Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BG6094

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-12-2008
Datum publicatie
05-12-2008
Zaaknummer
01/825325-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering op voor meerdere verkrachtingen en het vervaardigen/in bezit hebben van kinderporno.

Verkrachting. Het maken van naaktfoto's van een minderjarige en tegen haar zeggen dat zij niet zo flauw moet doen en het dreigen de naaktfoto's aan de familie te tonen levert feitelijkheden c.q. bedreiging met een feitelijkheid op als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.(Promis-vonnis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825325-08

Datum uitspraak: 05 december 2008

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

wonende te [adres],

thans gedetineerd te: PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 november 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 juli 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december

2005 te Eindhoven door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of

bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), meermalen, althans

eenmaal, (telkens) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een)

handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1], hebbende verdachte zijn vingers

en/of zijn penis en/of zijn tong in de vagina van [slachtoffer 1] gebracht en

bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte met behulp

van zijn geestelijk en fysiek overwicht op [slachtoffer 1],

- [slachtoffer 1] onverhoeds bij de vagina heeft gepakt en/of de hand van [slachtoffer 1]

op zijn piemel heeft gelegd en/of

- naaktfoto's van [slachtoffer 1] gemaakt en gedreigd deze aan haar familie te laten

zien, en/of

- [slachtoffer 1] heeft getongzoend, en/of

- tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd, toen zij zei dat ze niet wilde "dat ze niet

zo flauw moest doen", en (aldus) voor [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft

doen ontstaan;

(artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december

2005 te Eindhoven, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer 1], van wie

hij, verdachte, wist dat [slachtoffer 1] in staat van bewusteloosheid, verminderd

bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige

gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens

leed dat [slachtoffer 1] niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent

te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer

handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1], hebbende verdachte zijn

vingers en/of zijn penis en/of zijn tong in de vagina en/of de mond van die

[slachtoffer 1] gebracht;

(Artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks in de periode van 1 januari 2002 tot en met 12 augustus

2004 te Eindhoven,meermalen, althans eenmaal,(telkens) met [slachtoffer 1] (geboren

(geboortedatum) 1988), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van

zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en)

heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1], hebbende verdachte zijn vingers

en/of zijn tong en/of zijn penis in de vagina en/of de mond van [slachtoffer 1]

gebracht en/of hebbende verdachte [slachtoffer 1] gevingerd en/of gebeft;

(Artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 31

december 2005 te Eindhoven, althans in Nederland, een of meermalen een

afbeelding en/of een gegevensdrager, bevattende een of meer afbeeldingen van

seksuele gedragingen, welke afgebeelde gedragingen onder meer afbeeldingen

bevattende beelden vna [slachtoffer 1] ( geboren op (geboortedatum) 1988), die op

zodanige wijze poseert dat haar ontblote vagina en/of borsten nadrukkelijk in

beeld zijn gebracht op een wijze kennelijk (mede) bedoeld om seksuele

prikkeling op te wekken, bij welke vorenbedoelde afbeelding(en) (telkens)een

persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was

betrookken, (telkens) heeft verspreid en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of

uitgevoerd en/of in bezit heeft gehad.

(Artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht)

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder 1 primair en feit 2. De officier heeft daartoe aangevoerd dat uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de verklaringen van het slachtoffer ter terechtzitting en bij de politie blijkt dat verdachte het slachtoffer door middel van een feitelijkheid en bedreiging met een feitelijkheid heeft gedwongen om seks met hem te hebben. Hij heeft pornografische foto’s van haar gemaakt en gedreigd om deze foto’s aan haar moeder te tonen als zij niet opnieuw wilde meewerken aan het maken van dergelijke foto’s. Door deze foto’s in te zetten als middel om het slachtoffer te chanteren, heeft hij een dreigende situatie voor het slachtoffer gecreëerd waarin zij werd gedwongen om seksuele handelingen, waaronder het binnendringen van het lichaam, te ondergaan.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en stelt zich allereerst op het standpunt dat er geen sprake is van dwingen door (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid. Hij heeft aangevoerd dat de in de tenlastelegging uitgeschreven handelingen niet hebben plaatsgevonden dan wel geen (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid zijn en dat er geen causaal verband is tussen dat (die) vermeende (dreigende) geweld/feitelijkheid en het seksueel binnendringen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt voorop dat het sinds het arrest van de Hoge Raad van 29 november 1994, NJ 1995, 202 vaste rechtspraak is dat van door een feitelijkheid dwingen tot het ondergaan van seksueel binnendringen (in de zin van art. 242 Sr), mede gelet op de relevante wetsgeschiedenis, slechts sprake kan zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen de wil heeft ondergaan. Vastgesteld moet worden of de handelingen van de verdachte plaatsvonden in een situatie waarin het voor het slachtoffer zo moeilijk was om zich aan die handelingen te onttrekken dat er derhalve sprake was van dwang van de kant van de verdachte (HR 16 november 1999, NJ 2000, 125).

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en verwijst hierbij in het bijzonder naar de verbatim uitgewerkte aangifte door [slachtoffer 1] en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Het slachtoffer zegt over het eerste binnendringen, toen verdachte het slachtoffer (zijn buurmeisje) bij hem thuis leerde blindtypen en hij haar masseerde (p. 90/91 eindp.-v.): ‘Oh zegt hij wat heb je hier. Helemaal niks! zeg ik. Ik heb hier helemaal niks zeg ik zo. Je moet niet aan mij zitten. Toen hij zo van hij zegt je moet niet zo geïrriteerd reageren, ben je boos, wat is er gebeurt. (…) En op een gegeven moment ging hij zo aan mij zitten. En toen zei ik (voornaam) ik wil dit niet. Toen zei hij nou doe niet zo flauw, hou rustig. Misschien dat ik opgewonden zou raken of weet ik veel wat maar op een gegeven moment ging ik trillen, echt letterlijk trillen he. En toen ging hij masseren en naar beneden en naar beneden, beneden en toen had ik zoiets van laat me los. Ik wil dit niet. En toen zei hij [slachtoffer 1] je weet wat de afspraken zijn. Zodat ik weet anders ga ik weer naar je moeder toe. En op een gegeven moment liet ik het gaan. En had ik zoiets van het gebeurt niet het gebeurt niet. En ik bleef gewoon, toen mijn handen gewoon zo bleven en hij gewoon aan mij zitten bleeft ik gewoon zo totdat hij van mij af ging blijven. En toen zei hij tegen mij je moet op mijn schoot zitten enzo. En toen ging hij mijn broek uittrekken.. en ja.. toen ging hij mijn broek uit trekken en ging hij met zijn vingers (huilt) (zachte stem) ik wil dit niet.. (…) Toen ging hij. Toen moest ik zeg maar op zijn bureau zitten. En toen deed hij zijn vingers in mijn vagina gewoon. En toen ging hij daar in mijn vagina met zijn vingers. (…) ik denk dat ik 14 was.’ Op p. 109 eindp.-v. blijkt dan nog dat het slachtoffer in verband met haar moeder ‘dacht aan de foto’s die hij aan mijn moeder zou laten zien.’ Op p. 84-86 eindp.-v. verklaart het slachtoffer dat verdachte haar heeft gezegd dat hij in een eerder stadium naaktfoto’s van haar zou hebben gemaakt, toen zij misselijk en slapend of onbewust op de bank lag, zulks nadat verdachte haar had laten blowen, en dat hij die aan haar moeder zou laten zien als zij niet nog meer foto’s zou laten maken.

Het slachtoffer zegt over het tweede binnendringen, toen zij bij hem shag kwam halen (p. 93/94 eindp.-v.): ‘Toen zei hij ja je hebt me heel zwaar ik ben zwaar teleurgesteld want ik doe altijd dingen voor jou en als ik eens iets wil vragen doe je nooit dingen voor mij. En toen zei ik tegen hem maar ik heb ook heel veel dingen voor jou moeten doen. En toen zei hij, doe nou niet zo flauw we gaan nog een paar foto’s maken en dan hoef je geen foto’s meer te maken. (…) En op een gegeven moment ging hij naar de andere kamer en toen probeerde hij een condoom bij zichzelf om te doen. En ik was gewoon helemaal (…) ik dacht oh nee.. En toen zei hij ga maar op bed liggen. En op een gegeven moment ging ik helemaal zo op het bed liggen. (…) en toen lukte het bij hem niet om het condoom om te doen. Toen ging hij zeg maar, zei hij trek je broek maar ff omlaag. En toen zei ik we zouden toch foto’s maken je zou dit niet bij mij doen. Toen zei hij [slachtoffer 1] doe nou niet zo, je weet toch we zijn bijna klaar en zo. (…) En het lukt hem niet om het condoom bij hem om te doen (…) en op een gegeven moment ging hij in mijn vagina zeg maar en hij heeft ook op mij getuft. (…) En toen ging ik echt huilen, huilen op dat bed. Toen zei hij je moet niet zo huilen doe nou ff godverdomme.. ik zei ik doe helemaal niks zei ik en op een gegeven moment zei hij je moet nu ff je benen uit elkaar doen. Je moet niet zo strak eh.. je benen bij elkaar doen. Op een gegeven moment deed ik dat en ging hij gewoon letterlijk met twee vingers in me. En ik zei dit doet pijn ik wil dit niet. En ik ging gewoon huilen maar hij ging niet luisteren en hij ging gewoon zijn gang.’

Het slachtoffer zegt over het derde binnendringen, toen zij bij hem film keek en haar zusje in zijn keuken met de kat speelde (p. 96 eindp.-v.): ‘toen draaide hij mij om van kom eens even hier. Toen zei ik, ik wil niet ik hoef niet je weet toch. Toen zei hij je moet niet schreeuwen, dalijk verraad je zusje jou ook als je zo begint te doen. Hij zegt van ze zit nu op haar gemakje te spelen en dan ga jij haar bang zitten maken. En op een gegeven moment ging hij ook.. ik deed dan mijn broek niet uit of zo, maar dan ging hij tussen mijn broek in mijn vagina toen zei ik zo van doe niet doe niet dalijk ziet mijn zusje het. En op een gegeven moment haalde hij dan wel zijn vingers uit mijn broek.’ En p. 114 eindp.v.: ‘Hij heeft echt mijn vagina aangeraakt. [Begeleidster:] Aangeraakt of er in? [Aangeefster:] Dr in. In mijn onderbroek en dan ook er in. In mijn vagina zeg maar. [Verhoorster:] Wat deed hij verder met zijn vingers? [Aangeefster:] Ja gewoon er in gaan enzo. Gewoon masturberen zo heet dat toch? [Verhoorster:] Als je het zelf doet. Vingeren. [Aangeefster:] Ja. [Verhoorster:] Ik zei tegen hem dat ik dat niet wilde. Hij zei dat ik niet flauw moest doen en dat mijn zusje het straks zou zien. Ik zei dat ik het echt niet wilde toen deed hij zijn vingers uit zijn broek. Klopt dat? [Aangeefster:] Ja.’

Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer het volgende verklaard:

In grote lijnen klopt de verklaring die ik bij de politie heb afgelegd wel maar niet alles. Ik heb bijvoorbeeld niet op [slachtoffer 1] gelegen. Ik heb haar wel gebeft, maar ik lag toen niet op haar. Er zijn drie sessies geweest in een tijdsbestek van drie maanden. De eerste keer heb ik alleen foto’s gemaakt. Ze heeft toen wel gezegd : “eigenlijk wil ik dat liever niet”. Ik had ook zoiets van dat ik dat liever niet wilde, maar er lag wel een telefoonrekening van € 400,-. Het was in feite een soort zakelijke overeenkomst, alleen met een te jong iemand. Aan de andere kant weten bij de Roma’s kinderen van 5 jaar oud al wat ruilhandel is. De tweede keer heb ik haar gebeft en de derde keer heb ik haar gevingerd. Ik heb er wel eens aan gedacht dat ik ermee moest stoppen en dat heb ik ook gedaan na de laatste keer. Er zijn dus drie fotosessies geweest. De eerste keer was op mijn verzoek nadat [slachtoffer 1] een schuld bij mij had opgebouwd. De andere keren was het zo dat [slachtoffer 1] doorging met het gebruik van mijn telefoon terwijl ze wist wat daarvan de consequenties waren.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte met behulp van geestelijk en fysiek overwicht een voor [slachtoffer 1] bedreigende situatie heeft doen ontstaan door, ook in onderlinge samenhang beschouwd, feitelijkheden (maken van naaktfoto’s en tegen [slachtoffer 1] zeggen dat zij niet zo flauw moest doen) en bedreiging met een feitelijkheid (dreigen van tonen van de gemaakte foto’s aan [slachtoffer 1]’ familie), waardoor hij [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen waaronder seksueel binnendringen van het lichaam, een en ander zoals bedoeld in art. 242 Sr.

feit 2:

Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde onder 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden op basis van:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting;

- de verklaring van getuige [slachtoffer 1] ter terechtzitting;

- het proces-verbaal van politie met kenmerk PL2233/08-051410 afgesloten op 21 juli 2008, 121 doorgenummerde pagina’s, inhoudende een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt en ondertekend door (verbalisant) p. 46-49.

Periode

Uit verklaringen van het slachtoffer blijkt dat zij niet meer weet wanneer een en ander heeft plaatsgevonden. Ze noemt een aantal aanknopingspunten voor het moment waarop het misbruik geëindigd zou zijn - waaronder het moment dat zij is opgepakt op 31 augustus 2005 - maar kan niet zeggen wanneer het precies is begonnen. Nu verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat de tenlastegelegde feiten door hem gepleegd zijn in 2004 of 2005 en deze tijdsduiding voorts past in hetgeen aangeefster over de periode heeft verklaard, zal de rechtbank ook verdachtes verklaring voor wat betreft de periode volgen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. primair

in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 augustus 2005 te Eindhoven door een feitelijkheid en/of bedreiging met andere feitelijkheden, meermalen, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1], hebbende verdachte zijn vingers

in de vagina van [slachtoffer 1] gebracht en bestaande die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met die andere feitelijkheden hierin dat verdachte met behulp van zijn geestelijk en fysiek overwicht op [slachtoffer 1],

- naaktfoto's van [slachtoffer 1] heeft gemaakt en gedreigd deze aan haar familie te laten

zien, en

- tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd, toen zij zei dat ze niet wilde "dat ze niet zo flauw moest doen", en voor [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 augustus 2005 te Eindhoven meermalen een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen van [slachtoffer 1] (geboren op (geboortedatum) 1988), die op zodanige wijze poseert dat haar ontblote vagina en/of borsten nadrukkelijk in beeld zijn gebracht op een wijze kennelijk bedoeld om seksuele prikkeling op te wekken, bij welke vorenbedoelde afbeeldingen telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken, telkens heeft vervaardigd en in bezit heeft gehad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 240b, 242.

De strafoplegging.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk met aftrek van voorarrest met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Daarnaast eist de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht om verdachte onmiddellijk in vrijheid te stellen wegens het ontbreken van ernstige bezwaren en gronden en gaat akkoord met het voorstel van de rechtbank om daarop bij vonnis te beslissen. Tevens verzoekt de verdediging om alle in beslag genomen goederen terug te geven aan verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zijn buurmeisje - die op dat moment minderjarig was - en met wie hij ruim 30 jaar in leeftijd scheelt, gedwongen om seksuele handelingen te ondergaan en heeft pornografische foto’s van haar gemaakt. Volgens verdachtes verklaring ter terechtzitting moeten deze handelingen worden aangemerkt als een soort zakelijke overeenkomst: het slachtoffer wist volgens hem dat wanneer ze gebruik maakte van verdachtes gsm, daar een prestatie tegenover moest staan. Deze tegenprestatie bestond uit het meewerken door het slachtoffer aan het maken van pornografische foto’s en het dulden van seksuele handelingen, waaronder het binnendringen van haar lichaam. Wanneer het slachtoffer aangaf dat ze dit niet wilde, dreigde verdachte de foto’s aan haar moeder te tonen. Verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer, maar ook de moeder van het slachtoffer, in hem stelde. In plaats van het meisje een veilige omgeving te verschaffen, heeft hij misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van een jong meisje en van zijn overwicht op haar om de misdrijven te (kunnen) plegen.

Het mag bekend worden verondersteld dat zowel het vervaardigen van kinderpornografische afbeeldingen als het plegen van ontuchtige handelingen met minderjarigen zeer nadelige gevolgen kan hebben voor de psychische, sociale, emotionele en seksuele ontwikkeling van de betrokken slachtoffers. Er is immers sprake van een grote inbreuk op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van deze jeugdige personen. Verdachte heeft geen oog gehad voor de belangen of gevoelens van het jonge meisje, doch slechts voor zijn eigen seksuele behoefte. Verdachte zou zich van de nadelige effecten voor het slachtoffer en het leed dat hij haar heeft aangedaan bewust moeten zijn, maar door zijn opmerking ter terechtzitting dat hij niet begrijpt waarom het slachtoffer boos op hem is, heeft niet die indruk gewekt. De rechtbank acht dit alles zeer ernstig en rekent het verdachte zwaar aan dat - hoewel er zeker momenten en mogelijkheden waren voor inkeer - verdachte niets heeft gedaan om een einde te maken aan zijn handelingen. Verdacht heeft zelfs op het moment dat het slachtoffer voorstelde om hem te betalen voor het gebruik van de gsm, gezegd dat zij in ruil voor een paar foto’s niet hoefde te betalen. De rechtbank zal dit alles in het nadeel van verdachte laten wegen. De rechtbank constateert dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) delicten.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de inhoud van het omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebrachte rapport van psycholoog drs. R.J.A. van Helvoirt d.d. 13 september 2008. Hieruit blijkt onder meer dat bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis dan wel een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Er wordt dan ook geen behandeling in enge zin geadviseerd. Het gevaar op recidive wordt als laag ingeschat, hoewel het ontbreken van een adequate dagbesteding wel wordt gezien als een mogelijke recidivefactor. Verdachte is immers tot onderhavige feiten gekomen door het ontbreken daarvan. Vanuit die optiek wordt begeleiding van de verdachte door de reclassering aanbevolen teneinde het recidiverisico nog verder te verlagen.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. Echter, een straf gelijk aan de eis van officier van justitie acht de rechtbank niet aangewezen, nu de rechtbank van oordeel is dat de hierna op te leggen straf de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten voldoende tot uitdrukking brengt.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde naleeft. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven en verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

verkrachting, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2:

* Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met de bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

* Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten: 1

harddisk, 1 computer (packard bell), 1 laptop (Toppline ), 1 adapter, 1

videocamera (JVC), 75 cd-roms, 3 memorycards

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.F. van Hoorn, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. F. van Laanen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Meurs, griffier,

en is uitgesproken op 5 december 2008.