Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BG6674

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2008
Datum publicatie
12-12-2008
Zaaknummer
01/825508-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor een drietal inbraken (veelpleger).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825508-08

Datum uitspraak: 12 december 2008

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 november 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 november 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in de periode van 24 juni 2008 tot en met 26 juni 2008 te Eindhoven met

het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning aan de

[adres] heeft weggenomen een laptop en/of een kistje en/of aandelen

en/of (3) kentekenbewijzen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft

verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming , te weten door

vernieling van een ruit;

(artikel 311 wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 08 juli 2008 te Waalre met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in / uit een woning aan de [adres] heeft weggenomen

(2) laptop(s) en/of tassen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft

verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming te weten door

het forceren van de balkondeur;

(artikel 311 wetboek van strafrecht)

Voorts wordt verdachte verdacht van het plegen van meerdere woninginbraken ,

althans vermogensdelicten, in het arrondissement 's Hertogenbosch en/of in

Nijmegen in de periode van 01 mei 2008 tot en met 25 augustus 2008

3.

hij op of omstreeks 15 juni 2008 te Veldhoven ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een pand gelegen aan de [adres] weg te nemen geld

en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of café

Malle Pietje, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich

daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld

en/of goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking

en/of inklimming,

met een houten steel (van een hark), althans een hard voorwerp,

- tegen een glas in lood raam/ruit (boven de achterdeur) heeft geslagen en/of

getikt en/of aldus doende die raam/ruit heeft kapotgemaakt en/of geforceerd

en/of

- tegen een (achter dat/die glas in lood raam/ruit bevindende) raam/ruit heeft

geslagen en/of getikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid;

(artikel 311/310 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 juni 2008 te Veldhoven opzettelijk en wederrechtelijk

een glas in lood raam/ruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of café Malle Pietje, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt;

(artikel 350 Wetboek van Strafrecht)

(gevoegde zaak met parketnummer 01-822042-08)

4.

hij op of omstreeks 13 juli 2008 te Eindhoven met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening uit een woning aan de [adres] heeft

weggenomen geld (ongeveer 85 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik

heeft gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

(artikel 311 sub 5 wetboek van strafrecht)

5.

hij op of omstreeks 03 mei 2008 te Nijmegen met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning aan de [adres] heeft

weggenomen een laptop en/of sieraden en/of een geldbedrag, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren)

onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en / of

inklimming;

( artikel 311 wetboek van strafrecht)

De formele voorvragen.

De rechtbank is van oordeel dat het gedeelte op de dagvaarding, opgenomen op bladzijde 2, tussen feit 2 en feit 3 in, nietig behoort te worden verklaard, aangezien niet duidelijk is waar dit deel betrekking op heeft.

Voor het overige deel is de dagvaarding geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht feit 1, 2, 3 primair, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen. Met betrekking tot feit 2 heeft zij in het bijzonder aangevoerd dat de door de [getuige 1] gegeven beschrijving van de verdachte , nagenoeg overeenkomt met de bevindingen van de [hoofdagent], die de verdachte ambtshalve kent als zijnde [verdachte]. Op grond hiervan acht zij dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot feit 3 heeft de officier met name aangevoerd dat hoewel verdachte ontkent dit feit te hebben gepleegd zij het toch bewezen acht gelet op het feit dat de verdachte in de nabijheid van de plaats van de poging tot inbraak door verbalisanten is aangehouden -dit naar aanleiding van het door de aangever opgegeven signalement-,

en aangever de verdachte daarna in de voorbijrijdende politieauto heeft herkend als zijnde de persoon die bij hem bezig was een ruit te forceren.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 4 en 5 geen bewijsproblemen opleveren.

Ten aanzien van feit 2 heeft hij aangevoerd dat de getuige haar verklaring pas twee dagen na het feit heeft afgelegd en dat wellicht het relaas van de verbalisant aan haar is voorgehouden. Er is teveel twijfel, met name nu verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van het plaatsvinden van de inbraak in Spanje was. Hij is daarom van mening dat verdachte voor dit feit dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat er in ieder geval geen technische sporen zijn gevonden op de plaats van het delict. Het feit dat de aangever heeft verklaard dat de dader een zonnebril droeg is niet iets bijzonders gelet op de tijd van het jaar. Verder hebben verbalisanten aan de hand van het opgegeven signalement verdachte wel gezien maar hem niet aangehouden, terwijl andere verbalisanten verdachte wel hebben aangehouden op grond van datzelfde signalement.

Of de herkenning van verdachte, die achterin een -op een afstand van 50 à 60 meter -voorbijrijdende politieauto zat wel zoveel van waarde is, is twijfelachtig. Gelet op dit alles is de raadsman van mening dat verdachte ook voor dit feit dient te worden vrijgesproken.

De bewijsbeslissing.

Uit de wettige bewijsmiddelen heeft de rechtbank niet de overtuiging gekregen dat verdachte bij het plegen van de tenlastegelegde feiten onder 2, 3 primair en 3 subsidiair betrokken is geweest.

De rechtbank is daarom, evenals de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan verdachte onder 2 en 3 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Nu verdachte de feiten 1, 4 en 5 heeft bekend is, gelet op het bepaalde in artikel 359, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht, op grond van:

- de aangifte van [slachtoffer 1]1 terzake feit 1;

- de aangifte van [slachtoffer 4]2 terzake feit 4;

- de aangifte van [slachtoffer 6]3

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting 4

wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat

1.

hij in de periode van 24 juni 2008 tot en met 26 juni 2008 te Eindhoven met

het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning aan de

[adres] heeft weggenomen een laptop en een kistje en aandelen

en kentekenbewijzen,toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, te weten door

vernieling van een ruit;

4.

hij op 13 juli 2008 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning aan de [adres] heeft weggenomen geld ( 75 euro), toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak.

5.

hij op of omstreeks 03 mei 2008 te Nijmegen met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening uit een woning aan de [adres] heeft

weggenomen een laptop en sieraden en een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 6],

waarbij verdachte zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederenonder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 24c, 36f, 38, 38n, 38p, 38s, 57, 310, 311.

Oplegging van maatregelen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar. Ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen heeft de officier van justitie de teruggave daarvan aan verdachte gevorderd.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd: toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 190,50 met niet ontvankelijk verklaring van het overige deel van de vordering omdat dit onvoldoende onderbouwd is.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering tot het opleggen van de ISD-maatregel, omdat zij in een eerder stadium deze vordering had kunnen indienen, maar dit heeft nagelaten.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat indien de rechtbank zou toekomen aan enige sanctie aan verdachte niet een onvoorwaardelijke ISD-maatregel dient te worden opgelegd, maar dat een voorwaardelijke ISD-maatregel meer op zijn plaats is.

Mocht de rechtbank tot het oordeel komen dat een voorwaardelijke ISD-maatregel moet worden opgelegd, dan verzoekt de raadsman tot aanhouding van de zaak zodat er door het NIFP een indicatiestelling kan plaatsvinden.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman aangevoerd dat de gehele vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat deze onvoldoende onderbouwd is.

De beslissing van de rechtbank.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat betrekking heeft op de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie in haar vordering tot het opleggen van de ISD-maatregel, nu dit geen steun vindt in het recht.

De overwegingen omtrent de op te leggen maatregelen.

De rechtbank is van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders dient te worden opgelegd. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

* Ten aanzien van de bewezen verklaarde misdrijven geldt dat het feiten betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

* Verdachte is blijkens het uittreksel uit het documentatieregister en het onderzoek ter terechtzitting, in de vijf jaren voorafgaande aan het bewezen verklaarde, ten minste drie maal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld en het bewezen verklaarde is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en voorts moet er, mede gelet op het hierna te noemen rapport, ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

* De veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel, waartoe wordt verwezen naar het feit dat verdachte telkenmale nieuwe strafbare feiten pleegt en de oplegging van vrijheidsstraffen hem daarvan kennelijk niet weerhoudt. Verder baseert de rechtbank dit oordeel op het voorlichtingsrapport van het Leger des Heils, Jeugdzorg en Reclassering van 7 november 2008, opgemaakt en ondertekend door [persoon], reclasseringswerker, en [persoon 2], Unitmanager. Uit dit rapport blijkt onder meer, verkort en zakelijk weergegeven:

Gezien het feit dat [verdachte] een geprioriteerde veelpleger is, hij in het verleden nimmer echt heeft meegewerkt aan hulpverlening en rapporteur conform de RISC-score de kans op recidive aanwezig acht, adviseren wij u aan betrokkene een ISD maatregel op te leggen. In ieder geval zal als onderdeel van de ISD maatregel [verdachte] door een GGz instelling ingetaked dienen te worden, zodat er een duidelijke diagnose gesteld kan worden en daarbij een passend behandel aanbod.

De rechtbank is van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders van groot belang is, zowel voor de maatschappij als voor verdachte zelf, nu de maatregel er mede toe strekt een bijdrage te leveren aan de oplossing van de problemen van verdachte. De rechtbank is niet gebleken van redenen waarom deze maatregel niet zou moeten worden opgelegd. De rechtbank wijst het door de raadsman gedane verzoek de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen af.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

De rechtbank acht het noodzakelijk dat 9 maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel zal plaatsvinden en zal aldus beslissen.

Het verzoek van de raadsman om aanhouding wordt door de rechtbank afgewezen nu de grond daarvoor is komen te vervallen, gelet op het feit dat de rechtbank van oordeel is dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op zijn plaats is.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering: slaapkamer

noodreparatie slaapkamerraam en het ontvreemde geld.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de volgende onderdelen van haar vordering, vervangen slaapkamerraam met beslag, vervangen beschadigd achterraam beneden en beschadiging accessoires, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil ter zake van kosten rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief kantonzaken.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijven:

T.a.v. feit 1:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft door middel van braak

T.a.v. feit 4:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft door middel van braak en inklimming

T.a.v. feit 5:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft door middel van braak en inklimming en het weg te nemen goed

onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

DE UITSPRAAK

Verklaart de dagvaarding partieel nietig voor zover het gaat om het deel op bladzijde 2 tussen feit 2 en feit 3.

T.a.v. feit 2, feit 3 primair, feit 3 subsidiair:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft door middel van braak

T.a.v. feit 4:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft door middel van braak en inklimming

T.a.v. feit 5:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft door middel van braak en inklimming en het weg te nemen goed

onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. feit 1, feit 4, feit 5:

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar

Beslist tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting

van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Bepaalt dat het Openbaar Ministerie uiterlijk negen maanden na aanvang van de

tenuitvoerlegging van de maatregel op de voet van artikel 38s lid 1, laatste

zin, van het Wetboek van Strafrecht, aan de rechtbank bericht over de noodzaak

van de voortzetting van deze tenuitvoerlegging.

T.a.v. feit 4:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 190,50 subsidiair 3 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] van een bedrag van 190 euro en 50

cent (zegge: eenhonderdennegentig euro en vijftig cent ), bij gebreke van

betaling en verhaal te vervangen door drie dagen hechtenis.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte

mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] , van een bedrag

van EUR 190,50 (zegge: eenhonderdennegentig euro en vijftig cent ).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering ter zake vervangen

slaapkamerraam met beslag, vervangen beschadigd raam beneden en

beschadiging accessoires slaapkamer) niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd

voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. A.F. van Hoorn, leden,

in tegenwoordigheid van J.C. de Steur, griffier,

en is uitgesproken op 12 december 2008.

1 Proces-verbaal van aangifte (pagina 30 van het eindproces-verbaal d.d. 6 oktober 2008)

2 Proces-verbaal van aangifte (pagina 61 van het eindproces-verbaal d.d. 6 oktober 2008)

3 Proces-verbaal van aangifte (pagina 160-161 van het eindproces-verbaal d.d. 6 oktober 2008)

4 De door verdachte ter terechtzitting van 28 november 2008 afgelegde verklaring.