Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BG8591

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-12-2008
Datum publicatie
30-12-2008
Zaaknummer
AWB 08-2409
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering verklaring omtrent het gedrag. Beoordeling of eiser binnen vier jaar voorafgaand aan het moment van beoordeling is vermeld in de justitiële documentatie. De rechtbank constateert dat de toelichting op paragraaf 3.1 van de Beleidsregels VOG NP-RP 2004 voor wat betreft fraudedelicten inhoudt dat dient te worden teruggekeken naar het tijdstip van de eerste stap van vervolging, maar dat de tekst van paragraaf 3.1 als relevante tijdstippen uitsluitend noemt de datum van de uitspraak in eerste aanleg dan wel de pleegdatum. Dit zou betekenen dat de toelichting op bedoelde Beleidsregels op dit punt een wijziging dan wel een uitbreiding van de inhoud van deze Beleidsregels zou geven. Aanvaarding hiervan zou in strijd komen met de rechtszekerheid. De rechtbank zal daarom in zoverre de toelichting buiten beschouwing laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/2409

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2008

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

tegen

de Minister van Justitie,

te Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2008 heeft verweerder geweigerd aan eiser een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te verlenen ten behoeve van de vervulling van de functie van product specialist bij Easy Life Investments BV te Helmond.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 20 juni 2008 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verweerder het bezwaar als beroepschrift aangemerkt en het als zodanig naar de rechtbank doorgezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van 24 november 2008, waar eiser is verschenen in persoon. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Aan de orde is of verweerder terecht heeft geweigerd aan eiser de aangevraagde VOG te verlenen.

2. Het wettelijk kader luidde op de datum van het bestreden besluit als volgt.

3. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is een verklaring omtrent het gedrag een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

4. Ingevolge artikel 29 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens geldt de beslissing omtrent de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb.

5. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens weigert Onze Minister de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

6. Bij de beoordeling van het risico voor de samenleving worden de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG NP-RP 2004, vastgesteld door verweerder bij besluit van 17 maart 2004 (Stcrt. 31 maart 2004, nummer 63, hierna: de Beleidsregels).

7. Paragraaf 3.1 van de Beleidsregels luidt voor zover hier van belang als volgt. Een VOG wordt zonder meer afgegeven indien de aanvrager vier jaar voorafgaand aan het moment van toetsing (datum beoordeling van de aanvraag) niet voorkomt in de justitiële documentatie, tenzij:

A. er sprake is van zedendelicten zoals bedoeld in artikel 240b tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht; of

B. de aanvrager in die vier jaar voorafgaand aan het moment van toetsing enige tijd in de gevangenis heeft doorgebracht.

In sommige gevallen wordt voorgeschreven welke termijn de aanvrager, voorafgaand aan het moment van toetsing, niet mag voorkomen in de justitiële documentatie. In die gevallen geldt de voorgeschreven termijn.

Indien tussen de pleegdatum en de zitting van datum in eerste aanleg (bedoeld zal zijn: datum van zitting in eerste aanleg) een langere periode ligt dan twee jaren dan kan dit aanleiding zijn om terug te kijken tot de pleegdatum.

8. De toelichting bij paragraaf 3.1 van de Beleidsregels houdt onder meer in:

De vraag is echter wel vanaf welk moment die vier jaar berekend gaat worden, vanaf de pleegdatum of de uitspraak van de rechter in eerste aanleg. Het uitgangspunt is de uitspraak van de rechter in eerste aanleg, tenzij de pleegdatum meer dan twee jaar voor die datum ligt. Dit heeft te maken met het feit dat het iemand niet kan worden tegengeworpen wanneer de periode tussen de pleegdatum en de uitspraak meer dan twee jaar bedraagt. Met deze redenering wordt ook aangesloten bij de redelijke termijn in het strafrecht. Tevens is een en ander ook afhankelijk van de aard van het strafbare feit. Fraudedelicten worden vaak pas lange tijd na de pleegdatum bekend. In de situatie kan niet worden volgehouden dat terug dient te worden gekeken tot de pleegdatum. In die gevallen kan worden teruggekeken naar de eerste stap van vervolging.

9. De rechtbank overweegt als volgt.

10. Verweerder heeft gesteld dat Easy Life Investments BV te Helmond failliet is gegaan, zodat eiser geen procesbelang meer heeft. Deze stelling faalt, nu uit het gegeven dat een (potentiële) werkgever failliet wordt verklaard, niet zonder meer valt af te leiden dat eiser geen procesbelang meer heeft. Krachtens de bepalingen van de Faillissementswet kan (de curator van) een failliet verklaarde rechtspersoon immers arbeidsovereenkomsten aangaan en beslissen over het gedurende faillissement laten voortduren van arbeidsovereenkomsten.

11. Bij de verdere beoordeling neemt de rechtbank de volgende, niet weersproken, feiten en omstandigheden tot uitgangspunt. De VOG is aangevraagd ten behoeve van de functie product specialist, hetgeen inhoudt de verkoop van financiële producten. Relevante functie-aspecten daarbij zijn het met gevoelige informatie omgaan, het verkopen van goederen en diensten, alsmede het verlenen van diensten. Uit informatie van het Justitieel Documentatie Systeem blijkt dat in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag, te weten bij vonnis van 10 juli 2006, eiser is veroordeeld wegens valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk alsmede 200 uren werkstraf subsidiair 100 dagen hechtenis. Dit vonnis is onherroepelijk. De pleegperiode van deze misdrijven betreft volgens het vonnis de periode van 7 oktober 2002 tot en met 19 juni 2003. Eiser is in deze strafzaak voor het eerst verhoord in juni 2005.

12. Bij zijn besluitvorming heeft verweerder zich gebaseerd op paragraaf 3.1 van de Beleidsregels. Naar het oordeel van de rechtbank is het in deze paragraaf neergelegde beleid niet kennelijk onredelijk, zodat verweerder dit aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

13. Een volgende vraag is of verweerder het door hem in het onderhavige geval gehanteerde beleid juist heeft toegepast.

14. Blijkens de formulering van paragraaf 3.1 van de Beleidsregels geldt in beginsel een termijn van vier jaar, terug te rekenen vanaf het moment van toetsing, waaronder dient te worden verstaan de datum beoordeling van de aanvraag. Zonder nadere toelichting van verweerder, welke ontbreekt, dient daaronder naar het oordeel van de rechtbank te worden verstaan de datum van het primaire besluit, in dit geval 11 februari 2008. Op die datum heeft verweerder immers, voor het eerst, blijk gegeven van een beoordeling van de aanvraag. Het eerdere voornemen van verweerder van 14 januari 2008 tot weigering is onvoldoende concreet om als moment van beoordeling van de aanvraag te kunnen gelden.

15. Niet aangevoerd is dat zich in dit geval een van de onder A en B van paragraaf 3.1 van de Beleidsregels vermelde uitzonderingen voordoet of dat een afwijkende termijn is voorgeschreven, zodat kan worden uitgegaan van de als hoofdregel geldende termijn van vier jaar.

16. De volgende vraag is of eiser in de vier jaren voorafgaand aan 11 februari 2008 is voorgekomen in de justitiële documentatie als in paragraaf 3.1 bedoeld. Verweerder is er daarbij met juistheid van uitgegaan dat de veroordeling voor valsheid in geschrifte bij vonnis van 10 juli 2006 ziet op een veroordeling wegens een fraudedelict.

17. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval, nu sprake is van een fraudedelict, moet worden teruggekeken naar de eerste stap van vervolging, waaronder volgens hem dient te worden verstaan de datum waarop de strafzaak een parketnummer heeft gekregen.

18. De rechtbank constateert dat de toelichting op paragraaf 3.1 van de Beleidsregels voor wat betreft fraudedelicten inhoudt dat dient te worden teruggekeken naar het tijdstip van de eerste stap van vervolging, maar dat de tekst van paragraaf 3.1 als relevante tijdstippen uitsluitend noemt de datum van de uitspraak in eerste aanleg dan wel de pleegdatum. Dit zou betekenen dat de toelichting op de Beleidsregels op dit punt een wijziging dan wel een uitbreiding van de inhoud van de Beleidsregels zou geven. Aanvaarding hiervan zou in strijd komen met de rechtszekerheid. De rechtbank zal daarom in zoverre de toelichting buiten beschouwing laten.

19. Uit het voorgaande volgt dat verweerder - door in het bestreden besluit de datum van de eerste stap van vervolging tot uitgangspunt te nemen - een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in paragraaf 3.1 van de Beleidsregels. Dit betekent dat het bestreden besluit geen stand kan houden.

20. Met het oog op het streven naar finale geschillenbeslechting overweegt de rechtbank ten overvloede als volgt. Uitgaande van de inhoud van paragraaf 3.1 van de Beleidsregels kan slechts de pleegdatum dan wel de datum van de uitspraak in eerste aanleg als relevant tijdstip in aanmerking komen. Hierbij is van belang dat tussen de laatste dag van de pleegperiode (19 juni 2003) en de datum van de uitspraak in eerste aanleg (10 juni 2006) meer dan twee jaren zijn verstreken. Paragraaf 3.1 houdt voor een dergelijke situatie in dat deze aanleiding kan zijn om terug te kijken tot de pleegdatum. Verweerder heeft op basis hiervan derhalve afwegingsruimte bij de beslissing om al dan niet terug te kijken naar de pleegdatum. In de toelichting op dit onderdeel van paragraaf 3.1 is vervolgens te lezen dat het uitgangspunt is de datum van de uitspraak van de rechter in eerste aanleg, tenzij de pleegdatum meer dan twee jaar voor die datum ligt. Hieruit lijkt te kunnen worden opgemaakt dat verweerder de hier bedoelde afwegingsruimte in de praktijk zo zal invullen dat wordt teruggekeken naar de pleegdatum.

21. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zal het beroep gegrond worden verklaard. Verweerder zal worden gelast met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen op het door eiser gemaakte bezwaar.

22. Niet is gebleken dat eiser proceskosten in de zin van artikel 8:75 van de Awb heeft gemaakt, zodat geen termen aanwezig zijn om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

23. Wel zal de rechtbank gelasten dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 145,00 zal vergoeden.

24. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 20 juni 2008;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 145,00 zal vergoeden.

Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als rechter in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hooghuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2008.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Verzonden: