Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BE8878

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
AWB 08-2304 AWB 08-2642 AWB 08-2769
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is verzocht om de opschorting van de monumentenvergunning op te heffen om tot sloop van het voormalige fabrieksgebouw op het perceel Citadellaan 28 te ’s-Hertogenbosch over te kunnen gaan. De sloop van dit gebouw vindt plaats in verband met de nieuwbouw van roeivereniging De Hertog. Tegen deze vergunning is beroep ingesteld door de Stichting De Citadel. Voorts heeft zij verzocht om handhavend optreden zodra vergunninghoudster tot sloop overgaat. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de vergunning in rechte kan worden gehandhaafd en dat er geen aanleiding bestaat handhavend op te treden tegen de voorgenomen sloop. Volgt ongegrond verklaring van het beroep van Stichting De Citadel, afwijzing van het verzoek van vergunninghoudster om opheffing van de opschorting en afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening van Stichting De Citadel ten aanzien van de weigering handhavend op te treden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 08/2304

AWB 08/2642

AWB 08/2769

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2008

op het verzoek om opheffing van de schorsing als bedoeld in artikel 16, zesde lid, van de Monumentenwet 1988 van:

de gemeente ‘s-Hertogenbosch,

vergunninghoudster,

gemachtigde [gemachtigde]

en op het verzoek ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het beroep in[verzoekster],

te ’s-Hertogenbosch,

[gemachtigden]

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: het college),

[gemachtigde]

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [belanghebbende] (hierna: de roeivereniging), te 's-Hertogenbosch, [gemachtigde]

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het college vergunning verleend als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 (Mw) voor het slopen van het voormalige fabrieksgebouw op het perceel Citadellaan 28 te ’s-Hertogenbosch, kadastraal bekend gemeente ’s-Hertogenbosch, sectie G, nummer 7522.

Bij brief van 1 juli 2008 heeft het college de voorzieningenrechter verzocht de opschorting van de verleende monumentenvergunning op te heffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer AWB 08/2304.

Bij brief van 29 juli 2008 heeft [verzoekster] bij het college bezwaar gemaakt tegen het (fictieve) besluit om te starten met de sloop van de voormalige fabriek en moskee aan de Citadellaan zonder dat wordt beschikt over een (geldige) sloopvergunning.

Het verzoek om opheffing van de opschorting is behandeld ter zitting van 31 juli 2008, waar het college is verschenen bij gemachtigde. Namens de roeivereniging waren de gemachtigde en [gemachtigde] aanwezig.

Bij brief van 31 juli 2008 heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht hangende het bezwaar van 29 juli 2008 een voorlopige voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer

AWB 08/2642.

Op 6 augustus 2008 is de uitspraak op het verzoek om opheffing verdaagd in verband met het op 31 juli 2008 door [verzoekster] ingediende verzoek om een voorlopige voorziening.

Bij brief van 9 augustus 2008 heeft [verzoekster] beroep ingesteld tegen de monumentenvergunning van 1 juli 2008. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer

AWB 08/2769.

Op 12 augustus 2008 is naar aanleiding van het door [verzoekster] ingediende beroep het onderzoek inzake het verzoek om opheffing heropend. Tevens is [verzoekster] aangemerkt als derde-belanghebbende bij voormeld verzoek.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 13 augustus 2008, waar partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden.

Op 18 augustus 2008 heeft [verzoekster] in zaaknummer AWB 08/2462 nadere gronden van het beroep ingediend.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter zal eerst ingaan op het verzoek om de opschorting van de verleende monumentenvergunning op te heffen. In dat kader wordt tevens ingegaan op het beroep tegen de monumentenvergunning. Vervolgens komt het verzoek om een voorlopige voorziening ter zake van vermeend slopen zonder sloopvergunning aan de orde.

Inzake AWB 08/2304 en AWB 08/2769

2. Ingevolge artikel 16, zesde lid, van de Mw wordt de werking van de monumenten-vergunning opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Voorts is in dit artikellid bepaald dat de vergunninghouder de voorzieningenrechter van de rechtbank kan verzoeken de opschorting op te heffen en dat titel 8.3 van de Awb van overeenkomstige toepassing is.

3. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan worden gedaan in de hoofdzaak.

4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich deze situatie hier voor en daarom wordt onmiddellijk uitspraak gedaan in de hoofdzaak.

Feiten

5. Op 31 juli 2007 is bouwvergunning verleend voor de nieuwe huisvesting van de roeivereniging op het adres Citadellaan 28 te ’s-Hertogenbosch. Tegen de verleende bouwvergunning is door [verzoekster] bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van

23 november 2007 (AWB 07/3511) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoekster] afgewezen.

6. Op 18 januari 2008 is door [verzoekster] het verzoek om het monumentenregister te wijzigen door onder meer het ter plaatse aanwezige ravelijn als onlosmakelijk onderdeel te beschouwen van de reeds als rijksmonument beschermde Citadel, uitgebreid met het verzoek om het voormalige fabrieksgebouw voor stoommachines uit 1881 daarbij te betrekken. Dit verzoek is door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in behandeling genomen, waardoor de voorbescherming als bedoeld in artikel 5 van de Mw met betrekking tot het voormalige fabrieksgebouw geldt. Het voormalige fabrieksgebouw is gesitueerd op de locatie waar de verleende bouwvergunning voor de nieuwe accommodatie van de roeivereniging op ziet.

7. Op 28 februari 2008 heeft de gemeente ’s-Hertogenbosch een monumentenvergunning aangevraagd voor het slopen van het voormalige fabrieksgebouw. Op 26 maart 2008 is de aanvraag behandeld in de vergadering van de gemeentelijke subcommissie monumenten. Deze commissie heeft geconcludeerd dat het object niet over de monumentale waarden beschikt dat het monumentale status rechtvaardigt. De subcommissie monumenten heeft geen bezwaar tegen de sloop van het object.

8. Op 22 april 2008 heeft de directeur van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurland-schap en Monumenten (RACM) aangegeven dat het object geen waarden bezit die van rijksbelang zijn en geen bezwaren te hebben tegen de uitvoering van het plan tot sloop van het fabrieksgebouw.

9. De aanvraag om monumentenvergunning en de ontwerpbeschikking hebben vanaf 28 april 2008 gedurende zes weken ter inzage gelegen, gedurende welke termijn een zienswijze is ingediend door [verzoekster]. Deze zienswijze is door het college bij bestreden besluit ongegrond verklaard.

Standpunten partijen

10. Het college heeft aan de monumentenvergunning ten grondslag gelegd dat gezien de adviezen van de RACM en de gemeentelijke subcommissie monumenten geen sprake is van te beschermen monumentale waarden. Voorts heeft het college erop gewezen dat de gemeenteraad in haar vergadering van 26 februari 2008 heeft aangegeven geen behoud na te streven van het voormalige fabrieksgebouw en de bouwplannen van de roeivereniging te willen bevorderen.

11. [verzoekster] stelt zich in beroep -zakelijk weergegeven- op het standpunt dat de monumentenvergunning niet op rechtmatige en zorgvuldige wijze is verleend. Volgens haar kleven er ook motiveringsgebreken aan de monumentenvergunning. Zij heeft erop gewezen dat het Citadel-complex, inclusief de voormalige fabriek, als onderdeel van de historische gelaagdheid en het vestiginglandschap is voorgedragen voor plaatsing op de werelderfgoedlijst van de UNESCO. Volgens [verzoekster] heeft het gebouw monumentale waarde en dient het behouden te blijven in de context van het behoud en herstel van het ravelijn en de enveloppe van de Citadel. In dat verband wenst zij in overleg te treden met partijen over alternatieven en over het aanbod van de nationale Maatschappij tot Behoud, Ontwikkeling en Exploitatie van Industrieel Erfgoed (BOEi) om een nader onderzoek uit te voeren naar herbestemming van het gebouw. Tot slot heeft zij verzocht om aanhouding van het beroep.

12. De roeivereniging heeft zich in grote lijnen aangesloten bij de standpunten van het college.

Wettelijk kader

13. Ingevolge artikel 5 van de Mw zijn met ingang van de datum waarop de mededeling, bedoeld in artikel 3, derde lid, heeft plaatsgevonden tot het moment dat inschrijving in het register, bedoeld in artikel 6, eerste lid, of artikel 7, plaatsvindt dan wel vaststaat dat het monument niet wordt ingeschreven in een van die registers, de artikelen 11 tot en met 33 van overeenkomstige toepassing.

14. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Mw is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning:

a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b. een beschermd monument te herstellen, of te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

15. In artikel 12, eerste lid, van de Mw is bepaald dat een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11, moet worden ingediend bij burgemeester en wethouders.

16. In artikel 15, eerste lid, van de Mw is bepaald dat de gemeenteraad een verordening vaststelt waarin tenminste de inschakeling wordt geregeld van een commissie op het gebied van de monumentenzorg, die burgemeester en wethouders adviseert over aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 11.

17. In artikel 16, eerste lid, van de Mw is bepaald dat in de gevallen dat burgemeester en wethouders over de aanvraag beslissen zij onmiddellijk afschrift van de aanvraag aan de directeur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg zenden.

Oordeel van de voorzieningenrechter

18. Aangenomen wordt dat het verzoek om heffing van de opschorting door het college namens vergunninghoudster, de gemeente ’s-Hertogenbosch, is gedaan. Gelet op het door [verzoekster] op 9 augustus 2008 ingestelde beroep is de werking van de op 1 juli 2008 verleende monumentenvergunning van wetswege opgeschort totdat op voormeld beroep is beslist.

19. Volgens vaste jurisprudentie (onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State, 7 augustus 2007, zaaknummer 20070345/1) bestaat in beginsel aanleiding om de opschortende werking van artikel 16, zesde lid, van de Mw op te heffen, indien er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de monumenten-vergunning niet op rechtmatige wijze is verleend en dat vergunninghouder door handhaving van de opschortende werking nadeel ondervindt.

20. Vastgesteld wordt dat het college aan de verlening van de monumentenvergunning de adviezen van de RACM en de gemeentelijke subcommissie monumenten ten grondslag heeft gelegd. Dienaangaande wordt opgemerkt dat een bestuursorgaan bij zijn besluitvorming mag afgaan op een door een adviseur uitgebracht advies, mits dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Hierbij geldt dat naar mate een adviesorgaan meer ervaring heeft met het uitbrengen van adviezen over een bepaald type besluiten, het bestuursorgaan meer zal mogen afgaan op de expertise van dat adviesorgaan.

21. Op 26 maart 2006 heeft de gemeentelijke subcommissie monumenten positief en gemotiveerd geadviseerd ten aanzien van de sloop van het voormalige fabrieksgebouw. Op

22 april 2008 heeft de RACM gemotiveerd aangegeven dat het gebouw geen waarden van rijksbelang bezit. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat de adviezen van de RACM en de gemeentelijke subcommissie monumenten op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen of inhoudelijk niet concludent zijn. Ook overigens is niet gebleken dat het college voormelde adviezen niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Het college heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er met betrekking tot het voormalige fabrieksgebouw geen sprake is van te beschermen monumentale waarden. De omstandigheid dat [verzoekster] een andere waarde toekent aan het gebouw en herbestemming ervan mogelijk acht en voorstaat, maakt dat niet anders. De inhoud van de adviezen is daarmee niet gemotiveerd bestreden. Het gegeven dat met betrekking tot het Citadel-complex, inclusief het onderhavige gebouw, is verzocht om wijziging in het monumentenregister alsmede de opmerking dat het complex is voorgedragen voor plaatsing op de werelderfgoedlijst is in dit verband onvoldoende.

22. Voor aanhouding van het beroep, zoals door [verzoekster] verzocht, bestaat geen aanleiding. De kern van de grieven is -in samenhang bezien met de gevoegde zaken- voldoende helder en uitvoerig ter zitting van 13 augustus 2008 behandeld. Ter zitting is bovendien gebleken dat [verzoekster] bij aanhouding geen volledig nieuwe gronden zal inbrengen, maar slechts een nadere uitwerking en/of onderbouwing zal geven van de reeds aangevoerde gronden. Omdat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het verzoek om opheffing en het samenhangende beroep, is daarop het onderzoek gesloten.

Vrij snel na de zitting heeft -hoewel gelet op de datum van het bestreden besluit voldoende gelegenheid is geweest het beroep eerder schriftelijk te onderb[verzoekster] de motivering nader onderbouwd in het schrijven plus bijlagen van 17 augustus 2008.

Na hiervan kennis te hebben genomen, wordt geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en een nieuwe zitting te houden, zoal[verzoekster] verzocht.

De nadere motivering bevat de facto geen nieuwe feiten en omstandigheden die, in het licht van hetgeen hiervoor ten aanzien van de monumentenvergunning is overwogen, zouden leiden tot een andere beoordeling van de zaak. Voor heropening bestaat te minder aanleiding nu door vergunninghoudster nadeel wordt ondervonden van de opschorting als gevolg van het beroep, doordat een vertraging in de uitvoering van de bouwwerkzaamheden zal leiden tot aanzienlijk financieel nadeel door onder meer stijgende kosten voor bouwmaterialen.

Daarenboven betekent -zoals dezerzijds reeds ter zitting is uiteengezet- het niet afdoen van het beroep, terwijl wel de opschorting wordt opgeheven, dat geen rechterlijke voorziening mogelijk is.

Conclusie

23. Op grond van vorenstaande overwegingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de verleende monumentenvergunning in rechte kan worden gehandhaafd. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard. Omdat met de uitspraak in de hoofdzaak de schorsende werking van het beroep komt te vervallen, zal het verzoek om opheffing van de opschorting van de monumentenvergunning worden afgewezen.

Inzake AWB 08/2642

24. Aan de orde is de vraag of aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen zoals door [verzoekster] op 31 juli 2008 verzocht. [verzoekster] heeft de voorzieningrechter -kort gezegd- gevraagd het college te gelasten handhavend op te treden zodra tot sloop van bedoelde opstallen wordt overgegaan.

25. Op 22 juli 2008 heeft het hoofd van de afdeling Sport & Recreatie van de gemeente

’s-Hertogenbosch in reactie op een brief van [verzoekster] van 12 juli 2008 medegedeeld dat zodra de voorzieningenrechter de opschorting van de monumenten-vergunning heeft opgeheven, er in rechte geen beletselen meer zijn en met de sloop zal worden begonnen. Gelet op de reactie van het college van 4 augustus 2008 op het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening, waarin voormeld standpunt is herhaald, ligt ter beoordeling voor de (impliciete) weigering van het college handhavend op te treden ter zake van de voorgenomen sloop van de opstallen aan de Citadellaan.

Standpunten partijen

26. [verzoekster] heeft gesteld dat een geldige sloopvergunning op grond van de Bouwverordening ontbreekt. De gemeente stelt dat een dergelijke vergunning reeds in 2001 is verleend, maar dat is onjuist zoals ook blijkt uit de tekst van deze sloopvergunning, waar gesproken wordt over een ander kadastraal perceel, een ander adres en niet over de voormalige fabriek uit 1881. Sloop van de voormalige fabriek was volgens [verzoekster] in 2001 helemaal niet aan de orde; de fabriek stond juist op de nominatie om te worden opgeknapt. In 2004/2005 is nog een verkennend onderzoek gedaan naar het restaureren van de voormalige fabriek. Volgens [verzoekster] is voor het slopen voorts een sloopvergunning als bedoeld in artikel 37 van de Mw vereist, aangezien de voorgevel van de voormalige moskee is gelegen in een beschermd stadsgezicht. De gemeente geeft in haar brief van 22 juli 2008 aan dat een dergelijke sloopvergunning niet voorhanden is. De fabriek en de voormalige moskee staan bovendien met de fundering in de voorbeschermde enveloppe van het 18e-eeuwse ravelijn, waardoor voor de sloop een monumentenvergunning nodig is. Daarnaast ontbreken een sloopveiligheidsplan, een inventarisatie voor asbest, is een zeldzame plant, het Klein Glaskruid ontdekt op de muren van de fabriek en is de monumentenvergunning voor de sloop nog niet onherroepelijk. Om redenen van behoorlijk bestuur is een reguliere procedure voor een sloopvergunning gewenst. In dat kader kunnen alternatieven -waaronder herbestemming van de fabriek- grondig worden bestudeerd en beoordeeld. Inmiddels hebben een tweetal raadsfracties de ontwikkeling van het gebied Houtpad/Citadellaan op de agenda gezet van de gemeenteraad, die het onderwerp zal bespreken in de maand augustus of september. Tot slot heeft [verzoekster] erop gewezen dat BOEi op 30 juli 2008 een brief aan de gemeente heeft gestuurd dat zij zich inzet om de fabriek te herbestemmen.

27. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat reeds op 29 mei 2001 een sloop-vergunning op basis van de Bouwverordening is verleend die onherroepelijk is en ziet op alle bouwwerken die in verband met het bouwplan gesloopt dienen te worden, derhalve ook het voormalige fabrieksgebouw. Uit de gewaarmerkte situatietekening behorende bij de aanvraag om sloopvergunning blijkt volgens het college duidelijk dat de vergunning ook ziet op het voormalige fabrieksgebouw. Een vergunning als bedoeld in artikel 37 van de Mw is volgens het college niet vereist, omdat de te slopen bouwwerken buiten het als beschermd stadsgezicht aangewezen gebied zijn gelegen.

28. De roeivereniging heeft zich in grote lijnen aangesloten bij de standpunten van het college.

Oordeel van de voorzieningenrechter

29. Voorop wordt gesteld dat gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, het bestuurorgaan dat bevoegd is handhavend op te treden, in de regel van deze bevoegd gebruik zal moeten maken. In verband met de bevoegdheid handhavend op te treden dient te worden bezien of sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift. [verzoekster] heeft -kort gezegd- gesteld dat voor de voorgenomen sloop een dekkende sloopvergunning op basis van Bouwverordening, noch de vereiste vergunningen op grond van de Mw zijn verleend.

30. Tussen partijen is niet in geschil dat op 29 mei 2001 sloopvergunning op basis van de Bouwverordening is verleend en dat die onherroepelijk is. Deze vergunning ziet blijkens de tekst op een woning, een berging (welke inmiddels zijn gesloopt) en de voormalige moskeeruimte. Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag of deze vergunning ook ziet op het voormalige fabriekgebouw. Dienaangaande wordt, met verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 november 2007 (AWB 07/3511), geoordeeld dat op 29 mei 2001 sloopvergunning is verleend ten behoeve van de voor het realiseren van het bouwplan op onderhavige percelen noodzakelijke sloopwerkzaamheden. Hoewel in de sloopvergunning niet de kadastrale gegevens van het perceel waarop het voormalige fabrieksgebouw is gevestigd zijn vermeld, kan uit de aanvraag en de bij de sloopvergunning behorende situatietekening -waarvan het origineel ter zitting is getoond- worden vastgesteld dat de afgegeven sloopvergunning mede betrekking heeft op het voormalige fabrieksgebouw. Door verwijzing in de aanvraag naar de situatietekening heeft de aanvraag betrekking op de gearceerde gebouwen op deze situatietekening, waaronder het voormalige fabrieksgebouw. Tevens bevat de aanvraag wél de kadastrale aanduiding van het perceel waarop het voormalige fabrieksgebouw zich bevindt. Uit het voorgaande vloeit voort dat vergunninghoudster beschikt over de voor de sloop vereiste sloopvergunning op grond van de Bouwverordening.

31. Niet gebleken is dat de sloop in strijd is met artikel 37 van de Mw. Op grond van voormeld artikel is het verboden in beschermde stads- of dorpsgezichten een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders. Op 15 februari 2008 is de woonwijk “De Muntel” aangewezen als rijksbeschermd stadsgezicht. Uit de daarbij behorende begrenzingskaart blijkt dat één gevel van gebouw samenvalt met de lijn die het beschermde gebied begrenst. Uit deze omstandigheid kan echter niet worden afgeleid dat deze gevel daarmee valt onder het beschermde stadsgezicht. Nog afgezien van het feit dat het aanwijzen van één gevel in plaats van het gehele gebouw niet in de rede ligt, is aannemelijk dat met de bewuste lijn enkel het daarbinnen vallende gebied is aangewezen als beschermd stadsgezicht.

32. De stelling dat voor de sloop een monumentenvergunning vereist is in verband met de voorbescherming die rust op de enveloppe, wordt niet gevolgd. Niet aannemelijk is dat door de sloop een in betekenisvolle mate aantasting van de enveloppe zal plaatsvinden. Gelet hierop is geen monumentenvergunning vereist. De omstandigheid dat de heipalen mogelijk de enveloppe kunnen beschadigen is een aspect dat samenhangt met de bouw van het nieuwe onderkomen en speelt derhalve hier geen rol.

33. Ten aanzien van de rechtmatigheid van de op 1 juni 2008 verleende monumenten-vergunning wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen. Gelet op de omstandigheid dat vergunninghoudster voorts beschikt over een onherroepelijke sloopvergunning op grond van de Bouwverordening, behoeft hetgeen is aangevoerd met betrekking tot die sloopvergunning geen bespreking. Uit hetgeen overigens is aangevoerd blijkt niet van feiten of omstandigheden die nopen tot het oordeel dat het college handhavend dient op te treden.

Conclusie

34. Gelet op het vorenstaande bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding het college te gelasten ter zake van de voorgenomen sloop handhavend op te treden. Het college dient nog wel te beslissen op het door [verzoekster] ingediende bezwaarschrift. Aannemende dat het college dit binnen de daarvoor geldende beslistermijn zal doen, bestaat thans geen aanleiding voor het treffen van enige voorlopige voorziening. Het daartoe strekkende verzoek van [verzoekster] zal derhalve worden afgewezen.

35. Voor omstandigheden op grond waarvan één der partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partijen gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

36. Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

Inzake AWB 08/2304 en AWB 08/2769

- verklaart het beroep van [verzoekster] ongegrond;

- wijst het verzoek van vergunninghoudster om opheffing van de opschorting als bedoeld in artikel 16, zesde lid, van de Mw ten aanzien van de op 1 juli 2008 verleende monumentenvergunning af;

Inzake AWB 08/2642

- wijst het verzoek van [verzoekster] om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb af.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker als rechter in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2008.

?

Partijen kunnen tegen deze uitspraak -voor zover daarbij op het beroep is beslist- binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: