Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BG6098

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-12-2008
Datum publicatie
05-12-2008
Zaaknummer
10/750127-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deze strafzaak betreft internationale handel in verdovende middelen. De hoofdverdachte is schuldig geacht aan de uitvoer van respectievelijk 20 kg en 5 kg heroïne naar Ierland, driemaal ongeveer 1,5 kg heroïne naar Duitsland, de (terug)levering van 4,5 kg heroïne aan een leverancier, de verkoop van 2 kg cocaïne, het voorhanden hebben van bijna 4 kg heroïne in de opslag en het leveren van een revolver met munitie. Hij is vrijgesproken van de invoer van 24,5 kg heroïe uit Duitsland. De rechtbank veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van 7 jaren. Een verweer betreffende de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie over de oncontroleerbaarheid van de CIE informatie en een onjuiste gang van zaken bij een verklaring van verdachte werd verworpen. Die gang van zaken rond die verklaring leidde wel tot uitsluiting van bewijs van die verklaring. (Promis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM (zetelend te ’s Hertogenbosch)

Sector Strafrecht

Parketnummer: 10/750127-07

Datum uitspraak: 5 december 2008

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[ ][verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd te: PI Zuid West - HvB De Torentijd te Middelburg.

1 Het onderzoek van de zaak

1.1 Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 februari 2008 (te Rotterdam) en verder 16 april 2008, 18 juni 2008, 25 augustus 2008, 17 november 2008, 18 november 2008 en 21 november 2008 (te ’s Hertogenbosch).

1.2 Het onderzoek heeft plaatsgevonden op basis van de onderstaande tenlastelegging, aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 januari 2008 en gewijzigd ter terechtzittingen van 18 juni 2008 en 17 november 2008.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

(Nijmegen)

hij op of omstreeks 09 november 2007 te Rotterdam en/of te Nijmegen,

in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld

in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 20 kilogram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel

als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft/hebben hij, verdachte

en/of één of meer van zijn mededaders die heroïne in een auto met (uiteindelijke)

bestemming Ierland, althans het buitenland gelegd en/of overgedragen en/of aanwezig gehad.;

(artikel 2 onder A van de Opiumwet jo. artikel 47 lid 1 van het Wetboek van

Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 november 2007 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft bereidt en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig

heeft gehad, ongeveer 20 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

(artikel 2 onder B/C van de Opiumwet jo. artikel 47 van het Wetboek van

Strafrecht)

2.

(Nijmegen)

hij

in of omstreeks de periode van 01 november 2007 tot en met 09 november 2007

te Rotterdam, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland

brengen van 20 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

zich of een ander(en) gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van

dit misdrijf verschaft

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (onder

meer),

- (telefonisch) contact(en) onderhouden en/of afspraken gemaakt met zijn

mededader(s) en/of afnemer(s) en/of leverancier(s), in elk geval één of meer

perso(o)n(en) met betrekking tot (de wijze van) bereiding en/of vervoer

en/of opslag en/of verpakken en/of afname en/of prijs van (één of meer

hoeveelheden) van die heroïne en/of

- meermalen, althans eenmaal (telkens) gereisd naar Ierland om geld (bestemd

voor en/of afkomstig uit de handel in verdovende middelen) op te halen en

(dit) geld naar Nederland te vervoeren en/of

- gezocht naar een hotel voor die afnemer(s) en deze/die afnemer(s) vervolgens

naar een hotel gebracht en/of

- opdracht gegeven tot het vertalen van telefoongesprekken en/of sms-berichten

en/of

- meermalen, althans eenmaal (telkens) vertaalwerkzaamheden verricht ten

behoeve van (communicatie met) een of meer afnemers en/of leverancier(s)

van die heroïne en/of

- een woning, in elk geval een (woon)ruimte ter beschikking gesteld ter

bereiding (mixen) en/of opslag en/of verpakken (in onder andere een koffer)

van die heroïne en/of

- die heroïne bereid (gemixed) en/of verpakt (in onder andere een koffer) en/of

- gezocht naar een chauffeur en/of auto voor het vervoer van heroïne

en/of

- een koffer (met heroïne) vervolgens in een kofferbak van die auto gelegd

en/of

- een briefje aan de chauffeur (van die auto) gegeven met daarop de naam en

het adres van een hotel waar de afnemer van die heroïne verbleef en waar

naartoe die koffer (met heroïne) gebracht moest worden;

(artikel 10a Opiumwet jo. artikel 47 van het wetboek van Strafrecht)

3.

(- I)

hij op of omstreeks 09 november 2007 te Rotterdam,

(in een pand aan [adres])

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft bereidt en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3874,6 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 onder B/C van de Opiumwet jo. artikel 47 van het Wetboek van

Strafrecht)

4.

(zaak Maashaven)

hij op of omstreeks 25 oktober 2007 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1° van de Wet wapens

en munitie, te weten

een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die Wet, in de vorm van

een revolver van het merk Zastava, type M-83/92, kaliber .357 Magnum

en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie als

bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 10

kogelpatronen van het kaliber .38 SPL,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen aan [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4];

(art. 26, 31 jo 55 Wet wapens en munitie en art. 47 Wetboek van Strafrecht)

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

5.

(zaak -)

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 oktober 2007

te Rotterdam en/of Venray en/of elders in Nederland en/of in Turkije en/of

Duitsland, althans een ander land dan Nederland,

ter uitvoering van het voornemen om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, ongeveer 24,5 kilo heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

opzettelijk,

- (telefonisch) contact(en) onderhouden en/of afspraken gemaakt met zijn

mededader(s) en/of één of meer (andere) perso(o)n(en) met betrekking tot (de

wijze van) bereiding en/of vervoer en/of opslag en/of verpakken en/of afname

en/of prijs van (één of meer hoeveelheden) van die heroïne en/of

- terwijl één of meer van zijn, verdachtes mededader(s) (al dan niet

als bestuurder van een auto) die heroïne vanuit Turkije en/of in en/of via

Duitsland en/of op weg naar Nederland heeft/hebben vervoerd;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

(art. 2 onder A Opiumwet jo 45 Wetboek van Strafrecht)

6.

(zaak Freiburg)

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006 tot en met 1 maart 2007 te

Rotterdam, althans elders in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van

Nederland heeft gebracht (telkens) ongeveer 1,5 kilo, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(Opiumwet 2 onder A jo 47 Wetboek van Strafrecht)

7.

(zaak Freiburg)

hij op of omstreeks 08 april 2007 te Rotterdam, althans elders in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1438

gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,

zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art. 2 onder A Opiumwet jo 47 Wetboek van Strafrecht)

8.

(zaak Dublin)

hij op of omstreeks 04 oktober 2007 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 5000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 onder A van de Opiumwet jo. artikel 47 van het Wetboek van

Strafrecht)

9.

(zaak -)

hij op of omstreeks 30 oktober 2007 te Rotterdam, althans in Nederland tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 4500 gram heroïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 onder B van de Opiumwet jo. artikel 47 van het Wetboek van

Strafrecht)

10.

(zaak CS)

hij op of omstreeks 10 oktober 2007 te Rotterdam, in elk geval in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2000 gram cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 onder B/C van de Opiumwet jo. artikel 47 van het Wetboek van

Strafrecht)

11.

(zaak CS)

hij in of omstreeks de periode van 07 oktober 2007 tot en met 10 oktober 2007

te Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied brengen van

Nederland van 2000 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

zich of een ander(en) gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van

dit misdrijf verschaft hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (onder meer),

- (telefonisch) contact(en) onderhouden en/of afspraken gemaakt met zijn

mededader(s) en/of afnemers, in elk geval één of meer perso(o)n(en) met

betrekking tot (de wijze van) bereiding en/of vervoer en/of opslag en/of

verpakken en/of afname en/of prijs van (één of meer hoeveelheden) van die

cocaïne;

(artikel 10a Opiumwet jo. artikel 47 van het wetboek van Strafrecht)

Tengevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging onder feit 2 begaan, is tussen de woorden “misdrijf”(regel 11) en “verschaft”(regel 12) weggevallen het woord “heeft”. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Tengevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging onder feit 11 begaan, is tussen de woorden “misdrijf” (regel 11) en “verschaft”(regel 12) weggevallen het woord “heeft”. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

2 Overwegingen omtrent de voorvragen

Het verweer betreffende de nietigheid van de dagvaarding

2.1 De raadsman heeft in de zaak - (zaak 5) aangevoerd dat de tenlastelegging onvoldoende duidelijk en begrijpelijk is in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). In de tenlastelegging wordt [verdachte] verweten dat hij afspraken maakt en contacten onderhoudt om te samen met anderen heroïne in Nederland in te voeren, hetgeen bij een poging is gebleven, en/of terwijl een mededader de heroïne al op weg naar Nederland heeft vervoerd.

De dagvaardig zou geheel of gedeeltelijk nietig verklaard moeten worden.

2.2 De officier van justitie heeft betoogd dat de tenlastelegging in het licht van de stukken van het dossier voldoende duidelijk is.

2.3 De rechtbank deelt het standpunt van de raadsman dat de plaatsing van “en/of” in de tekst van de tenlastelegging taalkundig onjuist is. Dat leidt er echter niet toe dat door deze fout de tenlastelegging onduidelijk en onbegrijpelijk is geworden. Door het niet lezen van de zinsnede “en/of” wordt de tenlastelegging geheel duidelijk. Deze taalkundige fout kan niet tot de conclusie leiden dat de dagvaarding niet meer aan de eisen van 261 Sv voldoet. Het verweer wordt bijgevolg verworpen.

2.4 De conclusie is dat de dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

Het verweer betreffende de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie

2.5 De raadsman heeft in de eerste plaats betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege het bestaan van een niet toetsbaar onderzoekstraject, waardoor niet uit te sluiten is dat er inbreuken zijn gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [verdachte] in de vorm van de uitoefening van (bijzondere) opsporingsbevoegdheden door de CIE of de buitenlandse opsporingsautoriteiten.

Onduidelijk is gebleven welk onderzoek de CIE heeft verricht om de identiteit van [verdachte] te achterhalen. Er bestaan sterke aanwijzingen dat de CIE heeft getapt en geobserveerd zonder dat daar een bevoegdheidsgrondslag voor was.

Onduidelijk is van welke onderzoeksbevoegdheden de Duitse autoriteiten met betrekking tot het rechtshulpverzoek van Duitsland in de zaak Freiburg gebruik hebben gemaakt, eventueel ook op Nederlandse bodem.

Het niet kunnen toetsen van het een en ander levert strijd op met de beginselen van een behoorlijke procesorde, hetgeen tot niet ontvankelijkheid van de officier van justitie moet leiden.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht om alsnog de informanten, de runners, de CIE- officier van justitie en mw. [verbalisant 4] als getuigen te horen.

2.6 De officier van justitie heeft betoogd dat er geen onrechtmatige inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [verdachte]. Het onderzoek is gestart met voldoende concrete en betrouwbaar geachte CIE-informatie, die werd ondersteund door het Duitse rechtshulpverzoek in de zaak Freiburg. Mw. [verbalisant 4] heeft in een aanvullend proces-verbaal verklaard dat er door de CIE geen gebruik is gemaakt van bijzondere opsporingsmethoden. Ter toetsing van het een en ander zijn vragen gesteld kunnen worden aan [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 1]. In het overleg tussen [verbalisant 1] en de Duitse autoriteiten is niet gebleken van een geheim Duits traject. De Duitsers hebben Nederlandse informatie kunnen verzamelen via het IRC. De naam van de informant in het Duitse onderzoek is om veiligheidsredenen onbekend gebleven. Er zijn geen aanwijzingen dat er iets is gebeurd dat niet door de beugel kan.

2.7 De rechtbank merkt eerst op dat er verschil in toetsing gemaakt moet worden tussen enerzijds de toetsing van de middelen die tot het bewijs in een strafzaak hebben geleid en de wijze waarop men die middelen heeft verzameld en anderzijds de toetsing van het begin van het onderzoek. Met betrekking tot de eerste toetsing dient er transparantie te zijn en dient het Openbaar Ministerie alles te verantwoorden. Om die reden kan CIE-informatie ook niet als bewijs in een strafzaak worden gebruikt. Deze toetsing betreft immers het onderzoek in de strafzaak zelf.

Dat is anders bij de tweede toetsing die de wijze waarop er een verdenking is ontstaan betreft, waarmee het onderzoek in een strafzaak begint. Deze toetsing betreft de vraag of het aangedragen materiaal voldoende is om van een verdenking in de zin van 27 Sv te spreken. Volstrekte transparantie met betrekking tot dat materiaal is dan niet aan de orde. Het verweer van de raadsman betreft deze laatste toetsing.

2.8 De onderzoeksleider [verbalisant 3] heeft verklaard dat het Polei-onderzoek, waar de strafzaak van [verdachte] deel van uitmaakt, is begonnen op 5 september 2007 naar aanleiding van de CIE-informatie van augustus 20071. [verdachte] komt onder de naa[verdachte]] in die informatie voor. Deze informatie wordt door de CIE als betrouwbaar aangemerkt. De rechtbank acht deze informatie voldoende concreet. Die informatie alleen al kan voldoende zijn voor een verdenking in de zin van 27 Sv.

[verbalisant 4] heeft weliswaar geen antwoord gegeven op de vraag hoe men heeft ontdekt da[verdachte]] [verdachte] was, omdat dit deels via de informant is gegaan, maar volstrekte transparantie is ook geen vereiste voor het bestaan van een redelijke vermoeden van schuld aan een strafbaar feit2. Niet gebleken is verder dat die CIE-informatie op onrechtmatige wijze tot stand is gekomen. Mw. [ ]. [verbalisant 4] verklaart immers: “Er is in het gehele onderzoek Polei geen sprake geweest van gebruik van bijzondere opsporingsmethoden dan wel dwangmiddelen door de Criminele Inlichtingen Eenheid Rotterdam-Rijnmond.”3.

2.9 [verbalisant 3] heeft verder verklaard dat er bijna tegelijkertijd een Duits rechtshulpverzoek was voor informatie over dezelfde [verdachte]. Vanuit het Nederlandse onderzoek hebben [verbalisant 1] en [verbalisant 6] op 3 en 4 september 2007 contact gehad met de Duitsers4. De resultaten van het Duitse onderzoek MEMO zijn aan het dossier toegevoegd. De Duitsers hadden al ontdekt dat de [ ], die in dat dossier voorkomt, [verdachte] was5. Aldus werd de verdenking van [verdachte] alleen maar sterker.

[verbalisant 1] heeft met de Duitsers gesproken over welke opsporingsmiddelen zij in hun onderzoek hebben ingezet en van infiltratie is hem niet gebleken, al heeft hij daar niet naar gevraagd6.

Overigens geldt in deze het vertrouwensbeginsel. De rechtbank gaat er van uit dat de Duitse autoriteiten niet onrechtmatig hebben gehandeld, tenzij er aanwijzingen zijn van het tegendeel. Van dit laatste is niet gebleken en ook niet voldoende concreet door de verdediging aangevoerd. Dat [verbalisant 4] om veiligheidsredenen niet op alle vragen antwoord geeft is geen aanwijzing dat er daadwerkelijk iets onrechtmatigs heeft plaats gevonden.

2.10 Het voorafgaande leidt tot de conclusie dat er op dit punt geen strijd is met de beginselen van de goede procesorde en dat de officier van justitie in zijn vervolging van [verdachte] kan worden ontvangen. Het subsidiaire verzoek om alsnog getuigen te horen zal worden afgewezen, omdat daartoe geen noodzaak bestaat.

2.11 De raadsman heeft in de tweede plaats betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat er gerede twijfel bestaat over de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen van 27 december 2007 in de zaak Lira (zaak 9)7. [verdachte] heeft immers met klem ontkend een bekennende verklaring te hebben afgelegd. Volgens de raadsman is de handelswijze van de beide opsporingsambtenaren in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, terwijl er ook sprake is van een niet herstelbaar vormverzuim, aangezien de bepalingen van het opmaken van een proces-verbaal zijn geschonden.

2.12 De officier van justitie heeft betoogd dat het desbetreffende proces-verbaal niet in strijd met de waarheid is opgemaakt. Dat volgt uit de verklaringen van de verbalisanten bij de rechter-commissaris. De tolk, die ook door de rechter-commissaris is gehoord, kan het zich niet meer herinneren.

2.13 De rechtbank merkt eerst op dat het onderhavige proces-verbaal een proces-verbaal van bevindingen en niet van verhoor is. Niet vereist is dan of de cautie aan de verdachte is gegeven en of de verklaring nog is voorgehouden en - in het geval van [verdachte] - door een tolk is vertaald.

2.14 Het desbetreffende proces-verbaal van bevindingen is door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 2] op ambtseed opgemaakt, gedagtekend en ondertekend en voldoet dus aan de eisen van artikel 153 Sv. Artikel 152 Sv eist dat het proces-verbaal ten spoedigste dient te wordt opgemaakt. Het proces-verbaal is op 27 december 2007 opgemaakt en betreft gebeurtenissen op 20 december 2007. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval artikel 152 Sv niet geschonden, mede gezien de omstandigheid dat [verdachte] naderhand - voor de verbalisanten onverwachts - niet meer over deze zaak wilde verklaren8.

De rechtbank verwerpt bijgevolg het verweer dat dit proces-verbaal van bevindingen niet herstelbare vormfouten vertoont.

2.15 [verbalisant 5] heeft verklaard dat hij zeker weet dat dit proces-verbaal een correcte weergave is van wat [verdachte] vertelde. Het was immers een opmerkelijke bekentenis en [verdachte] vertelde dingen die zij nog niet wisten9. Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat toen hij het proces-verbaal las het overeenkwam met zijn herinnering10. De rechtbank heeft geen reden aan deze verklaringen te twijfelen en concludeert daaruit dat het proces-verbaal van bevindingen niet in strijd met de waarheid is opgemaakt. Als een verdachte achteraf tot andere inzichten komt betreffende wat hij heeft gezegd, brengt dat niet mee dat hetgeen er van zijn verklaring op papier is gezet in strijd met de waarheid is.

De vraag of de rechtbank dit proces-verbaal van bevindingen ook voor een eventueel bewijs zal gebruiken komt in rechtsoverweging 10.4 terug.

Nu er geen sprake is van een bewust falsificeren van een proces-verbaal door de verbalisanten is er ook geen strijd met de beginselen van de goede procesorde en kan de officier van justitie in zijn vervolging van [verdachte] worden ontvangen.

2.16 Er zijn dus geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

De overige voorvragen

2.17 Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.18 Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

3 Algemene overweging omtrent het bewijs

3.1 De raadsman heeft het verweer gevoerd, dat alle verklaringen van [verdachte] niet voor het bewijs gebruikt zouden mogen worden. Ter terechtzitting van 18 juni 2008 heeft [verdachte] verklaard dat zijn verklaringen onder bedreigingen en vernederingen tot stand zijn gekomen. De tolk was zo mogelijk nog erger dan de politie. Geen van de verklaringen van [verdachte] zijn aan hem voorgelezen11. Ter terechtzitting van 17 november 2008 heeft [verdachte] nogmaals verklaard dat hij al zijn verklaringen betwist. De raadsman heeft daar nog aan toegevoegd dat volgens [verdachte] aan hem alleen bij het eerste verhoor de cautie is gegeven en bij de vervolgverhoren niet meer.

3.2 De officier van justitie heeft erop gewezen dat de verbalisanten en tolken, toen zij bij de rechter-commissaris werden gehoord, daar anders over verklaren. De verhoren zijn volgens hen in een ontspannen sfeer verlopen en de verklaringen zijn door de tolken steeds aan [verdachte] voorgelezen.

3.3 Met het oog op deze kwestie zijn verschillende getuigen bij de rechter-commissaris gehoord.

Verbalisant [verbalisant 3], die de meeste verhoren heeft gedaan, heeft betwist dat [verdachte] alleen bij het eerste verhoor de cautie heeft gekregen en daarna niet meer. De eerste keer heeft hij wel heel nadrukkelijk bij de cautie stilgestaan. De sfeer bij de verhoren was gemoedelijk en ontspannen, niet intimiderend. De vragen en de tapgesprekken zijn allemaal vertaald. Alleen op verzoek van [verdachte] werden wel eens alleen zijn antwoorden vertaald en niet de vragen die werden gesteld, maar anders werden de verhoren integraal voorgelezen. Weliswaar heeft [verdachte] een aantal verklaringen niet ondertekend, maar hij is niet op de inhoud daarvan teruggekomen12.

Verbalisant [ ] [verbalisant 2] heeft verklaard dat bij ieder verhoor aan [verdachte] de cautie is gegeven. De verstandhouding was gemoedelijk. De verhoren van [verdachte] werden altijd integraal aan hem voorgelezen door de tolk en dat waren soms hele lappen tekst. Daar was één van de verbalisanten bij aanwezig. [verdachte] verzocht regelmatig om aanpassing van de tekst. De tekst werd dan vanaf de aanpassing weer integraal aan hem voorgelezen door de tolk. Het is niet waar dat de verhoren in een intimiderende sfeer zijn verlopen waarbij er gescholden en gedreigd werd13.

Verbalisant [verbalisant 7], die bij één verhoor aanwezig is geweest, heeft verklaard dat hij zeker weet dat [verdachte] de cautie heeft gekregen. Bij zijn verhoor is [verdachte] niet onder druk gezet om te verklaren. Hij was een prettige, deels bekennende verdachte. Bij het opmaken van de verklaring is deze door de tolk in het Turks aan hem voorgelezen14.

Verbalisant [verbalisant 8], die zes verhoren in twee dagen heeft bijgewoond, heeft verklaard dat bij elk verhoor de cautie is gegeven, ook na een onderbreking. Er is niet gedreigd. De sfeer was gemoedelijk, niet intimiderend. Voor zover hij heeft kunnen zien zijn alle verklaringen helemaal door de tolk aan hem in het Turks voorgelezen. [verdachte] heeft geen verklaring, of misschien één, ondertekend, omdat er stukken in zijn verklaringen stonden die hij er niet in wilde hebben. Hij heeft niet gezegd dat de inhoud onjuist was15.

[tolk], die de meeste verhoren heeft getolkt, heeft verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren of [verdachte] alleen bij het eerste verhoor en daarna niet meer de cautie heeft gekregen. De eerste verhoren gingen stroef, maar toen [verdachte] zag dat de politie met bewijzen kwam ging hij verklaren. Die verhoren zijn steeds prettig verlopen en in wederzijds respect. Er is geen druk uitgeoefend, noch bedreigingen geuit. Er was geen intimiderende sfeer, integendeel. Toen men met de 8e of 9e zaak kwam, ging spelen dat [verdachte] dacht informeel opmerkingen te kunnen maken, welke toch in het proces-verbaal terechtkwamen. Hij staat er als tolk garant voor dat alle verklaringen, waar zijn handtekening onder staat, aan [verdachte] zijn voorgelezen. [verdachte] was het eens met de inhoud van de verklaringen. [verdachte] gaf wel aan dat hij niet wilde ondertekenen, omdat hij vond dat informele dingen niet opgenomen mochten worden16.

3.4 De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [verdachte] voor bewijs kunnen worden gebruikt. Hetgeen [verdachte] daarover heeft verklaard wordt weerlegd door hetgeen de verhorende verbalisanten en de daarbij aanwezige tolk hebben verklaard. De rechtbank hecht daar meer waarde aan dan de verklaringen van [verdachte] in deze. Daarbij speelt mee dat [verdachte] betrekkelijk laat - hij is op 10 november 2007 voor het eerst gehoord en verwerpt al zijn verklaringen voor het eerst op 17 juni 2008 (als getuige in de strafzaken van [mededader 4 en 7]) - dit standpunt inneemt en dat de redenen daarvoor - uitgezonderd met betrekking tot het proces-verbaal van bevindingen van 27 december 2007 in de zaak Lira (zaak 9) - door hem weinig concreet zijn gemaakt.

4 Overwegingen omtrent het bewijs van feit 1 en 2 (Nijmegen)

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

4.1 De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verlengde uitvoer van 20 kilogram heroïne in vereniging bewezen kan worden. De uiteindelijke bestemming van de heroïne was het buitenland, omdat aan Ieren geleverd zou worden. Ook de voorbereidingshandelingen kunnen bewezen worden, welk strafbaar feit naast het voltooide delict ten laste gelegd kan worden.

4.2 De raadsman heeft het verweer gevoerd dat [verdachte] vrijgesproken moet worden van het onder feit 1 primair tenlastegelegde, omdat niet vaststaat dat de heroïne een buitenlandse bestemming had. [mededader 4] moest de heroïne naar Nijmegen vervoeren en er is geen duidelijkheid wat er verder ging gebeuren. Met betrekking tot het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman geen opmerkingen.

Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman betoogd dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] heeft getracht anderen tot de strafbare feiten te bewegen. Er was sprake van volwaardige mededaders.

De bewijsmiddelen

4.3 Deze zijn:

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, proces-verbaal zaak Nijmegen, p. 1-108 (voortaan PVN);

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen, p. 1-1944 (voortaan BN);

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, zaak proces-verbaal Nijmegen, p. 109-111 (voortaan PVN);

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen Nijmegen, p. 945-981 (voortaan BN);

* de verklaring van [getuige 1] van 28 oktober 2008, 5 p.;

* de verklaring van [mededader 2] ter terechtzitting van 17 november 2008.

De overwegingen met betrekking tot het bewijs

4.4 De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] zich tezamen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de (verlengde) uitvoer van ongeveer 20 kilogram heroïne en zich bovendien schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen tot die uitvoer. Zij is tot dat oordeel gekomen op grond van de onderstaande feiten en omstandigheden.

4.5 Op woensdag 7 november 2007 en donderdag 8 november 2007 is er verschillende malen telefonisch contact geweest tussen [mededader 2] en [mededader 6]. Op woensdag 7 november meldt [mededader 2] dat die rotzooi-mensen morgen komen17. Op donderdag 8 november 2007 vraagt [mededader 6] eerst [mededader 2] of zij al wakker is voor [betrokkene 1]18. Vervolgens meldt [mededader 2] aan [mededader 6] dat die ‘kale’ om 7 uur komt en vraagt of zij voor hem wil reserveren bij het woonhotel19. Daarna belt zij een zekere [betrokkene 12], die bevestigt dat die jongen onderweg is naar jou, ik bedoel mijn vriend20. Daarna vraagt [mededader 6] gegevens aan [mededader 2] om te reserveren21.

Met [betrokkene 1] of de ‘kale’ is [betrokkene 1] bedoeld, die namens [betrokkene 12] komt22. [betrokkene 12] is blijkens het door hem gebruikte Ierse telefoonnummer [betrokkene 12]23.

4.6. Op 8 november 2007 is er om 19.47 uur telefonisch contact tussen [verdachte] en [mededader 3], waarbij [mededader 3] vraagt of die andere nog heeft gebeld. [verdachte] deelt mee dat er vandaag zogenaamd iemand zou komen, maar er zijn nog geen ontwikkelingen. Hij had tegen het meisje ([mededader 2] ) gezegd dat zij een kamer moest reserveren24.

4.7. Op 8 november 2007 is [mededader 2] om 21.41 uur bezig een hotelkamer te reserveren, blijkens haar telefoontje naar Best Western. Observerende verbalisanten nemen waar dat [verdachte] en [mededader 2] om 21.58 vanuit café ‘De Sluis’ te .. in een zwarte VW Passat, kenteken [ ], wegrijden. Op de Weena te Rotterdam stapt een onbekende man met een grote sporttas in de VW. Ze rijden langs verschillende hotels. Bij hotel .. stapt de onbekende man uit en verdwijnt in de hal26. De VW met [verdachte] en [mededader 2] rijdt weg. De onbekende man die heeft ingecheckt in het hotel .. is [betrokkene 1]27.

4.8 Uit telefonisch contact tussen [mededader 2] en [mededader 6] in de nacht en ochtend van 7 en 8 november 2007 blijkt dat [mededader 2] ruzie heeft met [verdachte]. Hij heeft haar uit de auto gezet, terwijl zij hem juist voor fouten wil behoeden28. [verdachte] meldt [mededader 6] telefonisch dat hij [ ] ([mededader 2] ) een goed wijf vindt, maar een stress wijf. [betrokkene 12] praat voor hem. Hij meldt dat [ ] ([mededader 3]) bij hem is29.

4.9 Na het contact van [verdachte] met [betrokkene 12] stuurt [mededader 3] op vrijdag 9 november 2007 om 8.42 uur een SMS naar [mededader 5] met de mededeling “De 500 van [verdachte] 8 van ons gereedmaken totaal 8 5 half”30. Zowel [mededader 3] als [mededader 5] kunnen zich niet meer herinneren wat deze SMS betekent, maar aannemelijk is dat het over gereed maken van heroïne voor de aflevering gaat. Later - na de doorzoeking van de woning van [mededader 5] - zal immers blijken dat de heroïne in de woning van [mededader 5] was opgeslagen en gereed gemaakt werd (zie zaak 1).

[verdachte] belt vervolgens naar [mededader 4] en zegt: “We komen je voor de deur ophalen, maak je alvast gereed, we hebben wat te doen.”31.

4.10 Er zijn op 9 november 2007 verschillende contacten tussen [verdachte] en zijn Ierse afnemers, waarbij [mededader 6] als tolk fungeert. Via een SMS word gemeld dat er geld moet komen, vandaag 40 of 50 en dan kan [verdachte] 20 geven anders slechts 1032.

Echter op vrijdag 9 november om 9.39 uur stuurt [mededader 3] een SMS naar [mededader 5] met de mededeling “[ ] haal er nog 8 stuks uit”33. Aannemelijk is dat deze aanwijzing ook het gereed maken van heroïne voor de aflevering betreft. Later - na de doorzoeking van de woning van [mededader 5] - zal blijken dat er ook versnijdingsmiddelen in die woning aanwezig waren (zie zaak 1). Kennelijk worden de hoeveelheden van ‘500’ en ‘8’ versneden tot telkens 10 kilogram van een materiaal bevattende heroïne.

[verdachte] heeft dus overeenstemming met de Ierse afnemers bereikt dat er 20 kilogram heroïne geleverd gaat worden. Dat blijkt ook uit latere telefoontjes van [mededader 6] aan [verdachte], waarin [verdachte] [mededader 6] onder andere opdracht geeft die jongen te bellen dat we om 4 uur zullen geven34.

4.11 Op 9 november 2007 is er telefonisch contact tussen [mededader 3] en [mededader 5], waarin [mededader 5] meldt dat hij geen plastic zakken heeft om brood in te doen35. [mededader 3] geeft vervolgens een onbekend gebleven man opdracht naar de bakkerij te gaan en 40/50 stuks plastic zakken te halen of kopen met de mededeling: “Er is namelijk visite van ons gekomen en die moet met spoed weg.”36.

4.12 Op 9 november 2007 is er telefonisch contact tussen [mededader 5] en [mededader 3] . [mededader 5] meldt dat de mixer defect is geraakt37. [mededader 3] zegt dat [ ] absoluut geen fouten moet maken, “want anders lopen de mannen van ons weg”38. Vervolgens meldt [mededader 4] in een telefoongesprek met [verdachte] dat de machines, waarmee zij dinges in stukjes snijden, kapot is. Hij vraagt of [verdachte] een nieuwe machine meeneemt39. [mededader 4] heeft verklaard dat [ ] hem heeft gezegd dat hi[verdachte] ([verdachte]) moest bellen omdat de mixer voor de salade kapot was[verdachte] is hierna gekomen met het Marokkaanse meisje en ze hadden twee mixers bij zich40. Dat komt overeen met de verklaring van [mededader 5], die heeft gezegd dat [verdachte] en [mededader 2] toen ze kwamen twee plastic tassen bij zich hadden41.

4.13 [verdachte] en [betrokkene 12] maken een afspraak om elkaar te ontmoeten in café ..... te Rotterdam42, waarbij [mededader 2] weer als tolk wordt ingeschakeld43. De observerende verbalisanten zien dat een VW Passat op de Weena te Rotterdam wordt geparkeerd en [verdachte] en [mededader 2] uitstappen. Een onbekende man met tas, die aan het signalement van [betrokkene 12] voldoet, loopt vanaf een bushalte naar hen toe. Ze gaan café Engels binnen om 12.16 uur en gaan bij elkaar aan tafel zitten. Om 13.16 uur verlaten [verdachte] en [mededader 2] het café weer44.

De observerende verbalisanten zien dat [verdachte] en [mededader 2] om 13.40 uur op de [adres] uit de VW Passat stappen en de woning op nummer 225 binnengaan45. Om 15.48 uur wordt [verdachte] gebeld door een onbekende man. [verdachte] meldt dat hij in de woning is en hun zaken regelt. Hij is aan het plakken46.

4.14 In een telefoongesprek tussen [betrokkene 12] en [mededader 2] om 15.06 uur meldt [mededader 2] dat zij zijn vriend hebben ontmoet en dat alles goed is gegaan47. Om 15.48 uur meldt [betrokkene 12] aan [mededader 2] dat hij op zoek is naar een hotel en dat hij dat per SMS zal sturen48. Om 16.55 uur ontvangt [mededader 2] een SMS van [betrokkene 12] met de tekst “Mercury Hotel”49.

4.15 [verdachte] is vervolgens in overleg met [mededader 3] een chauffeur aan het zoeken voor een ritje naar Nijmegen. Eerst wordt een zekere [betrokkene 8] gevraagd, die zij 1.000 lira willen geven, maar die gaat niet50. De ‘zwarte van ons’ wordt niet gekozen omdat hij een slechte auto heeft51. [mededader 3] stelt dan voor ‘die grote neus’ ([mededader 4]) te bellen, want die valt niet zo op. Ene [betrokkene 14] zou voor 1.000 lira niet willen gaan. [verdachte] spreekt af de lange neus te bellen52. Vervolgens belt hij [mededader 4] en vraagt of deze even op en neer naar Nijmegen kan gaan, want “die enen vriend is gekomen … dat dinges… moet aan hem dinges gedaan worden en terugkomen.”. [mededader 4] stemt daarmee in53.

4.16 De observerende verbalisanten zien dat [verdachte] om 17.15 uur de woning [adres] verlaat en als passagier in een Nissan Almera, [kenteken], stapt. Om 17.20 uur parkeert de Nissan Almera weer op de [adres] tegenover woning nummer 225. [verdachte] gaat de woning binnen en komt terug met een grote zilverkleurige koffer en legt die in de kofferbak van de Nissan Almera. Hij geeft de bestuurder een briefje mee. Om 17.25 rijdt de Nissan Almera met [mededader 4] achter het stuur weg. Om 17.37 uur wordt de Nissan Almera aangehouden op de Stadionweg te Rotterdam54.

[mededader 4] heeft verklaard dat hij naar [verdachte] is toegegaan omdat deze geen auto had. Hij deed een grote reistas of koffer in zijn auto en zei dat die snel daar moest zijn, want het vliegtuig vertrekt. Hij zei dat de tas naar een vriend in Nijmegen moest worden gebracht, in een hotel. [verdachte] heeft hem een briefje gegeven van de plaats waar hij naar toe moest. De tekst op het briefje was “Nijmegen, Centraal Station, Mercury hotel”55.

4.17 Bij onderzoek werd in de kofferbak van de Nissan Almera een grijze koffer aangetroffen. Bij opening van deze koffer werd een grote hoeveelheid pakketjes aangetroffen, die de uiterlijke kenmerken hadden van één ponds pakken verdovende middelen. Het gewicht van één onderzocht pakket bleek 494,2 gram te zijn. Bij een microchemische test reageerde de inhoud van het pakketje positief op heroïne. Het totale gewicht van de pakketten was ongeveer 20 kilogram56.

4.18 Van de 40 blokken materiaal (pakketjes) zijn poedermonsters genomen met de nummers J1.1-1 tot en met J1.1-5, die de respectievelijk identiteitszegels kregen met de nummers AAAA9666NL tot en met AAAA9670NL. Deze monsters met de identiteitszegels zijn verzonden naar het Nederlands Forensische Instituut (NFI) met de vraagstelling: Bevatten de monsters stoffen welke zijn genoemd in de Opiumwetgeving?57

Het NFI heeft daarop het antwoord gegeven dat de monsters beige poeder en brokjes met de kenmerken AAAA9666NL tot en met AAAA9670NL heroïne bevatten. Heroïne is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet58.

4.19 De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] zich tezamen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de (verlengde) uitvoer van heroïne, omdat de heroïne in de Nissan Almera de uiteindelijke bestemming Ierland had.

De afnemers, waaronder [betrokkene 12], waren Ieren, die ook tijdens de onderhavige transactie in Ierland verbleven. Met hen had [verdachte] al langer handelscontacten met betrekking tot verdovende middelen, zoals [getuige 1] heeft verklaard59 en zoals blijkt uit het feit dat [mededader 2] met [mededader 4] vlak voor de onderhavige transactie naar Ierland moest reizen om geld van oude schulden op te halen60.

[ ] [mededader 6] heeft verklaard dat zij wist dat [betrokkene 1] naar Nederland zou komen om bepaalde goederen op te halen61. [betrokkene 12] heeft dan ook [betrokkene 12] naar Nederland gestuurd om de heroïne op te halen (zie rechtsoverweging 4.5). Daarmee staat voldoende vast dat de heroïne de bestemming Ierland had.

4.20 De rechtbank acht het ook bewezen dat [verdachte] zich tezamen met anderen schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen met betrekking tot bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, vervoeren en uitvoeren van heroïne door zich gelegenheid, middelen en inlichtingen daartoe te verschaffen.

Hij heeft (telefonisch) contacten onderhouden en afspraken gemaakt met zijn mededaders (zie de rechtsoverwegingen 4.6, 4.9, 4.12 en 4.15) en afnemers (zie de rechtsoverwegingen 4.5, 4.7, 4.10 en 4.13) met betrekking tot de wijze van bereiding (zie rechtsoverweging 4.12) van vervoer (zie de rechtsoverwegingen 4.14 en 4.15) en afname en prijs van die heroïne (zie de rechtsoverweging 4.10).

Hij heeft gezocht naar een hotel voor die afnemer en die afnemer vervolgens naar een hotel gebracht (zie de rechtsoverwegingen 4.6 en 4.7).

Hij heeft opdracht gegeven tot het vertalen van telefoongesprekken en sms-berichten (zie de rechtsoverwegingen 4.5, 4.6, 4.10 en 4.13).

Hij heeft die heroïne bereid (gemixed) (zie de rechtsoverweging 4.13).

Hij heeft gezocht naar een chauffeur en auto voor het vervoer van heroïne (zie de rechtsoverweging 4.15).

Hij heeft een koffer (met heroïne) vervolgens in een kofferbak van die auto gelegd en een briefje aan de chauffeur (van die auto) gegeven met daarop de naam en het adres van een hotel waar de afnemer van die heroïne verbleef en waar naartoe die koffer (met heroïne) gebracht moest worden (zie de rechtsoverweging 4.16).

5 Overwegingen omtrent het bewijs van feit 3 (Pincoff I)

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

5.1 De officier van justitie heeft geconcludeerd dat [verdachte] tezamen met anderen opzettelijk de in de woning aan [adres] te Rotterdam aangetroffen heroïne aanwezig heeft gehad.

5.2 De raadsman heeft het verweer gevoerd dat niet het bereiden, bewerken en verwerken bewezen verklaard kan worden, maar enkel het aanwezig hebben van de heroïne. Bovendien staat de hoeveelheid van 3874,6 gram niet vast.

De bewijsmiddelen

5.3 Deze zijn:

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, proces-verbaal zaak Nijmegen, p. 1-108 (voortaan PVN);

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, zaaksproces-verbaal Pincoff 1, p 1-5 (voortaan PVP1);

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen zaak Pincoff 1, p. 1-181 (voortaan BP1);

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, zaak proces-verbaal Pincoff 1, p. 6-7 (voortaan PVP1);

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen zaak Pincoff 1, p. 182-202 (voortaan BP1).

De vaststaande feiten

5.4 Op 9 november 2007 om 17.35 werd door een arrestatieteam van de politie binnengetreden in de woning [adres] Aldaar werden [verdachte], [mededader 2], [mededader 5] en [mededader 4] aangetroffen en aangehouden62.

5.5 Op vrijdag 9 november 2007 om 19:15 uur werd een doorzoeking verricht in het pand gelegen aan [adres] te Rotterdam en werden verdovende middelen met toebehoren aangetroffen63. In de woning waren aanwezig:

In een slaapkamer: een aantal mixers, een zeef, een hamer, een zogenaamd persblok en een zogenaamd persplaat, een mondkap met resten van op heroïne gelijkende stof64.

In de badkamer: een groot aantal tobbes met in één van deze tobbes verpakkingsmateriaal met resten van op heroïne gelijkende stof65.

In de inbouwkast in de hal op de 1e verdieping: een aantal zogenaamde persblokken en een zak met stof gelijkend op heroïne of versnijdingsmiddel66.

In de woonkamer: in de lade van de salontafel twee patroonhouders met daarin drie patronen67.

In een slaapkamer: een zeef, een aantal plastic tassen met blokken gelijkend op blokken verpakte verdovende middelen, drie blokken gelijkend op blokken verplakte verdovende middelen en tussen de matrassen een vuurwapen met patroonhouder met patronen68.

In de wasruimte: een zeef, een mand met wasgoed met daartussen een blok gelijkend op een blok verpakte verdovende middelen69.

Uit de aangetroffen goederen blijkt dat de woning werd gebruikt voor de opslag van heroïne, en voor het versnijden, dan wel mixen van heroïne.

5.6 De in de woning aangetroffen geperste pakketten en zakjes bruin en wit poeder en een mixer met restanten bruin poeder werden onderzocht met behulp van een microchemische test. Het leverde het volgende op:

Uit de eerste slaapkamer:

A1.47: poederresten uit mixer, bevattende heroïne (hiervan is geen monster genomen).

Uit de tweede slaapkamer:

A2.35: een bruin blok bruin poeder van 515,9 gram, bevattende heroïne;

A2.35: een zwart blok bruin poeder van 511,1 gram, bevattende heroïne (hiervan is geen monster genomen).

Uit de wasmachinekast:

A3.23: een zakje bruin poeder van 805,6 gram, bevattende geen heroïne;

Uit de bergkast:

A5.30: zakjes wit poeder van 664 gram, bevattende geen heroïne;

A5.30: twee pakken Dextro puur van 440 gram, bevattende geen heroïne;

A5.28: een zakje bruin poeder van 30 gram, bevattende heroïne;

A5.27: een zakje bruin poeder van 137,9 gram, bevattende heroïne;

A5.26: een zakje bruin poeder van 345,1 gram, bevattende geen heroïne70.

Uit het onderzoek van het NFI van 4 december 2007 blijkt dat de monsters met de nummers A2.35, A5.28 en A.5.27 heroïne bevatten. Het monster met het nummer A5.30 bevat fenacetine. Dit is een pijnstillend en koortsverlagend middel, dat sinds 1984 vanwege de bijwerkingen niet meer mag worden afgeleverd. Het wordt vaak als versnijdingsmiddel voor cocaïne gebruikt. De monsters met de nummers A3.23 en A.5.26 bevatten een mengsel van coffeïne en paracetamol. Dit mengsel wordt vaak als versnijdingsmiddel voor heroïne gebruikt71.

5.7 De verder nog in de woning aangetroffen goederen werden onderzocht met behulp van een microchemische test. Het leverde het volgende op.

Uit de eerste slaapkamer:

A1.45: een koffiemolen met resten poeder, dat heroïne bevat.

A1.41: een zeef, een deksel van koffiemolen en een deksel van keukenmachine, allen met resten poeder, dat heroïne bevat.

Uit de tweede slaapkamer:

A2.37: een zakje met bruine brokjes van 119,5 gram, bevattende heroïne (welke stof het identiteitszegel AAAA9674NL kreeg);

A2.32: een plastic draagtas met 3 bollen en 2 blokken. De bollen bevatten allen heroïne en wogen respectievelijk 505,4 gram (welke bol het identiteitszegel AAAA9671NL kreeg), 503,1 gram en 507,7 gram. De blokken bevatten allen heroïne en wogen respectievelijk 520,3 gram (welke bol het identiteitszegel AAAA9672NL kreeg) en 514,7 gram.

A2.36: een blok met bruin materiaal van bruto 520,1 gram, bevattende heroïne (welk materiaal het identiteitszegel AAAA9673NL kreeg) en een plastic draagtas met bruine

tape.

Uit de bergkast:

A5.29: een gripzakje met tablet van 0,3 gram, bevattende MD(x)A met de opdruk ‘Mitsubishi’ en een bolletje bruin materiaal van 0,6 gram, bevattende hasj.

Uit de keuken:

A7.18: een metalen sigarendoosje met bruin poeder in papier van bruto 1,6 gram, bevattende heroïne, een zakje wit poeder van bruto 6,7 gram, bevattende cocaïne (het welk het identiteitszegel AAAA9675NL kreeg), een zakje met 5 paarse tabletten met de opdruk ‘Rolex’ en bruine brokjes in papier van bruto 0,7 gram, bevattende heroïne.

Uit de badkamer:

A11.65: een ronde roze bak met blauwe afwasteil, een houten pollepel en 40 verpakkingen van blokken, allen met resten poeder bevattende heroïne72.

Uit het onderzoek van het NFI van 10 december 2007 blijkt dat de monsters met de nummers AAAA9671NL t/m AAAA9674NL heroïne bevatten. Het monster met het nummer AAAA9675NL bevat cocaïne73.

5.8 De materialen, waarvan door het NFI monsters zijn getest welke heroïne bevatten, zijn A2.35 (515,9 gram), A5.28 (30 gram), A5.27 (137,9 gram), AAAA9671NL (505,4 + 503,1 + 507,7 gram), AAAA9672 (520,3 + 514,7 gram), NLAAAA9673NL (520,1 gram), AAAA9674NL (119,5 gram). Het totale gewicht is 3874,6 gram.

De overwegingen met betrekking tot het bewijs

5.9 Op grond van de bovenstaande vaststaande feiten acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] op 9 november 2007 in de woning ...... te Rotterdam, waar hij werd aangetroffen tezamen en in vereniging met anderen ongeveer 3874,6 gram heroïne aanwezig heeft gehad.

6 Overwegingen omtrent het bewijs van feit 4 (Maashaven)

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

6.1 De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het in vereniging afleveren van een revolver en munitie bewezen kan worden verklaard. Er zijn telefoontaps waarbij over ‘dat dingetje’ en over een ‘38’ gesproken wordt. De telefoongesprekken met de Engelstalige afnemers lopen via [mededader 2], die naast het vertalen ook instructies en opdrachten geeft in samenspraak met [verdachte]. Na de aflevering zijn [betrokkene 3] en [betrokkene 16] aangehouden met een revolver en munitie van het kaliber .38. [verdachte] is in de buurt gesignaleerd. [verdachte] heeft ook bekend dat hij de revolver heeft afgeleverd en dat [mededader 4] de revolver heeft gehaald en feitelijk heeft overgedragen.

6.2 De raadsman heeft het verweer gevoerd dat de verklaring van [verdachte] niet mag bijdragen tot het bewijs en dat daarom [verdachte] vrijgesproken dient te worden bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

De bewijsmiddelen

6.3 Deze zijn:

* proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, zaaksproces-verbaal Maashaven, p. 1-15 (voortaan PVMA);

* proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen zaak Maashaven, p. 1-139 (voortaan BMA);

* proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, zaak proces-verbaal Maashaven, p. 16 (voortaan PVMA);

* proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen zaak Maashaven, p. 140-145 (voortaan BMA).

De overwegingen met betrekking tot het bewijs

6.4 De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [verdachte] op 5 december 2007 om 10.30 uur door een tolk is vertaald, dat [verdachte] in zijn verklaring volhardde en dat de verklaring door de verbalisanten, de tolk en [verdachte] is ondertekend. De rechtbank zal daarom het verweer van de raadsman verwerpen en de verklaring van [verdachte] voor het bewijs gebruiken. Zij verwijst daarvoor naar hetgeen zij in rechtsoverweging 3.4 hierover heeft beslist.

6.5 De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat [verdachte] zich in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan de overdracht van een revolver en 10 kogelpatronen op

25 oktober 2007 te Rotterdam. De rechtbank acht dit feit bewezen op grond van de onderstaande bewijsmiddelen.

6.6 Op 20 en 23 oktober 2007 deelt [mededader 2] namens [verdachte] telefonisch mee aan ene “Lan” ([ ] [betrokkene 12]) dat hij van de drie maar één ‘dingetje’ heeft. De andere twee moeten in België gehaald worden en één is er bij hem. Hij kan dus iemand sturen voor één. De anderen kunnen beter zaterdag opgehaald worden.74.

6.7 Op woensdag 24 oktober 2007 om 12.49 uur belt [mededader 2] met een telefoonnummer van een onbekende man, die later [betrokkene 17] blijkt te zijn75. [mededader 2] zegt dat [betrokkene 17] haar vriend ([verdachte]) heeft gebeld, maar dat hij ([verdachte]) het niet heeft begrepen. [betrokkene 17] zegt dat hij vandaag moest komen om een paar dingen voor zijn vriend op te halen. Zijn vriend had hem een nummer gegeven en gezegd dat hij naar Rotterdam moest komen om wat dingen op te halen. Hij moest drie dingen ophalen die voor hem klaar zouden liggen. [mededader 2] zegt dat hij één ding kan ophalen en twee zaterdag. [betrokkene 17] wil er liever zaterdag drie ophalen. [mededader 2] zegt dat hij ([verdachte]) zegt dat het beter is, dat hij vandaag er één op komt halen en twee op zaterdag. [betrokkene 17] belt nog76.

Daarna om 12.59 uur belt [mededader 2] met [betrokkene 12] en zij vraagt of de vriend van [betrokkene 12] komt of niet. Zij geeft door dat hij ([verdachte]) er vandaag één wil geven en zaterdag twee. [betrokkene 12] geeft door dat de man vandaag komt voor één en het weekend de andere twee dan haalt77.

Om 13.41 uur krijgt [verdachte] een Engels SMS bericht met de tekst: “Mijn vriend gaat je bellen geef hem die 38 ok vriend.”78. In een telefoongesprek met [betrokkene 5] vraagt [verdachte] wat er staat. [betrokkene 5] vertaalt het en zegt: hij vraagt om pistool. Ik weet het, zegt [verdachte]79.

6.8 Op donderdag 25 oktober 2007 om 16.26 uur is er telefonisch contact tussen [verdachte] en [betrokkene 17], waarin [betrokkene 17] meldt dat hij over minder dan een uur, waarschijnlijk drie kwartier een half uur, er is. [verdachte] vraagt of hij in Rotterdam komt. [betrokkene 17] zegt ja en vraagt of hij naar het Centraal Station zal gaan. [verdachte] is akkoord80. Om 17.32 uur meldt [betrokkene 17] dat hij net uit het Centraal Station komt en hij noemt bar Engels. [verdachte] zegt: “café Engels. Is goed, dan kom ik daar.”81. Om 17.39 uur meldt [verdachte] aan [mededader 2] dat hij in een file staat en dat het nog lang gaat duren. [mededader 2] moet een bepaald nummer bellen (dat van [betrokkene 17]) en zeggen dat ze met de metro naar Maashaven moeten komen. Vervolgens geeft [verdachte] het nummer82. Daarna belt [mededader 2] [betrokkene 17] en zij zegt hem dat hij de metro moet pakken, want die jongen staat vast in het verkeer. Hij moet de zesde stop pakken. Ze gaat de naam van de halte SMS-en83. Daarna volgt de SMS om 17.44 uur: “Het is de zesde stop daar moet je uitstappen: het heet Maashaven.”84. [mededader 2] meldt vervolgens aan [verdachte] dat zij [betrokkene 17] heeft gebeld dat hij met de metro naar de zesde halte gaat85. Vervolgens geeft [verdachte] aan [mededader 2] de opdracht ‘die Bolle’ te berichten dat zijn vriend hier is en dat hij hem een keer die 38. geeft86. [mededader 2] SMS-t dat door87.

6.9 Op donderdag 25 oktober 2007 om 18.09 uur meldt [mededader 2] aan [verdachte] dat hij ([betrokkene 17]) naar het kraampje met shoarma komt88. Om 18.10 zien observerende verbalisanten twee mannen bij de shoarmakraam op de hoek Mijnsherenlaan en Brielse Laan te Rotterdam staan.89. Achteraf blijken dat [betrokkene 17] en [betrokkene 4] te zijn90. [betrokkene 17] loopt in de richting van de Brielselaan. [betrokkene 4] blijft bij het kraampje staan91. Om 18.14 uur belt [verdachte] naar [mededader 4] en vraagt hij waar hij is. [mededader 4] zegt bij de kapsalon Alem. Hij zegt dat hij buiten in de auto zit92. Om 18.15 uur draagt [betrokkene 17] een tasje. [betrokkene 17] en [betrokkene 4] gaat het metrostation in richting Centraal Station93. Om 18.20 uur is er een telefoongesprek tussen [mededader 2] en [verdachte]. [mededader 2] vraagt of [verdachte] klaar is. [verdachte] zegt: “ja, ik heb geef hem.”94. Om 18.22 uur staat de Volkswagen Passat, kenteken [ ] (auto van [verdachte]), zonder inzittenden op de Dordtselaan te Rotterdam. Om 18.50 uur worden [betrokkene 17] en [betrokkene 4] aangehouden95.

Bij de aanhouding droeg [betrokkene 4] een tasje waarin, opgerold in een witte doek, een revolver met vermoedelijk bijbehorende munitie werd aangetroffen96.

6.10 Het bij [betrokkene 4] en [betrokkene 17] aangetroffen wapen is een revolver met de merkaanduiding Zastava, type M-83/92, kaliber .357 Magnum, voorzien van serienummer 49472. Deze revolver is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie(WWM). Zij valt niet onder categorie II, onder 2, 3 of 6 WWM.

De bij het vuurwapen in beslag genomen 10 kogelpatronen zijn van het kaliber .38 SPL, bodemstempel IMI. Zij zijn munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III WWM. Het is geen munitie in de zin van artikel 2 categorie II WWM.

De munitie is geschikt om afgeschoten te worden met de revolver97.

6.11 [ ] [verdachte] heeft verklaard dat ze om drie stuks vroegen, maar dat hij ze aan het lijntje heeft gehouden, want hij had het niet en kon het ook niet regelen. Vervolgens heeft hij er toch één kunnen regelen. [betrokkene 12] en “Bolle ” hadden hem telefonisch benaderd. [betrokkene 12] vroeg het in eerste instantie, Vervolgens heeft hij een jongen hierheen gestuurd, die heeft het meegenomen en is weer weggegaan. Hij wist dat deze jongen vervolgens is opgepakt98.

[ ] [verdachte] heeft als volgt verklaard: “Het is zo gegaan. Dat wapen had ik al een tijd in bezit en lag ergens opgeslagen. Ik heb aan [ ] ([mededader 4]) gevraagd om het wapen op te halen en het naar de Maashaven te brengen. Ik ben ook naar de Maashaven gegaan. Ik heb met die lange man gebeld, als u zegt dat het [ ] ([betrokkene 17]) is , dan zal dat wel. Toen ik telefonisch contact met hem had, heb ik [ ] ontmoet. Ik heb kort met hem gesproken en hem een auto gewezen die daar stond geparkeerd en waar [ ] in zat. Die had het vuurwapen inmiddels opgehaald. [ ] is toen naar die auto gelopen en heeft even met [ ] in de auto gezeten. Hij heeft het tasje met vuurwapen gekregen. Hij is daarna weer weggegaan”99.

6.12 [betrokkene[betrokkene 4] heeft verklaard dat hij met een vriend, een Engelsman, naar Rotterdam is gekomen. Die vriend is [ ] met de achternaam [betrokkene 17] of zoiets. [ ] moest iets ophalen. Hij was aan het bellen en kreeg te horen dat hij met de metro ergens naar toe moest. We moesten zes halten met de metro. Daar moesten we bij een shoarmatent staan. Vervolgens zag [ ] die man en kreeg hij het tasje overhandigd. Hij werd gebeld en liep naar de overkant van de weg naar een auto. [ ] liep zonder tasje naar de auto en kwam met tasje terug. De man stond naast de auto. Ik heb niet gezien of er iets overhandigd werd100.

7 Overwegingen omtrent het bewijs van feit 5 (Mettmann)

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

7.1 De officier van justitie heeft geconcludeerd dat bewezen kan worden geacht, dat [verdachte] in de periode van 1 oktober tot 31 oktober tezamen met een ander 24,5 kilogram heroïne in Nederland heeft proberen in te voeren. Hij heeft immers veelvuldig contact gehad met de leverancier, waarbij het initiatief van hem uitging. Hij wist dat er een drugstransport in Nederland aan zou komen en heeft zich bereid verklaard de verdovende middelen in ontvangst te nemen.

7.2 De raadsman heeft het verweer gevoerd dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] 24,5 kilogram heroïne in Nederland heeft proberen in te voeren. De koerier [betrokkene 18], die met de heroïne is aangehouden, heeft niet belastend voor [verdachte] verklaard. Hij kent hem niet. De tapgesprekken zijn onvoldoende concreet om te concluderen dat zij met 24,5 kilogram heroïne te maken hebben. Ook is niet altijd duidelijk wie de NN man is met wie [verdachte] spreekt. Niet blijkt dat [verdachte] met de leverancier tot een akkoord is gekomen. Vrijspraak moet dus volgen.

Subsidiair heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de hoeveelheid van 24,5 kilogram niet bewezen kan worden, alsmede dat de uitvoeringshandelingen (1-31 oktober) allen werden verricht terwijl tegelijkertijd de heroïne werd vervoerd (eind oktober), zoals de tenlastelegging luidt.

De bewijsmiddelen

7.3 Deze zijn:

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, zaak proces-verbaal Mettmann, p. 1-13 (voortaan PVME);

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen, p. 1-161 (voortaan BME);

* proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, zaak proces-verbaal Mettmann, p. 14-15 (voortaan PVME);

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen Mettmann, p. 162-175 (voortaan BME).

De vaststaande feiten

7.4 Op woensdag 31 okt 20007 ontdekte de civiele patrouille een personenwagen Jeep Cherokee, met Nederlands [kenteken], op de A3 bij Ratingen in Duitsland, die achter klaarblijkelijk zwaar beladen was. De chauffeur [ ] [betrokkene 18] zei uit Turkije te komen en naar Venray te rijden. Er werd opdracht gegeven de kofferbak open te maken om de lading. De bagage bestond uit meerdere tassen, zakken en kisten met fruit, cilinderkop, kookgerij, 25 kilogram zakken met bonen en rijst. [betrokkene 18] werd gevraagd de voorste grote tassen en zakken er uit te halen. Hij liet een grote donkerblauwe sporttas in de kofferbak staan en lei er een zak bonen op. Hem werd verzocht de tas ook uit te laden. Hij legde toen zijn polsen over elkaar om duidelijk te maken dat hij gearresteerd moest worden. Hij zei: “Tasche nix gut”. In de tas bevonden zich pakketten verdovende middelen.

Het ging om 24,5 kg heroïne, dat uit 49 ongeveer even grote pakketten bestond. De ESA-test reageerde positief op opiaten. Een pakket woog bruto 516 gram. In de sporttas was breed koffiepoeder en rood paprikapoeder gestrooid101.

De overwegingen met betrekking tot de vrijspraak

7.5 De rechtbank merkt eerst op dat de telefoongesprekken tussen een NN man en [verdachte] van 6 oktober tot 23 oktober 2007 over een partij heroïne van 20 of 21 kilogram. gaan, welke kennelijk door ene Seyid van de NN man is afgenomen, maar nog niet (geheel) is betaald. De gesprekken betreffen niet de ten laste gelegde partij heroïne van 24,5 kilogram.

7.6 De vraag is dan of uit de telefoongesprekken van 24 oktober 2007 tot en met 3 november is af te leiden dat [verdachte] tezamen met de NN man heeft gepoogd de onder [betrokkene 18] aangetroffen 24,5 kilogram heroïne in Nederland in te voeren, want andere bewijsmiddelen zijn er niet.

De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Het telefoongesprek op 24 oktober 2007 om 15.44 uur gaat in ieder geval over een andere partij, namelijk van 7 kg102. Vooraf aan de aanhouding van [betrokkene 18] zijn er geen andere telefoongesprekken tussen [verdachte] en de NN man geregistreerd.

Na de aanhouding van [betrokkene 18] heeft de NN man [verdachte] proberen te bewegen in de woonplaats van [betrokkene 18] , Venray, polshoogte te nemen, waarop [verdachte] inderdaad te Venray is gaan kijken.103. In het telefoongesprek op 1 november om 18.13 uur vraagt [verdachte] echter: “stel, als ik hem vanavond ga zien, hoeveel geef je dan aan mij?”; waarop de NN man antwoord: ”ga hem even zien …misschien dat ik alles in zijn totaliteit aan jou laat overdragen.”104. Uit dit telefoon gesprek leidt de rechtbank af dat er in het geheel geen overeenstemming omtrent de levering van de onderhavige 24,5 kilogram heroïne tussen [verdachte] en de NN man was, laat staan dat daaruit een bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de NN man met betrekking tot de invoer van die 24,5 kilogram heroïne blijkt.

Hetgeen [verdachte] heeft verklaard zou dus heel goed juist kunnen zijn. [verdachte] heeft namelijk verklaard: “Ik heb niets met deze zaak te maken. Zonder mijn medeweten zegt die man dat hij iets heeft gestuurd. Die man heeft zelf zaken gedaan en wil mij gebruiken.”105.

7.7 De conclusie uit het voorgaande is dat [verdachte] vrijgesproken dient te worden van hetgeen hem in de zaak Mettmann ten laste is gelegd.

8 Overwegingen omtrent het bewijs van feit 6 en 7 (Freiburg)

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

8.1 De officier van justitie heeft geconcludeerd dat bewezen kan worden geacht dat [verdachte] tezamen met anderen meermalen heroïne heeft uitgevoerd (feit 6) en dat hij tezamen met anderen 1438 gram heroïne heeft uitgevoerd op 8 april 2007 (feit 7). Dat volgt uit de verklaringen van koerier [betrokkene 10], die op 8 april 2007 met 1438 gram heroïne is aangehouden, de verklaringen van de ontvanger [betrokkene 11] en de eigen verklaringen van [verdachte].

8.2 De raadsman heeft het verweer gevoerd dat [verdachte] voor beide feiten vrijgesproken moet worden bij gesprek aan bewijs. De verklaringen van [verdachte] mogen niet voor bewijs gebruikt worden. De taps mogen ook niet gebruikt worden, omdat de verdediging niet in staat is gesteld ze af te luisteren. De verklaringen van [betrok[betrokkene 10] en [betrokkene 11] mogen niet voor het bewijs gebruikt worden omdat zij een belang kunnen hebben belastend te verklaren (strafvermindering in Duitsland). [betrokkene 10] legt bovendien verschillende verklaringen af en [betrokkene 11] heeft geweigerd vragen van de raadsman te beantwoorden.

De bewijsmiddelen

8.3 Deze zijn:

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, zaaksproces-verbaal Freiburg, p. 1-12 (voortaan PVF);

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen zaak Freiburg, p 1-284 (voortaan BF);

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, zaak proces-verbaal Freiburg, p. 13 (voortaan PVF);

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen Freiburg, p. 285-291 (voortaan BF);

* de verklaring van [betrokkene 10] bij de rechter-commissaris op 13 oktober 2007.

Algemene overweging met betrekking tot het bewijs

8.4 De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [verdachte] voor het bewijs kunnen worden gebruikt, zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.4 overwogen. Ook de taps kunnen voor het bewijs worden gebruikt, ook al heeft de raadsman ze niet kunnen beluisteren, omdat daardoor geen belang van de verdediging is geschaad. [verdachte] heeft de telefoongesprekken immers niet ontkend. De verklaringen van [betrokkene 10] en [betrokkene 11] kunnen ten slotte ook voor het bewijs gebruikt worden. Niet gebleken is dat zij een zodanig bijzondere belang, zoals strafvermindering, hebben, dat hun verklaringen in strijd met de waarheid kunnen zijn afgelegd. De verklaringen van [betrokkene 10] komen niet geheel met elkaar overeen, maar niet in die mate dat aan die verklaringen geen waarde kan worden gehecht. Dat [betrokkene 11] heeft geweigerd vragen van de raadsman te beantwoorden betekent eveneens niet dat zijn verklaringen in strijd met de waarheid zijn.

De overwegingen met betrekking tot het bewijs

8.5 In een telefoongesprek op zaterdag 31 maart 2007 om 15.01 uur vraagt [betrokkene 11] aan [verdachte] of hij 1000 ding van hen kan doen, zoals dat van de laatste keer. [verdachte] zegt daarop: “hoe, dat ze wat bijmengen?”, hetgeen [betrokkene 11] bevestigt. [verdachte] stemt daarin toe en zegt dat hij het morgen regelt106. Wat later om 23.11 uur meldt [verdachte] aan [betrokkene 11] dat hij geen auto heeft gevonden, waarop [betrokkene 11] zegt dat het geen haast heeft en dat hij het liever vrijdag heeft. [verdachte] vindt dat goed107.

Op zondag 1 april 2007 uur meldt [verdachte] dat hij volgende vrijdag geen auto heeft gevonden, maar dat hij met de Arabier, die achteraf [betrokkene 10] blijkt te zijn, zal praten108.

Op dinsdag 3 april 2007 om 22.55 uur vraagt [betrokkene 11] aan [verdachte] of hij 1500 kan sturen, waarop [verdachte] antwoordt dat hij ook wel 2000 kan sturen109.

Op woensdag 4 april meldt [verdachte] aan [betrokkene 11] dat vrijdag niet gaat, omdat de jongen werkt. Hij komt zaterdag110.

Op donderdag 5 april 2007 om 13.26 uur meldt [verdachte] aan [betrokkene 11] dat die stommeling (de koerier) zegt dat hij zondag zou komen111.

8.6 Op zaterdag 7 april 2007 belt [verdachte] naar [betrokkene 11] en zegt hij: “Ik geef het nu aan deze jongen. Ik geef hem 1500.”. [betrokkene 11] zegt: “Als hij in de buurt is, dan moet hij mij 20 minuten van te voren bellen.”. [verdachte] zegt: “In orde.”112.

Op zondag 8 april 2007 om 10.53 uur belt [betrokkene 10] naar [betrokkene 11] en zegt: “Het zal nu weggaan.”113. Dezelfde dag om 14.42 uur zendt [betrokkene 10] een SMS naar [betrokkene 11] met de tekst “25 min”114.

8.7 Op zondag 8 april 2007 zien de observerende verbalisanten [betrokkene 11] bij zijn woning wegrijden in zijn Citroën Xsara naar de forensenparkeerplaats bij de afslag Achern115. Als er een Ford Focus aankomt is er om 16.25 uur telefonisch contact tussen [betrokkene 10] en [betrokkene 11]. [betrokkene 10] zegt: “Ja, okay” en [betrokkene 11] “Alles goed”116. De Ford Focus rijdt achter de Citroën Xsara aan. Kort voor de ingang van het dorp Rheinbischofsheim worden de auto’s om 16.40 uur aangehouden. In de Citroën Xsara zat [betrokkene 11]. In de Ford Focus [betrokkene 10] en [betrokkene 10] In de kofferbak van de Ford Focus wordt ongeveer 1,5 kilogram heroïne en 4 kilogram versnijdingsmiddel aangetroffen117.

8.8 In beslag genomen wordt een plastic tas, waarin twee blokbrokken uit lichtbruine, geperste substantie (nettogewicht 474 gr), een plastic tas, waarin twee blokbrokken uit lichtbruine, geperste substantie (nettogewicht 481 gr) en een plastic tas, waarin twee blokbrokken uit lichtbruine, geperste substantie (nettogewicht 483 gr). Onderzoek van de substantie met een gewicht van 1438 gram in totaal levert op: resultaat: heroïnebasis (acetylcodein- narcotin- en papaver bevattend).

Tevens wordt in beslag genomen drie plastic tassen, waarin telkens een lichtbruine, pulverige substantie (nettogewicht 2996 gr) en een plastic tas, waarin een lichtbruine, poedervormige substantie (nettogewicht 998 gr). De substantie bestaat uit een mengsel van coffeïne en paracetamol118.

8.9 [betrokkene 10] heeft op 27 juni 2007 verklaard dat hij een ongeluk heeft gehad met ene [verdachte]. Hij was niet verzekerd, maar heeft met [verdachte] afgesproken dat hij voor hem anabole zou transporteren. Zijn schuld zou dan kwijtgescholden worden119.

Hij heeft geld van [verdachte] gekregen om een auto te huren. Hij heeft in oktober/november 2007 een auto gehuurd. Twee tot drie dagen later heeft [verdachte] hem gebeld en ze hebben elkaar ontmoet. [verdachte] heeft hem een plastic tas gegeven, die hij in de kofferbak legde. Hij kreeg van [verdachte] een routebeschrijving en een telefoonnummer van de contactpersoon in Duitsland. Dat bleek [betrokkene 11] te zijn. [betrokkene 10] is toen diens auto, een Citroën Xsara, gevolgd en heeft hem de plastic tas overhandigd. De inhoud zou één of twee kilo kunnen zijn. Hij kreeg geen geld van [betrokkene 11]120.

[betrokkene 10] heeft zo drie ritten uitgevoerd. De tweede rit was twee tot drie maanden vóór zijn arrestatie. Toen is hij ook weer achter [betrokkene 11] aangereden en hij heeft hem de plastic tas gegeven. Het gewicht was ongeveer hetzelfde . Hij heeft toen contant geld van [betrokkene 11] ontvangen, dat hij aan [verdachte] heeft overhandigd121.

Op 14 september 2007 heeft [betrokkene 10] [verdachte] als [verdachte] van de foto herkend. Bovendien heeft hij verklaard dat het niet om anabolen ging, maar om heroïne. [verdachte] had hem ook gezegd dat hij heroïnetransporten naar Duitsland moest doen122.

Op 13 oktober 2007 bij de rechter-commissaris heeft hij gezegd dat hij [verdachte] bij het verkeersongeluk heeft ontmoet en drie keer heroïne voor hem heeft vervoerd. Dat de ontvanger steeds [betrokkene 11] was en dat hij één keer de heroïne van [verdachte] heeft gehad en twee keer van een ander123.

8.10 [ ] [betrokkene 11] heeft verklaard dat hij door een persoon uit Nederland met de naam [persoon] is gebeld en gevraagd of hij tolk wilde zijn bij diens cliënten in Frankrijk die heroïne wilden kopen124. [persoon] woont in Rotterdam. Hij heeft gezegd dat de koerier een Arabier is125. [persoon] is zijn bijnaam. Hij wordt ook [verdachte] of [verdachte]p genoemd126.

Hij heeft drie transporten van verdovende middelen van Rotterdam naar Kehl ondernomen. [betrokkene 10] heeft in oktober of november 2006 en begin 2007 iedere keer één tot twee kilo heroïne aan hem geleverd in opdracht van Franse kopers127. De beide leveringen van heroïne van oktober/november 2006 en januari 2007 vonden net zo plaats als de levering waarbij hij werd gearresteerd128.

8.11 [ ] [verdachte] heeft verklaard dat hij [betrokkene 11] wel eens aan de telefoon had en zij elkaar “Kirve” noemden. [verdachte] heeft hem twee keer heroïne gestuurd. De eerste keer was het één of twee kilo en de tweede keer anderhalve kilo. De jongen die de levering heroïne in Duitsland zou gaan brengen heet [betrokkene 10]. [verdachte] heeft hem gevraagd of hij de heroïne voor [verdachte] naar Duitsland wilde brengen129.

[verdachte] heeft verder verklaard dat hij de heroïne en de versnijdingsmiddelen helemaal niet heeft gezien. Het is door de leverancier rechtstreeks aan [betrokkene 10] gegeven, waarbij [verdachte] de bemiddelaar was. [betrokkene 10] heeft volgens hem de auto niet in opdracht van hem gehuurd en hij heeft niet een plastic tas in de kofferbak gelegd. [betrokkene 10] is twee keer voor hem naar Duitsland gereden. De tweede keer in april dit jaar, toen hij is aangehouden. De eerste keer was ongeveer een maand daarvóór. Hij sluit echter niet uit dat het drie keer is geweest. Bij de tweede keer heeft [betrokkene 10] geld mee terug genomen en [verdachte] heeft dat weer afgedragen aan de leverancier130. De prijs van de heroïne ligt tussen de € 12.000 en € 15.000131.

8.12 Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] tussen 1 oktober 2006 en 1 maart 20007 tezamen met anderen meermalen (in ieder geval twee keer) ongeveer 1,5 kilogram heroïne vanuit Nederland naar (in ieder geval) Duitsland heeft uitgevoerd (feit 6) en dat hij dat ook in de hoeveelheid van ongeveer 1438 gram heeft gedaan op 8 april 2007 (feit 7).

9 Overwegingen omtrent het bewijs van feit 8 (Dublin)

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

9. 1 De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring op basis van de tapverslagen, de observaties en de verklaring van [verdachte] bij verhoor van 20 december 2007.

9.2 De raadsman heeft aangevoerd dat laatstgenoemde verklaring van [verdachte] niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd. Evenals bij verklaringen inzake andere ten laste gelegde feiten betwist [verdachte] de juistheid van deze verklaring. Hij heeft ook deze verklaring onder druk, tegen zijn wil en in strijd met de juistheid van de inhoud ondertekend.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat uit de uitgeluisterde telefoongesprekken en de observaties niet kan worden afgeleid dat er heroïne is afgeleverd en vervolgens is vervoerd naar België. Als dit al kan worden bewezen, dan is niet komen vast te staan dat het om een hoeveelheid met een gewicht van 5 kilogram ging.

De raadsman concludeert tot vrijspraak en subsidiair vrijspraak ten aanzien van de ten laste gelegde hoeveelheid drugs.

De bewijsmiddelen

9.3 Deze zijn:

* proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, zaak proces-verbaal Dublin, blz. 1-21 (voortaan PVD)

* proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen Dublin, blz. 1-101 (voortaan BD)

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen zaak Freiburg, p 1-284 (voortaan BF);

* Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, d.d. 19 juni 2008, onderzoek tenaamstelling kenteken.

De overwegingen met betrekking tot het bewijs

9.4 [verdachte] heeft blijkens het proces-verbaal van verhoor van 20 december 2007 het volgende verklaard.

“Via via heb ik mensen in Ierland leren kennen. Die man in Ierland heeft iemand, een koerier, naar Nederland gestuurd en hij wilde dat wij 5 kilo heroïne aan die koerier meegaven. Het is gebeurd. Ik zat met handen en voeten gebonden, ik moest wel. Ik heb het gedaan.” 132

[verdachte] is verhoord met behulp van een tolk, zowel [verdachte] als de tolk hebben de verklaring getekend en het proces-verbaal is opgemaakt op ambtseed. Ook is de rechtbank niet gebleken dat [verdachte] deze verklaring onder onaanvaardbaar grote druk heeft afgelegd. De bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van de tolk en de beide verbalisanten die het verhoor hebben afgenomen, bieden daartoe geen enkel aanknopingspunt. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman dat deze verklaring niet tot het bewijs kan dienen.

De bekennende verklaring van [verdachte] wordt ondersteund door de navolgende telefoontaps en observaties van een observatieteam (OT).

Op 4 oktober 2007 ziet het OT blijkens een observatieverslag dat [verdachte] zich met een vrouw en twee onbekende mannen (N1 en N2) bevindt vóór café De Schuimspaan aan de Vuurplaat te Rotterdam. Waargenomen wordt dat [verdachte] uit de kofferbak van zijn auto een gevulde plastic tas en een reistrolley pakt en deze tassen aan N1 geeft. N1 loopt met deze tassen naar een aldaar geparkeerde Mazda 626 met een Pools kenteken. 133 Dit kenteken staat op naam van [betrokkene 5] 134.

Een ander OT volgt de Mazda en neemt blijkens een observatieverslag waar dat deze Mazda uiteindelijk stopt bij een hotel in Wavre (België). 135

Op 5 oktober 2007 voert [verdachte] een telefoongesprek met (vermoedelijk) [betrokkene 5] [betrokkene 5]. 136

Tijdens dit gesprek zegt [verdachte] blijkens het tapverslag het volgende.

“Gister is zijn mannetje gekomen. 5 stuks gegeven, 70 het geld van die dinges. Wij hebben het klaar gemaakt en aan hem gegeven. Wij willen handel drijven, wij willen dat het wat gaat draaien. Gisteren kwam zijn mannetje. Hij zegt ik ga naar België, ik wil met de auto heen. Er is een Poolse jongen die bij ons werkt. Ik zei tegen die jongen, ik zal je 1500 lira geven, breng hen naar hun plaats en zet ze af. Die jongen heeft hen gezond en wel daar afgezet”. 137 In een later telefoongesprek diezelfde dag vraagt [verdachte] blijkens het tapverslag aan [betrokkene 5] of deze “hem” heeft gesproken. [betrokkene 5] antwoordt: “Ja, hij zei dat alles in orde was. Hij mopperde wat over de prijs. Het is toch 14 geworden.”138

9.5 Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank verwerpt het verweer dat niet kan worden bewezen dat het om heroïne ging en dat het om een gewicht van 5 kilo ging. [verdachte] verklaart dit zelf in zijn verhoor van 20 december 2007. Voorts wordt in de tapgesprekken gesproken over “5 stuks, 70 het geld” en “14”. Hieruit maakt de rechtbank op, mede gelet op [verdachte]s verklaring dat het om 5 kilo heroïne ging, dat er 70.000 euro is betaald voor 5 kilo heroïne. Een kiloprijs van 14.000 euro is een gangbare prijs voor heroïne. Daartoe wijst de rechtbank op het DIMS Jaarbericht 2006, waarin een groothandelsprijs voor heroïne wordt genoemd van 12.875 euro 139en op de verklaring van [verdachte] zelf tijdens een verhoor in de zaak Freiburg dat de kiloprijs voor heroïne ligt tussen 12.000 en 15.000 euro. 140 Ook staat voor de rechtbank vast dat deze heroïne naar België is gebracht, gelet op de observaties van het OT en op hetgeen [verdachte] heeft verklaard in bovenvermeld telefoongesprek van 5 oktober 2007, waar hij spreekt over België als bestemming en over een Poolse jongen die “hen” heeft weggebracht.

10 Overwegingen omtrent het bewijs van feit 9 (Lira)

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

10.1 De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring, gelet op de bekennende verklaring van [verdachte], zoals gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen van 27 december 2007, en op de tapverslagen. Dat het hier om heroïne ging blijkt volgens de officier van justitie uit het tapgesprek waarin [verdachte] spreekt over 52000 in combinatie met 4500 lira en uit de groothandelprijs voor heroïne.

10.2 De raadsman heeft aangevoerd dat de bekennende verklaring van [verdachte], zoals gerelateerd in voormeld proces-verbaal, niet tot het bewijs kan worden gebezigd. Uit de tapgesprekken blijkt ook niet dat het om verdovende middelen ging. De medeverdachten [mededader 3] en [mededader 5] hebben tegenover de rechter-commissaris verklaard dat lira in het Turks geld of euro betekent. Als het al om verdovende middelen ging, dan blijkt nergens uit dat het om heroïne betreft. Men kan dit niet enkel afleiden uit de groothandelprijs voor heroïne.

Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De bewijsmiddelen

10.3 Deze zijn:

* proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, zaak proces-verbaal Lira, blz. 1-23 (voortaan: PVL)

* proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen Lira, blz. 1-176 (voortaan: BL)

* proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen Dublin, blz. 1-101 (voortaan BD)

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen zaak Freiburg, p 1-284 (voortaan BF);

De overwegingen met betrekking tot het bewijs

10.4 Zoals de rechtbank reeds onder 2.15 heeft overwogen bij haar oordeel over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ziet de rechtbank geen aanleiding eraan te twijfelen dat het proces-verbaal van bevindingen van 27 december 2007 - inclusief de daarin gerelateerde belastende verklaring van [verdachte] van 20 december 2007 - naar waarheid is opgemaakt. De vraag is dan vervolgens of deze belastende verklaring tot het bewijs kan dienen.

Voor de beantwoording van die vraag acht de rechtbank het van essentieel belang of [verdachte] bovenstaande verklaring heeft afgelegd in aanwezigheid van een tolk en zo ja, of deze tolk op dat moment ook inderdaad in het Turks heeft vertaald wat de politie tegen [verdachte] heeft gezegd en wat [verdachte] daarop in het Turks heeft kunnen antwoorden.

[verdachte] heeft zelf niets verklaard over de aanwezigheid van een tolk. In een later verhoor heeft hij wel verklaard: “Dat was geen verhoor, maar gewoon even praten”.141 Verbalisant [verbalisant 2] heeft tegenover de rechter-commissaris op 29 juli 2008 verklaard: “Ik weet niet of de tolk daarbij aanwezig was. Het kan zijn dat de tolk even de kamer uit was.” Verbalisant [verbalisant 5] heeft tegenover de rechter-commissaris op 11 november 2008 verklaard dat bij het verhoor als tolk de heer .... aanwezig was. Deze heeft op 5 november 2008 tegenover de rechter-commissaris het volgende verklaard: “Ik heb één keer getolkt bij een verhoor van de heer [verdachte]. Ik heb het verhoor van het begin tot het einde bijgewoond. (…) Wat ik me herinner is dat de heer [verdachte] geen verklaring wilde afleggen en dat het verhoor uiteindelijk meer een sociaal gesprek werd. (…) Hij wilde niet over de feiten spreken. Als er een verklaring is opgesteld dan moet ik dat zelf ook ondertekend hebben, zelfs als de heer [verdachte] niet getekend heeft.”

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van deze verklaringen niet komen vast te staan dat de tolk ook daadwerkelijk heeft getolkt hetgeen de politie aan [verdachte] over de zaak Lira heeft voorgehouden en dat [verdachte] vervolgens in het Turks antwoord heeft kunnen geven. Niet valt uit te sluiten dat de tolk na beëindiging van het verhoor over de zaak Dublin zijn werkzaamheden heeft beëindigd. In dat verband wijst de rechtbank er op dat bovenstaand proces-verbaal van bevindingen geen melding maakt van de aanwezigheid van een tolk en het proces-verbaal ook niet is ondertekend door de tolk, dit in tegenstelling tot het proces-verbaal van het voorafgaande verhoor over de zaak Dublin 142.

Evenmin valt uit te sluiten dat beëindiging van het verhoor over de zaak Dublin en het staken van de tolkwerkzaamheden bij [verdachte] de indruk hebben gewekt dat er een einde was gekomen aan de verhoorsituatie. Juist nu bleek dat [verdachte] bekennend ging verklaren na een voorafgaand verhoor, waarin hij zich consequent op zijn zwijgrecht had beroepen, had het op de weg van de verhorende verbalisanten gelegen om eerst de tolk zijn taak te laten hervatten en [verdachte] er op te wijzen dat de verhoorsituatie (met het daarbij geldende zwijgrecht) nog niet was beëindigd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met de op 20 december 2007 gevolgde procedure inzake het horen van [verdachte] over de zaak Lira diens rechten onvoldoende zijn gewaarborgd en dat dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van voormeld proces-verbaal van bevindingen.

Deze bewijsuitsluiting kan echter niet leiden tot een vrijspraak voor [verdachte]. Op grond van de navolgende bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Uit verslagen van telefoongesprekken maakt de rechtbank allereerst op dat er

op 30 oktober 2007 sprake is geweest van aflevering aan ene [betrokkenen] van wat in de tapgesprekken is omschreven als “4.500 lira”.

Op 29 oktober 2007 vindt het volgende sms-verkeer plaats tussen [ ] [verdachte] en een 06-nummer dat in gebruik is bij ene [betrokkenen].

Om 23.47 uur stuurt [verdachte] een sms-bericht naar [betrokkenen] met de volgende tekst: “Vriend, ik kan geen geld regelen, laat ik iets anders regelen en het brengen”.

Enkele minuten later ontvangt [ ] [verdachte] van [betrokkenen] een sms-bericht met de tekst: “Breng het, ik wacht op je”.

[ ] [verdachte] stuurt vervolgens het volgende sms-bericht terug: “In dat geval stuur ik de jongen die het de vorige keer kwam brengen”, direct gevolgd door het sms-bericht: “Als je wil stuur ik 4. Zeg wat je wil”. 143

Op 30 oktober om 00.01 uur belt [ ] [verdachte] naar medeverdachte [mededader 3].

[verdachte]: “Ik zei: laten we 4 stuks, euh… 4000 lira naar jou sturen.

[mededader 3]: het is oke, we gaan het regelen.

[verdachte]: he anders moet je 4500 geven, zodat ik van hem af ben.

Om 00.11 uur belt [ ] [verdachte] [mededader 3].

[verdachte]: regel die 4.500 en laat het door [persoon] weg laten brengen.

[mededader 3]: het is oke, we regelen het wel.

Om 00.18 uur belt [mededader 3] naar medeverdachte [ ] [mededader 5].

[mededader 3]: ik stuur straks [persoon]. Als [persoon] is gekomen moet je aan hem 4500 lira geven ok.

[mededader 5]: ok is goed.

Om 00.20 uur belt [verdachte] [mededader 3].

[verdachte]: vindt iemand die het kan brengen tegen vergoeding. Schrijf maar op mijn rekening.

Om 00.22 uur belt naar ene [betrokkene 8].

[betrokkene 8]: Aziz is bij mij.

[verdachte]: Hij gaat iets meegeven voor die [betrokkene], ga dat even afgeven.

Om 00.25 uur belt [mededader 3] naar [mededader 5].

[mededader 3]: [betrokkene 8] zal komen.

[mededader 5]: van ons 4500 lira?

[mededader 3]: jaja.

Om 00.29 uur belt [verdachte] naar [betrokkenen].

[betrokkene]: waar blijf je?

[verdachte]: ik stuur het nu, ik stuur nu 4.500 lira, het is oke, ik heb de man gestuurd en hij komt het brengen.

Om 00.48 uur belt [betrokkene 8] naar [verdachte].

[verdachte]: heb je het gegeven?

[betrokkene 8]: het is oke.

[verdachte]: heb je [betrokkene] gezien?

[betrokkene 8]: ja, ik heb hem gezien. Hij zei: ga met hen mee en laat het daar achter.

[verdachte]: Je hebt wel gezegd 4.500 lira hè?

[betrokkene 8]: ja 4.500.

Om 1.38 uur belt [verdachte] ene [persoon]:

[verdachte]: ik zei tegen hem, voor dat ding ga ik jou ding geven. Ik heb 4500 lira gegeven en daarmee is het afgelost. Wij hebben het gegeven voor de prijs die wij hebben gekocht.

Om 01.42 uur belt [verdachte] naar [betrokkene]/ [betrokkene] .

Verdachte: Ik heb 4.500 lira naar jullie gestuurd. 144

Door de verdediging is aangevoerd dat met lira in dit verband geld, c.q. euro’s wordt bedoeld. Daarbij heeft de verdediging er op gewezen dat de medeverdachten [mededader 5] en [mededader 3] tegenover de rechter-commissaris hebben verklaard dat lira in het Turks geld of euro betekent.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de tapverslagen blijkt dat [verdachte] geen geld had en daarom in plaats daarvan dus iets anders dan geld aan [betrokkene] of [betrokkene] heeft afgeleverd. De rechtbank wijst daarbij op wat [verdachte] heeft gezegd in de onderstaande telefoongesprekken.

- “ik heb geen geld”

- “ik kan geen geld regelen, laat ik iets anders regelen”

- ”heb geen geld, ik smeek je alsjeblieft laten we deze kwestie oplossen” 145

- “ik zei tegen hem, voor dat ding ga ik jou ding geven. Als je het accepteert oke, zo niet, ik heb niets, ik heb geen geld”. 146

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of in de uitgeluisterde telefoongesprekken met 4500 lira de ten laste gelegde 4,5 kilo heroïne wordt bedoeld.

In dat verband acht de rechtbank de volgende tapgesprekken, waarin bij herhaling het getal 12 wordt genoemd, van belang.

Op 20 oktober 2007 belt [verdachte] met ene [persoon]. Daarin zegt [verdachte] dat hij door ene [betrokkene] gestresst is. “hij had de auto voor 11,5 aan mij gegeven, ik zei ik ben voor 12 duizend auto gaan halen”. 147

Op 21 oktober 2007 zendt [verdachte] een sms-bericht naar een Iers nummer, vermoedelijk in gebruik bij [betrokkene 21] 148, met de tekst: “ik ben erg gestresst en mensen zetten me onder druk, je moet vandaag de 12 geven.

Op 21 oktober belt [verdachte] naar [mededader 2] en zegt tegen haar dat ze moet zeggen dat er nu iemand naar hem toekomt en dat hij die dingen dan terug moet geven en dat hij in 6 maanden 12000 euro niet kan betalen. Enkele minuten later stuurt [mededader 2] aan eerder genoemd Iers nummer het volgende sms-bericht: “Hij zegt dat als je de 12 vandaag niet kan betalen je de tickets aan de neef moet geven wat hij staat onder druk en hij kan niet langer wachten”. 149

In één tapgesprek wordt gesproken over 52.000 en 4500.

Op 30 oktober belt [verdachte] [betrokkene] en zegt tegen hem: “Ik had 52.000 dinges aan jullie. Ik heb 4500 lira naar jullie gestuurd”.150

In het DIMS Jaarbericht 2006 van het Trimbosinstituut wordt als groothandelsprijs voor heroïne genoemd een bedrag van 12.875 euro per kilo 151. [verdachte] zelf heeft tijdens een verhoor in de zaak Freiburg verklaard152, dat de kiloprijs voor heroïne ligt tussen 12.000 en 15.000 euro. Uitgaande van 4.500 gram heroïne voor een kiloprijs van 12.000 euro komt men uit op een totaalbedrag van 54.000 euro, bij benadering het getal 52.000 waarover verdachte in laatstgenoemde tap spreekt.

Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate komen vast te staan dat met 4.500 lira 4,5 kilo heroïne wordt bedoeld.

11 Overwegingen omtrent het bewijs van feit 10 en 11 (CS)

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

11.1 De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van beide feiten. Hij heeft daartoe gewezen op de tapverslagen en de verslagen van de observaties. Uit de tapverslagen blijkt volgens hem dat er drugs zijn geleverd voor een kiloprijs van 33.000 euro. Dat het daarbij om cocaïne moet zijn gegaan, maakt de officier van justitie op uit het DIMS-jaarbericht 2006 en uit een telefoongesprek op pagina 145, waarin wordt gesproken over “de neus”.

11.2 De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak en daartoe aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat de levering daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Levering van de drugs is niet waargenomen en er zijn geen drugs aangetroffen. Ook uit de telefoontaps kan niet worden afgeleid dat er sprake is geweest van levering van 2 kilo cocaïne. De raadsman heeft betwist dat er op de taps op versluierde wijze is gesproken over verdovende middelen. En als het al zou gaan om handel in drugs, dan blijkt nergens uit dat het om cocaïne ging.

Ten aanzien van feit 11 heeft de raadsman subsidiair vrijspraak bepleit ten aanzien van voorbereidingshandelingen inzake het exporteren van de cocaïne en van het anderen bewegen tot het plegen van het beoogde misdrijf.

De bewijsmiddelen

11.3 Deze zijn:

* proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, zaak proces-verbaal CS, blz. 1-30 (voortaan PVCS)

* proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen CS, blz. 1-408 (voortaan BCS)

* proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen Dublin, blz. 1-101 (voortaan BD)

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen zaak Freiburg, p 1-284 (voortaan BF)

* een proces-verbaal politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, pv-nummer 142/2007, onderzoek Polei, bijlagen zaak Pincoff 1, p. 182-202 (voortaan BP1)

De overwegingen met betrekking tot het bewijs

11.4 De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat op de afgeluisterde telefoontaps bij herhaling sprake is van taalgebruik dat moet verhullen dat in feite werd overlegd over handel in drugs. Daartoe wijst de rechtbank op de volgende passages uit de tapverslagen.

- “twee hele goeie tickets”;

- “zodra de papieren hier zijn;

- “voor die 2, het beste dat je vriend heeft. De deal was 33 (…), duur”;

- “ze hebben 70 meegenomen, want ze willen dure”;

- “die 2 tickets (…). Hij wil die van 35, dus krijg je 70. Hij wil die goeie.”;

- “ik moest aan jou vragen, hoeveel procent er in 33 zit. (…) zeg maar dat er geen rotzooi bij zit.”;

- “we nemen die 2 van 88, ok, elk 33”;

- “hij bedoelt dat hij 2 voor 33 duizend wil”;

- “wij moeten geld geven die mensen en dan moeten wij die dingen halen”;

- “ik heb de 2 auto’s, maar kun je tegen je vriend zeggen dat hij ons het geld moet geven” ;

- “Je moet dinges gereed maken. Zodra ik de papieren handen heb, zal ik tegen jou zeggen: de operatie is ok”;

- “hij geeft je 66 voor 2”;

“ik moest geld aan de jongen geven, zodat hij auto’s kon halen”. 153

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de drugs waarover in de taps wordt gesproken ook daadwerkelijk op 10 oktober 2007 in Rotterdam zijn verkocht en geleverd.

De rechtbank acht verkoop en levering van de drugs (feit 10) bewezen en baseert haar oordeel op de navolgende bewijsmiddelen.

Op 10 oktober 2007 belt een onbekende man (hierna: NN) [verdachte] op om 18.03, waarna het volgende gesprek plaatsvindt

NN: Heb jij die 2 voor mij?

[verdachte]: “Ja. Luister vriend, die 2. Moet eerst geld hebben.

NN: Ik heb geld, alles ligt klaar.

[verdachte]: wij moeten geld geven die mensen en dan moeten wij die dingen halen.

Om 18.39 belt [mededader 2] met NN.

NN: ik kom dan gewoon naar Rotterdam, toch?

[mededader 2]: ja, in het centrum, je moet me bellen als je vertrekt daar.

NN: rond 10 uur, half elf ben ik bij je.

Om 18.39 belt [verdachte] met [mededader 3].

[verdachte]: laten we iemand sturen om het op te halen en daarna brengen.

[mededader 3]: dan moeten we het maken en heenbrengen.

Om 18.44 belt [verdachte] met [mededader 3].

[mededader 3]: het schijnt er nog te liggen.

[verdachte]: Die jongen schijnt om 11 uur hier te zijn. Je moet dinges gereed maken.

[mededader 3]: als je wilt kan ik alles gereed maken.

Om 19.47 belt NN met [mededader 2].

[mededader 2]: kom bij het station, bij grand café Engels.

Om 19.52 belt [verdachte] met [mededader 3].

[verdachte]: die hoerenzoon is over een half uur op het Centraal.

[mededader 3]: zal ik dinges nemen?

[verdachte]: ja, neem, neem.

Om 20.02 belt [verdachte] met [mededader 3].

[mededader 3]: over een uur is alles klaar, alles gereed. (…) Je kan mij overal ophalen, waar je ook maar wilt. 154

Door een observatieteam (OT) is blijkens een observatieverslag geconstateerd dat [verdachte] om 20.35 uur café Engels, gevestigd aan het Stationsplein te Rotterdam, binnengaat. Om 20.39 uur neemt het OT een onbekende man waar, die bij een bushalte staat op het Weena, ter hoogte van het Stationsplein, en een plastic tas draagt. Het OT constateert dat [verdachte] naar die man toeloopt en dat ze samen in de auto van [verdachte] stappen en wegrijden 155.

Dat de onbekende man eerder genoemde NN is, maakt de rechtbank op uit de navolgende tapverslagen.

Om 20.41 belt NN met [mededader 2].

[mededader 2]: ze moest zeggen dat hij binnen zit in de bar.

NN: ze moet hem naar buiten laten komen, hij heeft een plastic tas bij zich.

[mededader 2] geeft vervolgens door aan [verdachte] dat hij naar buiten moet komen en omschrijft die persoon als “een Marokkaanse jongen met plastic tas”.

Om 21.02 belt [mededader 3] met [verdachte].

[mededader 3]: … en die vriend make, zo make. Misschien zo geve, geve.

Om 22.08 belt [mededader 2] met [verdachte].

[mededader 2]: je hebt toch die twee?

[verdachte]: zeg dat ik moet halen, ik heb net geld gebracht bij die man en die man moet gaan halen. (…) Wij gaan zo brengen voor hem, zeg hem dat hij zich niet druk moet maken. 156

Dat er ook feitelijk is geleverd, maakt de rechtbank op uit de navolgende bewijsmiddelen.

Om 21.45 uur ontvangt [verdachte] een Engelstalig sms-bericht, afkomstig van een Spaans nummer waarvan de vermoedelijke gebruiker [betrokkene 2] is. 157 Het bericht luidt in vertaling: “Heeft hij de auto’s gekregen?”158

Om 22.58 zendt [mededader 2] een Engelstalig sms-bericht aan [verdachte]. Dit sms-bericht wordt door [verdachte] een minuut later doorgezonden naar [betrokkene 2] 159. Het bericht luidt in vertaling: “Ik heb het aan hem gegeven”. 160

Om 23.13 belt [mededader 2] met [verdachte].

[mededader 2]: wie heb jij gestuurd voor die tickets naar die Marokkaan?

[verdachte]: ik zelf. 161

11.5 De rechtbank acht tevens bewezen dat het in het onderhavige geval ging om verkoop en levering van 2 kilo drugs voor een kiloprijs van 33.000 euro. In bovengenoemde tapverslagen wordt bij herhaling gesproken over 2 (2 tickets, 2 auto’s, die 2) en 33 (elk 33, 2 voor 33 duizend, 66 voor 2). Volgens het DIMS Jaarbericht 2006 162 is groothandelsprijs voor een kilo heroïne 12.875 euro. Verdachte heeft zelf als gemiddelde prijs voor een kilo heroïne een bedrag tussen de 12.000 en 15.000 euro genoemd 163 De rechtbank acht het dan ook uitgesloten dat het in het onderhavige geval om levering van heroïne ging.

Volgens voormeld Jaarbericht is de groothandelsprijs voor een kilo cocaïne 31.125 euro, een bedrag dat niet substantieel verschilt van voormeld bedrag van 33.000 euro. Een aanwijzing dat het hier om cocaïne vindt de rechtbank ook in een tapgesprek tussen [verdachte] en (vermoedelijk) [betrokkene 5] [betrokkene 5] 164. Laatstgenoemde zegt tegen [verdachte]: “Hij zegt dat er een auto is en of jij de auto kan nemen”, waarop [verdachte] antwoordt: “Joh, dat ik ok hij bedoelt dat voor de neus mee”. Naar de rechtbank aanneemt, wordt hier gesproken van de neus omdat cocaïne in de regel via de neus wordt ingenomen. Dat hier zou worden gedoeld op medeverdachte [mededader 4], bijgenaamd De Neus, zoals is aangevoerd door de verdediging, acht de rechtbank niet geloofwaardig. In de aangehaalde passage legt [verdachte] uit wat bedoeld wordt met een auto en niet voor wie deze is bestemd.

Gelet op de groothandelsprijs voor cocaïne en op laatstgenoemd tapverslag is voor de rechtbank in voldoende mate komen vast te staan dat het om levering van cocaïne ging. Daaraan doet niet af dat het bij de andere bewezen verklaarde feiten steeds om heroïne ging. In dat verband wijst de rechtbank er nog op dat in de woning waar verdachte werd aangehouden op 9 november 2007 (de zaak Pincoff 1) cocaïne werd aangetroffen 165 en ook fenacetine, een volgens het NFI “veel gezien versnijdingsmiddel voor cocaïne” 166.

11.6 De rechtbank acht het ook bewezen dat [verdachte] zich tezamen met anderen schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen (feit 11) met betrekking tot verkopen en afleveren van heroïne door zich gelegenheid, middelen of inlichtingen daartoe te verschaffen.

Hij heeft (telefonisch) contacten onderhouden en afspraken gemaakt met zijn mededaders en afnemers met betrekking tot de afname en prijs van die heroïne (zie de rechtsoverweging 11.4).

11.7 De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het in feit 11 ten laste gelegde buiten het grondgebied brengen van Nederland, aangezien niet is gebleken dat voorbereidingen werden getroffen de cocaïne te exporteren.

11.8 De rechtbank acht niet bewezen het in feit 11 ten laste gelegde anderen trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/ of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken, aangezien er geen bewijs is dat verdachte een dergelijke initiërende rol heeft gespeeld.

12 De bewezenverklaring

12.1 De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

zaak 1 (Nijmegen)

op 9 november 2007 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 20 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers hebben verdachte en zijn mededaders die heroïne in een auto met uiteindelijke bestemming Ierland gelegd;

zaak 2 (Nijmegen)

in de periode van 1 november 2007 tot en met 9 november 2007 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van bijna 20 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden,

zich gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dit misdrijf heeft verschaft, hebbende verdachte

- (telefonisch) contacten onderhouden en afspraken gemaakt met zijn mededaders en afnemer(s) met betrekking tot (de wijze van) bereiding en vervoer en afname en prijs van die heroïne en

- gezocht naar een hotel voor die afnemer en die afnemer vervolgens naar een hotel gebracht en

- opdracht gegeven tot het vertalen van telefoongesprekken en sms-berichten en

- die heroïne bereid (gemixed) en

- gezocht naar een chauffeur en auto voor het vervoer van heroïne en

- een koffer (met heroïne) vervolgens in een kofferbak van die auto gelegd en een briefje aan de chauffeur (van die auto) gegeven met daarop de naam en het adres van een hotel waar de afnemer van die heroïne verbleef en waar naartoe die koffer (met heroïne) gebracht moest worden;

zaak 3 (Pincoff I)

op 9 november 2007 te Rotterdam (in een pand aan [adres]), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3874,6 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I:

zaak 4 (Maashaven)

op 25 oktober 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die Wet, in de vorm van een revolver van het merk Zastava, type M-83/92, kaliber .357 Magnum en

munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 10 kogelpatronen van het kaliber .38 SPL, heeft overgedragen aan [betrokkene 3] en [betrokkene 16];

zaak 6 (Freiburg)

in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 1 maart 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen meermalen telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1,5 kilo van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

zaak 7 (Freiburg)

op 8 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1438 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

8. (zaak Dublin)

op 04 oktober 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk

buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 5000 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

9. (zaak Lira)

op 30 oktober 2007 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft

afgeleverd ongeveer 4500 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

10. (zaak CS)

op 10 oktober 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk

heeft verkocht en afgeleverd ongeveer 2000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

11. (zaak CS)

in de periode van 07 oktober 2007 tot en met 10 oktober 2007

te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en afleveren van 2000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden, zich gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dit misdrijf heeft verschaft hebbende verdachte

- (telefonisch) contacten onderhouden en afspraken gemaakt met zijn

mededaders en afnemers met betrekking tot de afname en prijs van die cocaïne;

12.2 Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

13 De kwalificatie

13.1 In de ten laste legging onder feit 2 en feit 11 (twaalfde regel) is opgenomen de zinsnede “verschaft”, terwijl artikel 10a, lid 1 sub 2 van de Opiumwet spreekt over “tracht te verschaffen”. De rechtbank is van oordeel dat met het daadwerkelijk verschaffen, het strafwaardig karakter van het hiervoor genoemde artikel niet verloren gaat. De rechtbank volgt voor wat betreft de kwalificatie van het bewezen verklaarde de geldende wettekst.

13.2 Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

14 De strafbaarheid van de verdachte

14.1 Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen ten zijnen laste bewezen is verklaard.

15 De oplegging van een straf en/of maatregel

De standpunten van de officier van justitie en van de verdediging

15.1 De officier van justitie heeft een gevangenisstraf geëist voor de duur van 9 jaar, met aftrek conform het gestelde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij heeft hij rekening gehouden met de aard en ernst van de strafbare feiten, het strafblad van verdachte en, zij het in mindere mate, het omtrent verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport. In vergelijking met de medeverdachten staan bij hem de meeste feiten op de dagvaarding. Hij is volgens de officier van justitie de man op de voorgrond, die zich dagelijks bezig hield met de handel in verdovende middelen.

15.2 De raadsman heeft aangevoerd dat de strafeis buiten proportie is in vergelijking met andere strafzaken waarbij het gaat om handel in hard drugs. De rol van verdachte is door het Openbaar Ministerie gekleurd en eenzijdig gepresenteerd. Het opsporingsonderzoek is eenzijdig ingezet op verdachte. Naar vele andere betrokkenen is geen vervolgonderzoek gedaan. Ten slotte heeft de verdediging gewezen op de grote samenhang tussen de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3 en tussen feit 10 en 11. Door de wijze van tenlastelegging wordt de strafwaardigheid van verdachte kunstmatig vergroot.

De overwegingen omtrent de op te leggen straf

15.3 Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de persoon van de verdachte, zoals een en ander ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in een korte periode bij herhaling schuldig gemaakt aan deels grensoverschrijdende handel in heroïne en (bij feit 10 en 11) handel in cocaïne. Daarbij ging het om aanzienlijke hoeveelheden. Heroïne en cocaïne zijn sterk verslavende drugs die schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. De handel in en het gebruik van deze drugs leiden tot allerlei vormen van criminaliteit en overlast en zorgen voor grote maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid. Verdachte heeft geen oog gehad voor de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen. Hem ging het alleen maar om het geld dat met de drugshandel kon worden verdiend.

Het bezitten en overdragen van verboden wapens (feit 4) brengt veiligheidsrisico’s met zich mee en kan niet los worden gezien van het gebruik van gewapend geweld.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij een leidende rol heeft gespeeld bij de bewezen verklaarde feiten. Uit de telefoongesprekken en ook uit verklaringen van medeverdachten blijkt dat verdachte steeds de (mede-)initiator was van de verkoop en aflevering van de drugs en dat hij daarbij andere personen inschakelde om hand- en spandiensten voor hem te verrichten.

Daar staat tegenover dat verdachte geen relevant strafblad heeft. Voorts stelt de rechtbank vast dat ten aanzien van feit 1 primair en ten aanzien van feit 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, nu het in beide bewezen verklaarde feiten gaat om dezelfde partij heroïne. Slechts een van de strafbepalingen zal worden toegepast, te weten de strafbepaling waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Een zelfde eendaadse samenloop geldt voor de feiten 10 en 11.

Dit alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming.

15.4 Op grond van het voorafgaande zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van zeven (7) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

16 Toepasselijke wetsartikelen

16.1 De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 47, 55, 57 en 91;

Opiumwet art. 10, 10a, 13, en 14;

Wet wapens en munitie art. 2, 55, 56 en 60.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 5 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven en verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

De bewezen verklaarde feiten leveren op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

Primair

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

T.a.v. feit 2:

Medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden, door zich gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

T.a.v. feit 3:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

T.a.v. feit 4:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid van de Wet wapens en munitie

T.a.v. feit 6:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

T.a.v. feit 7:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

T.a.v. feit 8:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

T.a.v. feit 9:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

T.a.v. feit 10:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

T.a.v. feit 11:

Medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden, door zich gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt de volgende straf op:

Een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J.H. Bruggink, voorzitter,

mr. P.J.H. van Dellen en mr. E.W. van den Heuvel, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Cox-Wentholt en mr. P. van Etteger-Lubbers, griffiers,

en is uitgesproken op 5 december 2008.

1 Verklaring van [verbalisant 3] bij de rechter-commissaris op 30 juni 2008, p. 2. Het proces-verbaal van de CIE zit het Algemene aanbiedingsproces-verbaal van 10 december 2007, p. 1.

2 Verklaring van [verbalisant 4] bij de rechter-commissaris op 5 november 2008, p. 2.

3 Proces-verbaal van mw. [ ]. [verbalisant 4] van 13 november 2008.

4 Verklaring van [verbalisant 3] bij de rechter-commissaris op 30 juni 2008, p. 2.

5 Verklaring van [verbalisant 3] bij de rechter-commissaris op 28 juni 2008, p. 3.

6 Verklaring van [verbalisant 1] bij de rechter-commissaris op 5 november 2008, p. 8.

7 Proces-verbaal van bevindingen, L p. 166-167 (zie voor de volledige verwijzing de bewijsmiddelen in de zaak Lira)

8 Verklaring van [verbalisant 5] bij de rechter-commissaris op 29 juli 2008, p. 7.

9 Verklaring van [verbalisant 5] bij de rechter-commissaris op 29 juli 2008, p. 7.

10 Verklaring van [verbalisant 2] bij de rechter-commissaris op 29 juli 2008, p. 10.

11 Proces verbaal van de terechtzitting op 18 juni 2008, p. 3.

12 Verklaring van [verbalisant 5] bij rechter-commissaris op 29 juli 2008, p. 6-7.

13 Verklaring van [verbalisant 2] bij rechter-commissaris op 29 juli 2008, p. 9-10.

14 Verklaring van ( ) bij rechter-commissaris op 29 juli 2008, p. 11.

15 Verklaring van ( ) bij rechter-commissaris op 29 juli 2008, p. 13-14.

16 Verklaring van ( ) bij rechter-commissaris op 29 juli 2008, p. 3-5.

17 Telefoongesprek op 7 november 2007 om 23.43 uur, BN p. 95.

18 SMS op 8 november 2007 om 10.27 uur, BN p. 98.

19 SMS op 8 november 2007 om 18.10 uur, BN p. 110.

20 Telefoongesprek op 8 november 2007 om 18.35 uur, BN p. 114.

21 Telefoongesprek op 8 november 2007 om 18.57 uur, BN p. 126.

22 Zie de verklaring van [mededader 6] op 21 november 2007, 11,00 uur, BN p. 754.

23 PVN, p. 18 in verband met p. 109.

24 Telefoongesprek op 8 november 2007 om 19.47 uur, BN p. 132.

25 Telefoongesprek op 8 november 2007 om 21.41 uur, BN p. 155.

26 Proces-verbaal van observatie, BN p. 160-161 en p. 965-966.

27 BN, p. 174 en p. 961.

28 Telefoongesprekken op 8 november 2007 om 23.59 uur, BN p. 178, en op 9 november 2007, 1.12 uur, BN p. 191.

29 Telefoongesprek op 9 november 2007 om 2.17 uur, BN p. 197.

30 SMS op 9 november 2007 om 8.42 uur, BN p. 207.

31 Telefoongesprek op 9 november 2007 om 8.41 uur, BN p. 219.

32 SMS op 9 november 2007 om 9.04 uur, BN p. 231. Zie verder: telefoongesprek tussen [mededader 6] en [betrokkene 12] op 9 november 2007 om 9.16 uur, BN p. 252; SMS op 9 november 2007 om 9.24 uur, BN p. 258; telefoongesprek tussen [betrokkene 12] en [mededader 6] op 9 november 2007 om 9.26 uur, BN p. 264; telefoongesprek tussen [verdachte] en [mededader 6] op 9 november 2007 om 9.28 uur, BN p. 266, en om 9.33 uur, BN, p. 272.

33 Telefoongesprek op 9 november 2007 om 9.39 uur, BN p. 274.

34 Telefoongesprekken op 9 november 2007 om 9.39 uur, BN p. 278, en om 9.54 uur, BN p. 302.

35 Telefoongesprek op 9 november 2007 om 9.53 uur, BN p. 296.

36 Telefoongesprek op 9 november 2007 om 9.53 uur, BN p. 298.

37 Telefoongesprek op 9 november 2007 om 12.39 uur, BN p. 351.

38 Telefoongesprek op 9 november 2007 om 12.59 uur, BN p. 353.

39 Telefoongesprek op 9 november 2007 om 13.16 uur, BN p. 363.

40 Verklaring van [mededader 4] op 10 november 2007, 15.30 uur, BN p. 868.

41 Verklaring van [mededader 5] op 10 november 2007, 13.30 uur, BN p. 900.

42 Telefoongesprek op 9 november 2007 om 11.21 uur, BN p. 331.

43 Telefoongesprekken op 9 november 2007 tussen [verdachte] en [mededader 2] om 12.04 uur, BN p. 334, en tussen [betrokkene 12] en [mededader 2] om 12.19, BN p. 345, en om 12.22, BN p. 349.

44 Proces-verbaal van observatie, BN p. 326-327.

45 Proces-verbaal van observatie, BN p. 373.

46 Telefoongesprek op 9 november 2007, BN p. 396.

47 Telefoongesprek op 9 november 2007 om 15.06 uur, BN p. 398.

48 Telefoongesprek op 9 november 2007 om 15.48 uur, BN p. 416.

49 SMS op 9 november 2007 om 16.55 uur, BN p. 460.

50 Telefoongesprekken op 9 november 2007 om 15.52 uur, BN p. 420, om 15.53 (tussen [verdachte] en [betrokkene 8]), BN p. 422, en om 16.02 uur, BN p. 426, en om 16.30 uur, BN p. 442.

51 Telefoongesprek op 9 november 2007 om 16.40 uur, BN p. 448.

52 Telefoongesprek op 9 november 2007 om 16.46 uur, BN p. 454.

53 Telefoongesprek op 9 november 2007 om 16.47 uur, BN p. 456.

54 Proces-verbaal van observatie, BN p. 374, 471 en 474.

55 Verklaring van [mededader 4] op 19 november 2007, 10.30 uur, BN p. 927. Een kopie van het briefje zit in het dossier, BN p. 933.

56 Proces-verbaal van bevindingen, BN p. 479-480.

57 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, BN p. 946-950.

58 Deskundigenrapport van het NFI van 10 december 2007, BN p. 951-952.

59 Verklaring van [getuige 1] van 28 oktober 2008, p. 3-4.

60 Verklaring van [mededader 2] ter terechtzitting van 17 november 2008.

61 Verklaring [mededader 6] op 21 november 2007, 11.00 uur, BN p. 754.

62 PVN p. 72.

63 PVP1 p. 2.

64 BP1 p. 2, zie foto’s 20-21 op BP1, p. 23 t/m 24.

65 BP1 p. 2, zie foto’s 7 t/m 10 op BP1, p. 10 t/m 13.

66 BP1 p. 2, zie foto’s 1 t/m 3 op BP1, p. 4 t/m 7.

67 BP1 p. 2, zie foto 5 op BP1, p. 8.

68 BP1 p. 2, zie foto’s 14 t/m 19 op BP1, p. 17 t/m 22.

69 BP1 p. 2, zie foto’s 11 t/m 13 op BP1, p. 14 t/m 16.

70 BP1 p. 25 en 26. Zie voor de nummering van de ruimtes: het Aanbiedingsproces-verbaal algemeen, p. 153.

71 Het deskundigenrapport van het NFI van 4 december 2007, BP1 p. 201.

72 Het proces-verbaal onderzoek naar verdovende middelen, BP1, p. 192-193.

73 Het deskundigenrapport van het NFI van 10 december 2007, BP1 p. 198.

74 Telefoongesprekken tussen [mededader 2] en [verdachte] op 20 oktober 2007 om 18.42 uur, BMA p. 1, tussen [mededader 2] en [betrokkene 12] op 20 oktober 2007 om 18.44 uur, BMA p. 3, en tussen [mededader 2] en [verdachte] op 23 oktober 2007 om 17.37 uur, BMA p. 5.

75 PVMA p. 3.

76 Telefoongesprek tussen [mededader 2] en [betrokkene 17] op 24 oktober 2007 om 12.49 uur, BMA p.7.

77 Telefoongesprek tussen [mededader 2] en [betrokkene 12] op 24 oktober 2007 om 12.59 uur, BMA p. 9.

78 SMS op 24 oktober 2007 om 13.41 uur, BMA p. 11.

79 Telefoongesprek tussen [verdachte] en [betrokkene 5] op 24 oktober 2007 om 13.57 uur, BMA p. 15.

80 Telefoongesprek tussen [verdachte] en [betrokkene 17] op 25oktober 2007 om 16.26 uur, BMA p. 27.

81 Telefoongesprek tussen [betrokkene 17] en [verdachte] op 25 oktober 2007 om 17.32 uur, BMA p. 31

82 Telefoongesprek tussen [verdachte] en [mededader 2] op 25 oktober 2007 om 17.39 uur, BMA p. 33.

83 Telefoongesprek tussen [mededader 2] en [betrokkene 17] op 25 oktober 2007 om 17.41 uur, BMA p.35.

84 SMS op 25 oktober 2007 om 17.44 uur, BMA p. 37.

85 Telefoongesprek tussen [mededader 2] en [verdachte] op 25 oktober 2007 om 17.44 uur, BMA p. 39.

86 Telefoongesprek tussen [verdachte] en [mededader 2] op 25 oktober 2007 om 18.00 uur, BMA p. 41.

87 SMS op 25 oktober 2007 om 18.02, BMA p. 43.

88 Telefoongesprek tussen [mededader 2] en [verdachte] op 25 oktober 2007 om 18.09 uur, BMA p. 53.

89 Proces-verbaal van observatie op 25 oktober 2007, BMA p. 115.

90 PVMA p. 13.

91 Proces-verbaal van observatie op 25 oktober 2007, BMA p. 115.

92 Telefoongesprek tussen [verdachte] en [mededader 4] op 25 oktober 2007 om 18.14 uur, BMA p. 59.

93 Proces-verbaal van observatie op 25 oktober 2007, BMA p. 115.

94 Telefoongesprek tussen [mededader 2] en [verdachte] op 25 oktober 2007 om 18.20 uur, BMA p. 61.

95 Proces-verbaal van observatie op 25 oktober 2007, BMA p. 115.

96 Proces-verbaal van aanhouding. BMA p. 118.

97 Proces-verbaal, BMA p. 120-121.

98 Verklaring van [verdachte] op 5 december om 10.30 uur, BMA p. 136.

99 Verklaring van [verdachte] op 5 december om 10.30 uur, BMA p. 139.

100 Verklaring van [betrokkene 16] op 26 oktober 2007 om 9.32 uur, BMA p. 128.

101 BME p. 123.

102 BME p. 54.

103 Telefoongesprekken op 1 november 2007 om 11.44, BME p. 59, om 14.37, BME p. 63, om 17.14 uur, BME p. 69, om 22.25 uur, BME p. 90 en op 2 november 2007 om 00.28 uur, BME p. 94.

104 BME, p. 72.

105 Verklaring van [verdachte] op 29 november 2007 om 11.00 uur, BME p. 154.

106 BF p. 42.

107 Telefoongesprek op 31 maart 2007 om 23.11 uur, BF p. 46.

108 Telefoongesprekken op 1 april 2007 om 2.01 uur, BF p. 48, en 11,23 uur, BF p. 49.

109 Telefoongesprek o[ 3 april 2007 om 22.55 uur, BF p. 51.

110 Telefoongesprek op 4 april om 17.22 uur, BF p. 53.

111 Telefoongesprek op 5 april om 13.26 uur, BF p. 57.

112 Telefoongesprek op 7 april 2007 om 21.51 uur, BF p.59.

113 BF p. 63.

114 BF p. 68.

115 BF p. 74.

116 Telefoongesprek op 8 april 2007 om 16.25 uur. BF p. 69.

117 BF p. 74-75.

118 BF p. 77-78.

119 Verklaring van [betrokkene 10] op 27 juni 2007. BF p. 146-149.

120 Verklaring van [betrokkene 10] op 27 juni 2007. BF p. 150-154.

121 Verklaring van [betrokkene 10] op 27 juni 2007. BF p. 155-156.

122 Verklaring van [betrokkene 10] op 14 september 2007. BF p. 179-180.

123 Verklaring van [betrokkene 10] bij de rechter-commissaris op 13 oktober 2007.

124 Verklaring van [betrokkene 11] op 23 mei 2007, BF p. 207.

125 Verklaring van [betrokkene 11] op 30 mei 2007, BF p. 214-215.

126 Verklaring van [betrokkene 11] op 13 september 2007, BF p. 242.

127 Verklaring van [betrokkene 11] op 13 september 2007, BF p. 239-240.

128 Verklaring van [betrokkene 11] op 13 september 2007, BF p. 245.

129 Verklaring van [verdachte] op 3 december 2007 om 13.30 uur, BF p. 275-276.

130 Verklaring van [verdachte] op 3 december 2007 om 13.30 uur, BF p. 277-279.

131 Verklaring van [verdachte] op 3 december 2007 om 13.30 uur, BF p. 280.

132 Verklaring verdachte [verdachte] d.d. 20 december 2007, BD p. 90 en 91

133 PV Observatie 4 oktober 2007, BD p. 26

134 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, d.d. 19 juni 2008, onderzoek tenaamstelling kenteken.

135 PV Observatie 4 oktober 2007, BD p. 59

136 Navraag Ierse telefoonnummers, BD, p. 100 en p. 101

137 Tapgesprek d.d. 5 oktober 2007, BD, p. 71 en p. 72

138 Tapgesprek d.d. 5 oktober 2007, BD, p. 74

139 DIMS jaarbericht 2006, BD, p. 80

140 Verklaring verdachte [verdachte] d.d. 3 december 2007, BF, p. 280.

141 Verklaring van [ ] [verdachte] op 10 januari 2008, BL, p. 175

142 Proces-verbaal van verhoor [ ] [verdachte], d.d. 20 december 2007, BD, p. 90.

143 Tapgesprekken 29 oktober 2007, BL, p. 100, 102, 104 en 112

144 Tapgesprekken d.d. 30 oktober 2007, BL, p. 122, 126, 134, 136, 138, 142, 146, 150, 160 en 162

145 Tapgesprekken d.d. 29 oktober 2007, BL, p. 98, 100 en 112

146 Tapgesprek d.d. 30 oktober 2007, BL, p. 160

147 Tapgesprek d.d. 20 oktober 2007, BL, p. 37

148 Navraag Ierse telefoonnummers, BD, p. 100 en p. 101

149 Tapgesprekken d.d. 21 oktober 2007, BL, p. 43, 48 en 50

150 Tapgesprek d.d. 30 oktober 2007, BL, p. 162

151 DIMS jaarbericht 2006, BD, p. 80

152 Verklaring verdachte [verdachte] d.d. 3 december 2007, BF, p. 280.

153 Tapgesprekken, BCS, p. 3, 7, 9, 13, 17, 21, 27, 67, 192, 202, 234, 242 en 304

154 Tapgesprekken 10 oktober 2007, BCS p. 192, 226, 224, 234, 250, 254 en 256

155 Proces-verbaal van stelselmatige observatie d.d. 10 oktober 2007, BCS, p. 264 - 268

156 Tapgesprekken 10 oktober 2007, BCS p. 278, 280, 284 en 308

157 PVCS, p. 2

158 Tapgesprek 10 oktober 2007, BCS, p. 290

159 PVCS, p. 25

160 Tapgesprek 10 oktober 2007, BCS, p. 338

161 Tapgesprek 10 oktober 2007, BCS, p. 348

162 DIMS Jaarbericht 2006, BD, p. 80.

163 Verhoor verdachte [verdachte] d.d. 3 december 2007, BF, p. 280.

164 Navraag Ierse telefoonnummers, BD, p. 100 en p. 101

165 Deskundigenrapport NFI, 10 december 2007, BP1, p. 197 en 198

166 Deskundigenrapport NFI, 4 december 2007, BP1, p. 200 en 201