Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BG8585

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
30-12-2008
Zaaknummer
AWB 06/2980
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

legesheffing - nieuwe aanvraag - bevoegdheid - hardheidsclausule - kwijtschelding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/435
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2980

Uitspraakdatum: 2 december 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde [gemachtigde A],

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [naam], verweerder.

gemachtigden [gemachtigde B] en [gemachtigde C].

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan eiser is bij besluit van 19 april 2005 opgelegd een bedrag aan leges te betalen van € 8.769,00 wegens het in behandeling nemen van een aanvraag om reguliere bouwvergunning, geregistreerd onder nummer 0503912. De betreffende aanslag is opgelegd met dagtekening 27 april 2005.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 mei 2006 de aanslag verminderd tot een bedrag van € 7.280,00.

Eiser heeft daartegen bij fax van 19 juni 2006 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2008 te 's-Hertogenbosch.

Verschenen zijn toen eiser, vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij de gemachtigden. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank besloten het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Awb te heropenen. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 22 september 2008, waarbij eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder bij de gemachtigden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

Eiser heeft een aanvraag om bouwvergunning met datum 23 maart 2005 ingediend voor het gedeeltelijk vergroten van een champignonkwekerij, met twee champignoncellen en een loods. In de aanvraag heeft eiser een bedrag aan bouwkosten vermeld van € 100.000,00.

De aanslag leges is opgelegd naar berekende bouwkosten ten bedrage van € 323.630,00. Eiser heeft bij brief van 30 augustus 2005 ter aanvulling op het bezwaar offertes overgelegd ter onderbouwing van een door hem berekend bedrag aan bouwkosten van € 242.818,14 voor twee champignoncellen en een loods. Eisers berekeningen zijn tot een bedrag van € 4.017,50 gebaseerd op een offerte van [bedrijf A], tot een bedrag van € 93.300,64 op een offerte van [bedrijf B], op een offerte van {bedrijf C] van € 75.500,00 en een offerte van {bedrijf B] van € 70.000,00.

Volgens verweerder bedragen de op de offerte van [bedrijf A] gebaseerde kosten niet € 4.017,50 maar € 8.550,00 en de op de eerstgenoemde offerte van [bedrijf B] gebaseerde kosten niet € 93.300,64 maar € 96.884,64. Verweerder heeft hierom in de uitspraak op bezwaar de leges niet verlaagd naar bouwkosten ten bedrage van € 242.818,14 maar van € 250.934,64.

3. Geschil

In het geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Eiser concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot nihil. Subsidiair concludeert eiser tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een, berekend naar bouwkosten van € 242.818,14.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Artikel 231, tweede lid, van de Gemeentewet luidt als volgt:

Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen genoemde functionarissen, met betrekking tot de gemeentelijke belastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen:

a. Onze Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de directeur: het college;

b. de inspecteur: de gemeenteambtenaar, belast met de heffing van gemeentelijke belastingen;

c. de ontvanger of een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger: de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen;

Ingevolge artikel 1 van de Verordening op de heffing en invordering van de leges 2005 (hierna: de Verordening) worden onder de naam “leges” rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Ingevolge Hoofdstuk 5 (Bouwvergunningen), paragraaf 5.1.1 van de Tarieventabel behorende bij de Verordening (hierna: de Tarieventabel) wordt onder bouwkosten in dit hoofdstuk verstaan de aannemingssom als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme administratieve voorwaarden voor uitvoering van werken 1989 (UAV 1989), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten als bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd.

Ingevolge paragraaf 5.2, aanhef en onder 5.2.2. van de Tarieventabel bedraagt het tarief ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van de Woningwet, indien de bouwkosten meer bedragen dan € 50.000,00 doch niet meer dan € 250.000,00: € 1.658,00 vermeerderd met 27,3 ‰ van het bedrag waarmede die bouwkosten € 50.000,00 te boven gaan. Indien de bouwkosten meer bedragen dan € 250.000,00 doch niet meer dan € 500.000,00 bedraagt dit tarief: € 7.118,00 vermeerderd met 20,4 ‰ van het bedrag waarmede die bouwkosten € 250.000,00 te boven gaan.

Ingevolge paragraaf 5.5.1 van de Tarieventabel, voor zover hier van belang, wordt het berekende bedrag verhoogd met € 142,00 indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwplan waarvoor een vergunning moet worden verleend met toepassing van artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Bij besluit van 3 maart 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) het hoofd van het administratiekantoor aangewezen als heffingsambtenaar en als invorderingsambtenaar, en bij diens afwezigheid of ontstentenis het hoofd van de afdeling Centrale Ondersteuning.

Voor zover het besluit tot de verschuldigdheid van de leges op 19 april 2005 is genomen door het college is zulks onbevoegd gedaan. Op grond van artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet berust deze bevoegdheid immers bij de heffingsambtenaar. Blijkens de stukken is als heffingsambtenaar aangewezen het hoofd van het administratiekantoor, en bij diens afwezigheid of ontstentenis het hoofd van de afdeling Centrale Ondersteuning, van de gemeente. Het hieruit voortvloeiende gebrek is evenwel geheeld bij de uitspraak op bezwaar, nu deze is gedaan door de heffingsambtenaar.

Vast staat dat eiser met dagtekening 23 maart 2005, bij verweerders gemeente ingekomen op 24 maart 2005 en geregistreerd onder nummer 2005098, een aanvraag om reguliere bouwvergunning voor het gedeeltelijk vergroten van een champignonkwekerij heeft ingediend, dat verweerder die aanvraag in behandeling heeft genomen en dat met toepassing van artikel 15 van de WRO hierop bouwvergunning is verleend. Dit is tussen partijen verder niet in geschil.

Vast staat voorts dat ter zake van het in behandeling nemen van voornoemde aanvraag van 23 maart 2005 niet eerder leges zijn geheven. Verweerder heeft er, voor wat betreft de verschuldigdheid van leges, met juistheid op gewezen dat de aanvraag van 23 maart 2005 op zichzelf staat. Dit wordt niet anders indien de onderhavige aanvraag is gedaan omdat eerdere aanvragen – al dan niet (mede) door toedoen van het college – op dat moment niet of nog niet tot de gewenste resultaten hebben geleid. De omstandigheid dat de in de onderhavige aanvraag verzochte reguliere bouwvergunning ziet op de oprichting van twee champignoncellen en een loods, die eveneens zijn begrepen in een eerdere, meer omvattende en andersluidende aanvraag van 27 november 2002, doet hieraan niet af. De rechtbank merkt hierbij nog op dat eiser in zijn aanvraag van 23 maart 2005, die hij om voor hem moverende redenen heeft ingediend naast de eerdere aanvraag van 27 november 2002, heeft vermeld dat hij voor deze bouwwerkzaamheden niet al eerder een bouwvergunning heeft aangevraagd.

Het voorgaande wordt niet anders door de verwijzing, in het besluit tot verlening van bouwvergunning van 19 april 2005 (nummer BV/2005098), naar die eerdere aanvraag. Dit besluit is immers afkomstig van het college, dat als hiervoor overwogen, niet is aangewezen als heffingsambtenaar en daarom niet bevoegd is ter zake van de heffing. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar het besluit van 19 april 2005, in het besluit tot verlening van bouwvergunning van 26 oktober 2006 (nummer BO/2001467) op de aanvraag van 27 november 2002.

Evenmin kan hieraan afdoen dat met betrekking tot die aanvraag van 27 november 2002 het hoofd van de afdeling Wonen en Milieu, als weergegeven in haar brief van 20 oktober 2003, ervoor heeft zorggedragen “dat u de leges in dit geval niet hoeft te betalen”, hetgeen – zo begrijpt de rechtbank uit de uitspraak op bezwaar in de onderhavige zaak – voor verweerder, die door het college tevens als invorderingsambtenaar is aangewezen, destijds kennelijk aanleiding heeft gevormd de betreffende aanslag kwijt te schelden dan wel deze kwijtschelding voor zijn rekening te nemen. Zoals hiervoor aangegeven staat te dezen de aanvraag van 23 maart 2005 op zichzelf. Ook kan aan het voorgaande niet afdoen dat met betrekking tot de behandeling van de aanvraag van 27 november 2002, als door eiser toegelicht ter zitting, bij brief van 27 oktober 2006 vervolgens legeskosten in rekening zijn gebracht waarbij de in het onderhavige geschil in rekening gebrachte leges in mindering zijn gebracht. De ter zake van de in behandeling genomen aanvraag van 27 november 2002 opgelegde aanslag vormt niet het onderwerp van dit geschil.

Voor zover eiser heeft bepleit dat de eerdere kwijtschelding in de weg staat aan de heffing van leges kan dit in de nu voorliggende procedure betreffende het in behandeling nemen van de aanvraag van 23 maart 2005 niet aan de orde komen, nu die kwijtschelding ziet op de aanvraag van 27 november 2002.

Nu de aanvraag van 23 maart 2005 in behandeling is genomen volgt uit artikel 1 van de Verordening in samenhang met paragraaf 5.2.2 van de Tarieventabel, alsmede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dat verweerder bevoegd en tevens gehouden is tot het heffen van leges.

Vervolgens is aan de orde of de leges tot het juiste bedrag zijn geheven.

Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat de bouwkosten € 242.818,14 bedragen, terwijl verweerder uitgaat van bouwkosten van € 250.934,64. Verweerder heeft een tweetal offertes geaccepteerd en heeft ter zake van een tweetal offertes de door eiser niet daaruit meegenomen kosten alsnog bijgeteld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met juistheid de correcties heeft toegepast. Ten aanzien van het puin en het zand (offerte [bedrijf A]) heeft eiser nagelaten de geoffreerde kubiekemeterprijs te vermenigvuldigen met de benodigde kubieke meters. Ten aanzien van de offerte van [bedrijf B] heeft eiser de totaalprijs exclusief de bijkomende kosten opgenomen, welke verweerder terecht tot de bouwkosten heeft gerekend. Voor zover eiser zich in beroep op het standpunt heeft gesteld dat de kosten minder bedragen dan hetgeen volgt uit de door hem overgelegde facturen aangezien daarbij een vergissing is gemaakt, is eiser er niet in geslaagd dit aannemelijk te maken. Uit de brief van eiser van 27 februari 2008 komt naar voren dat de offertes van [bedrijf B] beide betrekking hebben op de twee cellen en de loods waarop de onderhavige aanvraag ziet. Hetgeen eiser hieromtrent in zijn pleitnotitie van 22 september 2008 heeft gesteld is, mede gelet op de inhoud van de brief van 30 augustus 2005, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder met juistheid is uitgegaan van bouwkosten ten bedrage van in totaal € 250.934,64. Hieruit volgt dat de legesaanslag, gelet op paragraaf 5.2, aanhef en onder 5.2.2, en paragraaf 5.5.1 van de Tarieventabel, tot het juiste bedrag is vastgesteld.

Voor zover eiser heeft beoogd – zoals ter zitting gesteld – een beroep te doen op toepassing van de hardheidsclausule overweegt de rechtbank het volgende.

Een hardheidsclausule is niet in de Verordening opgenomen. Ingevolge artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet geschieden de heffing en de invordering van de gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet (AWR), de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen. In artikel 236 van de Gemeentewet is artikel 63 van de AWR niet uitgesloten. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 maart 2002, BNB 2002/174, op dit punt echter overwogen: “De in artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde bevoegdheid om voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen, komt niet toe aan de rechter, maar is voorbehouden aan de Minister van Financiën.” Dit betekent dat in het voorliggende geval op grond van artikel 231, tweede lid, onder a, van de Gemeentewet deze bevoegdheid berust bij het college.

Dit zou anders zijn indien het college voor deze gevallen beleid zou hebben geformuleerd waarmee bij de heffing rekening zou moeten worden gehouden. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2003, BNB 2003/207, waarin is overwogen dat de toepassing van het door de heffingsambtenaren in het kader van de heffing uit te voeren hardheidsclausulebeleid wél ter beoordeling van de belastingrechter staat, aangezien die toepassing haar neerslag vindt in voor beroep vatbare beslissingen op bezwaar.

Van voor gevallen als het onderhavige door het college geformuleerd beleid is de rechtbank evenwel niet gebleken. Het had op de weg van eiser gelegen, deze eerst ter zitting naar voren gebrachte stelling op dit punt, evenals de toepasselijkheid daarvan in het voorliggende geval nader te onderbouwen. Dit is evenwel niet gebeurd. De enkele verwijzing naar de opmerking van verweerder ter zitting dat de toepassing van de hardheidsclausule is gemandateerd aan de heffingsambtenaar en dat de brief van het hoofd van de afdeling Wonen en Milieu van 20 oktober 2003 in dit licht moet worden gezien, is hiertoe onvoldoende. Nog daargelaten dat dit hoofd niet de heffingsambtenaar is en derhalve niet bevoegd ten aanzien van de heffing, is deze opmerking strijdig met hetgeen verweerder hieromtrent heeft gesteld in de uitspraak op bezwaar, te weten dat kwijtschelding is verleend. Dit klemt temeer nu aan verweerder deze kwijtscheldingsbevoegdheid toekomt in zijn hoedanigheid van invorderingsambtenaar en niet in die van heffingsambtenaar.

Hieruit volgt dat eiser een beroep op de hardheidsclausule gezien het voorgaande niet kan baten, nu de rechtbank onbevoegd is indien geen beleid is geformuleerd, en het beroep onvoldoende is onderbouwd en daarmee de stelling niet aannemelijk gemaakt, voor zover wel beleid is geformuleerd.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de legesaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Met betrekking tot de stelling van eiser, dat verweerder aanleiding had dienen te zien de leges ter zake van de onderhavige aanvraag kwijt te schelden, overweegt de rechtbank als volgt.

De Verordening bevat geen bepalingen inzake kwijtschelding, zodat daarvoor ingevolge artikel 255, eerste lid, van de Gemeentewet moet worden teruggegrepen op de Invorderingswet 1990 en de Uitvoeringsregeling invorderingswet 1990 (Uitvoeringsregeling). Ingevolge artikel 255, eerste lid, van de Gemeentewet komt de bevoegdheid tot het verlenen van kwijtschelding toe aan verweerder in diens hoedanigheid van invorderingsambtenaar. Ingevolge artikel 7 van de Uitvoeringsregeling staat tegen diens beslissing op het verzoek tot kwijtschelding administratief beroep open. Op grond van artikel 6:4, tweede lid, van de Awb geschiedt het instellen van administratief door het indienen van een beroepschrift bij het bestuursorgaan dat bevoegd is tot de beslissing in beroep. Hieruit volgt dat de rechtbank ten aanzien van verweerders beslissing inzake kwijtschelding niet bevoegd is.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T. van Vliet, rechter, in tegenwoordigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2008.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201CZ te ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Partijen kunnen ook beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Dit is echter alleen mogelijk indien de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.