Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BE9405

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-08-2008
Datum publicatie
29-08-2008
Zaaknummer
01/841059-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een geldboete van EUR 1500,- subsidiair 30 dagen hechtenis voor de persoon aan wiens schuld te wijten is dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt (onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig handelen door verdachte, door een door toedoen van verdachte en zijn mededaders met modder besmeurd wegdek onvoldoende schoon te maken waardoor op dat wegdek een ongeval ontstaat waarbij iemand zwaar lichamelijk letsel bekomt).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/841059-08

Datum uitspraak: 29 augustus 2008

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 augustus 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 juli 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 29 november 2007 te Erp, gemeente Veghel, tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, grovelijk, althans

aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld als

volgt:

- verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben werkzaamheden verricht

waardoor het wegdek van de Keldonkseweg besmeurd raakte met modder en/of

ander(e) materia(a)l(en) (waardoor het wegdek van de Keldonkseweg

slipgevaarlijk werd),

- vervolgens is dat wegdek onvoldoende schoongemaakt en/of zijn onvoldoende

althans ontoereikende signaleringsborden geplaatst voor naderend verkeer

en/of is nagelaten andere maatregelen te nemen, om de naderende bestuurders

op die weg tijdig te waarschuwen en/of veilig het besmeurde wegdek door te

loodsen,

- vervolgens is een auto op dat wegdek gaan slippen en/of schuiven

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat de bestuurder van die

auto ([slachtoffer1]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond

en/of een gebroken sleutelbeen en/of een gebroken onderarm en/of een

hersenschudding en/of gekneusde knieën, heeft bekomen, althans zodanig

lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de

uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

(artikel 308 Wetboek van Strafrecht)

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vordering worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Verdachte, eigenaar van een stuk grond aan de Keldonkseweg te Erp, verhuurt het perceel aan [bedrijf1] te Boekel.1

Op 29 november 2007 had verdachte het op zich genomen om het wegdek te reinigen in verband met transporten van geoogste bloembollen die van ’s morgens tot einde werktijd zouden plaatsvinden tussen de Keldonkseweg en het bedrijf van [bedrijf1] te Boekel.2 Omdat het in de morgen begon te regenen heeft verdachte waarschuwingsborden geplaatst.3 Verdachte heeft tot 19.00 uur het wegdek gereinigd met een veegmachine.4

Omstreeks 20.50 uur die dag heeft er zich een eenzijdig ongeval voorgedaan op de Keldonkseweg. Daar is het voertuig, bestuurd door [slachtoffer1], in een slip geraakt en tegen een boom gebotst.5

Tengevolge van de botsing heeft [slachtoffer1] voornoemd een hoofdwond, een gebroken sleutelbeen, een gebroken onderarm, een hersenschudding en gekneusde knieën opgelopen.6

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, met dien verstande dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig heeft gehandeld en dat het letsel als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt dient te worden. Verdachte heeft onvoldoende invulling gegeven aan zijn verantwoordelijkheid om het wegoppervlak schoon te houden. De signaleringsborden die verdachte heeft geplaatst waren niet voorzien van reflectie waardoor het slachtoffer het bord niet heeft kunnen waarnemen. Verder stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat sprake is van medeplegen van het tenlastegelegde feit omdat ook andere personen signaleringsborden hadden moeten plaatsen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft vrijspraak bepleit.

Zij heeft aangevoerd dat verdachte geen opzet had om het wegdek te besmeuren met modder, maar dat hij enkel de opdracht heeft aanvaard om het wegdek schoon te maken.

De raadsvrouwe heeft voorts betwist dat verdachte het wegoppervlak onvoldoende heeft gereinigd, hij kon immers met zijn veegwagen het wegdek niet volledig schoonmaken. Door tevens waarschuwingsborden te plaatsen die voldoende zichtbaar waren heeft verdachte voldaan aan zijn zorgplicht. Andere maatregelen had hij, gezien zijn beschikbare materiaal, niet kunnen nemen.

Tenslotte heeft de raadsvrouwe erop gewezen dat de modder op de weg ook kan zijn veroorzaakt doordat medewerkers aan het transport na beëindiging van de

rooiwerkzaamheden zijn teruggekeerd om zand terug te brengen dat zich aan de gerooide bloembollen bevond.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij het beantwoorden van de vraag of er aan de zijde van verdachte schuld aanwezig is in de zin van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht dient allereerst bezien te worden welke handelingen van een betrokken persoon in een concrete situatie gevergd kunnen worden. Deze norm zal steeds ingekleurd moeten worden aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. Daarbij zullen maatregelen die door (een) betrokkene(n) zijn bedoeld als veiligheidsmaatregelen, zoals het plaatsen van (een) waarschuwingsbord(en) meegewogen moeten worden bij de beantwoording van de vraag of aan de zijde van verdachte (tenminste) aanmerkelijke schuld aanwezig is in relatie tot het ontstaan van het ongeval.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de persoon die op een weg een verontreiniging veroorzaakt en/of het op zich neemt een dergelijke verontreiniging op te ruimen (zoals in deze zaak verdachte), een dergelijke verontreiniging op zodanige wijze dient te verwijderen/verminderen dat er na afronding van de werkzaamheden een veilige situatie bestaat en blijft bestaan voor de weggebruikers: in essentie dient hij er voor te zorgen dat de weg weer normaal bruikbaar is voor het verkeer. De concrete mate van gevaarzetting, die met name zal worden bepaald door aard en mate van verontreiniging op de weg, de ligging van de weg en al dan niet aanwezige verlichting kunnen daarbij aanleiding vormen om meer maatregelen te verlangen van de betrokken persoon of personen.

Verdachte heeft ter zitting de foto’s bekeken die zich in het dossier bevinden, met name de foto die het wegdek ter plaatse van het ongeval toont. Hij heeft over deze foto’s verklaard dat het beeld op die foto’s voor wat betreft de verontreiniging met modder op de weg overeenkomt met het beeld ten tijde van zijn vertrek omstreeks 19.00 uur.7 Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de toestand van het wegdek dat de politie aantrof na het ongeval geheel of nagenoeg geheel overeenkwam met de situatie ten tijde van het vertrek van verdachte om 19.00 uur. De politie heeft onmiddellijk na het ongeval vastgesteld dat het wegdek zeer glad was als gevolg van de verontreiniging met modder op het wegdek. Tevens stelde de politie vast dat het wegdek over een afstand van 200 meter besmeurd was met modder, en dat zich in dat weggedeelte een (flauwe) bocht bevond. Ten tijde van het ongeval was het donker.8

Verdachte heeft een waarschuwingsbord geplaatst in de berm van de weg, waarvan de politie in de ongevalsrapportage beschrijft dat het op zich goed zichtbaar was.9 De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke toestand (gladheid) echter zodanig was dat verdachte in ernstige mate te kort geschoten is bij het uitvoeren van zijn verplichting het wegdek passend te reinigen. Dit klemt te meer omdat het inmiddels donker was geworden en er geen activiteiten meer op het land zichtbaar waren die naderend verkeer (in combinatie met het waarschuwingsbord) opmerkzaam zouden moeten maken op mogelijke verontreiniging op de weg. Het latere slachtoffer hoefde er daarom niet op bedacht te zijn dat hij zich op een dergelijk zeer glad wegdek zou bevinden. Verdachte daarentegen had zich moeten realiseren dat bij duisternis de aanwezige verontreiniging (en de mate daarvan) niet of minder goed kan worden waargenomen en ingeschat door gemotoriseerde weggebruikers. Ook had hij zich moeten realiseren dat de ter plaatse aanwezige bocht in de weg de mate van gevaarzetting verhoogde, omdat het een feit van algemene bekendheid is dat het besturen van een voertuig op een glad wegdek aanleiding kan vormen voor het in een slip raken, zoals ook in deze zaak is gebeurd.

Uit het dossier is niet gebleken dat het slachtoffer met een snelheid heeft gereden die aanmerkelijk hoger was dan de wettelijk toegestane snelheid.10 Evenmin kan naar het oordeel van de rechtbank worden gesteld dat het slachtoffer ten tijde van het ongeval een snelheid heeft gereden die hoger is dan een ter plaatse (onder normale omstandigheden) veilig te achten snelheid.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig is geweest door om 19.00 uur de weg in de door de politie aangetroffen staat achter te laten.

Uit de medische rapportage over het slachtoffer 11 en uit de aanvullende verklaring van het slachtoffer 12 (waaronder het voegingsformulier) blijkt dat sprake is van letsel dat (onder meer) bestaan heeft uit meerdere botbreuken (in sleutelbeen en een dubbele breuk in de (onder)arm), waarvoor een ziekenhuisopname heeft plaatsgehad waarbij er operatief plaatjes in de arm zijn aangebracht. Dergelijk letsel dient naar het oordeel van de rechtbank aangemerkt te worden als zwaar lichamelijk letsel.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettelijk en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 29 november 2007 te Erp, gemeente Veghel, aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig heeft gehandeld als volgt:

- anderen hebben werkzaamheden verricht waardoor het wegdek van de Keldonkseweg besmeurd raakte met modder en/of ander(e) materia(a)l(en) waardoor het wegdek van de Keldonkseweg slipgevaarlijk werd,

- vervolgens heeft verdachte dat wegdek onvoldoende schoongemaakt en heeft hij nagelaten andere maatregelen te nemen,

- vervolgens is een auto op dat wegdek gaan slippen en/of schuiven waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat de bestuurder van die auto ([slachtoffer1]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond en een gebroken sleutelbeen en een gebroken onderarm en een hersenschudding en gekneusde knieën, heeft bekomen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

23, 24, 24c, 36f, 308 Wetboek van Strafrecht.

De strafoplegging.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft een geldboete van € 1.500,00, subsidiair 30 dagen hechtenis, gevorderd.

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van

€ 1142,77, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit de posten voertuigschade ad € 950,00, immateriële schade ad € 250,00 en fysiotherapie ad

€ 142,77. Voor het overige moet de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard worden.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe van verdachte heeft vrijspraak bepleit.

In het geval de rechtbank komt tot strafoplegging heeft de raadsvrouwe verzocht om de geldboete te matigen tot € 1.200,00 en deze geheel voorwaardelijk op te leggen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij stelt de raadsvrouwe zich op het standpunt dat enkel de post voertuigschade ad € 950,00 kan worden toegewezen en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder diens draagkracht. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank houdt daarbij ten nadele van verdachte rekening met het feit dat tengevolge van diens onvoorzichtig en nalatig handelen [slachtoffer1] het slachtoffer is geworden, alsmede met de aard en omvang van het door hem opgelopen letsel.

In het voordeel van verdachte spreekt dat hij nog niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank zal dezelfde straf opleggen als door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering: voertuigschade € 950,--, kleding tot een bedrag van € 200,--, immateriële schade tot een bedrag van € 500,-- en fysiotherapie € 142,77.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van haar vordering, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan deze onderdelen van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

BESLISSING:

Geldboete van EUR 1500,00 subsidiair 30 dagen hechtenis.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 1792,77 subsidiair 35 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1] van een bedrag van EUR 1.792,77 (zegge: eenduizend zevenhonderdtweeënnegentig euro en zevenenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 dagen hechtenis.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer1] van een bedrag van EUR 1.792,77 (zegge: eenduizend zevenhonderdtweeënnegentig euro en zevenenzeventig cent) terzake voertuigschade EUR 950,00, kleding EUR 200,00, immateriële schade EUR 500,00 en fysiotherapie EUR 142,77.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.M. Nusselder, voorzitter,

mr. drs. W.A.F. Damen en mr. P.A. Buijs, leden,

in tegenwoordigheid van L.M.E. de Roo, griffier,

en is uitgesproken op 29 augustus 2008.

1 Verklaring verdachte, pagina 24 en verklaring [persoon1], pagina 20

2 Verklaring verdachte, pagina 24 en verklaring [persoon1], pagina 20 en 21

3 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 15 augustus 2008 en proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 33

4 Verklaring verdachte, pagina 24

5 Relaas verbalisanten, pagina 26 en 27 en proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 32 tot en met 36

6 Formulier medische informatie, pagina 44

7 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 32, 33 en 34

8 Relaas verbalisanten, pagina 26 en 27 en proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 32

9 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 33

10 Verklaring [slachtoffer1], pagina 10 en proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pagina 33

11 Formulier medische informatie, pagina 44

12 Verklaring [slachtoffer1], pagina 11a