Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BE9408

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-08-2008
Datum publicatie
29-08-2008
Zaaknummer
AWB 08/2494, 08/2779
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Finale geschillenbeslechting. Een bijstandsaanvraag van 25 september 2005 wordt afgewezen en deze afwijzing wordt in stand gelaten bij (kortsluitende) uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 juli 2006. Op 25 januari 2007 doet de betrokkene (bij praktisch ongewijzigde omstandigheden) een nieuwe bijstandsaanvraag, welke eveneens wordt afgewezen. Deze afwijzing wordt vernietigd bij uitspraak van de rechtbank van 10 maart 2008, met opdracht voor een nieuw besluit. Op 8 juli 2008 wordt dat nieuwe besluit genomen, wederom inhoudend dat de bijstandsaanvraag van 25 januari 2007 wordt afgewezen. Tegen het besluit van 8 juli 2008 wordt beroep ingesteld.

Inmiddels had verweerder “per abuis” tòch bijstand verleend – per 28 december 2007. Deze bijstandsuitkering wordt bij besluit van 18 juli 2008 per 1 juli 2008 beëindigd. Dienaangaande wordt bezwaar gemaakt en om een voorlopige voorziening verzocht.

De voorzieningenrechter trekt de beroepsprocedure bij het vovo-verzoek en doet daarin ex 8:86 onmiddellijk uitspraak. Het besluit van 8 juli 2008 wordt vernietigd. Vanwege de noodzaak om het geschil thans finaal te beslechten kent de voorzieningenrechter (met herroeping van het primaire besluit) zelf bijstandsuitkering toe (per 25 januari 207) en past zelf een maatregel toe van 100% over de periode van 25-01-07 tot 01-07-07. De abusievelijke toekenning per 28 december 2007 en de beëindiging per 1 juli 2008 verliezen hierdoor betekenis en het vovo-verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/2494

AWB 08/2779

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 augustus 2008

inzake

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde mr. J.W. Weehuizen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder,

gemachtigde J.M.M. van Lokven.

Procesverloop

Verzoekster woonde sinds 1995 (of 1997) in een woonwagen met een waarde van (in 2005) € 44.850,00. Tot 1 januari 2005 stond die woonwagen met het oog op gemeentelijke heffingen op naam van verzoekster en vanaf die datum op naam van haar zoon. Een door verzoekster op 25 september 2005 gedane bijstandsaanvraag is door verweerder afgewezen op grond van de overweging dat verzoekster de woonwagen per 1 januari 2005 heeft overgedragen aan haar zoon, dat laatstgenoemde haar daarom een bedrag van € 44.850,00 zou hebben moeten betalen en dat aldus de voor haar geldende vermogensgrens op 25 september 2005 zou zijn overschreden. Deze afwijzing is in stand gelaten bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 13 juli 2006.

Op 25 januari 2007 heeft verzoekster een nieuwe bijstandsaanvraag gedaan. Ook deze aanvraag heeft verweerder afgewezen, allereerst bij primair besluit van 28 maart 2007 en vervolgens bij besluit op bezwaar van 12 juni 2007, en wel op grond van de overweging dat verzoekster op 25 januari 2007 (of 1 februari 2007) het vermogen waarover zij geacht werd te beschikken nog niet tot aan de vermogensgrens had ingeteerd. Het besluit van 12 juni 2007 is bij uitspraak van deze rechtbank van 10 maart 2008 vernietigd op grond van de overweging dat de door verweerder gemaakte interingsberekening geen juist vertrekpunt vormde voor de in beginsel naar de aanvraagdatum uit te voeren vermogenstoets. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft verweerder bij een nieuw besluit op bezwaar, gedateerd 8 juli 2008, de bijstandsaanvraag van 25 januari 2007 opnieuw afgewezen, thans op grond van de overweging dat verzoekster nog steeds de woonwagen in eigendom heeft en dat deswege de vermogensgrens werd overschreden. Tegen dit laatste besluit is namens verzoekster beroep ingesteld, bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 08/2779.

Inmiddels had verzoekster op 28 december 2007 wederom bijstandsuitkering aangevraagd. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij besluit van 20 februari 2008 aan verzoekster met ingang van 28 december 2007 bijstandsuitkering verleend. Hierbij heeft verweerder overwogen dat verzoeksters vermogen op 28 december 2007 € 4288,99 bedroeg en daardoor onder de voor haar geldende vermogensgrens (van € 5245,00) lag. Bij besluit van 18 juli 2008 heeft verweerder die bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 2008 beëindigd omdat verzoeksters vermogen bij nader inzien tòch hoger zou zijn (geweest) dan de vermogensgrens. Tegen dit laatste besluit is namens verzoekster bezwaar gemaakt. Tevens is namens haar bij brief van 22 juli 2008 verzocht om een voorlopige voorziening, welk verzoek bij de rechtbank bekend is onder nummer 08/2494.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 20 augustus 2008, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich daar door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter ziet het verzoek om een voorlopige voorziening tevens betrekking hebben op de beroepsprocedure tegen verweerders besluit van 8 juli 2008 en zal thans op grond van artikel 8:86 van de Awb als volgt onmiddellijk uitspraak doen in die beroepsprocedure.

Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat verzoekster op en na 1 januari 2005 eigenaresse was en is van genoemde woonwagen. Verweerders tegengestelde opvatting berust slechts op het gegeven dat verzoekster niet kan bewijzen dat de woonwagen niet tot haar vermogen behoort. Een dergelijke omkering van de bewijslast is in casu onaanvaardbaar. Het besluit van 8 juli 2008 komt daarom – met gegrondverklaring van het daartegen gerichte beroep –wegens een ondeugdelijke motivering voor vernietiging in aanmerking.

Ter finale beslechting van het geschil acht de voorzieningenrechter het noodzakelijk thans zelf in de zaak te voorzien. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat op geen enkele manier is gebleken dat verzoekster op 25 januari 2007 over een vermogen beschikte dat hoger was dan de vermogensgrens. Aldus dient haar in beginsel met ingang van die datum bijstandsuitkering te worden verleend. Tevens moet echter worden aangenomen dat verzoekster een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond door het haar uit de verkoop van de woonwagen ter beschikking staande vermogen – waarover zij blijkens de onherroepelijk geworden uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 13 juli 2006 geacht moest worden met ingang van 1 januari 2005 te kunnen beschikken – te snel in te teren. Dientengevolge dient haar bijstandsuitkering op grond van artikel 18, tweede lid, van de Wet werk en bijstand te worden verlaagd, welke verlaging door de voorzieningenrechter, alle bijzondere omstandigheden van dit geval in aanmerking nemende, wordt vastgesteld op 100% gedurende de periode van 25 januari 2007 tot 1 juli 2007. De voorzieningenrechter zal hieronder - met herroeping van het primaire besluit van 28 maart 2007 - dienovereenkomstig beslissen.

Gezien het voor verzoekster overwegend gunstige resultaat van de beroepsprocedure 08/2779 is er geen reden om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wil echter nog wel opmerken dat door de onderhavige uitspraak geen grondslag meer bestaat voor het toekenningsbesluit van 20 februari 2008 en het beëindigingsbesluit van 18 juli 2008, zodat het in de rede ligt dat verweerder deze besluiten intrekt.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoekster in de beroepszaak 08/2779 gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt € 322,00;

* wegingsfactor 1.

Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat door de gemeente 's-Hertogenbosch aan verzoekster het in de beroepszaak 08/2779 gestorte griffierecht ad € 39,00 dient te worden vergoed.

In de voorlopige voorzieningzaak 08/2494 wordt verweerder voorts veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (1 punt voor het verzoekschrift) en de gemeente ’s-Hertogenbosch tot vergoeding van het griffierecht ad € 39,00.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

in de beroepszaak 08/2779:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 8 juli 2008;

- herroept het primaire besluit van 28 maart 2007;

- verleent verzoekster met ingang van 25 januari 2007 bijstandsuitkering naar de voor haar geldende norm;

- verlaagt die bijstandsuitkering met 100% over de periode van 25 januari 2007 tot 1 juli 2007;

- gelast de gemeente 's-Hertogenbosch aan verzoekster te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ad € 39,00;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de gemeente 's-Hertogenbosch aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier;

in de voorlopige voorzieningzaak 08/2494:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- gelast de gemeente ’s-Hertogenbosch aan verzoekster te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ad € 39,00;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten vastgesteld op € 322,00;

- wijst de gemeente ’s-Hertogenbosch aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. A.W. Govers als rechter in tegenwoordigheid van mr. B. van den Akker als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2008.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak – voorzover daarbij in de beroepszaak 08/2779 is beslist - binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: