Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BG6977

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-12-2008
Datum publicatie
16-12-2008
Zaaknummer
01/845453-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest op voor medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk omdat uit de vordering niet blijkt dat de indiener daartoe gevolmachtigd was door de benadeelde partij (Promis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845453-08

Datum uitspraak: 16 december 2008

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

wonende te [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 december 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 november 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2007 tot en met 22 augustus 2007 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (in totaal) 26.722,72 euro, althans een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Essent, in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn

mededader(s) uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking als uitzendkracht bij Essent (medewerker debiteurenbeheer en/of medewerker afdeling collection en creditmanagement), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

Artikel 321/322 jo 47 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leide[mededader] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 maart 2007 tot en met 22 augustus 2007 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (in totaal) 26.722,72 euro, althans een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Essent, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [mededader] en/of diens mededader(s), en welk(e) goed(eren) die [mededader] en/of diens

mededader(s) uit hoofde van die [mededader]'s en/of diens mededader(s) persoonlijke dienstbetrekking, als uitzendkracht bij Essent (medewerker debiteurenbeheer en/of medewerker afdeling collection en creditmanagement), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk heeft/hebben toegeëigend, tot en/of bij welk misdrijf verdachte, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 juli 2007 tot en met 22 augustus 2007 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, meermalen,

althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [mededader] en/of diens mededader(s) een (bank) rekening ter beschikking te stellen;

Artikel 321/322 jo 48 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2007 tot en met 22 augustus 2007 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, een of meer geldbedragen (in totaal 18.634,90 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die geldbedragen wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof en/althans opzettelijk uit winstbejag een of meer door misdrijf verkregen geldbedragen voorhanden heeft gehad en/of heeft over

gedragen, terwijl hij wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Artikel 416 Wetboek van Strafrecht

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2007 tot en met 22 augustus 2007 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, een of meer geldbedragen (18.634,90 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die geldbedragen redelijkerwijs had moeten vermoeden t het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof en/althans opzettelijk uit winstbejag een of meer door misdrijf verkregen geldbedragen voorhanden heeft gehad en/of heeft over gedragen, terwijl hij redelijkerwijs had moeten

vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Artikel 417bis Wetboek van Strafrecht

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmotivering.

Vaststaande feiten.

Op 5 juli 2007 is er door een persoon werkzaam bij Essent een bedrag van € 18.634,90 van de bankrekening van Essent op de bankrekening van verdachte gestort1. In de periode kort na de betreffende storting heeft verdachte telkens een gedeelte van dit geldbedrag van zijn bankrekening opgenomen2.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat het aandeel van verdachte in de onderhavige strafzaak beperkt is gebleven tot het ter beschikking stellen van zijn bankrekeningnummer aan zijn mededader, zodat sprake is van medeplichtigheid zoals onder subsidiair aan verdachte is tenlastegelegd. De officier van justitie is van mening dat vrijspraak moet volgen voor het onder primair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte heeft zijn bankrekeningnummer op diens verzoek aan een hem bekende persoon doorgegeven om daar geld op te laten storten. Verdachte wist niet dat dit ook daadwerkelijk zou gaan gebeuren. Op dat moment kon verdachte niet weten dat een geldbedrag als gevolg van verduistering in dienstbetrekking bij een bedrijf, in dit geval Essent, op zijn bankrekening zou worden gestort. Toen het geldbedrag van € 18.634,90 op verdachtes bankrekening was gestort wist verdachte niet maar had hij wel moeten vermoeden dat de betreffende storting niet in orde was. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van een mogelijke bewezenverklaring ten aanzien van schuldheling.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie en de verdediging, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van verduistering van een geldbedrag in dienstbetrekking.

De rechtbank baseert haar oordeel op het navolgende.

Verdachte heeft op verzoek van de hem bekende medeverdachte zijn bankrekeningnummer aan hem gegeven. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat de medeverdachte het bankrekeningnummer van verdachte op een andere wijze heeft verkregen dan hiervoor omschreven. De medeverdachte heeft met verdachte de afspraak gemaakt dat hij een bedrag van ongeveer € 20.000,-, afkomstig van mensen die veel geld hebben, op verdachtes bankrekening zou storten. Verdachte zou daarna een bedrag van € 6.000,- aan de medeverdachte overhandigen. Het restant mocht verdachte vervolgens zelf houden.

Later heeft verdachte desgevraagd van de medeverdachte vernomen dat deze bij Essent werkte en zo de mogelijkheid had om geldbedragen over te maken3.

Uit het proces-dossier blijkt dat er op 5 juli 2007 een geldbedrag van € 18.634,90 afkomstig van Essent op de bankrekening van verdachte is gestort, waarna verdachte dit bedrag in de week daarna (nagenoeg) geheel van zijn rekening heeft opgenomen4. Verdachte heeft conform de afspraak met de medeverdachte daadwerkelijk een geldbedrag ontvangen en hij heeft dit geldbedrag ook ten behoeve van zichzelf aangewend. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval gesproken kan worden van een bewuste en nauwe samenwerking. Het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking is derhalve wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van primair:

op 5 juli 2007 te 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, 18.634,90 euro, die toebehoorden aan Essent en welk goed verdachte en zijn mededader uit hoofde van de persoonlijke dienstbetrekking van de mededader als uitzendkracht bij Essent (medewerker debiteurenbeheer en/of medewerker afdeling collection en creditmanagement) onder zich hadden, wederrechtelijk zich hebben toegeëigend.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 47, 321, 322.

Strafmotivering.

De eis van de officier van justitie.

Vrijspraak ten aanzien van het primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde:

* Werkstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest;

* Voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar;

* Niet-ontvankelijkverklaren van de benadeelde partij, omdat uit de vordering niet blijkt dat de indiener van de vordering door de benadeelde bepaaldelijk is gevolmachtigd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft ter zitting bepleit dat schuldheling bewezen verklaard kan worden. Het opleggen van een taakstraf in de vorm van een werkstraf is dan passend, waarbij hij zich aan het oordeel van de rechtbank heeft gerefereerd voor wat betreft de hoogte van de op te leggen werkstraf.

De benadeelde moet niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In strafverzwarende zin zal de rechtbank daarnaast rekening houden met de omstandigheid dat verdachte bij het plegen van het feit heeft gehandeld uit puur winstbejag en zich niets heeft aangetrokken van de belangen van de benadeelde.

Voorts heeft verdachte de medeverdachte de mogelijkheid verschaft de verduistering in dienstbetrekking ook daadwerkelijk uit te voeren.

Op de bankrekening van verdachte is een groot geldbedrag, afkomstig van Essent, gestort. Verdachte heeft dit geldbedrag onder meer gebruikt om enkele schulden te voldoen, wetende dat hij niet de rechtmatige eigenaar van het geld was. Verdachte wist ook dat hij een dergelijk geldbedrag niet terug zou kunnen betalen.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt en de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De vordering van de benadeelde partij Essent Nederland BV Tav [benadeelde ].

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien uit de vordering niet blijkt dat de indiener van de vordering daartoe door de benadeelde gevolmachtigd was.

De benadeelde partij kan haar vordering nog slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. primair:

medeplegen van:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

De rechtbank legt op de volgende straf.

T.a.v. primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. primair:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij Essent Retail Energie BV in haar vordering, omdat uit de vordering niet blijkt dat de indiener daartoe gevolmachtigd was door de benadeelde partij.

De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.W.H. Renneberg, voorzitter,

mr. Ch. Dunnewijk en mr. J.G. Vos, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 16 december 2008.

1 zie eindpv, rapport [persoon] pagina 67, verklaring [getuige] pagina 105 en een bankafschrift van verdachte pagina 161

2 zie eindpv, verklaring verdachte pagina 119 en ontvangstbewijzen geldopname op naam van verdachte pagina’s 164 en 167

3 zie eindpv verklaring van verdachte pagina’s 119 en 120

4 zie eindpv, rapport [persoon] pagina 67, verklaring [getuige] pagina 105, een bankafschrift van verdachte pagina 161 en ontvangstbewijzen geldopname op naam van verdachte pagina’s 164 en 167