Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BG7402

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
Awb 08 / 3683 en Awb 08 / 3430
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beroep tegen de verlening van de bouwvergunning voor het vernieuwen van een sportgebouw nabij het Rijksmonument De Citadel te ’s-Hertogenbosch wordt door de voorzieningenrechter ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt afgewezen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, ondanks het feit dat het aanwijzingsverzoek pas is gedaan nadat de bouwvergunning was verleend, op de enveloppe en de ravelijn voorbescherming rusten. Dit brengt evenwel met zich mee dat verweerder de beslissing op de bouwaanvraag niet heeft kunnen aanhouden en dat verweerder niet gehouden was om de bouwvergunning wegens het ontbreken van een bouwvergunning te weigeren. Nu in bezwaar de vergunningverlening van 31 juli 2007 diende te worden heroverwogen, was verweerder tevens bevoegd een beslissing op bezwaar te nemen en hoefde verweerder daarbij geen doorslaggevende betekenis toe te kennen aan het aanwijzingsverzoek.

Deze voorbescherming kan met zich meebrengen dat de vergunninghouder (tijdelijk) geen gebruik kan maken van de bouwvergunning. Verzoekster heeft echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de enveloppe, als al moet worden aangenomen dat deze nog steeds aanwezig is, of de ravelijn worden verstoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/3683

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 december 2008

inzake

[verz[complex]]

te 's-Hertogenbosch,

verzoekster,

[gemachtigde]

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch,

verweerder,

[gemachtigde]

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [vergunninghoudster] te 's-Hertogenbosch, vergunningshoudster, [gemachtigde]

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2007 heeft verweerder, onder verlening van ontheffing van onder meer het in de gemeentelijke bouwverordening neergelegde verbod tot bouwen met overschrijding van de voor- en achtergevelrooilijn, een bouwvergunning verleend voor het vernieuwen van een sportgebouw op het p[complex][adres], kadastraal bekend gemeente ’s Hertogenbosch, [adres]

Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om hangende bezwaar een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 23 november 2007 (AWB 07/3511)is dit verzoek afgewezen.

Het door verzoekster ingediende bezwaar is door verweerder bij besluit van 21 augustus 2008 ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft verzoekster op 29 september 2008 beroep ingesteld. Bij brief van 30 september 2008 heeft verzoekster tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld op de zitting van 26 november 2008, waar verzoekster is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Verder is de derde belanghebbende bij gemachtigde verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, onder meer indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien de voorzieningenrechter in een dergelijk geval van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan worden gedaan in de hoofdzaak. In de uitnodiging voor de zitting zijn partijen op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter gewezen.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bedoelde situatie zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de aanhangige hoofdzaak.

4. Bij de beoordeling van onderhavige zaak gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

5. Het perceel waarop het sportgebouw is voorzien is eigendom van de gemeente ’s Hertogenbosch en is gelegen in een gebied waarvoor geen bestemmingsplan geldt of in voorbereiding is. Evenmin is het perceel aangewezen als Rijks- of gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht.

6. Het bouwplan wordt gerealiseerd in de nabijheid van de aan de noordelijke flank van de [complex] te ’s-Hertogenbosch gelegen ravelijn, zijnde een midden voor een vestingfront gelegen buitenwerk ter dekking van onder meer een toegangspoort, en gedeeltelijk op de enveloppe, zijnde de buitenste bescherming van aardwerken van een gebastioneerde vesting, de zogenaamde tweede mantel.

7. De [complex] is in 1965 aangewezen als beschermd rijksmonument. Verzoekster heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij brieven van 28 september 2007, 20 december 2007 en 18 januari 2008 verzocht om op grond van artikel 8 van de Monumentenwet 1988 (hierna: Mw) het monumentenregister te wijzigen door, voor zover thans van belang, het ter plaatse aanwezige ravelijn en de zogenaamde enveloppe in de omschrijving van de als rijksmonument beschermde citadel op te nemen. De minister heeft dit verzoek in behandeling genomen. Als gevolg van dit verzoek genieten de ravelijn en de enveloppe ingevolge artikel 5 van de Mw voorbescherming, zodat voor het afbreken, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van het monument een vergunning op grond van artikel 11 van de Mw nodig is.

8. Het wettelijk kader luidt als volgt.

9. Ingevolge artikel 40 van de Woningwet (hierna: Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

10. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Ww, mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet de bouwvergunning worden geweigerd, indien:

(…)

b. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120;

(…)

e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

11. Ingevolge artikel 2.5.6 van de Bouwverordening van de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: de bouwverordening) is het verboden een bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.

12. Ingevolge artikel 2.5.12 van de bouwverordening is het verboden bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.

13. Ingevolge artikel 2.5.29, eerste lid en tweede lid, onder d, van de bouwverordening, kunnen burgemeester en wethouders in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.5.8, 2.5.10, 2.5.14 en 2.5.28, ontheffing verlenen van de verboden tot bouwen in afwijking van of met overschrijding van de voor- en achtergevelrooilijn indien het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

14. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op, of onder een gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort. Ingevolge artikel 2.5.30. vierde lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening kunne burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien.

15. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Mw kan de Minister, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, onroerende gebouwen aanwijzen als beschermd monument.

16. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Mw vraagt de Minister voordat hij ter zake een beschikking geeft, advies aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het monument is gelegen.

17. Ingevolge het derde lid van artikel 3 van de Mw doet de minister mededeling van de adviesaanvraag, bedoeld in het tweede lid, aan degenen die in de basisregistratie kadaster als eigenaar en beperkt gerechtigde staan vermeld, aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers en, indien om aanwijzing is verzocht, aan de verzoekster.

18. Ingevolge artikel 5 van de Mw zijn met ingang van de datum waarop de mededeling, bedoeld in artikel 3, derde lid, heeft plaatsgevonden tot het moment dat inschrijving in het register, bedoeld in artikel 6, eerste lid, of artikel 7, plaatsvindt dan wel vaststaat dat het monument niet wordt ingeschreven in een van die registers, de artikelen 11 tot en met 33 van overeenkomstige toepassing.

19. Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Mw is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

20. De voorzieningenrechter overweegt met betrekking tot de partijen verdeeld houdende geschilpunten als volgt.

Voorbescherming

21. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er ingevolge artikel 5 van de Mw op de enveloppe en de ravelijn voorbescherming rust. Het feit dat het aanwijzingsverzoek is gedaan nadat de bouwvergunning was verleend, doet daar niet aan af.. Dit brengt wel met zich mee dat verweerder de beslissing op de bouwaanvraag niet heeft kunnen aanhouden en voorts dat verweerder niet gehouden was om de bouwvergunning wegens het ontbreken van een monumentenvergunning te weigeren. Aangezien in bezwaar de vergunningverlening van 31 juli 2007 diende te worden heroverwogen, was verweerder tevens bevoegd om het bestreden besluit te nemen en hoefde verweerder daarbij geen doorslaggevende betekenis toe te kennen aan het aanwijzingsverzoek. Noch uit artikel 5 van de Mw noch uit de wetsgeschiedenis vloeit immers voort dat de voorbescherming ex artikel 5 van de Mw achteraf aan eerder rechtsgeldig verleende vergunningen de rechtskracht kan ontnemen. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 31 juli 1998 (LJN: ZF0661) en de uitspraak van de rechtbank Assen van 19 december 2005 (LJN: AU8366).

22. De op de enveloppe en de ravelijn rustende voorbescherming kan echter wel met zich meebrengen dat vergunninghouder (tijdelijk) geen gebruik kan maken van de bouwvergunning. Indien de enveloppe of ravelijn door de bouw van het sportgebouw wordt beschadigd, vernield, gewijzigd of verstoord, is namelijk een monumentenvergunning vereist om met de bouw van het sportgebouw aan te vangen.

23. Met betrekking tot het standpunt van verzoekster dat de enveloppe, de ravelijn en het citadelcomplex door de bouw van het sportcomplex word verstoord en/of beschadigd, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

Verstoring van de enveloppe

24. Partijen twisten allereerst over de vraag of de enveloppe nog aanwezig is en zo ja, of de enveloppe door de bouwwerkzaamheden wordt verstoord en/of beschadigd.

25. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden aangenomen dat de enveloppe vrijwel geheel bestond uit aardwerken en vrijwel zeker geen stenen muurwerk heeft gehad. De kopse kant van de enveloppe die mogelijk in steen is uitgevoerd wordt niet geraakt. Van de grotendeels uit aardwerken bestaande enveloppe zal weinig overgebleven zijn, nu uit de tekeningen van het ontmantelingbestek van ongeveer 1875 blijkt dat de enveloppe destijds al niet meer aanwezig was. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat de enveloppe nog steeds aanwezig is en heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar de expert judgement van de heer [expert] van 1 september 2008.

26. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster ondanks voornoemde expert judgement onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de enveloppe, voor zover al moet worden aangenomen dat deze nog steeds aanwezig is, door de bouwwerkzaamheden zal worden verstoord. [expert] heeft zich weliswaar (naar aanleiding van de door hem bestudeerde documenten) op het standpunt gesteld dat de enveloppe niet is geslecht en nog steeds ter plaatse aanwezig is, maar uit de expert judgement blijkt niet dat hij voornoemd ontmantelingbestek ook bij zijn onderzoek heeft betrokken. [expert] heeft voorts geen onderzoek ter plaatse uitgevoerd.

Verstoring van[complex]omplex] en de ravelijn

27. Ook het betoog van verzoekster dat het oprichten van het sportgebouw gezien haar positionering en invloed op het vestinglandschap een verstoring betekent van[complex]omplex] en dat derhalve een monumentenvergunning is vereist, faalt.

28. De voorzieningenrechter acht niet aannemelijk dat als gevolg van de oprichting van het sportgebouw[complex]omplex] op enigerlei wijze wordt verstoord. De enkele omstandigheid dat het bouwplan zich niet verdraagt met hetgeen verzoekster voor ogen staat – kort gezegd het zoveel mogelijk in oude luister herstellen van de voorwerken van de [complex] en het omliggende terrein – leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna de Afdeling) van 15 maart 2006 (LJN: AV5063).

29. In voornoemde uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat uit artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenwet niet kan worden afgeleid dat een vergunning als in die bepaling genoemd, ook is vereist in het geval van nieuwbouw van een woning, die uit de aard van de zaak geen beschermd monument is, op de enkele grond dat deze mogelijk afbreuk doet aan de omgeving van een naastgelegen beschermd monument. Dit is niet anders, indien vast staat dat de omgeving van het beschermde monument een rol heeft gespeeld bij de aanwijzing tot beschermd monument, aldus de Afdeling.

30. Het standpunt van verzoekster dat door de bouw van het sportgebouw de ravelijn wordt beschadigd of verstoord wordt verworpen. Niet in geschil is dat het bouwplan wordt gerealiseerd op enige afstand van de ravelijn. Dat bij de realisering van het bouwplan enige fysieke schade aan de ravelijn zal worden toegebracht is niet gebleken. Ook overigens acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat als gevolg van de oprichting van het sportgebouw de ravelijn op enigerlei wijze wordt verstoord.

Parkeerplaatsen

31. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat er ten onrechte ontheffing is verleend van artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening. De parkeerbehoefte zal volgens verzoekster toenemen doordat het ledenaantal van de roeivereniging door de nieuwbouw zal toenemen, terwijl het aantal parkeerplaatsen juist afneemt doordat de nieuwbouw gedeeltelijk op het bestaande parkeerterrein is gesitueerd.

32. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er een ontheffing kan worden verleend indien op een andere wijze in de parkeerbehoefte kan worden voorzien. Nu in de directe omgeving voldoende parkeergelegenheid bestaat, er sprake is van een bestaande situatie waarbij zich niet eerder parkeerproblemen hebben voorgedaan en is gebleken dat de parkeerbehoefte niet zal toenemen, heeft verweerder naar zijn mening in redelijkheid ontheffing kunnen verlenen.

33. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster, gelet op de reactie op de zienswijzen van 25 juli 2007 (waarnaar verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen) en de ter zitting door verweerder gegeven toelichting daarop, niet aannemelijk heeft gemaakt dat er onvoldoende parkeerplaatsen bij het sportgebouw zouden zijn. Er kan derhalve ook niet worden gezegd dat verweerder in redelijkheid niet tot het verlenen van de ontheffing heeft kunnen overgaan.

Ruimtelijke onderbouwing

34. Ingevolge artikel 2.5.29, eerste lid en tweede lid, onder d, van de bouwverordening, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de verboden tot bouwen in afwijking van of met overschrijding van de voor- en achtergevelrooilijn indien het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

35. Het betoog van verzoekster dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing nu daarin in het geheel niet wordt ingegaan op het feit dat het sportgebouw op de enveloppe wordt gebouwd faalt. De voorzieningenrechter heeft in het voorgaande reeds overwogen dat verzoekster, voor zover al moet worden aangenomen dat de enveloppe nog steeds aanwezig is, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de enveloppe door de bouwwerkzaamheden wordt verstoord. Verweerder kon en hoefde in de ruimtelijke onderbouwing derhalve geen rekening te houden met de enveloppe.

Integrale heroverweging van de bezwaren

36. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken dat niet alle bezwaren van verzoekster volledig zijn heroverwogen. Dat niet alle bezwaren van verzoekster in het bestreden besluit zijn opgesomd, maar dat verweerder heeft volstaan met een zakelijke weergave van de belangrijkste bezwaren van verzoekster, doet daar niet aan af.

37. Met betrekking tot verzoeksters standpunt dat verweerder in het bestreden besluit alleen de aanvullende bezwaarschriften van 11 en 18 juli heeft genoemd en niet haar andere aanvullende bezwaarschriften, merkt de voorzieningenrechter het volgende op. Uit het bestreden besluit leidt de voorzieningenrechter af dat deze twee aanvullende bezwaarschriften expliciet zijn genoemd in verband met de bespreking (en ongegrondverklaring) van het bezwaar van verzoekster dat de door hem aangedragen alternatieven moeten worden betrokken in de besluitvorming terzake de bouwvergunning.

38. Gezien deze context brengt het feit dat de overige door verzoekster ingediende aanvullende bezwaren niet zijn genoemd, mede gelet op de overweging van de bezwaaradviescommissie dat alle bezwaren bij de beoordeling zijn betrokken, niet met zich mee dat de overige aanvullende bezwaarschriften bij de herbeoordeling in bezwaar buiten beschouwing zijn gelaten.

Gelijkwaardige alternatieven met minder bezwaren.

39. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat er gelijkwaardige alternatieven zijn aangedragen die aanmerkelijk minder bezwaren kennen en dat verweerder deze ten onrechte niet heeft beoordeeld.

40. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder eerst en vooral heeft te beslissen omtrent het bouwplan zoals het bij hem is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (ABRvS 27 februari 1997, LJN: AP7360)

41. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat met het door verzoekster aangedragen alternatief om het sportgebouw een kwartslag te draaien en het nieuwe gebouw 2,5 meter naar beneden te brengen door het terrein ter plaatse uit te graven geen gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren kan worden bereikt. Het alternatieve plan zou namelijk een verslechtering van de zichtlijnen op de [complex] betekenen. De voorzieningenrechter is, gelet op voornoemd gemotiveerd standpunt van verweerder, van oordeel dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat met het door haar aangedragen alternatief hetzelfde resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren kan worden bereikt.

42. Gelet op het vorenoverwogene zal het beroep ongegrond worden verklaard. Aldus is er geen reden tot het treffen van een voorlopige voorziening weshalve dit verzoek zal worden afgewezen.

43. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te bepalen dat de gemeente ’s-Hertogenbosch aan verzoekster het door haar in het kader van haar verzoek om hangende de bezwaarschriftprocedure een voorlopige voorziening te treffen gestorte griffierecht dient te vergoeden.

Evenmin acht de voorzieningenrechter termen aanwezig een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

44. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. J.J.A. Donkersloot als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2008.

?