Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BG5628

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-12-2008
Datum publicatie
01-12-2008
Zaaknummer
01/845286-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor de primair tenlastegelegde doodslag in het verkeer

Gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaar voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat uit roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845286-08

Datum uitspraak: 01 december 2008

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

wonende te [woonplaats] [adres]

thans gedetineerd te: P.I. Breda - HvB De Boschpoort.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 september 2008 en 17 november 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 augustus 2008.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 17 november 2008 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat (een kopie van de vordering tot wijziging is aangehecht):

1.

hij op of omstreeks 06 juni 2008 te Heusden opzettelijk [slachto[slachtoffer 1] van het

leven heeft beroofd, immers heeft hij verdachte,( met dat opzet)

- terwijl hij verkeerde onder invloed van alcohol en

- terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard,

als bestuurder van een (personen)auto

- gereden met een (te) hoge snelheid, in elk geval met een snelheid die hoger was dan

de ter plaatse geldende maximum snelheid van 80 km/uur en/of

- een (op het wegdek) doorgetrokken streep gepasseerd en/of

- is hij (vervolgens) tegen de hem tegemoetkomenende [slachtoffer 1], voornoemd,

aangereden, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden;

artikel 287 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 juni 2008 te Heusden zich als verkeersdeelnemer, namelijk als

bestuurder van een (personen)auto, daarmede rijdende over de weg N 267,

zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer,althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend met (te) hoge snelheid, althans met een snelheid die hoger was dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 km per uur, een doorgetrokken streep te passeren, waarbij hij, verdachte, (aldus) rijdende op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer, tegen een motorrijder (te weten [slachtoffer 1]) is gebotst, waardoor die motorrijder werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van

alcohol, in elk geval verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van

de Wegenverkeerswet 1994 en terwijl zijn, verdachtes, rijbewijs ongeldig was verklaard.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op 6 juni 2008 rond 22:30 uur heeft op de provinciale weg N267 te Heusden ter hoogte van hectometerpaal 3.5 een verkeersongeval plaatsgevonden. Hierbij waren de volgende voertuigen betrokken:

- een motorfiets, merk Yamaha, bestuurd door de [slachtoffer 1]

- een personenauto, merk Mercedes, bestuurd door [persoon 1],

- een volkswagen, bestuurd door verdachte.

De rijbaan van de N267 is verdeeld in 2 rijstroken, één voor verkeer in de richting van de A59 en de andere voor verkeer in tegenovergestelde richting, de richting van Oud Heusden. De voor motorvoertuigen maximaal toegestane snelheid ter plaatse is 80 kilometer per uur.

Ten tijde van de aanrijding was het droog en helder weer. Het was donker en ter plaatse is geen straatverlichting aanwezig.

De door [persoon 1] bestuurde Mercedes reed in de richting van de A59. Achter de Mercedes reed de door verdachte bestuurde Volkswagen. De door de [slachtoffer 1] bestuurde motorfiets reed in de tegenovergestelde richting. Op een zeker moment is de Volkswagen naar de (vanuit zijn rijrichting gezien) linker weghelft, bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, gegaan met de bedoeling de Mercedes in te halen. Op het moment dat de Volkswagen zich geheel op de linker weghelft bevond, kwam deze in botsing met de hem tegemoetkomende motorfiets. De motorfiets reed, direct voorafgaand aan de aanrijding op de (vanuit zijn rijrichting gezien) rechterzijde van zijn weghelft. De [slachtoffer 1] werd door de botsing van zijn motorfiets gelanceerd en overleed ter plaatse ten gevolge van de aanrijding. Na de aanrijding met de motorfiets botste de Volkswagen met de rechter achterzijde tegen de linkerflank van de Mercedes.1

Verdachte was ten tijde van de aanrijding onder invloed van alcohol. Een ademanalyse wees uit dat zijn ademalcoholgehalte 745 ugl bedroeg.2 Verdachte is eerder meermalen veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol, laatstelijk op 6 augustus 2007. Verdachte liep in verband met deze laatste veroordeling nog in een proeftijd.3

Het standpunt van het openbaar ministerie.

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte bij het inhalen van de Mercedes een doorgetrokken streep heeft overschreden en dat zijn snelheid ten tijde van de aanrijding minimaal 113 kiliomter per uur bedroeg. Volgens de officier zijn de gedragingen van verdachte zonder meer te kwalificeren als dood door schuld in het verkeer, strafbaar gesteld in artikel 6 WVW. Zij is echter van mening dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de [slachtoffer 1]. De officier van justitie stelt hiertoe dat:

- verdachte meermalen is veroordeeld voor rijden onder invloed en herhaaldelijk gewezen is op de gevolgen van zijn alcoholgebruik voor de deelname aan het verkeer;

- het rijbewijs van verdachte ongeldig was verklaard en dat hij dit wist;

- hij desondanks onder invloed van een behoorlijke hoeveelheid alcohol in de auto is gestapt.

Onder deze omstandigheden acht de officier bewezen dat verdachte zodanig onverschillig stond tegenover de mogelijke gevolgen van zijn handelen dat gezegd moet worden dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een andere verkeersdeelnemer door zijn toedoen zou komen te overlijden.

Gelet hierop acht de officier van justitie de onder primair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman stelt dat verdachte ten tijde van het ongeval in de veronderstelling was dat hij op een vierbaans snelweg reed. Hij verwachtte daarom ook geen tegenliggers toen hij de Mercedes inhaalde. Verder stelt de raadsman vraagtekens bij de conclusie van de politie dat ter plaatse van de aanrijding sprake is van een doorgetrokken streep. Hiertoe verwijst de raadsman naar een aantal foto’s in het pv verkeersongevalsanalyse. Op deze foto’s zijn op regelmatige afstanden kleine onderbrekingen in de streep te zien. Verder stelt de verdediging dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van verdachte nooit in werking is getreden omdat dit niet conform de regels van de Algemene wet bestuursrecht is bekendgemaakt. De aangetekende brief met daarin het besluit tot ongeldigverklaring heeft verdachte nooit bereikt. Hij was hier dus niet van op de hoogte. Hij hoefde een dergelijk besluit ook niet te verwachten. Hij had namelijk kort hiervoor zijn rijbewijs juist van het CBR teruggekregen omdat men geen aanleiding zag tot schorsing hiervan.

De raadsman komt, onder verwijzing naar verschillende arresten van de Hoge Raad en gerechtshoven, tot de conclusie dat voor de primair ten laste gelegde doodslag geen bewijs voorhanden is. Met betrekking tot de subsidiair ten laste gelegde dood door schuld in het verkeer refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat de raadsman de gedragingen van verdachte kwalificeert als een aanmerkelijke verkeersfout.

Het oordeel van de rechtbank.

Doorgetrokken streep

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat niet duidelijk is of er wel sprake is van een doorgetrokken streep is. De rechtbank constateert dat de politie in het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse heeft vastgesteld dat het om een doorgetrokken streep (p. 4 en 5) gaat. Het enkele feit dat op regelmatige afstanden minieme onderbrekingen in de streep zijn aangebracht, doet aan de juridische status van de doorgetrokken streep en de betekenis welke deze in artikel 76 RVV heeft, niet af. Daarbij merkt de rechtbank op dat de wetgever spreekt over een ‘doorgetrokken streep’ en niet, zoals de raadsman doet, over een ononderbroken streep. Ten overvloede merkt de rechtbank op, mede gezien de in het dossier aanwezige foto’s, dat bestuurders die met een zekere snelheid over de N267 rijden de minieme onderbrekingen van de op de weg aangebrachte streep niet zullen waarnemen en dat derhalve geen enkel misverstand kan bestaan over de status en betekenis van deze streep. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte bij zijn inhaalmanoeuvre een doorgetrokken streep heeft overschreden en daarmee het ter plaatse geldende inhaalverbod heeft genegeerd.4

Snelheid

Met betrekking tot de door verdachte gereden snelheid overweegt de rechtbank als volgt.

In het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse wordt berekend dat het snelheidsverlies van de Volkswagen na de botsing met de motorfiets tussen de 99 en 116 kilometer per uur moet zijn geweest. 5 Uit het storingsgeheugen van de Volkswagen blijkt verder dat het toerental van de motor op het moment van de aanrijding 3210 (omwentelingen per minuut) bedroeg. Met behulp van rijproeven zijn de volgende mogelijk door de Volkswagen gereden snelheden vastgesteld:

- 3e versnelling: 82 kilometer per uur,

- 4e versnelling: 113 kilometer per uur,

- 5e versnelling: 150 kiliomter per uur,

Gelet op de bevindingen betreffende het snelheidsverlies ná de botsing (tussen de 99 en 116 kilometer per uur), is een gereden snelheid van 82 kilometer per uur volgens het proces-verbaal niet aan de orde. Volgens het proces-verbaal moet verdachte in de 4e of 5e versnelling hebben gereden. Echter, een snelheid van 150 kilometer per uur wordt niet aannemelijk geacht, mede gelet op de beperkte afstand tussen de plek van invoegen op de N267 door verdachte en de plaats van de aanrijding in combinatie met het vastgestelde snelheidsverlies na de botsing.

Op grond van vorenstaande berekeningen wordt geconcludeerd dat verdachte ten tijde van de aanrijding minimaal 113 kilometer per uur heeft gereden.6

Op grond van de hierboven weergegeven bevindingen acht de rechtbank bewezen dat verdachte ten tijde van de aanrijding heeft gereden met een snelheid van ten minste ongeveer 113 kilometer per uur. Verdachte heeft derhalve de ter plaatse toegestane snelheid van 80 kilometer per uur in forse mate overschreden.

Zichtbaarheid motorrijder

De rechtbank stelt vast dat verdachte de hem tegemoetkomende motorrijder niet of veel te laat heeft opgemerkt, dit terwijl uit de getuigeverklaring van [persoon 1]7 (die de motorrijder ruim voor de botsing heeft waargenomen) alsmede het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse volgt dat de motorrijder voor verdachte tijdig zichtbaar geweest moet zijn.8

Provinciale weg - autosnelweg

Verklaring verdachte

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij dacht dat hij zich op een vierbaans-snelweg bevond ongeloofwaardig. Uit de in het dossier opgenomen beschrijving en foto’s van de weg die verdachte heeft gereden, blijkt geen enkele omstandigheid waarop verdachte deze veronderstelling (gerechtvaardigd) kon baseren. Bovendien blijkt dat op de toeleidingsweg(en) naar de N267 door middel van bebording meermalen en op niet mis te verstane wijze is aangegeven dat men de N267 nadert, waarbij het een feit van algemene bekendheid is dat een weg met een N-nummer geen snelweg is. Verdachte was, blijkens zijn eigen verklaring en die van zijn [bijrijdster], niet zodanig onder invloed van drank, dat hij niets meer meekreeg van wat er om hem heen gebeurde. Tot slot heeft [persoon 1] verklaard dat verdachte kort na het ongeval heeft gezegd: ‘waarom heb ik ingehaald, waarom’. Uitgaande van de stelling van verdachte dat hij dacht zich op de snelweg te bevinden, zou het op dat moment meer voor de hand hebben gelegen als hij zijn verbazing had uitgesproken over de aanwezigheid van de hem tegemoetkomende en dus ‘spookrijdende’ motorrijder.

Ongeldig verklaard rijbewijs

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat geen sprake is van de strafverzwarende omstandigheid in de zin van artikel 175 WVW ‘ongeldig verklaard rijbewijs’, aangezien verdachte niet bekend geworden is met het besluit van het CBR dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard. Een aangetekende verzending van dat besluit op het GBA-adres van verdachte is in de visie van de raadsman daartoe onvoldoende nu de aangetekende brief is retour gekomen met de mededeling niet afgehaald.

Dienaangaande oordeelt de rechtbank als volgt.

In artikel 175 lid 3 worden de strafverzwarende omstandigheden opgesomd, onder meer wanneer de bestuurder onder invloed verkeert, bij excessieve snelheidovertredingen, bumperkleven, geen voorrang verlenen of gevaarlijk inhalen. Een ongeldig verklaard rijbewijs wordt daarin niet als strafverzwarende omstandigheid genoemd. De vraag of verdachte wist (of redelijkerwijs moest weten) dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard speelt bij een verdenking van overtreding van artikel 9 lid 2 WVW, hetgeen niet tenlaste is gelegd. In het licht van de strafverzwarende omstandigheid ex artikel 175 WVW is de ter zitting gevoerde discussie niet relevant, wel bij de beoordeling van het gedrag van verdachte.

De rechtbank stelt vast dat het CBR bij besluit van 8 februari 20089 het rijbewijs van verdachte ongeldig heeft verklaard per 4 maart 2008, zodat dit deel van de tenlastelegging kan worden bewezen. De vraag of verdachte op de hoogte was of redelijkerwijs op de hoogte had moeten zijn van deze ongeldigverklaring, beantwoordt de rechtbank als volgt. Uit de stukken blijkt dat het CBR bij brief van 17 april 2007, zowel aangetekend als per gewone post naar het GBA-adres van verdachte verzonden, verdachte heeft geïnformeerd over de cursus Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (EMA-cursus) die hij moest gaan volgen en over de betaling ervan door verdachte. De brief vermeldt: “wanneer u niet betaalt of wanneer u zonder geldige reden niet op de EMA verschijnt, dan verklaart het CBR uw rijbewijs ongeldig”. Verder staat vast dat verdachte betaald heeft, dat het CBR hem per aangetekende brief van 8 juni 2007 heeft uitgenodigd voor de start van de cursus met een voorgesprek en dat verdachte zich per brief wegens ziekte heeft afgemeld voor het geplande gesprek. Vervolgens heeft het CBR verdachte, wederom per aangetekende brief (van 7 december 2007) op het GBA-adres, opnieuw uitgenodigd voor de cursus die op 6 februari 2008 zou starten. Bij aangetekend schrijven van 26 februari 2008 heeft het CBR voormeld besluit van 8 februari 2008 medegedeeld.

Gelet op het feit dat het CBR steeds aangetekende brieven heeft verstuurd naar het adres waarop verdachte stond en nog steeds staat ingeschreven dat verdachte op enkele brieven heeft gereageerd, moet verdachte naar het oordeel van de rechtbank geacht worden kennis te hebben kunnen nemen van de door het CBR aan hem gerichte correspondentie met betrekking tot de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs en moet hij van die ongeldigverklaring redelijkerwijs hebben geweten. Het betoog van verdachte dat er bij zijn woning nogal eens post wordt gestolen acht de rechtbank in het licht van het vorenstaande niet erg geloofwaardig en ook niet relevant, nu verdachte zelf ter zitting heeft aangevoerd dat hij om die reden post van bijvoorbeeld de tandarts en huisarts op een ander adres laat bezorgen. Wetende dat bij niet-deelname aan de EMA-cursus de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs zou volgen, had het op de weg van verdachte gelegen om ook de post van het CBR op een ander adres te laten bezorgen, aangezien hij verantwoordelijk is voor een adequate behandeling van de aan hem gerichte post.

Conclusie met betrekking tot de gedragingen verdachte

Gelet op al het vorenstaande stelt de rechtbank het volgende vast met betrekking tot de gedragingen van verdachte. Verdachte is meermalen veroordeeld voor rijden onder invloed en liep hiervoor nog in een proeftijd. Verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Desondanks is hij onder invloed van een behoorlijke hoeveelheid alcohol in de auto gestapt. Hij heeft op de N267 geprobeerd een voor hem rijdende auto in te halen, waarbij hij een inhaalverbod heeft genegeerd en de maximaal toegestane snelheid in forse mate heeft overschreden. Hierbij heeft hij een tegemoetkomende motorrijder over het hoofd gezien, ten gevolge waarvan een botsing is ontstaan waarbij de motorrijder is overleden.

Vrijspraak van doodslag

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Het geval kan zich voordoen dat ten aanzien van een verdachte die door zeer gevaarlijk te rijden een ongeval met dodelijke afloop heeft veroorzaakt moet worden aangenomen dat deze de slachtoffers van dat ongeval opzettelijk van het leven heeft beroofd, zodat art. 287 Sr van toepassing is, bij welke bepaling een gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren is bedreigd. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad doet zo'n geval zich voor indien de verdachte zijn gedraging willens en wetens op de dood van die slachtoffers heeft gericht. Voorts kan een zodanig geval zich voordoen indien moet worden aangenomen dat de verdachte zich aan de aanmerkelijke kans dat andere verkeersdeelnemers door zijn gedraging het leven zullen verliezen willens en wetens heeft blootgesteld, met dien verstande dat hij - in plaats van erop te rekenen dat een en ander wel goed zal aflopen - de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zullen laten desbewust heeft aanvaard en op de koop toe genomen. Dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zullen laten desbewust heeft aanvaard en op de koop toe genomen - in dit verband wordt gesproken van voorwaardelijk opzet - kan, behalve op grond van de verklaring van de verdachte, worden aangenomen op grond van bijzondere omstandigheden van het geval, aldus de Hoge Raad. Voorts dient de rechter in zijn oordeel te betrekken “dat - behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - naar ervaringsregelen niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een frontale botsing met een tegemoetkomende auto zal plaatsvinden, en hij als gevolg van zijn gedraging zelf het leven zal verliezen, eveneens op de koop toe neemt.”

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in de onderhavige zaak geen aanwijzingen dat het verdachte om het even was dat hijzelf (en zijn [bijrijdster]) ook het leven zou laten bij de door hem ingezette inhaalmanoeuvre. Verdachte reed met zijn auto op een provinciale weg waarop zich geen zwakke verkeersdeelnemers (fietsers/voetgangers) bevinden, zodat hij per definitie ook zichzelf (en zijn passagier) blootstelde aan het gevaar van een dodelijk ongeval bij een dergelijke inhaalmanoeuvre. Uit de verklaring van [bijrijdster] komt het beeld naar voren dat de sfeer in de auto goed was en dat verdachtes rijgedrag ‘normaal’ (niet anders dan op de heenweg) was. Van agressief (of baldadig/suïcidaal) rijgedrag is niet gebleken. Uit verdachtes reactie ná het fatale ongeval (‘waarom heb ik ingehaald’ en ‘godverdomme, ik heb iemand vermoord’) volgt evenmin een aanwijzing dat hij de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zouden laten desbewust had aanvaard en op de koop had toe genomen, zodat verdachte wordt vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

De bewezenverklaring.

De rechtbank kan het samenstel van bovenvermelde gedragingen van verdachte niet anders dan als roekeloos kwalificeren. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt ten gevolge waarvan een ander is gedood, dit terwijl de schuld van verdachte bestaat in roekeloosheid.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 06 juni 2008 te Heusden zich als verkeersdeelnemer, namelijk als

bestuurder van een (personen)auto, daarmede rijdende over de weg N 267,

zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos met te hoge snelheid, een doorgetrokken streep te passeren, waarbij hij, verdachte, aldus rijdende op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer, tegen een motorrijder te weten [slachtoffer 1] is gebotst, waardoor die motorrijder werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van alcohol, terwijl zijn, verdachtes, rijbewijs ongeldig was verklaard.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 91

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 178, 179, 188.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier acht doodslag bewezen:

Zij vordert een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging acht bewezen dat verdachte een aanmerkelijke verkeersfout heeft gemaakt onder invloed van alcohol. Zij verzoekt een bij dit schuldverwijt passende straf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

In tegenstelling tot de officier van justitie heeft de rechtbank niet de doodslag bewezen maar heeft verdachte schuldig bevonden aan een ongeval met dodelijke afloop. Dit gegeven zal de rechtbank, afgezet tegen de eis van de officier van justitie, tot uitdrukking laten komen in de strafmaat.

De mate van schuld is mede bepalend voor de hoogte van de op te leggen straf. In casu heeft de rechtbank bewezen dat verdachte roekeloos, onder invloed van alcoholhoudende drank, in het verkeer heeft gereden met als gevolg de aanrijding met [slachtoffer 1] die daardoor kwam te overlijden. Hij heeft daarbij met name de echtgenote van het slachtoffer en hun nog jonge kinderen veel pijn en verdriet aangedaan, zoals door de echtgenote verwoord in haar verklaring ter terechtzitting. De rechtbank beseft dat geen enkele straf de nabestaanden met het aangerichte leed zal kunnen verzoenen.

Het onverantwoorde rijgedrag van verdachte is zeker geen incident. Verdachte is driemaal eerder veroordeeld, laatstelijk op 6 augustus 2007, voor het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank en eenmaal heeft hij daarvoor een transactie van de officier van justitie gehad. Bovendien heeft verdachte gereden terwijl hij in een proeftijd liep en zijn rijbewijs ongeldig was. Ook dat getuigt van een bedenkelijke mentaliteit. Zijn schuldbewuste en spijtbetuigende houding na zijn aanhouding staat in schril contrast tot zijn onverschillige houding tot die tijd.

De rechtbank zal verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur als hier na te melden en de maximale ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen.

Met betrekking tot de voorlopige hechtenis:

De rechtbank wijst af het ter zitting gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte omdat de ernstige bezwaren en de gronden waarop de voorlopige hechtenis van verdachte is gebaseerd ook thans nog aanwezig zijn met dien verstande dat de 12-jaars grond is komen te vervallen omdat de rechtbank de doodslag niet bewezen acht, maar de recidivegrond van toepassing blijft gelet op hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard.

De rechtbank wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis omdat zij van oordeel is dat het belang van de strafvordering en het belang dat de maatschappij heeft bij het voortduren van de voorlopige hechtenis moet prevaleren boven het belang dat verdachte heeft bij schorsing van de voorlopige hechtenis.

DE UITSPRAAK

T.a.v. primair:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en

overtuigend bewezen.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

subsidiair

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld

bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt

gedood, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. subsidiair:

Gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

T.a.v. subsidiair:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder

begrepen) voor de duur van 10 jaar

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. R.J. Bokhorst, leden,

in tegenwoordigheid van L.D. Wittenberg, griffier,

en is uitgesproken op 1 december 2008.

1 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse (hierna PV voa)

2 Eindproces-verbaal, nummer 2.2.3 (ademanalyse) en 2.2.4 (uitslag ademanalyse)

3 Uittreksel justitiële documentatie 15 oktober 2008

4 PV voa

5 PV voa, bijlage XII

6 PV voa, nummer 4.2.4.1 en bijlage VI

7 Eindproces-verbaal, nummer 2.1.9, blz. 50

8 PV voa, nummer 4.2.2

9 Eindproces-verbaal, blz. 109 en 110