Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BF0912

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-09-2008
Datum publicatie
16-09-2008
Zaaknummer
565709
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van arbeidsovereenkomst. Er kan geen ontbinding worden uitgesproken op grond van een dringende reden voor het geval diezelfde dringende reden niet blijkt te bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2008, 165
AR-Updates.nl 2008-0587
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

DE KANTONRECHTER TE EINDHOVEN

In de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Schuitema Groothandel B.V.,

statutair gevestigd te Amersfoort, tevens h.o.d.n. Schuitema Zuid en kantoorhoudende te Eindhoven,

verzoekster,

gemachtigde: mr. M. Grootveld, advocaat te Amsterdam,

t e g e n :

[verweerder],

wonende te Eindhoven,

verweerder,

gemachtigde: mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven,

heeft de kantonrechter de navolgende beschikking ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek gegeven.

1. De procedure

1.1. Deze blijkt uit:

- Het verzoekschrift strekkende tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:685 BW, met producties;

- een nadere productie van verzoekster, ingekomen ter griffie op 8 augustus 2008;

- het besprokene tijdens de mondelinge behandeling op 12 augustus 2008 waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt en bij welke gelegenheid beide gemachtigden een pleitnotitie hebben overgelegd.

2. Het geschil en de beoordeling ervan

2.1. Verweerder, geboren op 21 juni 1979, is op 20 mei 2002 bij verzoekster in dienst getreden, eerst voor de duur van een jaar en vervolgens voor onbepaalde tijd. Het laatstgenoten salaris van verweerder bedroeg € 1.514,-- bruto per vier weken te vermeerderen met 8 % vakantietoeslag en overige emolumenten. Op 4 april 2008 heeft verzoekster verweerder, die laatstelijk de functie vervulde van distributiemedewerker, op staande voet ontslagen. Verweerder heeft de geldigheid van dat ontslag aangevochten.

2.2. Verzoekster verzoekt de kantonrechter thans, voor het geval in rechte onherroepelijk komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst niet reeds is geëindigd door het ontslag op staande voet op 4 april 2008, de arbeidsovereenkomst te ontbinden per zo spoedig mogelijke datum op grond van een dringende reden. Subsidiair vraagt verzoekster de arbeidsovereenkomst, voor zover in rechte onherroepelijk komt vast te staan dat deze niet is geëindigd door het ontslag op staande voet op 4 april 2008, te willen ontbinden grond van veranderingen in de omstandigheden zonder toekenning van een vergoeding aan verweerder.

2.3. Verzoekster legt, kort en zakelijk weergegeven, aan haar primaire en subsidiaire verzoek het volgende ten grondslag. Er zijn gedurende het dienstverband regelmatig problemen met verweerder gerezen. Volgens verzoekster leeft verweerder de bij haar geldende regels niet na, is hij betrokken geweest bij meerdere incidenten op de werkvloer en verschijnt hij herhaaldelijk te laat op het werk. Verweerder heeft daarvoor meerdere schriftelijke waarschuwingen gehad, voor het laatst op 7 februari 2008. Na het voeren van gesprekken en een schorsing van verweerder voor enkele dagen is aan verweerder op 7 februari 2008 een laatste kans geboden om zijn gedrag te verbeteren. Volgens verzoekster is verweerder vervolgens op 3 april 2008 weer te laat gekomen. Verweerder had die dag om 6.00 uur moeten beginnen met werken, maar heeft pas om 6.50 uur telefonisch contact met verzoekster opgenomen met de mededeling dat hij autopech had. Volgens verzoekster heeft verweerder later tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de reden voor het te laat komen zodat zij verweerder op 4 april 2008 op staande voet heeft ontslagen. Verzoekster is van mening dat de gedragingen van verweerder absoluut ontoelaatbaar zijn. Verweerder weigert hardnekkig aan redelijke opdrachten en bevelen van verzoekster te voldoen en hij veronachtzaamt op grove wijze de plichten die de arbeidsovereenkomst hem oplegt. Verzoekster stelt bovendien het vertrouwen in de mogelijkheid om op een vruchtbare wijze met elkaar samen te werken geheel te zijn verloren.

2.4. Verweerder betwist dat er een geldige dringende reden bestaat voor het aan hem gegeven ontslag op staande voet Hij betwist ook dat er een zodanige vertrouwensbreuk tussen partijen is ontstaan dat een voortzetting van het dienstverband niet tot de mogelijkheden behoort.

2.5. De kantonrechter stelt voorop dat zijn beslissing wordt gevraagd voor het geval rechtens komt vast te staan dat er geen geldige reden was voor het aan verweerder gegeven ontslag op staande voet. Hij dient dus het verzoek te beoordelen op basis van het uitgangspunt dat er geen geldig ontslag op staande voet is. Zeker nu verweerder ter zitting desgevraagd heeft verklaard geen formele geldigheidsbezwaren tegen het ontslag te hebben maar uitsluitend aan te willen voeren dat er geen geldige dringende reden is, dient het primaire verzoek te worden afgewezen. Er kan geen ontbinding worden uitgesproken op grond van een dringende reden voor het geval diezelfde dringende reden niet blijkt te bestaan.

2.6. Verzoekster heeft subsidiair gesteld dat ook indien er geen dringende reden aanwezig is, er door het gedrag van verweerder toch voldoende rechtvaardiging is voor beëindiging van het dienstverband omdat er geen vertrouwensbasis tussen partijen meer is. De kantonrechter volgt verzoekster daarin. Ter zitting is voldoende gebleken dat bij verzoekster het vertrouwen in verweerder geheel en op goede gronden is komen te ontbreken. Daarnaast is ontbinding ook uit praktisch oogpunt wenselijk nu verweerder ter zitting desgevraagd heeft verklaard inmiddels elders emplooi te hebben gevonden. De arbeidsovereenkomst, voor zover in rechte onherroepelijk vast zou komen te staan dat deze nog bestaat, zal daarom op grond van gewichtige redenen, bestaande in veranderingen in de omstandigheden, worden ontbonden per 1 oktober 2008.

2.7. Vervolgens is aan de orde de vraag of er gronden zijn om aan verweerder ten laste van verzoekster een vergoeding toe te kennen en, zo ja, tot welk bedrag. Daarbij is van belang of van de opgetreden veranderingen in de omstandigheden, en met name van het verstoord raken van de arbeidsverhouding, aan verweerder een zodanig verwijt kan worden gemaakt dat de gevolgen van het verlies van de dienstbetrekking geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening moeten worden gelaten, dan wel of aan verzoekster een verwijt daarvan moet worden gemaakt.

De kantonrechter is naar aanleiding van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat verweerder in overwegende mate een verwijt moet worden gemaakt van het feit dat verzoekster op 4 april 2008 geen vertrouwen meer had in de voortzetting van het dienstverband. De kantonrechter volgt verweerder niet in zijn standpunt dat er slechts sprake is geweest van futiliteiten en kleinigheden die hebben geleid tot zijn ontslag. Het veelvuldig te laat op het werk verschijnen door verweerder (ook al is dat in veel gevallen slechts enkele minuten geweest) tezamen met de andere door verzoekster aangevoerde incidenten op de werkvloer, waarvan verweerder niet heeft betwist daarbij betrokken te zijn geweest, leiden op een gegeven moment tot de gerechtvaardigde conclusie bij verzoekster dat er geen heil meer valt te verwachten in voortzetting van het dienstverband, te meer nu verweerder door verzoekster reeds meerdere malen op zijn gedrag was aangesproken.

Aan de andere kant dient bij een voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van veranderingen in de omstandigheden in deze procedure ten nadele van verzoekster te worden meegewogen dat zij verweerder op 4 april 2008 ten onrechte op staande voet heeft ontslagen. Het is verzoekster geweest die voor het ultimum remedium van het ontslag op staande voet heeft gekozen en indien dat ontslag in rechte geen stand houdt, dienen de gevolgen daarvan voor haar rekening te komen

Mitsdien acht kantonrechter, alles afwegende, een ontbindingsvergoeding berekend op grond van de kantonrechtersformule met een neutrale correctiefactor op haar plaats. De vergoeding zal zodoende worden vastgesteld op een bedrag van afgerond € 10.500,-- bruto.

2.8. Gelet op het voornemen de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden en aan verweerder een vergoeding als voornoemd toe te kennen, zal verzoekster eerst nog in de gelegenheid worden gesteld haar verzoek desgewenst in te trekken.

Zowel bij intrekking als bij handhaving van het verzoek acht de kantonrechter termen aanwezig de proceskosten te compenseren.

3. De beslissing

De kantonrechter:

stelt verzoekster tot en met 23 september 2008 in de gelegenheid haar verzoek in te trekken door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de rechtbank, sector kanton, locatie Eindhoven;

compenseert de proceskosten zo, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

beslist, voor het geval verzoekster haar verzoek handhaaft, thans reeds als volgt:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 oktober 2008 voor zover in rechte onherroepelijk komt vast te staan dat deze niet reeds is geëindigd op 4 april 2008;

- kent in dat geval aan verweerder ten laste van verzoekster een vergoeding toe van € 10.500,-- bruto, en veroordeelt verzoekster, voor zoveel nodig, tot betaling van dit bedrag aan verweerder.

Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2008 door mr. W.E.M. Leclercq, kantonrechter te Eindhoven, in tegenwoordigheid van de griffier.