Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BG4976

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-10-2008
Datum publicatie
21-11-2008
Zaaknummer
AWB 07/3864
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een stoornis in het autistisch spectrum. Hij zit op het regulier onderwijs en heeft een laptop aangevraagd, omdat zijn handschrift bij het snel schrijven van grote hoeveelheden tekst niet leesbaar is. Bovendien heeft hij een laptop nodig als agenda en “reminder” door in te plannen “piepmomenten”. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van een motorische stoornis, maar deze is onderliggend en niet voorliggend. Daarom is geen sprake van een schrijfstoornis en is niet voldaan aan de voorwaarde in de Regeling computervoorzieningen in het onderwijs 1999 (verweerders beleid terzake) dat de voorziening dient ter vervanging van pen en papier.

Voor zover de laptop is aangevraagd ter vervanging van pen en papier overweegt de rechtbank dat het haar niet duidelijk is waarom eiser niet onder de in de Regeling genoemde categorie motorisch gehandicapten valt, nu in het beleid geen onderscheid wordt gemaakt tussen voorliggende en onderliggende motorische stoornissen. Als al zou moeten worden aangenomen dat eiser niet onder deze categorie valt, moet hij worden geschaard onder de in de Regeling genoemde categorie “Overige gehandicapten”. Verweerder moet dan toetsen aan de voorwaarden die de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 4 juli 2007 (LJN: BB0029) stelt.

Voor zover de laptop is aangevraagd als agenda en reminder wijst de rechtbank op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 april 2003 (LJN: AF8629). Het gaat dan om een niet in de Regeling verdisconteerde voorziening die verweerder op zijn eigen merites moet toetsen aan artikel 2.17 van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet IWIA).

Wetsverwijzingen
Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/3864

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2008

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde T. van Lith (wettelijk vertegenwoordiger),

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. J.J.C. Röttjers, werkzaam bij het Uwv-kantoor te Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2007 heeft verweerder eisers verzoek om een laptop afgewezen.

Het door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 9 oktober 2007 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 17 september 2008, waar eiser noch zijn gemachtigde is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. In deze zaak dient de vraag te worden beantwoord of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten eisers aanvraag om een laptop af te wijzen.

2. Eiser, geboren op [1990], zat ten tijde van het besluit op bezwaar in het vierde jaar van het Van Maerlant college te ’s-Hertogenbosch en volgde daar het VMBO-T. Het Van Maerlant college is regulier voortgezet onderwijs. Eiser heeft een stoornis in het autistisch spectrum en dyscalculie. Eiser bezoekt de fysiotherapie voor zijn grof motorische bewegingen en voor de fijne motorische vaardigheden bezoekt hij wekelijks een ‘remedial teaching’ leerkracht buiten de school.

3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag samen met een groep ouders vanuit de Nederlandse Vereniging van Autisme (NVA) is voorbereid. Bij alle aanvragen zijn dezelfde argumenten aangehaald en gaat het om jongeren met een gelijkwaardige beperking en bijkomende problematiek op het gebied van het autistisch spectrum. Alle aanvragen zijn toegekend, met uitzondering van die van eiser. Eiser heeft zich beroepen zich op het gelijkheidsbeginsel.

De computer dient als voorziening om het schrijven met pen en papier te vervangen. Vanwege motorische problematiek heeft eiser veel moeite met het werktempo en leesbaarheid van zijn handschrift. Behandelingen in het verleden hebben niet voldoende geholpen. Klein motorische vaardigheden, zoals schrijven, kunnen door eiser alleen met inzet van de grootst mogelijke energie gedurende slechts een korte tijd worden uitgevoerd. Daardoor is er geen sprake meer van een redelijk werktempo. Door toename van complexere taken en het schrijven van grote hoeveelheden tekst neemt de leesbaarheid van eisers handschrift af. Eiser is zich bewust van zijn onvermogen om (ondanks grote inzet) opdrachten uit te voeren. Daardoor kunnen sociale en emotionele problemen ontstaan. Vooral in het voortgezet onderwijs is een leesbaar handschrift van belang in samenhang met beoordeling van resultaten.

Eiser heeft er ten slotte op gewezen dat hij een laptop nodig heeft als agenda en “reminder”. Door in te plannen “piepmomenten” weet hij wanneer hij aan welke taak moet beginnen en kan hij deze bijstellen indien dit nodig is zonder het overzicht te verliezen.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij eiser sprake is van een onderliggende en niet een voorliggende motorische stoornis. Deze stoornis is een gevolg van een andere handicap. Er kan niet gesteld worden dat sprake is van een schrijfstoornis. Er wordt daarom niet voldaan aan de voorwaarde dat de voorziening voor het schrijven dient ter vervanging van pen en papier. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat onder een motorische stoornis wordt verstaan een stoornis als gevolg van beschadiging van zenuwen, spieren of gewrichtsvlakken. Op grond van het beleid zoals vastgelegd in de Regeling computervoorzieningen in het onderwijs 1999, komt eiser niet in aanmerking voor een vergoeding van de laptop.

Wat betreft het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verweerder aangegeven dat elke aanvraag individueel is en dat voor het oog kleine verschillen in de aanvraag, toch kunnen leiden tot een andere uitkomst bij de beoordeling.

5. Het wettelijk kader is als volgt.

6. Artikel 2.17 van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet IWIA) luidt:

1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft tot taak te bevorderen dat belemmeringen worden weggenomen die de ingezetene, bedoeld in artikel 3 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, vanwege ziekte of gebrek ondervindt bij het volgen van onderwijs, indien het een persoon betreft die:

a. jonger is dan 17 jaar;

b. studerende is als bedoeld in artikel 5 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

c. jonger is dan 30 jaar en uitsluitend vanwege zijn ziekte of gebrek niet kan worden aangemerkt als studerende als bedoeld in artikel 5 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, voorzieningen toekennen die hem in staat stellen onderwijs te volgen.

8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.

7. De in het achtste lid van artikel 2.17 van de Wet IWIA bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Reïntegratiebesluit. In artikel 19 van het Reïntegratiebesluit is het volgende bepaald:

1. Onder voorzieningen als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, van de Wet IWIA, worden uitsluitend verstaan:

a. (…);

b. (…);

c. meeneembare voorzieningen ten behoeve van de inrichting van de opleidingslocatie en de bij de opleiding te gebruiken hulpmiddelen, die in overwegende mate op het individu van de persoon, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, van de Wet IWIA, zijn afgestemd.

3. Onder voorzieningen als bedoeld in artikel 2.17, tweede en derde lid, van de Wet IWIA worden niet verstaan:

a. voorzieningen waarvoor een regeling is getroffen onder verantwoordelijkheid van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

b. voorzieningen waarvoor een regeling is getroffen onder verantwoordelijkheid van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of aanvullingen op die voorzieningen waarvoor een eigen bijdrage wordt betaald;

c. personele onderwijsfaciliteiten, waaronder in ieder geval worden verstaan activiteiten als remedial teaching, ambulante begeleiding of het geven van begeleidingslessen;

d. voorzieningen voor het vervoer van leerlingen naar en van een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs, tenzij artikel V van de wet van 17 januari 2002 houdende wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met het vervoer van leerlingen (Stb. 59) van toepassing is;

e. voorzieningen verband houdende met dyslexie.

8. Ten tijde van het in werking zijn van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) en het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA heeft het Landelijk instituut sociale verzekeringen (verweerders rechtsvoorganger) een beleid vastgesteld ter zake van verstrekking van computervoorzieningen voor het volgen van onderwijs. Dit beleid is neergelegd in de Regeling computervoorzieningen in het onderwijs 1999 (hierna: Regeling). Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat dit beleid ongewijzigd van toepassing is met betrekking tot de Wet IWIA. Verweerder heeft voorts melding gemaakt van zijn handboek Voorzieningen. Hoofdstuk 5.3.7 van dit handboek betreft Computervoorzieningen.

9. In de Regeling is onder meer aangegeven dat de computer wordt verstrekt als voorziening voor het schrijven c.q. om pen en papier te vervangen. Voor motorisch gehandicapte leerlingen die regulier voortgezet onderwijs volgen kan een voorziening in de vorm van een draagbare computer, eventueel met aanpassingen, worden verstrekt. In de Regeling is voorts neergelegd dat bij overige gehandicapten de voorziening niet van toepassing is. De computer biedt geen oplossing of maakt onderdeel uit van een behandeling of therapie, aldus de Regeling.

10. De rechtbank oordeelt als volgt

11. Eiser heeft een laptop aangevraagd als vervanging van pen en papier èn als agenda en reminder.

12. Voor zover de laptop is aangevraagd als vervanging van pen en papier, overweegt de rechtbank allereerst dat het onderscheid dat verweerder maakt tussen voorliggende en onderliggende motorische stoornissen niet wordt gemaakt in de Regeling en evenmin in het handboek Voorzieningen (nog daargelaten wat de status van dit handboek is). De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 24 juli 2007 geschreven dat er bij eiser sprake is van een motorische stoornis. Het is de rechtbank daarom niet duidelijk waarom eiser niet onder de categorie motorisch gehandicapten valt. Indien echter moet worden aangenomen dat eiser inderdaad niet onder deze categorie valt, moet hij worden geschaard onder de categorie “Overige gehandicapten”. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 juli 2007 (te vinden op www.rechtspraak.nl, LJN: BB0029)). De beoordeling dient dan te zijn gericht op de vraag of de stoornis in het autistisch spectrum die eiser heeft, leidt tot beperkingen in het schrijven met pen en papier. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts leidt de rechtbank af dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Vervolgens rijst de vraag of, en in welke mate, deze beperkingen kunnen worden opgeheven door het gebruik van een laptop. Ten slotte dient te worden beoordeeld of het in de Regeling ten aanzien van de categorie “Overige gehandicapten” geformuleerde beleid aan eiser kan worden tegengeworpen, in aanmerking genomen de vraag of de problematiek van eiser in verband met zijn autistische stoornis voldoende onderscheidend is om een verschillende behandeling met de gevallen waarin wel een begunstigend beleid is voorzien, te kunnen rechtvaardigen. Deze laatste twee vragen heeft verweerder niet beantwoord in het bestreden besluit.

13. Reeds om deze reden acht de rechtbank het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Het beroep van eiser moet daarom gegrond worden geacht en het bestreden besluit komt, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor vernietiging in aanmerking.

14. Voor zover een laptop wordt gevraagd, niet als schrijfvoorziening ter vervanging van pen en papier, maar als agenda en reminder, wijst de rechtbank, naast bovengenoemde uitspraak, op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 april 2003 (LJN: AF8629). Uit deze uitspraken blijkt dat de Regeling in zoverre niet ten grondslag mag worden gelegd aan het bestreden besluit, omdat de Regeling niet geacht kan worden betrekking te hebben op andere computertoepassingen dat als vervanging van pen en papier. Het gaat dan om een niet in de Regeling verdisconteerde voorziening die op zijn eigen merites aan de hand van artikel 2.17 van de Wet IWIA moet worden beoordeeld. Nu verweerder dit heeft nagelaten, heeft ook dit tot gevolg dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

15. Gelet op deze conclusies acht de rechtbank het niet nodig nog in te gaan op eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel.

16. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van proceskosten, nu van professionele rechtsbijstand in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen sprake is. Wel zal de rechtbank bepalen dat door het Uwv aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,00 dient te worden vergoed.

17. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,00.

Aldus gedaan door mr. Y.S. Klerk als rechter in tegenwoordigheid van mr. M. Brouwers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2008.