Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BF7402

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-09-2008
Datum publicatie
09-10-2008
Zaaknummer
AWB 07/3783
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kosten in bezwaar. Primair besluit dateert van vóór 12 maart 2002. Uwv heeft begunstigend beleid ontwikkeld dat is neergelegd in LISV-mededeling M 00.040 van 14 april 2000. Rechtbank past dit beleid toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/3783

Uitspraak van de meervoudige kamer van 22 september 2008

inzake

[eiseres],

te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. E.A.J. van den Hoef,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. J.J.C. Röttjers, werkzaam bij het Uwv-kantoor te Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2001 is eiseres met ingang van 15 januari 2001 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 juni 2003 ongegrond verklaard (besluit I).

Bij besluit van 30 oktober 2002 is eiseres in het kader van de eerstejaars herbeoordeling met ingang van 15 januari 2002 ongewijzigd voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt geacht.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is bij besluit van (eveneens) 27 juni 2003 ongegrond verklaard (besluit II).

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de besluiten I en II. Bij uitspraak van 17 juli 2007 heeft deze rechtbank de beroepen gegrond verklaard; de besluiten I en II vernietigd; bepaald dat verweerder inzake de arbeidsongeschiktheid van eiseres per einde wachttijd een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; en bepaald dat de rechtgevolgen van besluit II in stand blijven.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder bij besluit van 12 oktober 2007 eiseres per 15 januari 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Verweerder heeft aan eiseres een bedrag van € 644,00 aan kosten in bezwaar toegekend.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 15 augustus 2008, waar eiseres en verweerder zich hebben laten vertegenwoordigen door hun respectieve gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting, op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst.

Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting, overeenkomstig artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb. De rechtbank heeft het onderzoek op 17 september 2008 gesloten.

Overwegingen

1. In deze zaak is de vraag aan de orde of verweerder terecht en op goede gronden aan eiseres een vergoeding van de kosten in bezwaar heeft toegekend ter hoogte van € 644,00.

2. In haar uitspraak van 17 juli 2007 heeft de rechtbank in rechtsoverweging 24 het volgende overwogen:

De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten ten aanzien van de bezwaarprocedures. Ten aanzien van verweerders besluitvorming inzake de arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd dient verweerder een nieuw besluit te nemen en staat thans niet vast of aan de voorwaarde voor toepassing van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voldaan. Ten aanzien van de eerstejaars herbeoordeling zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand laten, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 7:15 van de Awb, inhoudende dat het primaire besluit wordt herroepen ten gevolge van aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

3. De standpunten van partijen zijn als volgt.

4. Gedurende de procedure bij de rechtbank heeft verweerder zijn standpunt aangepast. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat een proceskostenvergoeding niet op basis van artikel 7:15 van de Awb kan worden toegekend, nu het primaire besluit dateert van vóór 12 maart 2002. Het primaire besluit in deze zaak is van 22 november 2001.

De Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) heeft ten aanzien van ‘oude’ regels steeds het standpunt ingenomen dat de in een bestuursrechtelijke voorprocedure gemaakte kosten in de regel voor rekening van de belanghebbende moeten blijven en slechts bij wijze van uitzondering voor vergoeding in aanmerking dienen te komen. Van een uitzonderingssituatie kan volgens de Raad sprake zijn indien de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig primair besluit heeft genomen. Verweerder heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 13 april 2000, www.rechtspraak.nl, LJN: ZB8746. Verweerder is van mening dat van een dergelijke situatie geen sprake is. Pas na het inschakelen van deskundigen in beroep is gebleken dat door één aanpassing op het belastbaarheidspatroon geen functies meer konden worden geduid. Verweerder is van mening dat op basis van de jurisprudentie van de Raad geen vergoeding van de kosten in bezwaar dient te worden toegekend.

Verweerder heeft echter beleid ontwikkeld dat is neergelegd in LISV-mededeling M 00.040 van 14 april 2000. Dit beleid is ruimer dan de jurisprudentie. Verweerder heeft geen reden gezien om in de onderhavige zaak af te wijken van dit beleid en is van mening dat een vergoeding van de kosten in bezwaar op zijn plaats is.

Verweerder hanteert in genoemd beleid een ‘dubbele redelijkheidstoets’. Ten eerste moet worden beoordeeld of het inroepen van juridische bijstand redelijk is. Vervolgens worden alleen de in redelijkheid gemaakte kosten vergoed. Verweerder hanteert daarbij een uurtarief van fl. 320,00 ( € 145,21) exclusief BTW.

Volgens verweerder is aan de eerste redelijkheidstoets voldaan: het is niet onredelijk dat eiseres in de WAO-procedure rechtsbijstand heeft ingeschakeld.

Wat betreft de vergoeding van de geclaimde uren, vergoedt verweerder maximaal € 145,21 per uur. De geclaimde achttien minuten na de datum van het besluit op bezwaar van 27 juni 2003 worden niet vergoed. Voorts is eerst bij hoorzitting van 10 april 2003 sprake geweest van inzet van de rechtsbijstandverlener. Er is voor voorbereiding van de hoorzitting 5 uur en 36 minuten gedeclareerd, voorts een reistijd van 24 minuten en voor het bijwonen van de hoorzitting 48 minuten. Verweerder acht het totaal van 6 uur en 48 minuten voor een hoorzitting aan de (te) hoge kant.

Daarnaast is er bij de gedeclareerde uren ook sprake van werkzaamheden in het kader van een andere procedure met betrekking tot de eerstejaars herbeoordeling. In die procedure was het primaire besluit van 30 oktober 2002, waarbij dus bij gegrondverklaring toekenning van proceskosten in bezwaar op grond van artikel 7:15 van de Awb aan de orde is. Verweerder is bereid, ter finale kwijting, de helft van de gedeclareerde uren tot 27 juni 2003 te vergoeden, zijnde 4:15 uur. Dit komt, vermenigvuldigd met een bedrag van € 145,21, rekening houdend met 6% kantoorkosten en 19% BTW, neer op een totaalbedrag van € 778,46. Dit aanbod geldt, zo heeft verweerder laten weten, tot de sluiting van het onderzoek door de rechtbank.

5. Met zijn brief van 4 september 2008 heeft verweerder laten weten bereid te zijn de helft van het totale aantal gedeclareerde uren te vergoeden. Dit komt neer op 4 uur en 24 minuten. Vermenigvuldigd met het door verweerder gehanteerde uurtarief van € 145,21 komt dat op een bedrag van € 638,92. Rekening houdende met 6% kantoorkosten en 19% BTW komt het totale bedrag op € 798,65. Aangezien verweerder reeds een bedrag van € 644,00 heeft vergoed, is hij bereid een extra bedrag van € 154,65 te vergoeden. Verweerder is ook bereid de wettelijke rente over het totale bedrag van € 798,65 te vergoeden.

6. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder de daadwerkelijk gemaakte kosten voor de bezwaarfase dient te vergoeden. Deze bedragen € 2.164,56. Eiseres heeft verwezen naar de factuur en declaratielijst van de advocaat. De hoogte van de kosten zijn redelijk te noemen. In de Mededeling staat onder 3.1 dat het gebruikelijk tarief in 2000 fl. 320,00 bedraagt. Het uurtarief van € 195,00 exclusief BTW was een gebruikelijk uurtarief in 2003. Daarom moet van het laatstgenoemde tarief worden uitgegaan.

Voorts heeft eiseres met de advocaat afgesproken dat alle uren die betrekking hadden op de procedure tegen het besluit van 22 november 2001, en waarvoor de oude regels nog golden, apart in rekening zouden worden gebracht. Alleen deze uren zijn opgenomen op de declaratielijst.

Verder staan de 18 minuten op 30 juni 2003, dus na de datum van het besluit op bezwaar van 27 juni 2003, rechtstreeks in verband met dit besluit. Het betreft namelijk de binnenkomst en het doorsturen van dit besluit aan eiseres.

Daarnaast is de gedeclareerde tijd niet aan de hoge kant. Er is sprake van een redelijke tijdsbesteding. Verweerder onderbouwt zijn stelling dat de gedeclareerde tijd aan de hoge kant is, niet.

Voorts is verweerder op grond van 2.2 van de Mededeling wettelijke rente verschuldigd over de kosten van rechtsbijstand vanaf het moment dat deze zijn betaald. Verweerder heeft ten onrechte geen uitvoering gegeven aan deze regel. Eiseres heeft verwezen naar een afschrift van haar girorekening waaruit blijkt dat de factuur van de advocaat op 29 juli 2003 is betaald.

Ten slotte is eiseres van mening dat verweerder aan zijn beleidsregels is gebonden en niet kan stellen dat een aanbod tot betaling van proceskosten geldt tot een bepaald tijdstip.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. De rechtbank stelt allereerst vast dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit, geen wettelijke grondslag bestond voor het toekennen van een vergoeding van door de betrokkene in bezwaar gemaakte kosten. De in de LISV-mededeling M 00.040 vervatte “Handleiding bij de beoordeling van verzoeken om vergoeding van de kosten rechtsbijstand in bezwaar” (hierna: handleiding) moet dan ook worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste jurisprudentie van de Raad dient de bestuursrechter het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden en blijft de rechterlijke toetsing als gevolg daarvan beperkt tot de vraag of het beleid consistent wordt toegepast (zie bijvoorbeeld CRvB 9 mei 2007, www.rechtspraak.nl, LJN: BA7247). Dit betekent dat het in het beleid gehanteerde uurtarief voor een advocaat, te weten fl. 320,00 (€ 145,21) exclusief BTW, voor de rechtbank een gegeven is: zij mag niet in een beoordeling van de juistheid van dit bedrag treden.

9. De rechtbank heeft voorts geen reden om aan te nemen dat de door de gemachtigde op de declaratielijst opgevoerde kosten, niet in redelijkheid zouden zijn gemaakt. Ook de kosten die op 30 juni 2003 zijn gemaakt, acht de rechtbank kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt, nu door eiseres onweersproken is gesteld dat het hier kosten betreft die waren gemoeid met de ontvangst door haar gemachtigde van het besluit op bezwaar en het doorsturen daarvan aan eiseres. De rechtbank begrijpt uit de brief van 4 september 2008 dat verweerder thans niet meer betwist dat de opgevoerde kosten niet in redelijkheid zijn gemaakt.

10. De rechtbank volgt eiseres evenwel niet in haar stelling dat de overgelegde factuur en de declaratielijst alleen betrekking hebben op de procedure in verband met het bezwaar leidend tot besluit I. Uit de brief van de voormalige advocaat van eiseres van 25 augustus 2008 kan geen andere conclusie volgen dan dat de factuur en de declaratielijst betrekking hebben op de bezwaarprocedure leidende tot besluit I èn de bezwaarprocedure leidende tot besluit II. De advocaat heeft in zijn brief geschreven dat de tweede bezwaarprocedure als het ware heeft meegelift met de eerste bezwaarprocedure. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat een groot deel van de werkzaamheden voor beide bezwaarprocedures is verricht. De advocaat heeft ook geschreven: “Zou het tweede bezwaar niet zijn gevolgd dan zou voor het eerste bezwaar evenveel werk zijn verricht”. Het omgekeerde is echter even juist: indien tegen het besluit van 22 november 2001 geen bezwaar zou zijn gemaakt, had in het kader van het bezwaar tegen het besluit van 30 oktober 2002 (vrijwel) hetzelfde werk moeten zijn verricht. Eiseres heeft ook geen aparte declaratie kunnen overleggen die betrekking heeft op de bezwaarprocedure leidende tot besluit II. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het juist slechts de helft van de gedeclareerde tijd toe te rekenen aan de procedure inzake het bezwaar tegen besluit I. Dat leidt tot de conclusie dat verweerder de kosten van 4 uur en 24 minuten aan rechtsbijstand moet vergoeden.

11. Volgens het door verweerder gehanteerde beleid is bovendien wettelijke rente verschuldigd over de kosten van rechtsbijstand vanaf het moment dat deze zijn betaald, op voorwaarde dat deze kosten ook daadwerkelijk zijn betaald. Uit een door eiseres overgelegd giroafschrift blijkt dat op 29 juli 2003 een bedrag van € 2.164,56 van haar rekening is afgeboekt en op de rekening van Holla Poelman advocaten te Tilburg is gestort. Het staat derhalve vast dat de kosten daadwerkelijk zijn betaald. Op grond van zijn beleid is verweerder derhalve vanaf 29 juli 2003 wettelijke rente verschuldigd, zoals verweerder ter zitting ook heeft toegegeven.

12. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen voor zover het de vergoeding van de kosten van bezwaar betreft. Nu rechtens nog maar één beslissing mogelijk is, ziet de rechtbank aanleiding op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

13. Uit het voorgaande volgt dat verweerder 4,4 uur moet vergoeden tegen een uurtarief van € 145,21 exclusief BTW. Dit komt neer op een bedrag van € 638,92. In zijn brief van 4 september 2008 heeft verweerder zich bereid verklaard 6% kantoorkosten te vergoeden. Eiseres is daarmee niet benadeeld, zodat ook de rechtbank daarvan uit zal gaan. Daarmee komt het totaalbedrag op € 677,26. Vermeerderd met 19% BTW komen de totale kosten van bezwaar die verweerder dient te vergoeden, op € 805,94. Dit bedrag komt iets hoger uit dan het bedrag dat verweerder blijkens zijn brief van 4 september 2008 bereid is te vergoeden, omdat verweerder ten onrechte geen BTW heeft berekend over de kantoorkosten. Verweerder heeft reeds € 644,00 vergoed, zodat een bedrag van € 161,94 resteert.

14. Over het bedrag van € 805,94 is verweerder bovendien wettelijke rente verschuldigd. Deze rente dient te worden berekend vanaf 29 juli 2003 tot aan de dag van voldoening. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

15. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat door het Uwv aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,00 dient te worden vergoed. Voor een proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding, nu de echtgenoot van eiseres is opgetreden als haar gemachtigde. Van door een derde beroepsmatig verleende rechtshulp in de zin van artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763) is namelijk geen sprake als tussen degene aan wie de rechtsbijstand wordt verleend en de rechtsbijstandverlener een nauwe familierelatie bestaat (zie onder meer CRvB 14 december 2007, www.rechtspraak.nl, LJN: BC1460).

16. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover het de vergoeding van de kosten van bezwaar betreft;

- veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding aan eiseres van € 161,94 aan resterende kosten van bezwaar, vermeerderd met renteschade over een bedrag van € 805,94 zoals hiervoor is aangegeven;

- bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,00.

Aldus gedaan door mr. Y.S. Klerk als voorzitter en mr. J.H.L.M. Snijders en

mr. I. Ravenschlag als leden in tegenwoordigheid van mr. M. Brouwers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 september 2008.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: