is geweest van een zogeheten non-Hodgkin lymfoon (een ernstiger vorm van lymfklierkanker) waarvoor zij chemotherapie heeft ondergaan. Tintelingen in de handen en het afwezig zijn van armreflexen worden aan deze chemotherapie toegeschreven. In 2003 had zij een recidief non-Hodgkin lymfoon waarvoor zij opnieuw chemotherapiebehandelingen onderging. In verband hiermee is in augustus 2005 een longkwab chirurgisch verwijderd (lobectomie linker bovenkwab).

3.30. Bij [eiseres] zijn degeneratieve afwijkingen (artrose) vastgesteld. Medisch adviseur [S] stelt in een aanvullend medisch advies hierover (na overleg met een orthopeed): “Wij komen tot de conclusie dat er in de halswervelkolom van betrokkene sprake is van zogeheten spondylose en intervertebraalarthrose, maar niet in ernstiger mate dan bij de leeftijd past. Op grond van de ernst van de geweldsinwerking, die gezien het optreden van een wervelfractuur op de halswervelkolom moet hebben plaatsgevonden, kan worden geconcludeerd dat er sprake moet zijn van een getraumatiseerde arthrose. Gezien het feit dat de pre-existente degeneratieve afwijkingen conform de leeftijd waren kan niet worden gesteld dat deze op enig moment tot dezelfde beperkingen zouden hebben geleid, als waarmee betrokkene thans wordt geconfronteerd. Wij weten immers dat vele mensen degeneratieve afwijkingen vertonen die conform de leeftijd zijn en daar volstrekt geen klachten van hebben. Daarnaast moet in ogenschouw worden genomen dat een gedeelte van de thans bestaande beperkingen op conto moet worden geschreven van de langdurige immobilisatie die nodig was in het kader van de behandeling van de wervelfractuur.”

Materiële schade

Niet betwiste posten

3.31. Een aantal van de door [eiseres] opgevoerde schadeposten is door Custos niet betwist, te weten:

Reiskosten (940 km) EUR 216,24

Vergoeding voor vijf dagen ziekenhuis EUR 115,00

aanschaf brace EUR 129,36

eigen bijdrage thuiszorg EUR 123,90

aanschaf speciaal kussen EUR 65,80

niet verzekerde tandartskosten EUR 1.581,77

kosten acupunctuurbehandeling EUR 712,50

eigen bijdrage manueel geneeskunde EUR 59,00

dankbetuigingen aan hulpverleners EUR 362,10

extra spiegels voor de auto EUR 107,10

herstel gebroken bril EUR 205,50

totaal EUR 3.678,27

Verlies verdienvermogen

3.32. [eiseres] vordert een bedrag van EUR 31.654 netto (inclusief rente) in verband met verlies van verdienvermogen. Zij is coupeuse-lerares en gaf naar eigen zeggen cursussen aan huis waarmee zij EUR 250,- netto per maand verdiende. Sinds het ongeval is zij daartoe niet meer in staat. Zij had echter de intentie om dit werk nog vele jaren voort te zetten en zou hiertoe ook in staat zijn geweest, gezien haar jonge biologische leeftijd en uitzonderlijk goede conditie. [eiseres] berekent haar schade van EUR 250,- netto per maand over een looptijd tot 1 juli 2014.

3.33. Custos betwist dat [eiseres] EUR 250,- netto per maand verdiende met het geven van cursussen. Custos voert voorts aan dat door [eiseres] ten onrechte de kwade kansen niet zijn verdisconteerd, terwijl gelet op haar medische voorgeschiedenis en haar leeftijd niet vanzelfsprekend is dat zij haar werk ongestoord tot op 79-jarige leeftijd had kunnen voortzetten. De sterftekansen (ca 0,9) zijn evenmin verdisconteerd. De periode tot 2014 is dan ook te ruim genomen, aldus Custos.

3.34. Door [eiseres] is onweersproken gesteld dat zij, als gevolg van de beperkingen die zij ondervindt sinds het ongeval, niet meer in staat is naaicursussen te geven. De rechtbank neemt dit dan ook als vaststaand aan.

De rechtbank overweegt dat niet vaststaat dat [eiseres] tot het moment van het ongeval EUR 250,- netto per maand verdiende met het geven van cursussen aan huis, nu zij deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd, ook niet na de betwisting door Custos, terwijl zij daartoe wel in de gelegenheid is geweest. De bewijslast in deze rust op [eiseres], maar het door haar uitdrukkelijk (onder 5.1 van de dagvaarding) gedane bewijsaanbod heeft geen betrekking op dit punt. De rechtbank ziet geen grond voor het ambtshalve opdragen van bewijs.

Omdat niet vaststaat dat [eiseres] vóór 18 maart 2004 de door haar gestelde inkomsten had, is ook niet aannemelijk dat zij deze inkomsten – bij wegdenken van het ongeval – na 18 maart 2004 wél zou hebben gehad, en nog wel tot 1 juli 2014. Deze vordering moet daarom geheel worden afgewezen.

Hulpkosten

3.35. [eiseres] vordert een vergoeding voor de schade die zij lijdt doordat zij niet meer in staat is huishoudelijk werk te verrichten en daarvoor hulp moet inschakelen. In de periode na het ongeval had zij 4,5 uur per week hulp nodig, vanaf juli 2005 wegens toegenomen beperkingen (motoriek, nek- en schouderpijn) 8 uur per week. Zij had naar zij stelt met name meer hulp nodig voor poetsen, wassen, strijken en het wassen van de ramen. Deze hulp wordt verleend door familie en vrienden en [eiseres] rekent daarvoor een vergoeding van EUR 10,- per uur. De schade tot 1 juli 2007 beloopt volgens [eiseres] een bedrag van EUR 10.105,-. De toekomstige schade na 1 juli 2007, berekend over een periode van 7 jaar, beloopt volgens [eiseres] een bedrag van EUR 29.120,- (EUR 80,- x 52 weken x 7 jaar).

3.36. Custos voert aan dat niet inzichtelijk is in hoeverre [eiseres] voor het ongeval ook huishoudelijke hulp inriep (vanwege haar ziekte en de gevolgen van chemotherapiën), en of haar echtgenoot reeds huishoudelijke taken verrichtte, of dat na het ongeval meer is gaan doen. De hulp die familie en vrienden hebben verleend kan volgens Custos niet worden gewaardeerd op het gevorderde bedrag omdat niet blijkt dat [eiseres] vermogensnadeel heeft geleden, en of het redelijk is geweest die derden in te schakelen dan wel het redelijk zou zijn geweest daarvoor in de plaats professionele hulp in te schakelen. Ook hier is volgens Custos ten onrechte geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat ook zonder ongeval de noodzaak zou zijn ontstaan tot het inschakelen van huishoudelijke hulp, en bevat de berekening geen sterftekanscorrectie.

3.37. In reactie hierop heeft [eiseres] gesteld dat haar echtgenoot de nodige hulp kon verlenen tijdens haar chemokuren in 1998 en 2003, maar dat hij inmiddels zelf teveel lichamelijke klachten heeft om dit nog te doen (beschadigde wervel-tussenschijven, beschadigde linkerknie, prostaatkanker sinds 2005 met veel ‘bijwerkende’ medicatie).

3.38. De rechtbank overweegt als volgt. [eiseres] stelt, onder verwijzing naar het advies van haar medisch adviseur [S], dat als gevolg van het ongeval op 18 maart 2004 sprake is van verminderde belastbaarheid van de nek en schouders. Dit is door Custos ook niet betwist en ook de rechtbank gaat hiervan uit. Aannemelijk is ook dat deze verminderde belastbaarheid tot gevolg heeft dat [eiseres] bepaalde (zwaardere) huishoudelijke activiteiten die zij voorheen wel verrichtte, thans niet meer zelf kan doen. De rechtbank is echter ook van oordeel dat het op de weg van [eiseres] ligt, die vergoeding vraagt voor haar schade, om gemotiveerd aan te geven welke activiteiten zij voor het ongeval verrichtte, welke van deze activiteiten zij niet meer kan verrichten en hoeveel tijd daarmee gemoeid is. [eiseres] heeft hieromtrent niets gesteld. Ook geeft zij niet aan welke taken zij tot juli 2005 wel, maar daarna niet meer kan verrichten, waardoor haar zorgbehoefte naar zij stelt bijna verdubbelde. [eiseres] geeft geen onderbouwing van haar stelling dat haar beperkingen per juli 2005 zijn toegenomen en uit de door haar overgelegde medische stukken kan ook niet blijken waarmee die gestelde toename verband zou kunnen houden en of dat aan het ongeval gerelateerd kan worden. [eiseres] geeft evenmin aan welke huishoudelijke taken haar echtgenoot op zich pleegde te nemen en sinds wanneer hij welke taken niet meer kan doen. Uit de stellingen van [eiseres] blijkt ook niet eenduidig op welke wijze zij hulp inschakelt: in de dagvaarding stelt zij dat de huishoudelijke werkzaamheden sinds het ongeval door familie en vrienden worden verricht, in de pleitnotities merkt zij op dat men vrienden, buren en kennissen een korte periode om hulp kan vragen, maar niet structureel. Dat zij hulp door derden (een particuliere hulp) heeft ingeschakeld is niet gesteld. [eiseres] stelt dat de vergoeding voor de huishoudelijke hulp is vastgesteld op EUR 10,- per uur, maar of en zo ja, aan wie zij deze vergoeding daadwerkelijk betaalt blijkt niet uit de stellingen. Gelet op het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] haar vordering ter zake van huishoudelijke hulp onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank komt daarom niet toe aan het benoemen van een deskundige om de zorgbehoefte van [eiseres] vast te stellen, zoals door [eiseres] in de pleitnotities is gesuggereerd.

De vordering moet worden afgewezen.

3.39. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het gebruikelijk is om bij schade ter zake van huishoudelijke hulp een eindleeftijd van 70 jaar te hanteren omdat de redelijke verwachting is dat vanaf die leeftijd ook zonder ongeval het inschakelen van huishoudelijke hulp nodig is. De vordering van [eiseres] heeft grotendeels betrekking op de jaren na haar 70ste levensjaar (tot ruim 79 jaar). Dat in haar familie hoge leeftijden met goede vitaliteit worden gehaald, en dat zij een jonge biologische leeftijd heeft, zoals [eiseres] stelt, doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat ten aanzien van [eiseres], gelet op haar medische voorgeschiedenis en haar leeftijd, de verwachting gerechtvaardigd is dat zij, ook wanneer het ongeval haar in 2004 niet zou zijn overkomen, rond haar 70ste jaar huishoudelijke hulp had ingeschakeld.

Yogalessen

3.40. [eiseres] vordert bedragen van EUR 2.185,- (voor schade tot 1 juli 2007) en EUR 16.380,- (voor schade van 1 juli 2007 tot 1 juli 2014) voor yogalessen die zij stelt te volgen op advies van haar arts manuele geneeskundige. Uit het door [eiseres] overgelegde kostenoverzicht (pagina 7, onderaan) blijkt dat het gaat om wekelijks één uur les à EUR 45,-.

3.41. Custos voert aan dat niet zondermeer valt in te zien waarom [eiseres] de aanbevolen ontspanningsoefeningen niet zou kunnen doen zonder kostbare yogalessen te volgen. Bovendien mist Custos ook hier in de berekening van [eiseres] de verdiscontering van kwade kansen en de sterftekans.

3.42. De rechtbank acht aannemelijk dat [eiseres] baat heeft bij de ontspanningsoefeningen die zij traint via yoga, in die zin dat dit onder meer leidt tot enige verbetering van de beweeglijkheid van de nek. Dit staat ook vermeld in de door [eiseres] overgelegde brief van 11 januari 2007 van haar behandelend arts manuele geneeskunde. Dat [eiseres] de yogalessen volgt op advies van deze arts blijkt overigens niet uit de brief. [eiseres] heeft ook niet onderbouwd waarom het zo langdurig blijven volgen van yogalessen nodig is, en waarom dergelijke dure lessen nodig zijn. De rechtbank acht het niet redelijk om de kosten van yogalessen, die niet als medische behandeling kunnen worden beschouwd maar als manier van ontspanning, vergelijkbaar met het beoefenen van een sport, volledig te beschouwen als schade die het gevolg is van het ongeval. De rechtbank acht het redelijk een bedrag aan schadevergoeding ter zake van yogalessen toe te kennen van EUR 3.200,-, overeenkomend met een vergoeding voor 40 yogalessen per jaar ad EUR 15,00 gedurende vier jaren.

No-claim teruggave

3.43. [eiseres] vordert een bedrag van EUR 510,- vanwege de no-claim die zij niet heeft teruggekregen van haar zorgverzekeraar. [eiseres] heeft bij brief van 1 april 2008 beschikkingen van haar zorgverzekeraar overgelegd ter zake van no-claim over de jaren 2005, 2006 en 2007 met daarbij een specificatie van de zorgkosten.

3.44. Custos voert aan dat niet is aangetoond dat [eiseres] wel recht zou hebben gehad op no-claim teruggave als het ongeval haar niet zou zijn overkomen

3.45. De rechtbank overweegt dat zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, uit de door [eiseres] overgelegde bescheiden niet blijkt dat de daar genoemde zorgkosten - overwegend apotheekkosten - zijn toe te rekenen aan het ongeval op 18 maart 2004. Deze post is daarom niet toewijsbaar.

Pedicurebehandelingen en kapperskosten

3.46. [eiseres] vordert bedragen van EUR 303,- (schade tot 1 juli 2007) en EUR 1.170,- (toekomstige schade) voor pedicurebehandelingen omdat zij zelf haar voeten niet meer kan verzorgen en bedragen van EUR 231,- (schade tot 1 juli 2007) en EUR 1.365,- (toekomstige schade) voor extra kapperskosten omdat ze door haar nekklachten haar kapsel niet meer zelf kan verzorgen. [eiseres] stelt deze kosten voor zover toekomstig te hebben berekend over een looptijd van 10 jaar (contante waardefactor 7,5) vanaf 1 juli 2007 derhalve tot een leeftijd van (ruim) 82 jaar.

3.47. Custos betwist niet dat [eiseres] is aangewezen op de diensten van een pedicure en vaker de kapper moet bezoeken. Custos betwist wel de termijn van 10 jaar waarover de toekomstschade wordt becijferd, omdat statistisch gezien de sterftekans zodanig hoog is dat deze termijn niet zonder meer als juist kan worden aanvaard.

3.48. [eiseres] stelt dat in de toepassing van de contante waardefactor van 7,5 de sterftekans is verdisconteerd. [eiseres] heeft de factor op 7,5 gesteld, uitgaande van de gebruikelijke contante waardefactor voor 60 tot 70 jarigen, omdat een contante waardefactor voor 70 tot 80 jarigen met een looptijd van 10 jaar niet is gegeven.

3.49. De rechtbank acht met Custos aannemelijk dat [eiseres] door haar nekklachten extra kosten moet maken voor pedicure en kapper. De rechtbank acht het ook redelijk er vanuit te gaan dat zij deze kosten tot haar 82e jaar zal maken. In de door [eiseres] gehanteerde contante waardefactor zit een sterftekanscorrectie, maar naar het oordeel van de rechtbank is deze te laag, nu [eiseres] is uitgegaan van de waardes voor 60 tot 70 jarigen, terwijl aangenomen moet worden dat de sterftekans voor de categorie 70 tot 80 jarigen hoger ligt. Het is juist dat de contante waardetabel die men in deze zaken pleegt te gebruiken geen waarde kent voor kapitalisatie van schade van een 70-plusser over een looptijd van 10 jaar. De rechtbank acht het redelijk hier uit te gaan van een contante waardefactor (inclusief sterftekanscorrectie) van 7,0. De toekomstige schade van [eiseres], gekapitaliseerd op 1 juli 2007 komt dan uit op bedragen van EUR 1.092,- (EUR 156,- x 7,0) voor de pedicure en EUR 1.274,- (EUR 182,- x 7,0) voor de kapper.

Deze schade is toewijsbaar, net als de schade berekend tot 1 juli 2007.

Kledingkosten

3.50. [eiseres] vordert een bedrag van EUR 17.948,- (EUR 2.564,- per jaar x 7) ter zake van toekomstige kosten van een professionele costumière tot 1 juli 2014. [eiseres] stelt dat zij vanwege afwijkende schoudermaten altijd aangewezen is geweest op maatkleding. Voor het ongeval maakte zij die zelf, maar dat kan zij nu niet meer. Zij is na het ongeval de kleding blijven dragen die ze daarvoor heeft gemaakt, en uit nood heeft zij af en toe wat kleding gekocht, maar die is niet van de kwaliteit die zij gewend was. Een specificatie van de toekomstige kledingkosten heeft zij als productie 23 overgelegd. [eiseres] meent dat een sterftekanscorrectie hier niet nodig is omdat de looptijd eindigt op 79-jarige leeftijd van [eiseres] en haar statistische levensverwachting 84,5 jaar is.

3.51. Custos voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de statistische sterftekans, en betwist dat [eiseres] voorafgaand aan het letsel in de hoeveelheden genoemd in haar specificatie kleding voor zichzelf maakte.

3.52. De rechtbank overweegt dat door [eiseres] onweersproken is gesteld dat zij is aangewezen op maatkleding, dat zij voorheen al haar kleding zelf maakte en dat zij dat nu niet meer kan. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij meer kosten heeft voor de aanschaf van materialen (stoffen en accessoires) indien zij het maken van haar kleding moet uitbesteden. De meerkosten voor materiaal ad EUR 489,- per jaar zijn daarom niet toewijsbaar. De rechtbank oordeelt voorts dat door [eiseres] onvoldoende onderbouwd is gesteld dat zij eerder jaarlijks zoveel stuks kleding voor zichzelf maakte en dat het nodig is voor het maken van al deze kledingstukken een professioneel costumière in te huren tegen een uurtarief van EUR 75,-. De rechtbank oordeelt ook dat niet in redelijkheid valt te verwachten dat [eiseres] zonder ongeval tot 1 juli 2014 (ruim 79 jaar oud) al haar kleding zelf was blijven maken.

De rechtbank ziet in dit alles aanleiding om de schade van [eiseres] ter zake van extra kledingkosten in redelijkheid te begroten op een bedrag van EUR 1.000,- per jaar over een looptijd van 4 jaar, tot 1 juli 2011. Dat de levensverwachting van [eiseres] statistisch bezien 84,5 jaar is, betekent uiteraard niet dat zij niet net als ieder mens de kans loopt eerder te overlijden. Bij het vaststellen van de contante waarde van toekomstige schade moet daarom ook een sterftekanscorrectie worden toegepast. De rechtbank zal, uitgaande van een looptijd van 4 jaar vanaf 1 juli 2007, een contante waardefactor (inclusief sterftekanscorrectie) van 3,4 hanteren conform de door Custos overgelegde tabel van het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL). Toewijsbaar is daarom een bedrag van EUR 3.400,- (EUR 1.000,- x 3,4).

Tuinonderhoud

3.53. [eiseres] vordert een bedrag van EUR 3.257,86 voor het onderhoudsarm maken van haar tuin (uurloon plus BTW), en een bedrag voor toekomstige schade ter zake van onderhoud aan de tuin van EUR 3.750,- (EUR 500,- per jaar, over een periode van 10 jaar, met contante waardefactor 7,5). Haar echtgenoot kan dit werk niet overnemen in verband met rug- en knieklachten, aldus [eiseres].

3.54. Custos betwist dat [eiseres] voor het ongeval alle werkzaamheden in de tuin verrichtte, mede gezien haar pre-existente ziekte en de daarvoor ondergane behandelingen. Ook is volgens Custos ten onrechte gerekend met een periode van 10 jaar zonder rekening te houden met kwade kansen. Het is immers maar de vraag hoelang [eiseres] de tuin had kunnen blijven onderhouden als het ongeval niet was gebeurd. Custos wijst er op dat [eiseres] in 2005 een nieuwe woning heeft betrokken en dat niet duidelijk is of het deze nieuwe tuin is geweest die onderhoudsarm is gemaakt, en of deze nieuwe tuin niet veel groter is dan die bij het oude huis.

3.55. Door [eiseres] zijn in reactie hierop bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat de woning die zij in 2005 hebben betrokken op een kleiner perceel is gelegen dan de woning waar zij eerder woonden.

3.56. De rechtbank acht toewijsbaar het gevorderde bedrag van EUR 3.257,86 voor het onderhoudsarm maken van de tuin bij hun nieuwe huis, er vanuit gaande dat [eiseres] door haar nekklachten niet meer in staat is zwaar werk in de tuin te doen en haar echtgenoot dit vanwege zijn gezondheid niet van haar kan overnemen.

De rechtbank acht de vordering van toekomstige onderhoudskosten niet toewijsbaar. Het verrichten van lichte onderhoudswerkzaamheden in de tuin behoort tot de normale taken die gedaan moeten worden en voor zover [eiseres] daartoe vanwege haar nekklachten niet meer in staat is, mag in redelijkheid van haar echtgenoot worden verwacht dat hij deze taken van haar overneemt. Dat [eiseres] en haar echtgenoot beiden niet tot lichte onderhoudswerken in staat zouden zijn is niet, althans niet voldoende onderbouwd gesteld. Voor zover in de onderhoudsarme tuin van [eiseres] toch nu en dan nog zwaar onderhoudswerk gedaan zou moeten worden, acht de rechtbank het redelijk uit te gaan van de verwachting dat zij, gelet op hun gevorderde leeftijd en hun minder goede gezondheid, daarbij ook zonder dat het ongeval had plaatsgevonden hulp van derden nodig hadden gehad.

Verhuiskosten

3.57. [eiseres] vordert een vergoeding voor de kosten ad EUR 1.188,- die zij bij de verhuizing in mei 2005 heeft moeten maken voor het inschakelen van hulp bij het schoonmaken van zowel het oude als het nieuwe huis.

3.58. Custos voert aan dat deze hulp ook zou zijn verleend als het ongeval niet had plaatsgehad, gelet op de arbeidsintensiviteit van dergelijke werkzaamheden en de gezondheidstoestand van [eiseres].

3.59. De rechtbank volgt het verweer van Custos en wijst deze vordering af.

Rijlessen in aangepaste auto

3.60. [eiseres] vordert EUR 440,- vergoeding voor rijlessen die zij heeft moeten volgen nadat haar auto in maart 2005 was aangepast met extra spiegels.

3.61. Custos betwist dat rijlessen nodig waren, althans tot genoemd bedrag, om met de extra gemonteerde spiegels te kunnen rijden.

3.62. [eiseres] heeft in reactie hierop aangegeven dat zij door de gevolgen van het ongeval (nekblokkade) werd afgekeurd voor autorijden, dat zij nieuwe rijlessen nodig had gelet op de nieuwe beperkingen, dat zij een specifiek rijexamen moest doen bij een speciale instructeur, dit alles omdat zij alleen mocht rijden in een auto met de op het rijbewijs vermelde drie extra spiegels. Zij heeft een kopie van haar rijbewijs en een code-uitleg overgelegd.

3.63. De rechtbank acht aannemelijk dat [eiseres] de gevorderde kosten heeft moeten maken als gevolg van het ongeval, en wijst deze toe.

Treinkaartje Valkenburg

3.64. [eiseres] stelt dat zij niet in staat was lange autoritten te maken, als gevolg waarvan zij in december 2005 voor een bezoek aan familie in Valkenburg de trein heeft moeten nemen. [eiseres] vordert vergoeding van de meerkosten ad EUR 14,50.

3.65. Custos betwist dat [eiseres] geen lange autoritten kon maken.

3.66. De rechtbank zal dit bedrag niet toewijzen omdat niet vaststaat dat [eiseres] de reis naar Valkenburg niet met de auto heeft kunnen afleggen (eventueel met een of meer pauzes onderweg) en dat dit kan worden toegerekend als een gevolg van het ongeval.

Aanschaf auto

3.67. [eiseres] vordert een bedrag van EUR 19.145,- in verband met de aanschaf in februari 2006 van een (gebruikte) Citroën Picasso met hoge instap, hoog dak, en een goed rijcomfort (schokabsorberend), in verband met haar beperkingen als gevolg van het ongeval.

[eiseres] en haar echtgenoot hebben met spijt hun oude auto (een Chevrolet uit 1992, collectors-item) ingeruild voor EUR 150,-. Van vermogensvermeerdering is volgens [eiseres] geen sprake, omdat door afschrijving dit vermogen snel daalt.

3.68. Custos betwist de noodzaak een comfortabeler auto aan te schaffen, althans is Custos van mening dat die beweerde noodzaak in redelijkheid niet aan het onrechtmatig handelen kan worden toegerekend. [eiseres] heeft met de aanschaf van de auto haar vermogen vermeerderd met de marktwaarde daarvan, welke vermeerdering haar toegerekend moet worden, althans om redenen van billijkheid in mindering moet worden gebracht op de schade, aldus Custos. Bovendien behoort de luxe dat [eiseres] nu in een comfortabeler auto rijdt dan zij kennelijk voorheen gewend was, niet ten laste te komen van Custos.

3.69. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank acht aannemelijk dat een auto met een hoge instap en een goede vering prettig is voor iemand met nekklachten zoals [eiseres]. Dat de aanschaf van de Citroën Picasso noodzakelijk was in die zin dat [eiseres] in de Chevrolet niet meer kon rijden, staat evenwel niet vast. Maar ook als dat wel als vaststaand zou worden aangenomen, dan ziet de rechtbank hierin nog geen grond gelegen om Custos te veroordelen tot vergoeding van de aanschafprijs van de Citroën Picasso. [eiseres] had immers op het moment van het ongeval een auto van twaalf jaar oud waarvoor zij in 2005 bij inruil slechts EUR 150,- heeft ontvangen. Het is dan ook maar zeer de vraag hoelang zij nog in deze oude auto had kunnen blijven rijden, het ongeval in 2004 weggedacht. In redelijkheid mocht worden verwacht dat zij ook zonder ongeval op enig moment (niet al te lang daarna) zou zijn overgegaan tot de aanschaf van een nieuwe(re) auto. De rechtbank acht de verwachting gerechtvaardigd dat [eiseres] en haar echtgenoot ook zonder ongeval waren overgegaan tot de aanschaf van een (gebruikte) auto in dezelfde prijsklasse als de aangeschafte Citroën Picasso. De kosten voor aanschaf van de Citroën Picasso kunnen daarom niet worden aangemerkt als schade die [eiseres] lijdt als gevolg van het ongeval.

Aanschaf elektrische fiets

3.70. [eiseres] vordert vergoeding van een door haar aan te schaffen elektrische fiets met aangepaste vering ad EUR 1.850,-, die zij naar zij stelt nodig heeft omdat zij een op een gewone fiets niet kan fietsen omdat zij de schokken niet kan opvangen. Bij haar brief van 1 april 2008 heeft [eiseres] overgelegd een aankoopnota van een (gebruikte) elektrische fiets ad EUR 469,95.

3.71. Custos bestrijdt dat [eiseres] niet op een normale fiets kan fietsen en dat het nodig is een elektrische fiets aan te schaffen. Ook gewone fietsen zijn met vering verkrijgbaar, voor zover dergelijke vering al een oplossing biedt.

3.72. De rechtbank begrijpt dat [eiseres] haar aanvankelijke vordering ter zake toekomstige schade voor de aankoop van een elektrische fiets ad EUR 1.800,- thans vermindert tot een bedrag aan geleden schade ad EUR 469,95.

De rechtbank overweegt dat de kosten voor de aanschaf van een nieuwe fiets alleen in aanmerking komen voor vergoeding indien kan worden vastgesteld dat het gaat om kosten die [eiseres] heeft moeten maken in verband met de nekklachten die zij heeft als gevolg van het ongeval, en die zij anders, het ongeval weggedacht, niet had gemaakt. De rechtbank acht hierbij van belang dat een feit van algemene bekendheid is dat veel Nederlanders met enige regelmaat een nieuwe fiets aanschaffen en dat veel van de huidige fietsen zijn voorzien van extra vering. [eiseres] heeft niets gesteld omtrent de leeftijd en staat van haar oude fiets. Uit de stellingen van [eiseres] en de medische stukken kan ook niet blijken waarom sprake moest zijn van een elektrische fiets en waarom niet kon worden volstaan met de aanschaf van een gewone fiets met goede vering. De rechtbank is daarom van oordeel dat door [eiseres] onvoldoende is gesteld om deze vordering te kunnen toewijzen.

Tijdsbesteding echtgenoot

3.73. [eiseres] vordert een vergoeding voor de schade die zij lijdt – of verplaatste schade die haar echtgenoot lijdt - doordat haar echtgenoot haar steeds persoonlijk moet vergezellen naar fysiotherapie (48 keer per jaar x 1,5 uur per keer), naar yoga (45 keer per jaar x 1 uur per keer), bij het boodschappen doen (52 keer per jaar x 2 uur per keer) en bij overige uitstapjes (4 x per maand à 3 uur per keer). Haar echtgenoot moet mee om aan te geven of de weg veilig is, nu zij zelf nauwelijks links of rechts kan uitkijken. Zij berekent deze schade over een periode van 10 jaar op een bedrag van EUR 18.250,- (10 x 365 uur x EUR 5,-).

3.74. Custos voert verschillende verweren tegen deze vordering.

3.75. De rechtbank overweegt als volgt. Indien vaststaat dat [eiseres] hulp nodig heeft in die zin dat zij vergezeld moet worden in het verkeer, en dat deze behoefte verband houdt met het door haar als gevolg van het ongeval opgelopen letsel, dan komt de hulp die haar echtgenoot verleent voor vergoeding in aanmerking voor zover deze hulp de belangenloze hulpverlening die gegeven de gezinssituatie van haar echtgenoot verwacht mag worden overstijgt, en in de gegeven omstandigheden professionele hulp in de rede zou hebben gelegen. De rechtbank oordeelt dat in het onderhavige geval niet als vaststaand kan worden aangenomen dat [eiseres] deze hulp behoeft, nu zij beschikt over een (met spiegels) aangepaste fiets en auto, voor welke laatste zij extra rijlessen heeft gevolgd. Dat zij door haar nekklachten niet meer kan fietsen of autorijden is door [eiseres] ook niet gesteld. Voor zover het (alleen) deelnemen aan het verkeer voor [eiseres] toch bezwaarlijk is, is de rechtbank van oordeel dat gezien de gezinssituatie van de echtgenoot van [eiseres] in redelijkheid gevergd mag worden dat hij het doen van de wekelijkse boodschappen voor zijn rekening neemt en dat hij zonodig [eiseres] eenmaal per week vergezeld naar fysiotherapie en yoga. Van een overstijging van de belangenloze hulpverlening die van hem verwacht mag worden, is hier naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Deze vordering zal derhalve worden afgewezen.

Reis naar Lourdes

3.76. [eiseres] vordert een vergoeding voor de kosten die zij maakte voor een reis naar Lourdes ad EUR 881,59. Zij maakte deze reis uit dankbaarheid dat zij bij het ongeval geen ernstiger beperkingen heeft opgelopen.

3.77. Custos voert hiertegen verweer. Custos meent dat het [eiseres] vrij staat om haar dankbaarheid vorm te geven op een wijze die haar goeddunkt, maar dat dit niet op kosten van Custos behoort te geschieden.

3.78. De rechtbank volgt Custos in haar verweer en wijst deze vordering af.

Kapotte trui

3.79. [eiseres] vordert vergoeding voor de herstelkosten ad EUR 90,- die zij heeft gemaakt voor een kapotte wintertrui. [eiseres] stelt dat de trui een groot gat bevatte, door de val of door werk van de ambulanceverplegers die urenlang met haar bezig zijn geweest in de kelder.

3.80. Custos bestrijdt dit onderdeel van de vordering omdat niet gebleken is dat de trui beschadigd is, noch dat de herstelkosten met gevorderd bedrag corresponderen.

3.81. De rechtbank overweegt dat hoewel [eiseres] de schade aan de trui die zij droeg ten tijde van het ongeval niet heeft aangetoond, voldoende aannemelijk is dat haar trui door het werk van de ambulanceverplegers onherstelbaar beschadigd is geraakt. De rechtbank wijst deze vordering toe.

Buitengerechtelijke kosten

3.82. [eiseres] vordert een bedrag van EUR 10.447,- ter zake van buitengerechtelijke kosten. Ter onderbouwing van deze vordering heeft [eiseres] overgelegd een totaaloverzicht van de uren die mr. Schakenraad in de periode van 22 april 2005 tot 2 juli 2007 aan deze zaak heeft besteed en van de overige gemaakte kosten. Daaruit blijkt kort gezegd het volgende:

honorarium raadsman EUR 7.178,31 ( 2320 min. tegen gemiddeld EUR 185,- p/u)

kantoorkosten EUR 502,48 ( 7% over honorarium)

BTW EUR 1.459,35 ( 19% over honorarium en kantoorkosten)

Overige kosten EUR 1.307,67 ( o.a. Advimed)

Totaal EUR 10.447,81

3.83. Custos stelt dat zij consequent de aansprakelijkheid van de hand heeft gewezen, eerst tegenover de rechtsbijstandsverzekeraar van [eiseres] en later tegenover haar advocaat. Al op 12 augustus 2005 schreef de advocaat van [eiseres] dat een procedure noodzakelijk was en deelde hij mee dat de dagvaarding aan Custos zou worden uitgebracht. Custos (althans haar verzekeraar) heeft nadien zonder erkenning van aansprakelijkheid nog een vergeefse poging ondernomen de zaak in der minne te regelen. Custos betwist daarom dat de noodzaak heeft bestaan de kosten vanaf 12 augustus 2005 te moeten voldoen, nu deze tot de voorbereiding en instructie van de zaak dienen te worden geschaard, met uitzondering van de ontvangst en reactie op het schikkingsvoorstel.

Daarnaast geldt volgens Custos dat [eiseres] verzekerd is voor de kosten van rechtsbijstand en niet gebleken is dat deze kosten door haar worden betaald, zodat zij geen schade lijdt.

3.84. [eiseres] heeft in reactie hierop aangevoerd dat de tijd die gemoeid is geweest met het opstellen van de dagvaarding niet in het urenoverzicht is opgevoerd en dat zij belang heeft bij toewijzing omdat het verzekerde plafond EUR 30.000,- is. Bovendien verzet volgens [eiseres] geen regel zich ertegen dat zij van dekking door haar rechtsbijstandsverzekering mogelijk zou willen afzien en/of haar raadsman een bij de zaak passend tarief ontvang, desnodig resultaatprikkelend.

3.85. De rechtbank verwerpt het standpunt van Custos dat zij niet gehouden is de kosten te voldoen die worden gedekt door de rechtsbijstandsverzekering van [eiseres]. Zoals het Hof Amsterdam oordeelde bij arrest van 7 september 2006 (gepubliceerd in NJF 2007, 32) zou dit standpunt meebrengen dat degene die de schade heeft veroorzaakt aan zijn verplichting tot (volledige) schadevergoeding ontkomt en daarvan profiteert, doordat de door hem veroorzaakte schade wordt vergoed door de verzekeraar van degene die de schade heeft geleden. De kosten waarvan [eiseres] vergoeding vordert zijn aan te merken als schade die door haarzelf is geleden, ook al heeft [eiseres] zich voorafgaand aan het ongeval tegen die kosten verzekerd.

3.86. De rechtbank overweegt dat Custos haar stellingen over het verloop van de onderhandelingen niet met stukken heeft onderbouwd, terwijl uit het urenoverzicht van de raadsman van [eiseres], waarvan de juistheid door Custos niet is betwist, blijkt dat eind november 2006 nog uitvoerige gesprekken hebben plaatsgevonden met (de verzekeraar van) Custos. De rechtbank ziet dan ook onvoldoende grond om te oordelen dat de kosten die door [eiseres] zijn gemaakt na 12 augustus 2005 zouden moeten worden aangemerkt als kosten ter voorbereiding en instructie van de zaak (proceskosten). De rechtbank ziet voorts geen grond om te oordelen dat het aantal uren dat door de raadsman aan deze zaak is besteed onredelijk hoog is, of dat een onredelijk hoog uurtarief is gehanteerd.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn derhalve toewijsbaar, met dien verstande dat ook deze kosten voor 40% voor rekening van [eiseres] dienen te blijven, nu de letselschade waarvan [eiseres] vergoeding vordert ook voor dat deel aan [eiseres] zelf moeten worden toegerekend (zie overweging 3.18).

Totale materiële schade

3.87. Samenvattend stelt de rechtbank vast dat de vordering van [eiseres] ter zake van materiële schade (gevorderde som: EUR 176.830,42) toewijsbaar is tot 60% van de volgende bedragen:

Niet betwiste posten EUR 3.678,27 (zie 3.31)

Verlies verdienvermogen - (zie 3.34)

Hulpkosten - (zie 3.38)

Yogalessen EUR 3.200,00 (zie 3.42)

No-claim teruggave - (zie 3.45)

Pedicure en kapper EUR 534,00 (zie 3.49)

Pedicure en kapper (toekomstig) EUR 2.366,00 (zie 3.49)

Kledingkosten (toekomstig) EUR 3.400,00 (zie 3.52)

Tuinonderhoud EUR 3.257,86 (zie 3.56)

Verhuiskosten - (zie 3.59)

Rijlessen aangepaste auto EUR 440,00 (zie 3.63)

Treinkaartje Valkenburg - (zie 3.66)

Aanschaf auto - (zie 3.69)

Aanschaf elektrische fiets - (zie 3.72)

Tijdsbesteding echtgenoot - (zie 3.75)

Reis naar Lourdes - (zie 3.78)

Kapotte trui EUR 90,00 (zie 3.81)

Buitengerechtelijke kosten EUR 10.447,81 (zie 3.86)

Totaal EUR 27.413,94

60% hiervan bedraagt EUR 16.448,36

Wettelijke rente over materiële schade

3.88 [eiseres] vordert wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 3 juli 2007 tot de dag van algehele voldoening. Hiertegen is door Custos geen verweer gevoerd.

3.89. De rechtbank oordeelt dat de gevorderde rente toewijsbaar is nu de schadeposten zien op schade die ofwel al was geleden op 3 juli 2007, ofwel is gekapitaliseerd per 1 juli 2007.

Immateriële schade

3.90. [eiseres] vordert immateriële schadevergoeding van EUR 14.000,- (EUR 16.092,75 inclusief rente), nu zij als gevolg van haar beperkingen niet meer met haar kleinkinderen kan spelen en zij nog maar in beperkte mate kan deelnemen aan haar hobby’s (volksdansen, kaarten maken, borduren en puzzelen).

Ter zitting is namens [eiseres] nog naar voren gebracht dat sprake is geweest van secundaire victimisatie, hetgeen relevant kan zijn voor de hoogte van het smartengeld.

3.91. Custos acht een bedrag aan smartengeld van EUR 3.000,- in dit geval redelijk en afdoende, omdat niet duidelijk wordt gemaakt waarom de gevolgen van het ongeval beperkingen opleveren in de familiaire sfeer (kleinkinderen, hobby’s). Custos betwist dat sprake is geweest van secundaire victimisatie. De opmerking in de conclusie van antwoord over geldwolverij is door Custos niet bedoeld om te grieven en wordt door haar teruggenomen.

3.92. De rechtbank acht aannemelijk dat [eiseres] door de verminderde belastbaarheid van haar nek en schouders beperkingen ondervindt bij het omgaan/spelen met haar kleinkinderen en bij het doen van haar hobby’s, al is niet gesteld dat zij hiertoe in het geheel niet meer in staat is. Gelet op alle omstandigheden van het geval (waaronder de aard en duur van de beperkingen) en gelet op vergoedingen voor immateriële schade die in vergelijkbare zaken worden toegekend stelt de rechtbank de door [eiseres] geleden immateriële schade vast op een bedrag van EUR 6.500,-. Door [eiseres] is niet nader aangegeven waarom de houding of handelwijze van Custos in dit geval zou moeten leiden tot toekenning van een hoger bedrag aan smartengeld. Het enkele feit dat Custos aansprakelijkheid steeds heeft afgewezen, een aantal gevorderde schadeposten heeft betwist en ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor de reis naar Lourdes heeft aangegeven deze aanspraak te ervaren als “een degradatie tot ordinaire “geldwolverij” die in een zaak als deze niet past” (welke opmerking zij overigens heeft teruggenomen), vormt naar de het oordeel geen reden om te kunnen spreken van ‘secundaire victimisatie’ die tot toekenning van een hoger bedrag aan smartengeld zou moeten leiden. Custos is gehouden tot vergoeding van 60% van EUR 6.500,-.

3.93. [eiseres] vordert ook wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding, naar de rechtbank begrijpt vanaf het moment van het ongeval.

De rechtbank acht deze vordering toewijsbaar.

Proceskosten

3.94. Custos zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiseres] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 81,85

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 460,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.158,00 (2,0 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 1.699,85

3.95. De gevorderde veroordeling in nakosten moet op grond van art. 237 lid 4 Rv worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. verklaart voor recht dat Custos aansprakelijk is voor 60% van de door [eiseres] geleden schade,

4.2. veroordeelt Custos om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen ter zake van materiële schade een bedrag van EUR 16.448,36 (zestienduizend vierhonderdenachtenveertig euro en zesendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 3 juli 2007 tot de dag van volledige betaling,

4.3. veroordeelt Custos om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen ter zake van immateriële schade een bedrag van EUR 3.900,00 (drieduizend negenhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 18 maart 2004 tot de dag van volledige betaling,

4.4. veroordeelt Custos in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 1.699,85, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.5. verklaart dit vonnis voor wat betreft de beslissingen onder 4.2, 4.3 en 4.4 uitvoerbaar bij voorraad,

4.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Weij en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2008.