Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BG0312

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-10-2008
Datum publicatie
20-10-2008
Zaaknummer
AWB 07/4256
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om naturalisatie tot Nederlander van persoon met de Turkse nationaliteit. Reikwijdte van de uitspraak van de Afdeling van 5 november 1998, LJN AP6307. Het strekt te ver om in een naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of de toelating van een vreemdeling tot Nederland die naar haar aard noch anderszins is beperkt tot een bepaalde duur tot de mogelijkheden behoort. Dit geldt niet alleen als het gestelde verblijfsrecht van de desbetreffende persoon, zoals in voornoemde uitspraak van de Afdeling, wordt gebaseerd op de Vreemdelingenwet, maar evenzeer indien dit wordt gebaseerd op het Associatiebesluit nummer 1/80 en/of de EG-richtlijn 2004/38.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 8
Rijkswet op het Nederlanderschap 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/135 met annotatie van PB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/4256

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2008

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. E.J.M. van Ewijk,

tegen

De Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie,

te Rijswijk,

verweerder,

gemachtigde E.G.M. Göbel.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2006 heeft verweerder het verzoek tot naturalisatie van eiser en eisers minderjarige kinderen afgewezen.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 13 juli 2007 kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van 16 september 2008, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen en als zodanig opgetreden H. Kapar, tolk in de Turkse taal.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd te besluiten tot naturalisatie van eiser en eisers minderjarige kinderen tot Nederlander, zoals verwoord in het besluit van 13 juli 2007.

2. De voorzieningenrechter gaat bij zijn beoordeling uit van de navolgende niet in geschil zijnde feiten en omstandigheden, zoals deze uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting zijn gebleken.

3. Eiser, die thans de Turkse nationaliteit bezit, is vanaf 20 september 1994 tot en met 5 november 2004 onafgebroken in het bezit geweest van een vergunning tot verblijf in Nederland voor bepaalde tijd. Op 11 augustus 2004 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlenging van de geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning. Bij beschikking van 11 juli 2005 is deze aanvraag afgewezen. Op 25 mei 2005 heeft eiser een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingediend, welke op 19 mei 2006 is afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 juni 2007 ongegrond verklaard. Op 13 juli 2006 heeft eiser een aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend met als doel ”voortgezet verblijf”, welke op 15 januari 2007 is afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van eveneens 12 juni 2007 ongegrond verklaard. Bij besluit van 27 februari 2008 is aan eiser een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend, met als ingangsdatum 14 april 2005. Eiser heeft op 13 februari 2002 het onderliggende verzoek om naturalisatie tot Nederlander gedaan voor zichzelf en zijn minderjarige kinderen.

4. Verweerder stelt zich in beroep op het standpunt dat eiser op de peildatum, de datum van het bestreden besluit, niet in het bezit was van enige verblijfsvergunning hier te lande. Daarom bestaan volgens verweerder bedenkingen tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland in de zin van artikel 8, eerste lid, onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De omstandigheid dat niet binnen de wettelijke termijn van één jaar op het verzoek is beslist, is volgens verweerder geen reden het verzoek om naturalisatie toe te wijzen, nu deze termijn een termijn van orde betreft. Verweerder stelt voorts dat uit de beschikking van 12 juni 2007 in de vreemdelingenrechtelijke procedure niet blijkt dat het door eiser aangevoerde heeft geleid tot verkrijging van een verblijfsvergunning op grond van het Besluit nummer 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: het Associatiebesluit). Verder stelt verweerder dat uit artikel 10 van de RWN reeds volgt dat niet kan worden afgeweken van artikel 8, eerste lid, onder b, van de RWN, zodat een beroep op artikel 10 van de RWN niet kan slagen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het verzoek tot naturalisatie afgewezen. Verweerder heeft op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ervan afgezien eiser te horen.

5. Eiser stelt in beroep dat hij wel aan de vereisten voor naturalisatie voldoet, waardoor verweerder het verzoek had moeten toewijzen. Meer in het bijzonder voert eiser aan dat hij al sinds 1994 onafgebroken in het bezit is van een reguliere verblijfsvergunning en dat er, gelet op de omstandigheid dat hij rechtstreeks verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit, in redelijkheid geen aanleiding is voor bedenkingen tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd. Bovendien is eiser van mening dat hij recht heeft op een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd dan wel een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen op grond van EG-richtlijn 2004/38. Voorts wijst eiser er op dat de beslistermijn ruimschoots is overschreden; verweerder heeft eerst een beslissing genomen op het onderhavige verzoek tot naturalisatie nadat eisers aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning was afgewezen. Indien verweerder tijdig zou hebben beslist, zou eisers verzoek tot naturalisatie zonder meer zijn toegewezen.

6. Het wettelijk kader luidde op de datum van het bestreden besluit als volgt.

7. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, geen bedenkingen bestaan.

8. Ingevolge artikel 10 van de RWN, kan, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap worden verleend met afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid.

9. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de RWN, deelt het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of moeder aan wie het Nederlanderschap is verleend in deze verlening, indien dit in het bestreden besluit uitdrukkelijk is bepaald.

10. De rechtbank overweegt als volgt.

11. Bij de beoordeling van deze zaak stelt de rechtbank voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder andere de uitspraak van 5 november 1998, LJN AP6307) bij de beslissing op het verzoek om naturalisatie het moment waarop op het bezwaar wordt beslist bepalend is, zowel wat betreft de toepasselijke feiten als wat betreft het toepasselijke recht. Verweerder is dan ook terecht uitgegaan van de feiten en de rechtsregels zoals deze golden op de datum van het bestreden besluit.

12. Volgens eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling duidt voorts het niet hebben van een verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet of het hebben van een vergunning voor slechts een tijdelijk doel op bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd als in artikel 8, onder b, van de RWN bedoeld.

13. Vaststaat dat eiser op de datum van het bestreden besluit, 13 juli 2007, niet in het bezit was van een verblijfsvergunning krachtens de Vreemdelingenwet. De door eiser gedane aanvragen voor een verblijfsvergunning waren immers bij besluiten op bezwaar van 12 juni 2007 afgewezen.

14. Eiser heeft echter betoogd dat hij ten tijde van het bestreden besluit rechtstreeks verblijfsrecht ontleende aan zowel het Associatiebesluit, als aan de EG-richtlijn 2004/38. De rechtbank stelt vast dat de beoordeling van dit betoog van eiser een inhoudelijke beoordeling van het verblijfsrecht van eiser aan de hand van het genoemde verdrags- en EG-recht zou vergen. De rechtbank heeft ook in dit verband acht geslagen op de meergenoemde uitspraak van de Afdeling van 5 november 1998, te weten voor zover de Afdeling daarin heeft geoordeeld dat het te ver strekt om in een naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of toelating krachtens de Vreemdelingenwet die naar haar aard noch anderszins is beperkt tot een bepaalde duur tot de mogelijkheden zou behoren. Voor een inhoudelijke beoordeling van de vraag of toelating krachtens de Vreemdelingenwet tot de mogelijkheden behoort is in een naturalisatieprocedure derhalve geen plaats. Deze rechtspraak is ook thans nog van toepassing, nu weliswaar sinds november 1998 artikel 8 van de RWN wijzigingen heeft ondergaan, maar daarbij het in dezen relevante artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN ongewijzigd is gebleven.

15. De rechtbank ziet geen reden waarom de hiervoor genoemde rechtspraak niet evenzeer van toepassing zou zijn indien een beweerdelijk verblijfsrecht niet wordt ontleend aan de Vreemdelingenwet, maar aan bepalingen van verdragsrecht of van EG-recht. Uit het voorgaande vloeit voort dat in de onderhavige procedure geen ruimte is voor een inhoudelijke beoordeling van het verblijfsrecht zoals dit door eiser wordt voorgestaan. Hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd, kan daarom verder onbesproken blijven.

16. Dat eiser bij besluit van 27 februari 2008 alsnog een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd heeft verkregen met een ingangsdatum die is gelegen vóór de datum van het bestreden besluit maakt het in alinea 13 gegeven oordeel niet anders. Verweerder kon met deze vergunning tot verblijf immers op de datum van het bestreden besluit geen rekening houden.

17. De rechtbank is voorts van oordeel dat het voor verweerder op de datum van het bestreden besluit niet duidelijk was dat aan eiser, indien deze daarom zou verzoeken, toelating tot Nederland niet met recht zou kunnen worden geweigerd, als bedoeld in genoemde uitspraak van de Afdeling van 5 november 1998. Verweerder mocht op dat moment afgaan op de kort voor het bestreden besluit genomen besluiten van verweerder tot afwijzing van de toen ingediende aanvragen van eiser voor een vergunning tot verblijf.

18. Met verweerder kan daarmee worden geoordeeld dat er op de datum van het bestreden besluit bedenkingen bestonden als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, van de RWN.

19. Eiser heeft nog gewezen op de lange behandelduur van het verzoek tot naturalisatie, in totaal ongeveer 4,5 jaar. Verweerder heeft daarmee de geldende beslistermijn op het verzoek van één jaar ruimschoots overschreden. Indien eiser hiermee bedoeld heeft te betogen dat deze behandelduur op zich reeds toewijzing van de onderhavig verzoek tot naturalisatie rechtvaardigt, overweegt de rechtbank dat deze stelling gelet op de uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2003, LJN BB6719, en van 18 oktober 2006, LJN AZ0348, onjuist is te achten. Bovendien had eiser desgewenst rechtsmiddelen kunnen aanwenden tegen het uitblijven van een besluit van verweerder, teneinde diens besluit te bespoedigen.

20. Verweerder heeft er nog op gewezen dat aan eiser geen beroep toekomt op artikel 10 van de RWN, nu deze bepaling geen ruimte biedt voor het aannemen van een bijzonder geval indien de situatie van artikel 8, eerste lid, onder b van de RWN zich voordoet. Deze stelling is juist. Indien eiser, al dan niet (mede) op grond van de lange behandelduur, heeft bedoeld een beroep te doen op toepasselijkheid van artikel 10 van de RWN, faalt dit beroep.

21. Nu verweerder terecht het verzoek tot naturalisatie van eiser heeft afgewezen, is het verzoek tot naturalisatie van eisers minderjarige kinderen analoog aan het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de RWN, eveneens terecht afgewezen.

22. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder terecht het verzoek van eiser tot naturalisatie geheel afgewezen. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

23. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken of te gelasten dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.

24. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als rechter in tegenwoordigheid van mr. F.A.M.C Habraken-Hermans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2008.