Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BH0043

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
19-01-2009
Zaaknummer
171347 HA ZA 08-413
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BY4738, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aan eiser in het incident komt niet het recht toe om zich op relatieve onbevoegdheid van de rechtbank te beroepen nu er sprake is van misbruik van procesrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 171347 / HA ZA 08-413

Vonnis in incident van 24 december 2008

in de zaak van

1. de stichting

BORDEAUX BELEGGERS BELANGEN,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPORTSLINE B.V.,

gevestigd te Geldrop,

3. [A],

wonende te [woonplaats],

4. [B],

wonende te [woonplaats],

5. [C],

wonende te [woonplaats],

6. [D],

wonende te [woonplaats],

7. [E],

wonende te [woonplaats],

8. [F]

wonende te [woonplaats],

9. [G],

wonende te [woonplaats],

10. [H],

wonende te [woonplaats]

11. [I],

wonende te [woonplaats],

12. [J],

wonende te [woonplaats]

13. [K],

wonende te [woonplaats],

14. [L],

wonende te [woonplaats],

15. [M],

wonende te [woonplaats],

16. [N]

wonende te [woonplaats]

17. [O]

wonende te [woonplaats],

18. [P]

wonende te [woonplaats]

19. [Q],

wonende te [woonplaats]

20. [R],

wonende te [woonplaats]

21. [S]

wonende te [woonplaats],

22. [T],

wonende te [woonplaats],

23. [U],

wonende te [woonplaats]

24. [V],

wonende te [woonplaats],

25. [W]

wonende te [woonplaats]

26. [X],

wonende te [woonplaats]

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. R.H.J.M. Silvertand,

tegen

[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident],

wonende te onbekend,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. Ph.C.M. van der Ven.

Partijen zullen hierna Bordeaux Beleggers Belangen c.s. en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Hij legt aan zijn incidentele vordering ten grondslag dat de wet geen regeling biedt bij subjectieve cumulatie van eisers op grond waarvan één specifieke rechtbank bevoegd is van de vorderingen van alle eisers kennis te nemen. In ogenschouw genomen dat de vorderingen in hoofdzaak zijn gebaseerd op (vermeend) onrechtmatig handelen van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] jegens de verschillende eisers zodat ingevolge artikel 102 wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) de rechtbank van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan (mede) bevoegd is en de redenering van Bordeaux Beleggers Belangen c.s. volgend dat de onrechtmatige daad is gepleegd op de plaats waar de overeenkomsten met Bordeaux Advisory zijn gesloten (i.c in de woonplaatsen van de verschillende eisers), stelt [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] zich op het standpunt dat de rechtbank ’s-Hertogenbosch slechts bevoegd is om van de vordering van een enkele eiser kennis te nemen. De overige eisers moeten zich wenden tot de rechtbank die is gevestigd in het arrondissement van hun woonplaats. Met betrekking tot de eisers, afkomstig uit België, heeft volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] te gelden dat er ten onrechte een forum in Nederland wordt gecreëerd.

Subsidiair is [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] van mening dat de dagvaarding in hoofdzaak nietig is gezien de onjuiste poging een bevoegdheid voor de rechtbank ’s-Hertogenbosch te creëren cq dat de eisers in hun vorderingen niet ontvankelijk dienen te worden verklaard.

2.2. Bordeaux Beleggers Belangen c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Rechtsmacht

2.3. De rechtbank is van oordeel dat allereerst de vraag moet worden beantwoord of haar rechtsmacht toekomt ten aanzien van de vorderingen, ingediend door de in België woonachtige eisers (subs 5 en 23). Bordeaux Beleggers Belangen c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat de Nederlandse rechter op basis van artikel 6 Rv rechtsmacht toekomt.

2.4. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] geen bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland heeft en stelt vast dat hij de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in zijn incidentele conclusie heeft betwist waar het betreft de vorderingen van de in België woonachtige eisers. In deze situatie dient de (zonodig ambtshalve te onderzoeken) vraag aan welke rechter in casu rechtsmacht toekomt waar het betreft de vorderingen van de in België woonachtige eisers, ingevolge artikel 4 van de EEX-Verordening te worden beantwoord naar Nederlands recht.

2.5. De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter aan artikel 6 Rv geen rechtsmacht kan ontlenen. Ingevolge dit artikel is de Nederlandse rechter (mede) bevoegd in zaken betreffende (voor zover in casu van belang) verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Naar de eigen stellingen van Bordeaux Beleggers Belangen c.s. heeft als onbetwist te gelden dat het schadebrengende feit heeft plaatsgehad in de woonplaats van de verschillende eisers. In het geval van de uit België afkomstige eisers is het schadebrengend feit mitsdien gesitueerd in België.

2.6. Gesteld noch gebleken is dat de Nederlandse rechter op enige andere grond rechtsmacht toekomt ten aanzien van de vorderingen van meergenoemde Belgische eisers. De rechtbank zal zich derhalve ten aanzien van die vorderingen onbevoegd verklaren en de incidentele vordering zal in zoverre worden toegewezen.

2.7. Nu de Nederlandse rechter ten aanzien van bovenbedoelde vorderingen geen rechtsmacht toekomt, is voor een verwijzing naar de Haagse rechtbank van de zaken die zijn ingeleid door de uit België afkomstige eisers is geen grond aanwezig.

Relatieve bevoegdheid

2.8. Niet in geschil is dat deze rechtbank op grond van artikel 102 Rv bevoegd is te oordelen over de vorderingen van de eisers subs 1, 2, 16 en 21. Ten aanzien van de vorderingen van de overige in Nederland woonachtige eisers heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] zich beroepen op de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank.

2.9. De rechtbank stelt voorop dat de regels van relatieve bevoegdheid van regelend recht zijn en niet ambtshalve (hoeven te) worden toegepast. De rechtbank is met Bordeaux Beleggers Belangen c.s. van oordeel dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] – alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen – de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank niet kan inroepen omdat er sprake is van misbruik van procesrecht. Zij overweegt hiertoe het volgende.

2.10. De bepalingen omtrent relatieve bevoegdheid strekken in overwegende mate ter bescherming van de gedaagde partij. Hoofdregel is dat relatieve bevoegdheid wordt bepaald door de woonplaats van de gedaagde. In de onderhavige procedure, die zich kenmerkt door een groot aantal vorderingen in hoofdzaak, ingediend door verschillende (verspreid wonende) eisers tegen dezelfde gedaagde en berustend op een zelfde feitenkader en een zelfde juridische grondslag, heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] om hem moverende redenen zijn woonplaats niet bekend gemaakt. Dit heeft in het onderhavige geval tot gevolg dat de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan bepalend is voor vaststelling van de relatieve bevoegdheid. Nu als niet betwist vast staat dat als deze plaats heeft te gelden de woonplaats van de verschillende eisers, resulteert het voorgaande in de conclusie dat er een grote spreiding van sterk met elkaar samenhangende zaken zou plaatsvinden en eisers aanzienlijk meer kosten moeten maken. Gesteld noch gebleken is dat daarmee enig redelijk belang is gediend. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft een dergelijk belang niet naar voren gebracht en niet valt in te zien op welke wijze zijn belang met een dergelijke gang van zaken gediend zou zijn anders dan door het creëren van vertraging van de procedure. Dit geldt temeer nu eisers na eventuele verwijzing voeging kunnen vragen en – gezien op de nauwe samenhang tussen hun vorderingen – deze waarschijnlijk verkrijgen. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat de wetgever het belang van doelmatig procederen en voorkoming van tegenstrijdige beslissingen voor ogen heeft gehad bij het creëren van de mogelijkheid tot verwijzing en voeging van samenhangende zaken.

2.11. Nu [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig maakt aan misbruik van procesrecht waardoor hij ingevolge artikel 3:13 BW niet kan beroepen op de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank en regels van relatieve bevoegdheid niet ambtshalve worden toegepast, acht de rechtbank zich bevoegd om de vorderingen van de in Nederland woonachtige eisers te beoordelen. De incidentele vordering zal in zoverre worden afgewezen.

2.12. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank geen grond aanwezig acht voor nietig verklaring van de dagvaarding of niet-ontvankelijkverklaring van de vorderingen.

2.13. De rechtbank zal [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van deze incidentele procedure.

3. De beslissing

De rechtbank

In het incident:

3.1. wijst de vordering tot onbevoegdverklaring toe, voor zover deze betrekking heeft op de vorderingen ingediend door de eisers [C] en [U];

3.2. wijst de vordering voor het overige af.,

3.3. veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van Bordeaux Beleggers Belangen c.s. tot op heden begroot op € 452,-

In de hoofdzaak:

3.4. verklaart zich onbevoegd van de vorderingen van [C] en [U] in hoofdzaak kennis te nemen.

3.5. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 februari 2009 voor het nemen van een conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2008.