Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BG2116

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-10-2008
Datum publicatie
31-10-2008
Zaaknummer
01/825409-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 135 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voor mishandeling van zijn echtgenote en voor opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 van de Opiumwet (Promis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825409-08

Datum uitspraak: 31 oktober 2008

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

wonende te [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 oktober 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 september 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

(primair)

hij op of omstreeks 5 juli 2008 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (zijnde verdachtes echtgenote) van het leven te beroven, met dat opzet

- [slachtoffer] (met kracht) heeft vastgepakt en/of

- (vervolgens) (met kracht) op een bed en/of tegen de grond heeft gegooid en/of gesmeten en/of

- (vervolgens) op [slachtoffer] is gaan zitten en/of

- (vervolgens) [slachtoffer] (met kracht) bij haar hoofd en/of om/bij de keel heeft (vast)gepakt (waardoor [slachtoffer] geen lucht meer kreeg) en/of

- (vervolgens) [slachtoffer] één of meermalen in haar gezicht heeft gebeten en/of

- (vervolgens) twee, in elk geval één of meer vinger(s) in de mond en/of in de keel van [slachtoffer] heeft gestoken en/of gehouden

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 jo 45 Wetboek van strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 juli 2008 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] (zijnde verdachtes echtgenote), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- [slachtoffer] (met kracht) heeft vastgepakt en/of

- (vervolgens) (met kracht) op een bed en/of tegen de grond heeft gegooid en/of gesmeten en/of

- (vervolgens) op [slachtoffer] is gaan zitten en/of

- (vervolgens) [slachtoffer] (met kracht) bij haar hoofd en/of om/bij de keel heeft (vast)gepakt (waardoor [slachtoffer] geen lucht meer kreeg) en/of

- (vervolgens) [slachtoffer] één of meermalen in haar gezicht heeft gebeten en/of

- (vervolgens) twee, in elk geval één of meer vinger(s) in de mond en/of in de keel van [slachtoffer] heeft gestoken en/of gehouden

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 jo 45 Wetboek van strafrecht

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 juli 2008 te Eindhoven opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, te weten [slachtoffer],

- (met kracht) heeft vastgepakt en/of

- (vervolgens) (met kracht) op een bed en/of tegen de grond heeft gegooid en/of gesmeten en/of

- (vervolgens) op [slachtoffer] is gaan zitten en/of

- (vervolgens) [slachtoffer] (met kracht) bij haar hoofd en/of om/bij de keel heeft (vast)gepakt (waardoor [slachtoffer] geen lucht meer kreeg) en/of

- (vervolgens) [slachtoffer] één of meermalen in haar gezicht heeft gebeten en/of

- (vervolgens) twee, in elk geval één of meer vinger(s) in de mond en/of in de keel van [slachtoffer] heeft gestoken en/of gehouden,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 304 ahf sub 1 Wetboek van strafrecht

2.

hij op of omstreeks 05 juli 2008 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,4 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(artikel 2 Opiumwet)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

De bewijsmiddelen.

- een dossier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling Eindhoven Gestel, met kenmerk PL2205/08-006300, afgesloten d.d. 7 juli 2008 (hierna pv);

- een proces-verbaal bevindingen van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling Eindhoven Tongelre, met kenmerk PL 2208-124848, van 11 juli 2008 (hierna pv bevindingen van 11 juli 2008);

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 oktober 2008.

Vaststaande feiten.

Op 5 juli 2008 heeft verdachte zijn echtgenote in de echtelijke woning in Eindhoven met kracht bij de keel gepakt, twee vingers in de mond gedaan en in het gezicht gebeten, waardoor zij letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.1 (feit 1).

Bij zijn insluiting op een politiebureau in Eindhoven diezelfde dag had verdachte 0,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne bij zich.2 (feit 2).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen. De officier van justitie is van oordeel dat de handelingen van verdachte zoals deze volgen uit de processen-verbaal van bevindingen en de verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie, hadden kunnen leiden tot de dood van zijn echtgenote. De officier van justitie is echter tevens van oordeel dat sprake is van vrijwillige terugtred en zij verzoekt verdachte ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde te ontslaan van alle rechtsvervolging. Op grond van dezelfde redenering verzoekt zij verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde. De officier van justitie verzoekt verdachte te veroordelen voor het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman verzoekt verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de handelingen van verdachte niet waren gericht op de dood danwel het zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer. De raadsman acht wel bewezen het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde.

Het oordeel van de rechtbank.

(feit 1)

Verdachte verklaart ter terechtzitting dat er die nacht een forse ruzie tussen hem en zijn echtgenote was ontstaan. Hij verklaart dat hij de geweldshandelingen genoemd onder de vaststaande feiten verricht heeft in een kortdurende worsteling met zijn echtgenote, om haar schreeuwen te stoppen. De verklaring van zijn echtgenote afgelegd bij de rechter-commissaris als getuige stemt hiermee overeen.

Blijkens processen-verbaal van bevindingen in het pv zouden verdachte en zijn echtgenote echter kort na het gebeurde aan de politie hebben verteld dat het door verdachte uitgeoefende geweld ernstiger was en van langere duur dan hij nu toegeeft. Hij zou onder meer zijn vingers in de keel van zijn echtgenote hebben gedaan en haar zodanig en zo langdurig hebben vastgepakt aan hoofd en keel dat zij geen lucht meer kreeg. Zijn doel daarbij zou verdergaand zijn geweest dan alleen het schreeuwen te stoppen.

Verdachte en zijn echtgenote verklaren beide hierover dat zij dit niet zo tegenover de politie hebben gezegd. Mochten zij dit tegenover de politie al hebben verklaard zoals weergegeven in genoemde processen-verbaal van bevindingen, dan is dat volgens hen niet de waarheid, en door hen op dat moment overdreven uit boosheid. Nu voorts buiten die processen-verbaal van bevindingen uit het dossier niets blijkt van ernstiger en langduriger geweld en een verdergaande intentie van verdachte, gaat de rechtbank uit van de lezing van verdachte zoals op de terechtzitting gedaan.

Met de door verdachte verrichte handelingen en intentie is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van (voorwaardelijk) opzet van verdachte op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel, zodat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken. Verdachte is zelf opgehouden met deze handelingen omdat hij voelde dat het verkeerd kon gaan en is van haar afgegaan.3

Het meer subsidiair tenlastgelegde, de mishandeling van zijn echtgenote, acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen, op grond van hetgeen hiervoor onder de vaststaande feiten is overwogen.

(feit 2)

De rechtbank acht dit feit gelet op hetgeen hiervoor onder de vaststaande feiten is overwogen wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

(meer subsidiair)

op 5 juli 2008 te Eindhoven opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, te weten [slachtoffer],

- met kracht bij de keel heeft vastgepakt en

- meermalen in haar gezicht heeft gebeten en

- twee vingers in de mond van [slachtoffer] heeft gestoken en gehouden,

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

op 05 juli 2008 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst I.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36b, 36c, 57, 91, 300, 304

Opiumwet art. 2, 10.

De strafoplegging.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie verzoekt ten aanzien van 1 meer subsidiair en 2 een gevangenisstraf van tien maanden op te leggen, met aftrek van de dagen doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde het volgen van de aanwijzingen van de Reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een forensische behandeling bij de GGzE (De Omslag). Zij baseert haar eis op de ernst van de mishandeling en met name ook de omstandigheden waaronder die heeft plaatsgevonden, hetgeen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan het voorarrest rechtvaardigt. Als stok achter de deur voor het voorkomen van recidive en het reclasseringscontact, en het volgen van een behandeling, vordert zij daarvan een deel voorwaardelijk op te leggen. Zij verzet zich tegen opheffing van de voorlopige hechtenis.

Het standpunt van de verdediging.

Volgens de raadsman dient een geldboete of werkstraf te volgen, gelet op wat doorgaans voor mishandeling wordt opgelegd. Mocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd dan maximaal gelijk aan de dagen die verdachte inmiddels in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Hij verzet zich niet tegen het opleggen van een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde verplichte behandeling.

Hij verzoekt tenslotte om opheffing van het bevel voorlopige hechtenis.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zijn echtgenote tijdens een hoogopgelopen ruzie, terwijl zij beiden onder invloed van alcohol waren, bij de keel gepakt, vingers in haar mond gestopt en haar in het gezicht gebeten. De politie trof haar even later hevig geëmotioneerd en bebloed aan. De rechtbank neemt verdachte zijn gedrag zeer kwalijk. Dat zijn echtgenote naar eigen zeggen ook een aandeel heeft gehad in dit huiselijk geweld doet daaraan niet af.

Verdachte en zijn echtgenote hebben besloten hun huwelijk voort te zetten en hulp te zoeken om problemen en geweld in hun huwelijk voortaan te voorkomen. Verdachte staat positief tegenover een verplicht reclasseringscontact, een door de Reclassering geadviseerde behandeling bij de GGzE en het innemen van medicatie in verband met ADHD.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, een gevangenisstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd. Met een andersoortige straf, zoals door de verdediging voorgesteld, kan niet worden volstaan. De rechtbank zal wel een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en zich houdt aan na te noemen bijzondere voorwaarde. De rechtbank wil door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan en hem stimuleren het reclasseringscontact en de behandeling vol te houden, temeer daar de problemen al enige tijd spelen en verdachte en zijn echtgenote hun huwelijk voortzetten.

Beslag.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft onttrekking aan het verkeer gevorderd van de onder verdachte inbeslaggenomen twee cachetjes met cocaïne.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich hierover niet uitgelaten.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat deze inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

DE UITSPRAAK.

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

verklaart het tenlastegelegde onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1 meer subsidiair:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot

t.a.v. feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

De rechtbank:

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregel.

t.a.v. feit 1 meer subsidiair, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 135 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

en de bijzondere voorwaarde:

dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht, ook indien dit inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij "De Omslag" (GGzE);

verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis is reeds, met ingang van 18 oktober 2008 te 09.00 uur, opgeheven. Deze beslissing is in een aparte beschikking geminuteerd.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

- 2 cachetjes met cocaïne.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M.J. Raeijmaekers, voorzitter,

mr. J.J.H. Bruggink en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H. Pol-Wildeman, griffier,

en is uitgesproken op 31 oktober 2008.

1 Pv bevindingen pv p. 20 en 23 en verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting

2 Pv bevindingen van 11 juli 2008, relaas verbalisanten pv p. 25 en 26 en verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting

3 Verklaring verdachte pv p. 31 en verklaring van verdachte ter terechtzitting