Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BF7304

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-10-2008
Datum publicatie
08-10-2008
Zaaknummer
01/839425-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twaalf jaar gevangenisstraf met aftrek voor driemaal poging tot moord en eenmaal medeplegen van poging tot doodslag, gepleegd te Veldhoven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839425-07

Datum uitspraak: 08 oktober 2008

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

wonende te [woonplaats], [adres]

thans gedetineerd te: P.I. Breda - HvB De Boschpoort.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 september 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 januari 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 november 2007 te Veldhoven, ter uitvoering van het door

verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met

voorbedachten rade) [slachtoffer 1] van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat

opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), als volgt heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- zich, voorzien van een (of meer) vuurwapen(s), naar café "In d'n Olie-fant",

gelegen aan de Kromstraat, begeven, en/of

- (vervolgens) dat/die vuurwapen(s) gericht en/of gericht gehouden op en/of in

de richting van die [slachtoffer 1], en/of

- met dat/die vuurwapen(s) (van/op korte afstand) een of meer kogel(s)

afgevuurd in de richting van en/of op/in/aan de knie en/of de buik en/of

(overige delen van) het lichaam van die [slachtoffer 1], en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of lichaam van die (gewond op

de grond liggende) [slachtoffer 1] geschopt en/of getrapt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

(artikel 289/287 juncto 45 juncto 47 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 12 november 2007 te Veldhoven, ter uitvoering van het door

verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met

voorbedachten rade) [slachtoffer 2] van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat

opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), als volgt heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- zich, voorzien van een (of meer) vuurwapen(s), naar café "In d'n Olie-fant",

gelegen aan de Kromstraat, begeven, en/of

- (vervolgens) dat/die vuurwapen(s) gericht en/of gericht gehouden op en/of in

de richting van die [slachtoffer 2], en/of

- met dat/die vuurwapen(s) (van/op korte afstand) een of meer kogel(s)

afgevuurd in de richting van en/of op/in/aan het hoofd en/of het lichaam van

die [slachtoffer 2],

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

(artikel 289/287 juncto 45 juncto 47 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 12 november 2007 te Veldhoven, ter uitvoering van het door

verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met

voorbedachten rade) [slachtoffer 3] van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat

opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), als volgt heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- zich, voorzien van een (of meer) vuurwapen(s), naar café "In d'n Olie-fant",

gelegen aan de Kromstraat, begeven, en/of

- (vervolgens) dat/die vuurwapen(s) gericht en/of gericht gehouden op en/of in

de richting van die [slachtoffer 3], en/of

- met dat/die vuurwapen(s) (van/op korte afstand) een of meer kogel(s)

afgevuurd in de richting van en/of op/in/aan de nek en/of de kaak en/of

(overige delen van) het lichaam van die [slachtoffer 3],

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

(artikel 289/287 juncto 45 juncto 47 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 12 november 2007 te Veldhoven, ter uitvoering van het door

verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met

voorbedachten rade) [slachtoffer 4] van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat

opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), als volgt heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- zich, voorzien van een (of meer) vuurwapen(s), naar café "In d'n Olie-fant",

gelegen aan de Kromstraat, begeven, en/of

- (vervolgens) dat/die vuurwapen(s) gericht en/of gericht gehouden op en/of in

de richting van die [slachtoffer 4], en/of

- met dat/die vuurwapen(s) (van/op korte afstand) een of meer kogel(s)

afgevuurd in de richting van en/of op/in/aan de schouder en/of (overige delen

van) het lichaam van die [slachtoffer 4],

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

(artikel 289/287 juncto 45 juncto 47 Wetboek van Strafrecht)

MEDEDELING AD INFORMANDUM GEVOEGDE STRAFBARE FEITEN

Ter terechtzitting zal/zullen onderstaand(e) door u bekend(e) strafba(a)r(e) feit(en) ter kennis van de rechter worden gebracht. De rechter kan aldus bij het bepalen van de straf ook met dat/die feit(en) rekening houden. Doet de rechter dit dan kunt u dat/die feit(en) als strafrechtelijk afgedaan beschouwen.

Parketnr. Feitgegevens (pleegperiode, -lokatie, -plaats, -gemeente, omschr. feit)

1. 839425-07 12 november 2007, Veldhoven, Gem. Veldhoven, voorhanden hebben 2 wapens/munitie cat III (Browing pistool en geweer en munitie)

2. 839425-07 12 november 2007, Veldhoven, Gem. Veldhoven, opzettelijk middelen van lijst II/A aanwezig hebben (6 hennepplanten)

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De onderzoekswensen.

De raadsman formuleert ter terechtzitting een drietal onderzoekswensen. Ten eerste wenst hij toegang tot de geluidsbanden van medeverdachte [medeverdachte 1]. Ten tweede wenst hij een reconstructie op de plaats van het delict. Ten derde wenst hij een afschrift van een verhoorplan met bijbehorende bescheiden.

De rechtbank wijst alle drie de onderzoekswensen van de raadsman af en overweegt daartoe het volgende. Blijkens het proces-verbaal d.d. 11 september 2008, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [naam verbalisant] naar aanleiding van een brief van de verdediging, is de verdediging voldoende in de gelegenheid geweest om de geluidsbanden betreffende medeverdachte [medeverdachte 1] te beluisteren. Voorts zijn er naar aanleiding van de verhoren bij de rechter-commissaris geen nieuwe gezichtspunten ontstaan die een reconstructie op de plaats van het delict noodzakelijk maken. Daarnaast zijn verhoorplannen interne stukken van justitie en behoren deze niet tot het procesdossier.

De bewijsoverweging.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de stukken in het dossier blijkt het volgende. Op 12 november 2007 ontstaat in Veldhoven bij het café “In d’n Olie-fant” een vechtpartij tussen het latere slachtoffer [slachtoffer 1] en (mede)verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Omstanders halen de vechtende partijen uit elkaar, waarna [slachtoffer 1] het café binnengaat en het latere slachtoffer [slachtoffer 2] belt. Deze komt even later, samen met de latere slachtoffers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], naar het café. Intussen vertrekken (mede)verdachten [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gezamenlijk naar de woning van verdachte [verdachte], naar zeggen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] om een pistool op te halen. In de woning laadt verdachte [verdachte] het wapen met 12 kogels. [medeverdachte 2] stopt het pistool bij zich. Vervolgens rijden zij met z’n drieën weer terug naar voornoemd café. Aldaar aangekomen lopen verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 1] naar de ingang van het café. Medeverdachte [medeverdachte 2] blijft achteraf staan met het pistool. [verdachte] en [medeverdachte 1] dagen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] uit om naar buiten te komen. Kort daarna volgt het schietincident. [medeverdachte 2] schiet tweemaal in de richting van [slachtoffer 1]. Kogels treffen [slachtoffer 1] in zijn knie en buik. [verdachte] pakt vervolgens het wapen af van [medeverdachte 2] en schiet daarmee op [slachtoffer 3]. Een kogel raakt [slachtoffer 3] in zijn nek. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] vluchten weg. [verdachte] schiet ook meerdere keren in hun richting. Een kogel raakt [slachtoffer 2] net boven zijn linkeroor, een kogel verwondt [slachtoffer 4] aan de schouder. [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vertrekken gezamenlijk in een auto.

Ten aanzien van de vraag of er sprake is geweest van voorbedachte rade bij verdachte om de slachtoffers [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] van het leven te beroven overweegt de rechtbank het volgende.

Nadat [medeverdachte 2] op [slachtoffer 1] had geschoten, heeft verdachte naar eigen zeggen het pistool van [medeverdachte 2] afgepakt. Volgens verdachte haperde het pistool, waarop hij het pistool heeft overgeladen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij met het pistool enkel in de lucht wilde schieten, maar ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij vanaf het moment van afpakken en overladen niet meer enkel in de lucht wilde schieten, maar de latere slachtoffers van zich af wilde houden. Uit getuigenverklaringen blijkt dat verdachte vanaf korte afstand [slachtoffer 3] in de nek heeft geraakt en daarna in de richting van de wegvluchtende [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] heeft geschoten die respectievelijk worden geraakt aan het hoofd en in de schouder. Uit het gegeven dat verdachte het pistool van medeverdachte [medeverdachte 2] overnam en opnieuw laadde en vervolgens meerdere schoten loste op de wijze als hiervoor vermeld, leidt de rechtbank af dat verdachte een weloverwogen besluit heeft genomen om [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] van het leven te beroven. De door verdachte afgevuurde kogels hadden voor deze slachtoffers fatale gevolgen kunnen hebben. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank poging tot moord op de slachtoffers [slachtoffer 2] (feit 2), [slachtoffer 3] (feit 3) en [slachtoffer 4] (feit 4) wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot het slachtoffer [slachtoffer 1] (feit 1) overweegt de rechtbank dat geen sprake is geweest van voorbedachte rade. Niet is komen vast te staan dat verdachte en de medeverdachten op enig moment bij het ophalen van het pistool in de woning van verdachte en het bij zich steken van het wapen door medeverdachte [medeverdachte 2] een kalm en weloverwogen besluit hebben genomen om [slachtoffer 1], met wie de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die avond ruzie hadden gehad, van het leven te beroven.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van medeplegen van een poging tot doodslag. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar zijn woning is gegaan om een pistool op te halen om daarmee in de lucht te schieten. Met dat doel heeft [medeverdachte 2] het wapen bij zich gestoken. Verdachte en de medeverdachten zijn daarna terug gereden naar het café. Vervolgens heeft er een rolverdeling tussen verdachte en de medeverdachten plaatsgevonden. Medeverdachte [medeverdachte 2] is achteraf blijven staan met het pistool en verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn naar de ingang van het café gelopen. Laatstgenoemden hebben de latere slachtoffers, onder wie [slachtoffer 1], uitgedaagd om naar buiten te komen. Daarna heeft medeverdachte [medeverdachte 2] geschoten in de richting van [slachtoffer 1] die in zijn richting liep. Er zijn geen omstandigheden gebleken waaruit voortvloeit dat [medeverdachte 2] een weloverwogen besluit heeft genomen om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. [slachtoffer 1] is door de kogels getroffen en gewond op de grond blijven liggen. Vast staat dat de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] het slachtoffer bij het verlaten van de plaats van het incident nog een schop na hebben gegeven. Na het incident zijn verdachte en de medeverdachten gezamenlijk in een auto weggegaan. Uit het vorenstaande vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat tussen verdachte en de medeverdachten sprake is geweest van een dusdanige bewuste en nauwe samenwerking dat verdachte kan worden beschouwd als een medepleger. Verdachten zijn samen met een vooraf bepaald doel in een schietpartij beland en zijn ook samen weer vertrokken. Voor de stelling van de verdediging dat medeverdachte [medeverdachte 2] het oorspronkelijke plan, zo dat bestond, heeft verlaten omdat hij volgens de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 1] het wapen uit de auto heeft gehaald, zijn in het dossier geen aanwijzingen te vinden.

Verder is van belang dat de door medeverdachte [medeverdachte 2] afgevuurde kogels in de richting van [slachtoffer 1] voor deze fatale gevolgen hadden kunnen hebben. De gedraging moet naar uiterlijke verschijningsvorm beschouwd worden als te zijn gericht op de dood van het slachtoffer, waarbij ook bewust de aanmerkelijke kans is aanvaard dat het slachtoffer dodelijk getroffen zou worden.

Gelet op al het vorenstaande - in onderling verband en samenhang gezien - acht de rechtbank het medeplegen van verdachte van een poging tot doodslag op het slachtoffer [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

op 12 november 2007 te Veldhoven, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen met dat

opzet als volgt heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededaders

- zich, voorzien van een vuurwapen, naar café "In d'n Olie-fant", gelegen aan de Kromstraat, begeven, en

- vervolgens dat vuurwapen gericht op en/of in de richting van die [slachtoffer 1], en

- met dat vuurwapen op korte afstand kogels afgevuurd in de richting van de knie en de buik van die [slachtoffer 1], en

- meermalen tegen het hoofd en/of lichaam van die (gewond op de grond liggende) [slachtoffer 1] geschopt en/of getrapt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2.

op 12 november 2007 te Veldhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg als volgt heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte

- zich, voorzien van een vuurwapen, naar café "In d'n Olie-fant", gelegen aan de Kromstraat, begeven, en

- vervolgens dat vuurwapen gericht in de richting van die [slachtoffer 2], en

- met dat vuurwapen kogels afgevuurd in de richting van het lichaam van

die [slachtoffer 2],

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

3.

op 12 november 2007 te Veldhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 3] van het leven te beroven,

met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg als volgt heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte

- zich, voorzien van een vuurwapen, naar café "In d'n Olie-fant", gelegen aan de Kromstraat, begeven, en

- vervolgens dat vuurwapen gericht op die [slachtoffer 3], en

- met dat vuurwapen op korte afstand een kogel afgevuurd in de richting van de nek en/of

het lichaam van die [slachtoffer 3],

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

4.

op 12 november 2007 te Veldhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 4] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg als volgt heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte

- zich, voorzien van een vuurwapen, naar café "In d'n Olie-fant", gelegen aan de Kromstraat, begeven, en

- vervolgens dat vuurwapen gericht in de richting van die [slachtoffer 4], en

- met dat vuurwapen kogels afgevuurd in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 4],

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

De verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte, nadat hij met [medeverdachte 1] naar het café “In d’n Olie-fant” was gelopen en voor de deur stond, door een groep personen, de latere slachtoffers, werd aangevallen. Verdachte is weg kunnen komen door het uiteenstuiven van de aanwezige personen als gevolg van het schrikeffect van het schieten door [medeverdachte 2]. Verdachte heeft vervolgens het pistool van [medeverdachte 2] afgepakt. De personen kwamen wederom op verdachte af, waarop hij zich genoodzaakt zag om te schieten teneinde zichzelf te verdedigen. Volgens de verdediging sluit de omstandigheid dat verdachte zich willens en wetens heeft begeven in een situatie waarin een agressieve reactie van een ander kon worden verwacht een beroep op noodweer danwel noodweerexces niet uit. Verdachte dient te worden ontslagen worden van alle rechtsvervolging, aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt dit verweer van de verdediging en overweegt daartoe het volgende. Na een eerdere ruzie die avond tussen [slachtoffer 1] en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bij voornoemd café is verdachte samen met de medeverdachten naar zijn huis gereden om een pistool op te halen. Verdachte heeft verklaard dat hij daarmee in de lucht wilde schieten; hij wilde zich niet weg laten jagen. Met dat wapen zijn zij met z’n drieën terug naar het café gereden. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn vervolgens, blijkens verklaringen, provocerend voor de deur van het café gaan staan, waarop de latere slachtoffers [slachtoffer 2], [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] naar buiten zijn komen. Volgens de lezing van verdachte is vervolgens een vechtpartij ontstaan en is het schietincident gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het vorenstaande dat verdachte (samen met de medeverdachten) het oorspronkelijke plan om louter in de lucht te schieten heeft verlaten doch daarentegen zelf bewust de confrontatie met voormelde personen heeft gezocht, hetgeen heeft geresulteerd in de uiteindelijke schietpartij. Onder die omstandigheden kan er geen sprake zijn van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging geboden was. Derhalve was geen sprake van een noodweersituatie en gaat tevens het beroep op noodweerexces niet op.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 24c, 27, 36f, 45, 47, 57, 60a, 287, 289.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4 een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van het voorarrest. Met betrekking tot de benadeelde partijen:

- [slachtoffer 1]: toewijzing van de immateriële schade ten bedrage van € 5.000,= alsmede toewijzing van de materiele schade voor wat betreft de reiskosten ten bedrage van € 297,60, voor het overige de niet-ontvankelijk verklaring van de vordering, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, hoofdelijk;

- [slachtoffer 3]: toewijzing van de immateriële schade ten bedrage van € 7.500,= alsmede toewijzing van de materiele schade voor wat betreft de reiskosten en kleding ten bedrage van in totaal € 751,28, voor het overige de niet-ontvankelijk verklaring van de vordering, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, hoofdelijk;

- [slachtoffer 4]: toewijzing van de immateriële schade ten bedrage van € 2.000,= alsmede toewijzing van de materiele schade voor wat betreft de reiskosten en kleding ten bedrage van in totaal € 611,81, voor het overige de niet-ontvankelijk verklaring van de vordering, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, hoofdelijk.

De op te leggen straf en maatregelen.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het zeer gewelddadige karakter van de door verdachte en/of zijn mededaders gepleegde strafbare feiten. Het schietincident op 12 november 2007 buiten op straat, vlak voor het café “In den Olie-fant” heeft grote onrust veroorzaakt in Veldhoven en omgeving en de rechtsorde ernstig geschokt. Verdachte en/of zijn mededaders heeft/hebben met een vuurwapen op een viertal personen geschoten waarmee zij die avond onenigheid hadden. Deze personen zijn daarbij ernstig gewond geraakt. Slechts bij toeval zijn zij niet dodelijk getroffen door de kogels. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij er niet voor is teruggeschrokken om dergelijk zwaar geweld tegen zijn medeburgers te gebruiken. Verdachte heeft zich volstrekt niet om het lot van de slachtoffers bekommerd. Gebleken is dat twee slachtoffers als gevolg van het opgelopen letsel nog steeds ernstig nadeel ondervinden in hun gezondheid en functioneren. Daarbij komt dat de ervaring leert dat slachtoffers van dit soort feiten nog lang kampen met ernstige psychische problemen. Overigens moet het incident ook bijzonder beangstigend zijn geweest voor de omstanders die daarvan getuige zijn geweest;

- verdachte heeft ter terechtzitting toegegeven dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de strafbare feiten die "ad informandum" zijn vermeld op de inleidende dagvaarding, voor welke feiten verdachte niet afzonderlijk is of zal worden vervolgd.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt, te meer verdachte ter zake van feit 1 zal worden veroordeeld voor het medeplegen van een poging tot doodslag en niet voor het al dan niet medeplegen van een poging tot moord.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1).

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de immateriële schade ten bedrage van € 2.000,= bij wijze van voorschot, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum vonnis tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum vonnis tot de dag der algehele voldoening ten aanzien van de immateriële schade.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van haar vordering, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan dat deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3).

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, aan materiële schade een bedrag van € 250,=, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening, en aan immateriële schade een bedrag van € 5.000,= bij wijze van voorschot, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum vonnis tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening ten aanzien van de materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum vonnis tot de dag der algehele voldoening ten aanzien van de immateriële schade.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van haar vordering, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan dat deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 4).

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, aan materiële schade een bedrag van € 200,=, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening, en aan immateriële schade een bedrag van € 2.000,= bij wijze van voorschot, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum vonnis tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening ten aanzien van de materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum vonnis tot de dag der algehele voldoening ten aanzien van de immateriële schade.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van haar vordering, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan dat deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

medeplegen van poging tot doodslag

T.a.v. feit 2:

poging tot moord

T.a.v. feit 3:

poging tot moord

T.a.v. feit 4:

poging tot moord

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4:

Gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 2000,00 subsidiair 40 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 2000,=

(zegge: tweeduizend euro) aan immateriële schade bij wijze van voorschot, te

vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2008 tot aan de dag der

algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40

dagen hechtenis.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van)

zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot

betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 2000,=

(zegge: tweeduizend euro) aan immateriële schade bij wijze van voorschot, te

vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2008 tot aan de dag der

algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet

ontvankelijk is.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van)

zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd

voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 3:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 5250,00 subsidiair 56 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van EUR 5250,=

(zegge: vijfduizendtweehonderdvijftig euro), zijnde een bedrag van EUR 250,=

aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 november

2007 tot aan de dag der algehele voldoening, en een bedrag van EUR 5000,= aan

immateriële schade bij wijze van voorschot, te vermeerderen met de wettelijke

rente vanaf 8 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke

van betaling en verhaal te vervangen door 56 dagen hechtenis.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van)

zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot

betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van EUR 5250,=

(zegge: vijfduizendtweehonderdvijftig euro), zijnde een bedrag van EUR 250,=

aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 november

2007 tot aan de dag der algehele voldoening, en een bedrag van EUR 5000,= aan

immateriële schade bij wijze van voorschot, te vermeerderen met de wettelijke

rente vanaf 8 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet

ontvankelijk is.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van)

zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd

voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 4:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 2200,00 subsidiair 41 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] van een bedrag van EUR 2200,=

(zegge: tweeduizendtweehonderd euro), zijnde een bedrag van EUR 200,= aan

materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente van 12 november 2007

tot aan de dag der algehele voldoening, en een bedrag van EUR 2000,= aan

immateriele schade bij wijze van voorschot, te vermeerderen met de wettelijke

rente vanaf 8 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke

van betaling en verhaal te vervangen door 41 dagen hechtenis.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van)

zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot

betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van een bedrag van EUR

2200,= (zegge: tweeduizendtweehonderd euro), zijnde een bedrag van EUR 200,=

aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 november

2007 tot aan de dag der algehele voldoening, en een bedrag van EUR 2000,= aan

immateriële schade bij wijze van voorschot, te vermeerderen met de wettelijke

rente van 8 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet

ontvankelijk is.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van)

zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd

voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. van Biesbergen, voorzitter,

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging en mr. M.J. Smit, leden,

in tegenwoordigheid van mr. B.J. van Vugt-Jansen, griffier,

en is uitgesproken op 8 oktober 2008.

mr. M.J. Smit is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

14

Parketnummer: 01/839425-07

[verdachte]