Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BG6739

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-12-2008
Datum publicatie
15-12-2008
Zaaknummer
01/889040-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor doodslag en mishandeling te Boxtel.

Op grond van de bewijsmiddelen zoals opgenomen onder vaststaande feiten, onder A) de doodsoorzaak, B) de toedracht in onderlinge samenhang bezien en C) de ongeloofwaardigheid van het door de verdachte geschetste scenario van een val, acht de rechtbank boven redelijke twijfel verheven dat verdachte zijn vrouw in de nacht van 25 op 26 mei 2007 heeft gedood.

Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest en van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

De terbeschikkingstelling dient aan te vangen na twee derde van de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf (37b, lid 2 Sr)

(Promis-vonnis)

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2009/169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/889040-07

Parketnummer vordering: 01/840374-06

Datum uitspraak: 15 december 2008

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

wonende te [adres],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 december 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

Ter terechtzitting gegeven beslissingen.

Het verzoek tot het horen van psychiater Sanders is toegewezen.

Het verzoek tot het horen van R. Pieterman, vast gerechtelijk deskundige bij het NFI, is afgewezen.

Het verzoek tot contra-expertise van de forensisch pathologische bevindingen en het verzoek om een bloedsporenonderzoek door het NFI zijn eveneens afgewezen.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 november 2007.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op 26 mei 2007, althans in de nacht van 25 op 26 mei 2007, althans op enig

tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 25 mei 2007 tot en met 20 juni

2007 te Boxtel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade

[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door deze [slachtoffer 1] meermalen, althans

eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp, te steken en/of te snijden

in de hals en/of de nek, althans in het lichaam;

(artikel 289 c.q. 287 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 19 april 2007 te Boxtel ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een

personenauto met dat voertuig hard is weggereden, althans is gaan rijden,

terwijl [slachtoffer 1] (deels) in deze personenauto plaats had genomen (op de

passagiersstoel), althans terwijl [slachtoffer 1] doende was plaats te nemen en/of

terwijl [slachtoffer 1] (vervolgens) het portier van de personenauto vasthield,

ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] een aantal meters is meegesleurd en vervolgens

ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

(artikel 302 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 april 2007 te Boxtel opzettelijk mishandelend als

bestuurder van een personenauto met dat voertuig hard is weggereden, althans

is gaan rijden, terwijl [slachtoffer 1] (deels) in deze personenauto plaats had

genomen (op de passagiersstoel), althans terwijl [slachtoffer 1] doende was plaats

te nemen en/of terwijl [slachtoffer 1] (vervolgens) het portier van de

personenauto vasthield, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] een aantal meters is

meegesleurd en vervolgens ten val is gekomen, waardoor deze [slachtoffer 1] letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden (aan rechterelleboog / rechterarm

en rechterbeen);

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen met betrekking tot feit 1 en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op 20 juni 2007 is een stoffelijk menselijk overschot in vergaande staat van ontbinding aangetroffen op de vloer van een slaapkamer in de woning [adres] te Boxtel1.

Het slachtoffer lag onder een dekbed, om haar linkerelleboog was een snoer van een stroomverdeeldoos gewikkeld, een nachtkastje lag op zijn deur, de achterwand van dat kastje was naar boven gericht waarop een televisietoestel stond en een dvd-speler lag naast het nachtkastje op de grond2.

Onder een kussen gelegen op de linkerbovenzijde van het matras lag een knipmes op een grote plas bloed3. In het aanvullend luminolonderzoek is deze hoeveelheid bloed die zichtbaar werd na verwijdering van het hoofdkussen aangeduid als een bloedvlek/poel4.

Een technisch onderzoeker heeft het matras nader onderzocht. Ter hoogte van het linkerhoofdeinde was een bloedvlek zichtbaar en bloed was door de bovenlaag van het matras gedrongen en op de schuimrubberlaag terechtgekomen5.

Door een tandarts-forensisch odontoloog is op 27 juni 2007 gerapporteerd dat het onbekende lijk dat door hem ter identificatie werd onderzocht betreft: [slachtoffer 1], geboren (geboortedatum) 19786.

Op het adres [adres] te Boxtel zijn woonachtig verdachte en zijn zoontje [persoon]7. Verdachte en overledene zijn op (datum) 2001 getrouwd8.

Verdachte is rond middernacht in de avond/nacht van 25 op 26 mei 2007 thuisgekomen9. In zijn woning, in de slaapkamer, sliepen zijn vrouw en kind10. Verdachte heeft in de slaapkamer vastgesteld dat zijn vrouw dood was11; buiten het slachtoffer was verdachte de enige volwassene in de slaapkamer12. Verdachte heeft met zijn zoontje rond 6:00-7:00 uur de woning verlaten13.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, meer in het bijzonder dat hij [slachtoffer 1] drie messteken heeft toegebracht. Zij baseert zich daarbij op de rapporten van FTO en NFI, de bekentenis van verdachte tegenover zijn neef [betrokkene], de uitlatingen en gedragingen van [persoon], de omstandigheid dat verdachte bekend staat als geweldpleger en de omstandigheid dat hij vaker geweld heeft gebruikt jegens het slachtoffer, verdachtes vluchtgedrag en zijn leugens over het lot van het slachtoffer. De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Het standpunt van de verdediging.

Namens verdachte is vrijspraak van feit 1 bepleit. Daartoe is het volgende aangevoerd.

1. Verdachte heeft verklaard dat sprake is geweest van een ongeval. Zijn vrouw zwaaide met het mes, verdachte pakte haar hand, het slachtoffer viel en verdachte viel op haar. Als gevolg daarvan is het mes in haar hals terechtgekomen. Het incident vond plaats op de plek waar het slachtoffer dood is aangetroffen.

Verdachte heeft verklaard dat hij in een shock heeft verkeerd na het incident, dat hij pas na die black-out heeft gemerkt dat zijn vrouw dood was en dat hij niet meer kon nadenken (verbatim studioverhoor verdachte nr. 17, p. 651 en 659).

De raadsman heeft bepleit dat de aangetroffen sporen aan de hals en de bloedsporen op het matras en in de slaapkamer met verdachtes verklaring verenigbaar zijn.

1.1. Namens verdachte is aangevoerd dat de bloedsporen op het matras kunnen zijn veroorzaakt door het zoontje [persoon] dat mogelijk na het incident op het matras heeft gelegen.

1.2.1. Betoogd is dat uiterst aannemelijk is dat het slachtoffer niet geheel zal hebben stilgelegen of dat haar hoofd tijdens de val/het raken van de grond is gedraaid, hetgeen de verschillende snijsporen kan verklaren.

1.2.2. Aangevoerd is de mogelijkheid dat de kaarsrechte lijnen zijn teweeg gebracht als gevolg van het steken door het slachtoffer van zichzelf, de val en het uittrekken van het mes uit haar hals door verdachte.

1.2.3. Volgens de verdediging is de conclusie van de officier van justitie dat verdachte drie keer heeft gestoken niet aannemelijk gelet op de zeer beperkte ruimte die de sporen op de hals innemen; drie keer op nagenoeg dezelfde plek in de hals steken is zeer onwaarschijnlijk.

De mogelijkheden als vermeld onder 1.2.1, 1.2.2. en 1.2.3. zijn niet onderzocht, zodat het pathologisch onderzoek en het kras- indruk en vormsporenonderzoek lichaamsdelen als onvolledig moeten worden betiteld.

2. Namens verdachte is aangevoerd dat de verklaring van de neef [betrokkene] als ongeloofwaardig terzijde geschoven dient te worden, onder meer omdat die neef niet meteen naar de politie is gegaan, maar heeft gewacht tot maart 2008 met het afleggen van een verklaring. Daarnaast heeft de getuige er belang bij verdachte een geruime tijd niet te hoeven ontmoeten in verband met een gestelde geldlening van € 12.000,- van de zijde van verdachte die voor drugshandel zou zijn benut.

3. De raadsman heeft ten slotte betoogd dat aan de uitlatingen en gedragingen van het zoontje [persoon] geen betekenis voor het bewijs mag worden gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

A) De doodsoorzaak.

Op grond van het navolgende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het slachtoffer als gevolg van het steken en/of snijden met een mes in de hals is overleden in de nacht van 25 op 26 mei 2007 te Boxtel.

Onder de vaststaande feiten zijn hiertoe reeds redengevende feiten en omstandigheden opgenomen. Op deze plaats noemt de rechtbank nogmaals de aangetroffen hoeveelheid bloed en de vondst van een mes in de slaapkamer.

Daarnaast acht de rechtbank redengevend de conclusie van R. Pieterman van het NFI, dat aan de linker voorzijde van de hals van het slachtoffer een sharp force trauma is aangetroffen, bestaande uit snijsporen aangetroffen op verschillende plaatsen en in verschillende richtingen hetgeen er op wijst dat de snijsporen niet in één beweging zijn toegebracht14.

B) De toedracht.

Volgens de arts/patholoog F.R.W. van de Goot is een scenario van herhaalde snijbewegingen met doorklieven van de hals waarbij met substantiële kracht is gewerkt verenigbaar met de kerfsporen op de onderzochte wervel15.

Pieterman heeft in zijn aanvullend rapport kras-, indruk en vormsporenonderzoek vastgesteld dat de snijsporen C en D in één lijn liggen en dezelfde of nagenoeg dezelfde snijhoek hebben. Mede gezien de onderlinge relatief korte afstand van circa 4 millimeter kunnen deze snijsporen C en D in één snijbeweging zijn aangebracht. De snijsporen A en B hebben onderling sterk verschillende snijhoeken met een tussenliggende, relatief korte afstand van circa 2 millimeter. De stand van het lemmet van het gebruikte mes is daardoor tegenovergesteld en aan de hand daarvan wordt verondersteld dat de snijsporen A en B niet in één snijbeweging zijn aangebracht, maar eerder door twee (aparte) snijbewegingen16.

Verdachtes neef [getuige] heeft verklaard dat verdachte op 26 mei 2007 bij hem in België is gekomen en dat verdachte en hij in de auto zaten, dat (betrokkene 2 ) erbij kwam zitten, waarop verdachte vroeg of [betrokkene 2] Riffijns verstond. Op het moment dat getuige negatief antwoordde, heeft verdachte tegenover getuige bekend dat hij zijn vrouw had gedood.17 Hij heeft in een tweede verklaring verklaard dat zij op de tweede dag dat verdachte in België was in de auto zaten en dat verdachte toen tegen hem zei dat hij zijn vrouw had omgebracht. Getuige (getuige 1) heeft voorts verklaard dat naast hen ook (betrokkene 2) zich die tweede dag in de auto bevond. Verdachte heeft aan [getuige] gevraagd of deze [betrokkene 2] Riffijns praatte of kon verstaan. Toen [getuige] zei dat (betrokkene 2) dat niet verstond, heeft verdachte meteen daarop zijn bekentenis gedaan. Getuige was kwaad en is uit de auto gestapt, want het stond hem niet aan wat verdachte hem had gezegd. Getuige heeft in zijn appartement de tas van verdachte opgehaald en aan hem teruggegeven18.

[betrokkene 2] heeft eveneens een verklaring over de autorit afgelegd. Hij heeft verklaard dat verdachte en [getuige] Riffijns spraken en dat hij die taal niet verstaat. [getuige] leek gespannen, bezorgd en is naar zijn appartement gegaan; hij leek een beslissing te hebben genomen aan het einde van hun gesprek. Desgevraagd heeft verdachte tegen (betrokkene 2) gezegd dat hij een stommiteit had begaan en dat hij niet op de familie kon rekenen toen hij het had over zijn neef [getuige]. [getuige] kwam terug, droeg de tas van verdachte en heeft die tas aan verdachte teruggegeven, hetgeen bevestigde dat er wel degelijk een probleem was tussen verdachte en [getuige]19.

Anders dan door de verdediging onder 2 is betoogd, bezigt de rechtbank de verklaringen van [getuige] tot het bewijs. De neef van verdachte heeft consistent verklaard en zijn verklaring wordt op onderdelen bevestigd door [betrokkene 2]; met name de non-verbale gedragingen van [getuige] alvorens hij de auto verliet, stroken met de verklaring van [betrokkene 2]. De rechtbank twijfelt niet aan de verklaring van [getuige]. Pas op de terechtzitting heeft verdachte over de drugshandel en mensensmokkel door [getuige] en over diens geldschuld aan verdachte verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat [getuige] verdachte ten onrechte heeft willen belasten.

Met de raadsman onder 3 is de rechtbank van oordeel dat de uitlatingen van zoontje [naam zoontje] niet bruikbaar zijn voor het bewijs. De deskundige Van der Sleen heeft geconcludeerd dat geen reden is om te twijfelen aan de accuraatheid van zijn spontane uitlatingen aan zijn pleegmoeder vóór 12 juli 2007 en dat deze uitlatingen niet inconsistent zijn. Uit het dossier komt genoegzaam naar voren dat de relatie tussen verdachte en zijn vrouw niet zonder ruzies en geweld was. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden uitgesloten dat de uitlatingen die [naam zoontje] vóór 12 juli 2007 heeft gedaan, zien op eerdere incidenten. De rechtbank acht de inhoud van de uitlatingen te weinig concreet om een relatie te leggen met hetgeen zich in de nacht van 25 op 26 mei 2008 heeft afgespeeld.

C) De val.

De rechtbank acht het scenario van een val zoals door verdachte is geschetst (zie standpunt verdediging onder 1) ongeloofwaardig. Voorts geeft verdachte naar haar oordeel geen aannemelijke verklaring voor de bloedsporen op het matras en strookt het scenario niet met de bevindingen van Van de Goot. De rechtbank zal deze drie aspecten hierna uitwerken.

Met betrekking tot de geloofwaardigheid van verdachtes verklaringen overweegt de rechtbank dat verdachte eerst nadat hij tijdens het 20e verhoor (dossierpagina 710) foto’s te zien krijgt van het matras verklaart over het kussen dat door hem op het matras zou zijn gegooid. Tot aan dat verhoor heeft verdachte nimmer verklaard over het bloed dat op het matras is aangetroffen. Verdachte past zijn verklaring aan aan de hand van de bevindingen die worden gedaan.

Bij de beoordeling over de geloofwaardigheid van verdachtes verklaring betrekt de rechtbank ook dat hij wisselend verklaard heeft over de verschuivingen van meubilair (dossierpagina 690 e.v.). Ter terechtzitting heeft hij de mogelijkheid geopperd dat de televisie verschoven kan zijn ten gevolge van de zogenaamde “strubbeling”.

Verdachte verklaart weinig gedetailleerd over de val. Bijvoorbeeld over de positie van het slachtoffer, hoe zij haar armen had (dossierpagina 650-651), over hoe hij op haar is komen te liggen. Ten slotte verklaart verdachte, evenmin consistent over de wijze waarop hij het mes na de val uit de hals van zijn vrouw zou hebben gehaald: zelf, al dan niet met een handdoek of dekbed (dossierpagina 270), met haar hand (dossierpagina 440) of niet met haar hand (dossierpagina’s 483 en 487).

Verdachte vraagt aandacht voor de situatie van een shock of een black-out waarin hij zou hebben verkeerd en geeft daarmee een verklaring voor het feit dat hij niet meer kon nadenken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de handelingen die verdachte heeft verricht voordat hij de woning verliet, bijvoorbeeld het douchen en het bellen, en zijn herinneringen daaromtrent, onverenigbaar met de stelling dat hij in een dergelijke toestand verkeerd heeft en niet meer kon nadenken. Ook op dat punt acht de rechtbank zijn verklaring ongeloofwaardig.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte geen aannemelijke uitleg gegeven voor de hoeveelheid bloed dat op het matras is aangetroffen. Hetgeen verdachte over het kussen heeft verklaard past niet bij de bevindingen van [verbalisant], zoals neergelegd in zijn proces-verbaal van 3 april 2008, diens aanvullende verklaring bij de rechter-commissaris op 2 juli 2008 en de verklaring van [verbalisant 2] bij de rechter-commissaris op 29 augustus 2008.

De mogelijkheid die hiervoor onder 1.1 door de verdediging naar voren is gebracht, dat [naam zoontje] op het bed is gaan liggen en het bloed van zijn kleding afkomstig zou zijn, acht de rechtbank gelet op de hoeveelheid bloed op en in het matras evenmin aannemelijk. Deze mogelijkheid vindt bovendien geen steun in de verklaring van verdachte. Verdachte heeft op dossierpagina 656 verklaard dat hij het bloed aan het stelpen was, dat [naam zoontje] toen bij hem kwam liggen waarna [naam zoontje] en hijzelf zijn gaan douchen.

Het scenario van de val en vervolgens het uittrekken van het mes uit de hals strookt naar het oordeel van de rechtbank niet met de bevindingen van arts/patholoog Van de Goot. Ter terechtzitting heeft Van de Goot enerzijds verklaard dat het gewicht van verdachte vallend op het slachtoffer een substantiële kracht kan opleveren. Van de Goot heeft ter terechtzitting echter anderzijds ook gewezen op de snijbewegingen in verschillende hoeken die zijn aangetroffen. Van de Goot heeft voorts uiteengezet dat de kerven die zijn aangetroffen afzonderlijk teweeg gebracht moeten zijn door verschillende krachtinwerkingen, namelijk een richtingverandering en een opdrukkende kracht. Het uittrekken van een mes past daar niet bij. Om die reden en gelet op het feit dat verdachte niet heeft verklaard over een wrikkende beweging bij het uittrekken - integendeel, hij heeft verklaard dat het geen moeite kostte (dossierpagina 440) en dat het in één keer ging (dossierpagina 487) -, acht de rechtbank de mogelijkheid die door de verdediging hiervoor onder 1.2.2 is aangevoerd niet aannemelijk.

Met Van de Goot acht de rechtbank het evenmin aannemelijk dat het slachtoffer nog heeft bewogen nadat zij een mes met een lemmet 8 centimeter in haar hals heeft gekregen. Dat haar hoofd tijdens de val of het raken van de grond nog is gedraaid, acht de rechtbank niet aannemelijk gelet op de vereiste krachtinwerkingen (opdrukkende kracht) en gelet op het gebrek aan concrete details over de val en over de bewegingen die het slachtoffer nog zou hebben gemaakt. Verdachte geeft die informatie niet. Het verweer als hiervoor onder 1.2.1 vermeld wordt verworpen.

De rechtbank laat het verweer onder 1.2.3 onbesproken omdat zij voor de bewezenverklaring niet van belang acht of het slachtoffer drie keer is gestoken.

Op grond van de bewijsmiddelen zoals opgenomen onder vaststaande feiten, onder A) de doodsoorzaak, B) de toedracht in onderlinge samenhang bezien en C) de ongeloofwaardigheid van het door de verdachte geschetste scenario van een val, acht de rechtbank boven redelijke twijfel verheven dat verdachte zijn vrouw in de nacht van 25 op 26 mei 2007 heeft gedood.

Vrijspraak feit 2 primair.

De rechtbank acht anders dan de officier van justitie niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daarbij dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer dat zich vasthield aan het autoportier van de auto waarmee verdachte wegreed.

De bewijsmiddelen met betrekking tot feit 2 subsidiair en de beoordeling daarvan.

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend20 dat hij op 19 april 2007 te Boxtel met zijn auto is weggereden terwijl het slachtoffer, [slachtoffer 1], zich vasthield aan het autoportier en dat zij mogelijk een paar meter is meegesleurd.

In haar aangifte heeft [slachtoffer 1]21 verklaard dat verdachte bij het ziekenhuis te Boxtel gas gaf en wegreed terwijl zij bezig was om op de bijrijdersplaats van de auto te gaan zitten. Tijdens het rijden hield zij zich aan de armsteun van het rechtervoorportier vast en is zij over de grond gesleurd als gevolg waarvan zij pijn had aan haar rechterelleboog en rechterbeen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

in de nacht van 25 op 26 mei 2007 te Boxtel, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door deze [slachtoffer 1] met een mes te steken en/of te snijden in de hals;

2.

op 19 april 2007 te Boxtel opzettelijk mishandelend als bestuurder van een personenauto met dat voertuig hard is weggereden, terwijl [slachtoffer 1] (deels) in deze personenauto

plaats had genomen (op de passagiersstoel), ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] een aantal meters is meegesleurd en vervolgens ten val is gekomen, waardoor deze [slachtoffer 1] pijn heeft ondervonden (aan rechterelleboog en rechterbeen).

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 33, 33a, 37a, 37b, 57, 287 en 300.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van doodslag (feit 1) en poging tot zware mishandeling (feit 2) vordert de officier van justitie een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar, met aftrek van voorarrest en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich niet in het bijzonder uitgelaten over een op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank/oplegging van straf.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Wat betreft het eerste feit stelt de rechtbank voorop dat het leven het meest wezenlijke en kostbare bezit is dat een mens heeft. Daarom stelt de wet de strengste straffen in het vooruitzicht aan degene die opzettelijk een ander van het leven berooft. Het slachtoffer, [slachtoffer 1], was een vrouw van nog geen dertig jaar oud. Ze had nog een heel leven voor zich. Als verdachte aan haar leven niet willens en wetens een einde had gemaakt, dan had zij zelf nieuw leven kunnen geven – [slachtoffer 1] bleek zwanger toen ze stierf – en [naam zoontjes] – het zoontje dat ze uit het huwelijk met verdachte kreeg – mee kunnen opvoeden en zien opgroeien. Verdachte heeft zich vervolgens in het geheel niet om het lot van zijn slachtoffer bekommerd. Integendeel, hij is met zijn zoon vertrokken en heeft haar achtergelaten. Pas weken later – nota bene terwijl verdachte nog eens in de woning is geweest – is het stoffelijk overschot door de autoriteiten gevonden. De stank waarover de buren klaagden, bleek toen te komen van het voor het oog al onherkenbaar geworden, tussen ongedierte liggende lichaam van [slachtoffer 1]. Wie voor het een of ander blaam naar het slachtoffer schuift, miskent dat verdachte onder alle omstandigheden absoluut respect voor haar leven had moeten hebben. Door na het steken/snijden te handelen zoals hij heeft gehandeld, is de waardigheid van het slachtoffer bovendien ernstig geweld aangedaan. Ten slotte heeft verdachte de rechtsorde en de buurt waarin hij woonde geschokt en heeft hij de mensen die [slachtoffer 1] lief hadden, in het bijzonder haar familie, geraakt. Met name zijn zoon [naam zoontje] heeft hij in uitzonderlijke mate leed aangedaan. Verdachte heeft [naam zoontje] voorgoed diens moeder ontnomen. [zoontje] zal zonder zijn moeder moeten opgroeien. Op enig moment in de toekomst zal hij bovendien beseffen dat zijn vader zijn moeder heeft gedood. [zoontje] is die nacht aanwezig geweest en besmeurd geraakt met het bloed van zijn eigen moeder. [zoontje] heeft door zijn aanwezigheid in die fatale nacht zijn kinderlijke onschuld verloren. Hij zal die gevolgen van hetgeen hij heeft meegemaakt nog jaren met zich meedragen. Dit alles valt slechts verdachte aan te rekenen en de rechtbank neemt hem dat dan ook bijzonder kwalijk.

Ten aanzien van het tweede feit geldt eveneens, dat verdachte geen respect heeft getoond voor [slachtoffer 1]’s lichamelijke integriteit en waardigheid. Verdachte is in een auto wegreden, terwijl [slachtoffer 1] aan de deur hing. Ook toen is verdachte er dus niet voor teruggedeinsd om in het bijzijn van zijn zoon geweld tegen diens moeder te gebruiken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf bovendien gelet op de persoon van de verdachte. Zonder enige overdenking stelt verdachte dat [zoontje] er wel overheen komt.

Daarnaast blijkt niet dat de dood van [slachtoffer 1] hem raakte. In verband met haar mishandeling heeft verdachte ter terechtzitting gezegd dat het hem op dat moment niet uitmaakte wat er met [slachtoffer 1] gebeurde. Zij was gewaarschuwd, risico’s kwamen in zijn optiek voor haar rekening. Justitiële documentatie toont aan dat verdachte al meermaals in verband met agressie in contact is geweest met politie en justitie en ook is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf en tot een bijzondere voorwaarde om zijn agressie te beteugelen. Uit de wijze waarop verdachte ter terechtzitting aan de hierna te noemen gedragsdeskundigen heeft gevraagd om aan te geven van welke agressieve daden zij kennis hebben – daden die hij vervolgens probeert weg te cijferen – en uit de rechtvaardigingen die hij als vanzelfsprekend probeert aan te dragen wanneer de rechtbank hem confronteert met klappen die hij aan [slachtoffer 1] uitdeelde, blijkt dat verdachte zijn probleem volstrekt niet inziet. Dit alles weegt ten nadele van verdachte. Ten voordele van verdachte weegt mee dat zijn gedrag hem in verminderde mate kan worden toegerekend. Op de toerekeningsvatbaarheid zal de rechtbank bij de oplegging van de maatregel terugkomen.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange, hierna te noemen duur, passend en geboden is, ook al verklaart de rechtbank bij het onder 2 ten laste gelegde slechts de subsidiaire variant bewezen.

Gezien de noodzaak om de samenleving tegen verdachte te beveiligen, kan daarmee echter niet worden volstaan.

Oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling.

Gedragskundig onderzoek

Over de persoon van verdachte is door psychiater I. Smoktunowicz op 17 januari 2008 en door psycholoog S. Labrijn op 20 januari 2008 gerapporteerd. Zij hebben hun bevindingen ter terechtzitting nader toegelicht.

Beide deskundigen concluderen dat er bij verdachte sprake is van een ernstige persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische, antisociale kenmerken. Er zijn ook aanwijzingen voor psychopathie. Daarnaast is er sprake van misbruik van middelen (alcohol, softdrugs en waarschijnlijk cocaïne). Afhankelijkheid van middelen is niet uitgesloten.

Volgens de gedragsdeskundigen zou, indien het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard, de persoonlijkheidsstoornis de gedragingen van verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde hebben kunnen beïnvloeden, omdat de stoornis kan worden beschouwd als een min of meer structurele stoornis in de persoonlijkheid. Het gebruik van alcohol en cocaïne zou dan drempelverlagend hebben kunnen werken. Omdat verdachte niet consistent over het ten laste gelegde verklaart, onthoudt de psychiater zich van een uitspraak ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid. De psycholoog adviseert een verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Het recidiverisico wordt door beide deskundigen hoog ingeschat.

De psycholoog baseert haar oordeel over recidive op de volgende factoren:

In relaties is verdachte zowel krenkbaar als grensoverschrijdend. Hij accepteert een partner niet als gedifferentieerd van hem. Frustraties kunnen leiden tot agressieve acting out. De gewetensfunctie is lacunair ontwikkeld. Verdachte neemt weinig tot geen verantwoordelijkheid voor zijn gedrag. Er is geen probleembesef, waardoor verdachte niet gemotiveerd is om hulp te zoeken of te aanvaarden.

De psychiater noemt als specifieke risicofactoren zijn vijandigheid naar mensen toe, het gegeven dat hij zich snel aangevallen, bedreigd of benadeeld voelt, zijn onmacht in de relationele sfeer met een koppeling naar agressie als middel om zijn gezag te handhaven en zijn onmacht om over frustraties te praten. Daarbij is er sprake van een lacunaire ontwikkeling van de gewetensfunctie die zijn gedrag negatief beïnvloedt. Dat geldt ook voor verdachtes middelengebruik. Omdat verdachte een partner met een zekere mate van zelfstandigheid niet accepteert, zouden toekomstige relaties ook een potentieel risico voor recidive inhouden.

De combinatie van hoog recidivegevaar, ernstige persoonlijkheidsstoornis, ontbreken van probleembesef en spijt en daarmee samenhangend het ontbreken van motivatie voor behandeling leiden tot de aanbeveling een TBS met dwangverpleging op te leggen.

Reactie van de raadsman op de bevindingen van de gedragsdeskundigen.

De raadsman heeft aangevoerd dat de deskundigen tegen het advies van de Nederlandse Vereniging voor psychiatrie in hebben gerapporteerd over een ontkennende verdachte. Volgens de raadsman bieden de rapportages geen deugdelijke grondslag voor het opleggen van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Ter zitting is psychiater H.E. Sanders op verzoek van de verdediging gehoord. Sanders heeft gewezen op de discussie die wordt gevoerd binnen de kring van forensisch gedragsdeskundigen over het adviseren bij ontkennende verdachten. Volgens hem is een zeer terughoudende opstelling vereist. Gedragsdeskundigen moeten voorkomen dat de schijn wordt gewekt dat zij de rechtbank beïnvloeden. Nu verdachte ontkent is het niet mogelijk een verband te leggen tussen een eventuele persoonlijkheidsstoornis en het aan verdachte verweten delict. Het is evenmin mogelijk om tot een verantwoord advies tot het opleggen van een onvoorwaardelijke terbeschikkingstelling te komen. De raadsman onderschrijft de visie van Sanders.

Oordeel van de rechtbank/oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling

De rechtbank ziet geen aanleiding om de rapporten van de beide deskundigen buiten beschouwing te laten. Zij overweegt daartoe het volgende.

Uit de rapportages en hetgeen op de terechtzitting met de deskundigen is besproken, is de rechtbank gebleken dat zowel psychiater Smoktunowicz als psycholoog Labrijn de visie dat bij een ontkennende verdachte terughoudend moet worden geconcludeerd, onderschrijft. Zij hebben aangegeven dat zij in deze bijzondere zaak over voldoende informatie over verdachte beschikten om, los van de vraag of verdachte het delict heeft gepleegd, een diagnose te kunnen stellen. Zij hebben hun diagnose gebaseerd op de informatie over verdachte in het dossier, informatie afkomstig van getuigen, de gesprekken die zij voerden met verdachte en overige eigen onderzoeksbevindingen. Verder hebben zij aangegeven dat het, gelet op de bijzondere aard van de stoornis en het soort delict waarvan verdachte wordt verdacht, mogelijk is een uitspraak te doen over een mogelijk verband tussen de stoornis en het delict en het recidiverisico. Zij hebben daarbij, anders dan de raadsman suggereert, geen (ook niet impliciet) uitspraak gedaan over de bewezenverklaring. Bij beantwoording van de door de rechtbank gestelde vragen over de relatie tussen het delict en de stoornis, het recidivegevaar en de toerekeningsvatbaarheid geven de deskundigen zich rekenschap van het feit dat zij rapporteren over een ontkennende verdachte en maken zij steeds het voorbehoud van een bewezenverklaring.

De rechtbank is van oordeel dat de beide gedragsdeskundigen zich voldoende terughoudend hebben opgesteld en voldoende recht hebben gedaan aan de positie van verdachte.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zijn echtgenote heeft gedood.

Aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 37a, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.

De rechtbank komt met inachtneming van de hierboven weergegeven rapportages tot het oordeel dat er een verband is tussen de door de gedragsdeskundigen vastgestelde stoornis en het plegen van het strafbare feit. De rechtbank zal verdachte verminderd toerekeningsvatbaar verklaren. De rechtbank houdt hiermee bij het opleggen van de straf, zoals hiervoor reeds overwogen, rekening.

Ook de conclusie van de deskundigen Smoktunowicz en Labrijn over het recidivegevaar neemt de rechtbank over en maakt die tot de hare. De rechtbank slaat daarbij tevens acht op het strafblad van verdachte. Uit dit strafblad blijkt dat verdachte reeds meerdere keren is veroordeeld voor het plegen van geweld in een relatie.

Om te voorkomen dat verdachte in de toekomst weer een ernstig geweldsdelict pleegt, vindt de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte wordt behandeld. Omdat, zoals de deskundigen stellen, verdachte geen probleeminzicht heeft en het daarom niet te verwachten is dat verdachte vrijwillig zal willen meewerken aan behandeling van zijn persoonlijkheidspathologie, en een stevige setting nodig is die bestand is tegen het ageergedrag van verdachte, zal de rechtbank bepalen dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en dat hij van overheidswege zal worden verpleegd; de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist deze verpleging.

Bijzondere overweging combinatie gevangenisstraf en terbeschikkingstelling.

De rechtbank zal dus naast de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De uitzonderlijke ernst van de doodslag van [slachtoffer 1], met name ook in het licht van de omstandigheden waaronder verdachte die heeft begaan, brengt de rechtbank ertoe om een advies te geven zoals bedoeld in artikel 37b, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat noodzakelijke en passende vergelding eraan in de weg staat om te beginnen met de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege voordat twee derde van de op te leggen gevangenisstraf is ten uitvoer gelegd. Zij zal daarom adviseren om daarmee pas na verloop van die periode aan te vangen.

Beslag.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen goederen worden teruggegeven aan de verdachte, met uitzondering van de goederen onder de nummers 24, 36, 37, 38, 39, 42, 43, 44, 71, 72, 73, 74, 75 en 83 waarvan zij verbeurdverklaring vordert, en de nrs. 40 en 41, waarvan zij vordert dat deze worden teruggegeven aan de rechthebbende(n).

De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen mes (nummer 42) vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met behulp waarvan het feit is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorde.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen met de nummers 40, 41, 71, 72, 73, 74, 75 en 83 dienen te worden te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende(n), nu uit het dossier niet blijkt wie als zodanig kan worden aangemerkt.

De rechtbank acht de overige in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor teruggave aan verdachte, nu het belang van strafvordering zich hiertegen niet langer verzet.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/840374-06.

De officier van justitie vordert tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van acht weken, die voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank, d.d. 9 januari 2007 onder voormeld parketnummer.

De raadsman van verdachte heeft zich wat betreft de vordering tot tenuitvoerlegging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

DE UITSPRAAK

De rechtbank spreekt vrij van het onder feit 2 primair tenlastegelegde, achtende dat feit niet

wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank verklaart het tenlastegelegde onder 1 en 2 subsidiair bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

doodslag

T.a.v. feit 2 subsidiair:

mishandeling

Zij verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

De rechtbank legt op de volgende straffen en de maatregel:

T.a.v. feit 1, feit 2 subsidiair:

Gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

T.a.v. feit 1:

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

De rechtbank adviseert ex artikel 37b, lid 2 Sr dat de terbeschikkingstelling

met verpleging van overheidswege dient aan te vangen na twee derde van de ten

uitvoer te leggen gevangenisstraf.

Verbeurdverklaring van het in beslag genomen mes, te weten: nummer 42 als vermeld op de aangehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van de nummers 40, 41, 71, 72, 73, 74 en 75 als vermeld op de lijst van in beslag genomen voorwerpen.

Teruggave in beslag genomen goederen aan veroordeelde, te weten: de overige voorwerpen als vermeld op de aangehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij

vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch d.d. 9 januari 2007, gewezen

onder parketnummer 840374-06, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. G.A.F.M. Wouters en mr. F. van Laanen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. de Bruijn-van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken op 15 december 2008.

1 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juni 2007, dossierpagina 827.

2 Proces-verbaal technisch sporenonderzoek d.d. 17 oktober 2007, pagina 5.

3 Idem voetnoot 2, pagina 6, derde alinea van onder.

4 Aanvullend proces-verbaal van luminol onderzoek opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op 18 maart 2008.

5 Proces-verbaal technisch onderzoek opgemaakt door [verbalisant] op 3 april 2008.

6 Bijlage 6 bij het proces-verbaal technisch onderzoek.

7 Delict-proces-verbaal d.d. 28 december 2007, dossierpagina 748-749.

8 Delict-proces-verbaal d.d. 28 december 2007, dossierpagina 750.

9 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting en de verklaring van [getuige], dossierpagina 940.

10 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

11 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting en op dossierpagina 447, zesde regel van boven.

12 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.

13 Verklaring van verdachte, dossierpagina 450.

14 Deskundigenrapport kras-, indruk en vormsporenonderzoek lichaamsdelen d.d. 21 november 2007, opgemaakt door R. Pieterman van het NFI, pagina 5.

15 Brief van Van de Goot van het NFI d.d. 2 april 2008 die onderdeel uitmaakt van het aanvullend rapport kras- indruk en vormsporenonderzoek lichaamsdelen van Pieterman van het NFI d.d. 2 april 2008 en verklaring deskundige Van de Goot afgelegd ter terechtzitting.

16 Aanvullend rapport van Pieterman als vermeld in voetnoot 15, pagina 5.

17 Vertaalde verklaring van getuige [getuige] d.d. 18 maart 2008, afgenomen te Verviers, pagina 9.

18 Vertaalde verklaring van getuige [getuige] [ ] d.d. 25 november 2008, afgenomen te Luik in aanwezigheid van de (Nederlandse) rechter-commissaris, tweede ongenummerde pagina.

19 Vertaalde verklaring van getuige [betrokkene 2] d.d. 25 november 2008, afgenomen te Luik in aanwezigheid van de (Nederlandse) rechter-commissaris, tweede ongenummerde pagina.

20 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

21 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], dossierpagina 1909.