Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BG6328

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-12-2008
Datum publicatie
15-12-2008
Zaaknummer
01/849387-05 owv
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit mensenhandel, prostitutie en oplichting.

De rechtbank ziet de verplichting van veroordeelde om de benadeelde partij, een nichtje die prostitutiewerkzaamheden heeft verricht, een geldbedrag te betalen als kosten direct voortkomend uit de bewezen verklaarde strafbare feiten.

Geen rekening gehouden met de terugvordering ter zake onterecht ontvangen bijstandsuitkering. Deze beslissing is nog niet onherroepelijk en veroordeelde heeft zelf in die periode inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden gehad. Indien deze inkomsten meer bedroegen dan de bijstandsnorm, dan had veroordeelde over die periode al geen recht meer op een bijstandsuitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

verkort vonnis 36e sr.

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer ontneming: 01/849387-05

Datum uitspraak: 15 december 2008

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[veroordeelde]

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1960,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de P.I. Z-O, Evertsoord Ter Peel BB/ZBB.

Procesverloop

De rechtbank heeft in de (hoofd)zaak met bovenvermeld parketnummer vonnis gewezen op 15 december 2006. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in de (hoofd)zaak arrest gewezen op 14 december 2007.

Het onderhavige vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting van 23 juli 2008 en 3 november 2008.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de veroordeelde naar voren is gebracht.

De aanvankelijke vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 84.090,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie heeft in zijn schrijven van 26 augustus 2008 de vordering aangepast tot een bedrag van € 70.017,53.

In de periode van 23 juli 2008 tot 3 november 2008 is een schriftelijke procedure, ex artikel 511d Wetboek van Strafvordering, gevolgd volgens het “Protocol ontneming wederrechtelijk voordeel” van de rechtbank.

De rechtbank heeft in de hoofdzaak meerdere strafbare feiten bewezen geacht. De rechtbank gaat bij de verdere beoordeling van de vordering 36e van het Wetboek van Strafrecht uit van de in het arrest van het gerechtshof bewezen verklaarde strafbare feiten, te weten:

1 A. Mensenhandel in de periode van 1 juni 1999 tot en met 1 januari 2000.

1.B. Mensenhandel in de periode van 1 juni 1999 tot en met 30 september 2000.

2. Een ander ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele

handelingen met een derde tegen betaling, terwijl die ander minderjarig is, gepleegd

in de periode 1 oktober 2000 tot en met 11 november 2001.

3. Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd in de periode 1 januari 2000 tot en

met 1 juli 2001.

4 en 5. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd in de perioden 21 februari 1994 tot

en met 30 juni 2000 en 1 juli 2000 tot en met 21 februari 2006.

Nu het ontnemingrapport van de politieregio Brabant-Noord en de vordering tot ontneming van de officier van justitie zien op een aantal van de bovenvermelde bewezen geachte strafbare feiten beziet de rechtbank in het kader van de ontnemingvordering de bewezen verklaarde feiten 1.A., 1.B., 2 en 3.

De rechtbank verwijst voor de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen van de feiten in het bijzonder naar het arrest van het gerechtshof van 14 december 2007.

Namens de veroordeelde is door de verdediging een schrijven d.d. 14 augustus 2008 bij de rechtbank ingediend. De verdediging stelt in dat schrijven – zakelijk weergegeven - onder meer dat:

** De verklaringen van [aangeefster 1] verre van consistent, doordrenkt van

tegenstrijdigheden, onjuistheden en leugens zijn en daarom niet betrouwbaar althans

onvoldoende zijn om daar een ontnemingmaatregel op te kunnen baseren.

** Subsidiair matiging van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet plaatsvinden en

wel ten aanzien van de feiten 1.A., 1.B. en 2 alsmede ten aanzien van het feit 3.

Ten aanzien van de feiten 1.A., 1.B. en 2:

- dient uit te worden gegaan van een periode van hoogstens 12 maanden, omdat uit het strafdossier/procesdossier blijkt

dat aangeefster in ieder geval een geruime periode bij [persoon 2] heeft gewoond, namelijk vanaf de winter 2000 tot de

zomer 2001,

- dient te worden uitgegaan van een verdienste uit de prostitutie van f 300, - per week nu aangeefster haar latere

verklaringen heeft aangepast en aangedikt.

Ten aanzien van het feit 3:

- gezien de uiteenzetting van [persoon 1] ten hoogste van een bedrag ad

f 70.000,- kan worden uitgegaan.

** Het te ontnemen bedrag dient op nihil te worden gesteld gezien het door het

gerechtshof ‘s-Hertogenbosch toegewezen bedrag van € 13.215,- op de vordering van

de benadeelde partij, [aangeefster 1]] en gezien de terugvordering tot betaling

door veroordeelde van ten onrechte ontvangen bijstand door de gemeente

’s-Hertogenbosch tot een bedrag van € 115.514,68.

** Matiging dan wel op nihil stelling plaats dient te vinden nu cliënte nog gedetineerd

zit en na detentie (in eerste instantie) dient te leven van een bijstandsuitkering mits

verleend en de zorg heeft over enkele minderjarige kinderen.

De officier van justitie heeft op 26 augustus 2008 schriftelijk gerepliceerd, waarbij hij zijn vordering heeft aangepast tot een bedrag groot € 70.017,53. De vermindering ziet op een kortere periode waarin [aangeefster 1] de prostitutie moest bedrijven.

Door of namens veroordeelde is geen conclusie van dupliek ingediend.

Ter terechtzitting van 3 november 2008 heeft de raadsman aangevoerd dat het bedrag dat ziet op het onder 3 bewezenverklaarde feit, de oplichting, beperkt dient te worden tot een bedrag van f 50.000,-.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van feiten, die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan.

Beoordeling van de vordering

De rechtbank beziet achtereenvolgens:

1. Het arrest in de hoofdzaak

2. De periode van het wederrechtelijk verkregen voordeel

3. De berekening, te verdelen in:

a. Verdiensten en kosten uit mensenhandel en prostitutie

b. Verdiensten en kosten uit oplichting

c. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

d. De toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

4. De matiging van het te betalen bedrag.

De rechtbank zal bij de hierboven vermelde onderdelen de standpunten uit de schriftelijke procedure van de verdediging en van de officier van justitie betrekken.

1. Het arrest

De rechtbank gaat, zoals eerder vermeld, in de beschouwing en berekening – om proceseconomische redenen - uit van het arrest van 14 december 2007 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen tegen veroordeelde.

Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan zij is veroordeeld. Hierna volgt een nadere beschouwing per onderdeel.

Het gestelde door de raadsman dat de ontnemingmaatregel niet gebaseerd kan zijn op de verklaringen van [aangeefster 1] wordt door de rechtbank niet gehonoreerd.

Onder meer in het arrest van het gerechtshof1 wordt overwogen dat de verklaringen van aangeefster in de kern betrouwbaar en voldoende consistent zijn en als zodanig bruikbaar zijn voor het bewijs. Het hof laat daarbij onder meer meewegen dat de tot bewijs gebezigde verklaring van aangeefster, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, tot stand is gekomen na een zeer indringende ondervraging. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 1 december 2006 volgt dat aangeefster toen eveneens indringend is ondervraagd. Niet valt in te zien dat dit oordeel zich niet mede zou moeten uitstrekken tot de financiële aspecten van de tegen aangeefster gepleegde delicten, zoals hierna aan te geven.

2. De periode van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Namens veroordeelde is gesteld dat ten aanzien van het veroordeelde feit van mensenhandel en prostitutie moet worden uitgegaan van een periode van 12 maanden nu aangeefster een periode bij [persoon 2] verbleef.

De officier van justitie gaat bij nader inzien uit van een periode van 22 maanden.

Bij het bepalen van de periode van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank uit van de verklaring van [aangeefster 1]. Uit haar verklaring volgt dat zij laat in 1999 naar Nederland is gekomen en enige tijd na haar aankomst prostitutiewerkzaamheden moest gaan verrichten. Ook volgt uit haar verklaring dat zij in de zomer van 2001 bij haar tante is vertrokken. De rechtbank houdt deze verklaring voor juist en gaat derhalve uit van een periode van 1 januari 2000 tot en met augustus 2001, een periode van 20 maanden. De rechtbank zal in haar verdere berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van deze 20 maanden uitgaan.

3. De berekening

a. De verdiensten en kosten uit mensenhandel en prostitutie

De raadsman van veroordeelde stelt zich op het standpunt dat de verdiensten uit prostitutie

f 300,- per week dient te zijn nu aangeefster haar latere verklaringen heeft aangepast en aangedikt.

De officier van justitie benadrukt onder meer dat bij verdere ondervraging van een aangeefster deelaspecten worden bezien en dat een dossier dan inhoud en nuancering krijgt. De latere nuanceringen zijn geen reden om deze voor de voordeelberekening niet mee te nemen, aldus de officier van justitie.

In het rapport2 wordt onder meer overwogen dat uit onderzoek niet bekend is geworden het gemiddeld aantal klanten van de aangeefster. Ook wordt de verklaring van aangeefster bezien die in het begin f 300,- per week verdiende en naar mate zij meer klanten kreeg gemiddelde tussen de f 600,- en f 900,- per week verdiende. In de verklaring van aangeefster van 1 juni 20043 spreekt zij over verschillende bedragen en noemt als hoogste bedrag f 600,- per week.

Gelet op die verklaring van aangeefster gaat de rechtbank er van uit dat door veroordeelde gemiddeld f 600,- per week aan de prostitutie werd verdiend in de tweede periode, te weten gedurende 14 maanden.

De rechtbank heeft bij de berekening tevens de periode betrokken dat [aangeefster 1] bij (persoon 2) verbleef. Ook in die periode werd [aangeefster 1] door haar tante gedwongen prostitutiewerkzaamheden te verrichten.

De rechtbank zal derhalve voor de verdiensten uit mensenhandel en prostitutie uitgaan van

f 300,- per week gedurende 6 maanden en f 600,- per week gedurende 14 maanden.

Omdat de kosten niet worden betwist gaat de rechtbank er verder vanuit dat gedurende 20 maanden f 120,- kosten per maand zijn gemaakt.

b. De verdiensten en kosten uit oplichting

De raadsman van veroordeelde heeft subsidiair aangegeven dat gezien het gestelde door de [persoon 1] ten hoogste van een bedrag verkregen uit oplichting ad f 50.000,- moet worden uitgegaan.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de berekening zoals verwoord in het rapport, te weten een middeling van de als uiterste genoemde bedragen4.

Bij het noemen van die bedragen valt het de rechtbank op dat de benadeelde [persoon 1] stelliger is dan [aangeefster 1]. Zij noemt in verschillende verklaringen verschillende bedragen5 terwijl [persoon 1] op pagina 329 van het rapport stellig verklaart. Daarbij komt dat het rapport6 ingaat op de getraceerde geldstromen van veroordeelde naar Marokko.

Gezien die getraceerde geldstromen van ongeveer f 104.000,- , bestaande verdiensten uit prostitutie en de bijstandsuitkering die veroordeelde genoot, acht de rechtbank het gestelde door [persoon 1] aannemelijk, te weten een wederrechtelijk verkregen voordeel van f 75.000,-.

Nu ook ten aanzien van dit feitencomplex de kosten niet zijn betwist gaat de rechtbank voor de berekening van de kosten uit van 5 maanden ad f 120,- per maand7.

c. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank komt tot de volgende berekening:

Inkomsten uit prostitutie:

6 maanden ad f 300,- per week = f 7.200,-

14 maanden ad f 600,- per week = f 33.600,- +

__________

f 40.800,-

Verwervingskosten:

20 maanden ad 120,- per maand f 2.400,- -

________

f 38.400,-

Inkomsten uit oplichting: f 75.000,-

Verwervingskosten:

5 maanden ad f 120,- per maand f 600,- -

________

f 74.400,- +

__________

f 112.800,-

Omgerekend in euro’s € 51.186,-

d. De toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank de verplichting van veroordeelde om de benadeelde partij [aangeefster 1] een bedrag groot € 13.215,- te betalen als kosten direct voortkomend uit de bewezen geachte strafbare feiten. Evenals het vonnis van de rechtbank van 15 december 20068 geeft het gerechtshof9 overwegingen die zien op welk een impact die bewezen strafbare feiten op een zo’n afhankelijk minderjarig nichtje komend uit Marokko hebben gehad. De inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en de ernstige psychische gevolgen en het leed dat daarvan het gevolg is geweest voor het slachtoffer valt niet anders te zien als rechtstreeks voortkomend uit de bewezenverklaarde strafbare gedragingen. De rechtbank zal gelet op artikel 36e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve verminderen met

€ 13.215,-.

De raadsman heeft gewezen op het feit dat de gemeente ‘s-Hertogenbosch van veroordeelde een bedrag heeft teruggevorderd van € 115.514,68 ter zake onterecht ontvangen bijstandsuitkering.

Deze beslissing is (mede) gebaseerd op de inkomsten uit prostitutie (zowel door haar zelf als door haar nicht) die veroordeelde heeft ontvangen.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat deze beslissing nog niet onherroepelijk is en daarmee de omvang van de vordering van de gemeente nog niet vaststaat.

Uit de beschikking van de gemeente ‘s-Hertogenbosch d.d. 12 juni 2006 volgt verder dat de bijstandsuitkering van veroordeelde wordt teruggevorderd over een periode van 1 juli 1997 tot 21 februari 2006. In 20 maanden van die periode kunnen de verdiensten van veroordeelde uit prostitutie van haar nicht een rol hebben gespeeld bij het bepalen van de omvang van de terugvordering. De rechtbank zal echter ook geen rekening houden met dat gedeelte, gelet op het navolgende. Veroordeelde heeft zelf in die periode inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden gehad. Indien deze inkomsten meer bedroegen dan de bijstandsnorm, dan had veroordeelde over die periode al geen recht meer op een bijstandsuitkering. Veroordeelde heeft geen enkel inzicht willen geven in de omvang van de verdiensten uit haar eigen prostitutiewerkzaamheden, zodat volstrekt niet is na te gaan of de inkomsten van veroordeelde uit de gedwongen prostitutie van haar nicht van invloed zijn geweest op de omvang van de door haar onterecht ontvangen bijstandsuitkering.

De rechtbank acht het wederrechtelijk verkregen voordeel door veroordeelde aannemelijk en rekent die veroordeelde toe voor het bedrag groot € 51.186,- minus € 13.215 = € 37.971,-

4. De matiging van het te betalen bedrag

De raadsman van veroordeelde heeft zich op het standpunt gesteld dat matiging dan wel nihil stelling dient plaats te vinden nu veroordeelde zich nog in detentie bevindt, na die detentie (in eerste instantie) dient te leven van een bijstandsuitkering mits verleend en zij de zorg heeft over enkele minderjarige kinderen.

De rechtbank verwerpt dit verzoek en komt niet tot matiging dan wel nihil stellen. De rechtbank neemt daarbij in beschouwing de verklaring van veroordeelde dat zij drie huizen bezit in Marokko10 en het verrichte onderzoek in de administratie van veroordeelde waaruit blijkt dat veroordeelde een Marokkaanse bankrekening heeft11.

De rechtbank acht derhalve, mede gezien het gestelde in artikel 577 b lid 2 Wetboek van Strafvordering, geen termen aanwezig om het te betalen bedrag te matigen dan wel op nihil te stellen.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De Rechtbank:

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 37.971,-

Legt aan (veroordeelde) de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 37.971,- (zegge: zevenendertigduizend negenhonderd eenenzeventig euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel dat zij door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld heeft verkregen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K. Visser, voorzitter

mr. drs. W.A.F. Damen en mr. H.F. van Kregten, leden

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Kruitwagen, griffier,

en is uitgesproken op 15 december 2008.

1 Arrest pag. 7

2 Rapport pag. 21

3 Rapport pag. 48 en verder

4 Rapport [aangeefster 1] pag. 64 ev en 67 ev f 150.000,- en [persoon 1] pag. 329 hooguit f 75.000,-

5 Rapport onder andere pag. 64 ev, pag. 67 ev, pag. 73 ev

6 Rapport pag. 28

7 Rapport pag. 29

8 Vonnis pag. 7

9 Arrest pag. 8

10 Rapport pag. 271 en verder

11 Rapport pag, 33