Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BG6091

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-12-2008
Datum publicatie
05-12-2008
Zaaknummer
01/840221-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verontschuldigbare onmacht/afwezigheid van alle schuld. Door een hevige hoestbui is verdachte kort flauwgevallen en kon hij niet meer functioneren zoals van een behoorlijk automobilist mag worden verwacht. Verdachte heeft hoestsyncope niet voelen en ook niet hoeven te zien aankomen. Vrijspraak van het door aanmerkelijke schuld veroorzaken van een dodelijk verkeersongeluk. Ontslag van alle rechtsvervolging voor het veroorzaken van gevaar/hinder op de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 31
VR 2009, 41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/840221-08

Datum uitspraak: 05 december 2008

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 november 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 juni 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 7 oktober 2007 te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), daarmee rijdende over de weg, Wanroijseweg, zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichting en/of onoplettend, de rijstrook bestemd voor het, gezien

verdachtes, rijrichting, tegemoetkomend verkeerd op te rijden en/of te

berijden, op een moment dat een daar rijdende motorfiets, bestuurd door

[slachtoffer], reeds dicht was genaderd, tengevolge waarvan een botsing

en/of een aanrijding is ontstaan tussen dat door hem, verdachte, bestuurde

motorrijtuig en/of die motorfiets, waardoor [slachtoffer] werd gedood;

(artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 oktober 2007 te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert, als

bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de - gezien

zijn, verdachtes, rijrichting- rechterrijstrook van de weg, Wanroijseweg,

onvoldoende rechts heeft gehouden en/althans de rijstrook bestemd voor het

gezien zijn, verdachtes, rijrichting, tegemoetkomend verkeer heeft bereden

en/of is opgereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg

werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg

werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

(artikel 5 Wegenverkeerswet 1994)

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing.

Vast staat dat verdachte als autobestuurder op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen en daar een frontale botsing heeft veroorzaakt met de motorrijder [slachtoffer], die ten gevolge van dit ongeval het leven heeft verloren. De verdediging heeft aangevoerd dat bij verdachte ten tijde van het ongeval sprake was van zogenoemde verontschuldigbare onmacht en dat dit tot vrijspraak moet leiden. Het verweer van de raadsman slaagt voor wat betreft het primair ten laste gelegde. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich roekeloos of zeer dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of opoplettend heeft gedragen. Zij zal verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde en overweegt daartoe het volgende.

Sinds het arrest van de Hoge Raad van 1 juni 2004, NJ 2005, 252 is het volgende vaste rechtspraak. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval, in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet 1994, komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van deze schuld hangt, bijvoorbeeld, af van de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer verkeersregels, kan worden afgeleid dat sprake is van zulke schuld. Het als autobestuurder terechtkomen op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer en daar frontaal in botsing komen met een tegenligger leidt in beginsel tot de conclusie dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeluk aan zijn schuld (zoals bedoeld in art. 6 WVW 1994) te wijten is. Dat kan echter anders zijn indien omstandigheden zijn aangevoerd en aannemelijk zijn geworden - bijvoorbeeld dat de verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde - waaruit volgt dat van zodanige schuld niet kan worden gesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank is voor het honoreren van een beroep op verontschuldigbare onmacht vereist dat verdachte aannemelijk maakt dat hij buiten eigen schuld in een toestand is geraakt waarin hij lichamelijk of geestelijk niet in staat was naar behoren te functioneren.

Verdachte stelt het volgende. Vlak voor het fatale ongeluk op 7 oktober 2007 rond 14.07 uur heeft hij plotseling een aanhoudende hoestbui gekregen. Het werd hem zwart voor de ogen en hij kon niets meer zien. Hij weet niet meer wat hij heeft gedaan en is bijgekomen door een plotse klap. Sinds 2006 heeft hij een- of tweemaal eerder zo’n hoestbui met enkele seconden durende uitvalverschijnselen gehad, maar dat was telkens ’s avonds laat en binnen. De eerste keer is hij bij de huisarts geweest, die verder geen noodzaak tot doorverwijzen zag. De tweede keer, in de zomer van 2006, is hij na doorverwijzing door de huisarts onderzocht in het Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis in Nijmegen. Daar is destijds geconcludeerd dat een allergie aan het probleem ten grondslag lag, waarop neusspray en tabletten werden voorgeschreven. Dit verminderde de klachten. Hem is nooit gezegd dat er belemmering was voor verkeersdeelname of voor zijn in dit opzicht bepaald niet-risicoloze werk op daken. Verdachte heeft in dat verband ook nooit enig probleem ervaren.

De rechtbank acht bovenstaande stellingen aannemelijk. Verdachte heeft al direct na het ongeluk verklaard tegen [getuige 1] over de hoestbui en het zwart voor de ogen worden. [getuige 1] heeft ook waargenomen dat verdachte na het ongeval bij kennis was. Het onderzoek in het CWZ wordt ondersteund door de medische gegevens, met name de brief van dr. (dokter 1) en dr. (dokter 2), d.d. 10 oktober 2008, waarbij de rechtbank nog opmerkt dat zij de brief van dr. (dokter 3) en dr. (dokter 4), d.d. 22 april 2008, bij het kopje anamnese zo leest dat de derde aanval de aanval van 7 oktober 2007 is geweest.

Bovenstaande feiten leveren naar het oordeel van de rechtbank een situatie van onmacht op. Door een hevige hoestbui is verdachte kort flauwgevallen en kon hij niet meer functioneren zoals van een behoorlijk automobilist mag worden verwacht. Die onmacht is naar het oordeel van de rechtbank ook verontschuldigbaar. Verdachte heeft de hoestbui niet voelen aankomen. Anders dan de officier van justitie onder verwijzing naar rechtspraak van de Rechtbank Middelburg (4 april 2007, LJN BA2323) heeft betoogd, had hij die hoestbui naar het oordeel van de rechtbank ook niet hoeven voorzien. Verdachte heeft tweemaal eerder een hoestbui met kort bewustzijnsverlies gehad, maar dat was telkens in een geheel andere context; hij heeft ook nooit eerder daardoor een probleem veroorzaakt, ook niet in het verkeer. Verdachte heeft zich onder medische behandeling gesteld, er is een diagnose vastgesteld en medicatie voorgeschreven, hij heeft die medicatie genomen en de klachten zijn zodanig verminderd dat geen controle meer nodig werd geacht. De rechtbank vindt dat verdachte toentertijd zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en dat hij wist noch behoorde te weten dat het risico bestond van een plotselinge bewustzijnsstoornis ten gevolge waarvan hij de controle over zichzelf en de door hem bestuurde auto kon verliezen op het moment dat hij op de dag van het ongeval zijn auto ging besturen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

Subsidiair:

op 07 oktober 2007 te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de - gezien zijn, verdachtes, rijrichting- rechterrijstrook van de weg, Wanroijseweg, onvoldoende rechts heeft gehouden, althans de rijstrook bestemd voor het gezien zijn, verdachtes, rijrichting, tegemoetkomend verkeer is opgereden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en het verkeer op die weg werd gehinderd;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal ook hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

De raadsman heeft geconcludeerd dat verdachte wegens verontschuldigbare onmacht van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Voor zover het verweer betrekking heeft op het subsidiair ten laste gelegde vat de rechtbank het zo op dat de verontschuldigbare onmacht er naar het oordeel van de raadsman aan in de weg staat om verdachte strafbaar te achten, en dus niet als een bewijsverweer. Een op art. 5 WVW 1994 geënte tenlastelegging bevat immers geen schuldbestanddeel en verontschuldigbare onmacht staat daarom aan een bewezenverklaring niet in de weg. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de vrijspraak is de rechtbank van oordeel dat er voor wat betreft het bewezenverklaarde en gekwalificeerde sprake is van afwezigheid van alle schuld (in de vorm van verontschuldigbare onmacht). De verdachte kan geen verwijt worden gemaakt. Het verweer slaagt. De rechtbank zal verdachte te dien aanzien daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wegenverkeerswet 1994 art. 5, 177.

DE UITSPRAAK

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde en verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven en verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem ook daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de overtreding:

subsidiair

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

De rechtbank ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging omdat zij verdachte hiervoor niet strafbaar acht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.F. van Hoorn, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. F. van Laanen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Meurs, griffier,

en is uitgesproken op 5 december 2008.