Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BE0053

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-07-2008
Datum publicatie
14-08-2008
Zaaknummer
AWB 07/3492
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding met pleegkind, herziening AOW-pensioen, artikel 17a AOW.

Door het overlijden van de echtgenoot op 29 juni 2006 werd het AOW-pensioen van eiseres per 1 juni 2006 omgezet van een gehuwdenpensioen naar een ongehuwdenpensioen. In 2007 bleek dat door dat overlijden een gezamenlijke huishouding was ontstaan tussen eiseres en haar al 32 jaar bij haar inwonende pleegkind. Bij besluit van 25 april 2007 wordt het AOW-pensioen daarom per 1 juli 2006 herzien naar het gehuwdenpensioen (plus voornemen tot boete en terugvordering).

Rechtbank: Inderdaad is er op 29 juni 2006 een gezamenlijke huishouding ontstaan. Er was sprake van wederzijdse zorg en een pleegkind is geen bloedverwant in de eerste graad. Gezien de wijze waarop hier de gezamenlijke huishouding is ontstaan is een herziening met terugwerkende kracht echter onredelijk. De rechtbank beoordeelt deze herziening niet in het kader van artikel 17a van de AOW, maar in het kader van de krachtens ongeschreven recht bestaande bevoegdheid van een bestuursorgaan om ten onrechte verleende uitkering met terugwerkende kracht te herzien, mits daarbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden nageleefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2010, 7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/3492

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2008

inzake

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde [betrokkene],

tegen

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen,

verweerder,

gemachtigde J.A.J. Groenendaal.

Procesverloop

Eiseres, geboren op [...] 1940, heeft [betrokkene] (hierna te noemen: [betrokkene]), geboren op [geboortedatum], in 1974 als pleegkind in haar gezin opgenomen. Sindsdien is [betrokkene] steeds bij eiseres en haar echtgenoot blijven wonen. In 1979 is eiseres tot voogdes benoemd over [betrokkene]. Met ingang van 1 oktober 2005 is aan eiseres ouderdomspensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van het pensioen voor een gehuwde. In verband met het overlijden van haar echtgenoot op 29 juni 2006 is eiseresses AOW-pensioen bij besluit van 18 juli 2006 per 1 juni 2006 herzien naar het pensioen voor een ongehuwde. Door middel van een “ols-melding” van 25 januari 2007 werd aan verweerder bekend dat [betrokkene] bij eiseres woonde. Vervolgens hebben eiseres en [betrokkene] op 2 februari 2007 ten behoeve van verweerder een inlichtingenformulier ingevuld en daarbij onder meer vermeld dat [betrokkene] € 250,00 per maand bijdraagt in de kosten van het huishouden en dat zij gezamenlijk huishoudelijke werkzaamheden uitvoeren, samen boodschappen doen, samen eten, beiden klusjes doen in en rond het huis en elkaar verzorgen bij ziekte. In verband met deze informatie heeft verweerder bij besluit van 25 april 2007 het AOW-pensioen van eiseres met terugwerkende kracht tot 1 juli 2006 herzien naar het pensioen voor een gehuwde, zulks op grond van de overweging dat zij in juni 2006 een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met [betrokkene]. Het hiertegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 11 september 2007. Tevens zijn bij dat besluit namens eiseres gemaakte bezwaren tegen verweerders voornemen tot terugvordering en boete-oplegging niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen het besluit van 11 september 2007 is namens eiseres beroep ingesteld. Dit beroep is behandeld ter zitting van 2 juli 2008, waar partijen bij gemachtigde zijn verschenen.

Overwegingen

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren tegen genoemd voornemen tot terugvordering en boete-oplegging terecht niet-ontvankelijk verklaard, aangezien er op die punten (nog) geen sprake was van besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. In zoverre dient het beroep dan ook ongegrond te worden verklaard.

Krachtens artikel 1, derde lid, aanhef en onder a. van de AOW wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Het vierde lid van dat artikel bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

De op bovengenoemd formulier verschafte informatie duidt onmiskenbaar op wederzijdse zorg. De zijdens eiseres nadien naar voren gebrachte relativering van die informatie heeft niet het door haar gewenste gewicht; er is namelijk onvoldoende grond om de als eerste afgelegde verklaring in een voor dit geding relevante mate voor onjuist te houden. Dit brengt met zich dat verweerder terecht heeft aangenomen dat eiseres en [betrokkene] vanaf 29 juni 2006 een gezamenlijke huishouding voerden en dat eiseres uit dien hoofde vanaf 1 juli 2006 (slechts) recht had op een AOW-pensioen voor een gehuwde. Hierbij wordt opgemerkt dat de uitzondering voor bloedverwanten in de eerste graad niet kan worden uitgebreid tot pleegkinderen.

Met betrekking tot de vraag of kan worden aanvaard dat verweerder gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om eiseresses AOW-pensioen met terugwerkende kracht tot 1 juli 2006 te herzien overweegt de rechtbank het volgende.

Eiseres voerde tot 29 juni 2006 een gezamenlijke huishouding met haar echtgenoot en niet (tevens) met [betrokkene]. Door het overlijden van de echtgenoot op genoemde datum veranderde het driepersoonshuishouden in een tweepersoonshuishouden en ontstond er daardoor stante pede en zonder enig actief handelen hunnerzijds een gezamenlijke huishouding tussen eiseres en [betrokkene], zonder dat zij - ook gezien de tragische omstandigheden die met een overlijden gepaard gaan - daarop (en op de consequenties daarvan) bedacht hoefden te zijn en daaromtrent in alle vrijheid en rust een weloverwogen keuze konden maken.

Voorts kan de rechtbank verweerder niet volgen in zijn standpunt dat eiseres de krachtens artikel (15 en) 49 van de AOW op haar rustende inlichtingenplicht zou hebben geschonden. Allereerst valt niet in te zien waarom het haar redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de inwoning van haar pleegkind in het kader van de AOW vanaf 1 oktober 2005 een relevant gegeven zou kunnen zijn. Tevens gaat het te ver om haar voor de voeten te werpen dat zij niet op korte termijn na het overlijden van haar echtgenoot eigener beweging melding heeft gemaakt van de inwoning van [betrokkene]; zij had [betrokkene] immers sinds 1974 als een eigen kind opgevoed en verzorgd en ongetwijfeld bestond (en bestaat) er tussen hen een relatie als die van een ouder en een kind. Evenmin zijn de vragen op de zich in het dossier bevindende aanvraag/wijzigingsformulieren zodanig geformuleerd dat eiseres daaruit had moeten begrijpen dat zij genoemde inwoning als antwoord op een van die vragen of anderszins bij verweerder had moeten aangeven. Ook is van belang dat eiseres en [betrokkene] het vragenformulier van 2 februari 2007 kennelijk onbevangen en eerlijk hebben ingevuld, hetgeen niet wijst op enige vorm van kwade trouw.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om het AOW-pensioen met terugwerkende kracht tot 1 juli 2006 te herzien. Het bestreden besluit komt daarom - voorzover het betrekking heeft op de herziening van het AOW-pensioen - voor vernietiging in aanmerking. Het beroep dient in zoverre gegrond te worden verklaard. Bij het te nemen nieuwe besluit op bezwaar kan verweerder dat pensioen – zonder terugwerkende kracht – herzien met ingang van 1 mei 2007, zijnde de eerste dag van de maand na die waarin het primaire herzieningsbesluit is bekend gemaakt.

De rechtbank wil nog opmerken dat zij het bepaalde in artikel 17a van de AOW hier buiten beschouwing laat. Het eerste lid van dat artikel spreekt over herziening of intrekking van “een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen en terzake van weigering van een ouderdomspensioen”. Een dergelijk besluit is hier niet aan de orde aangezien het besluit van 18 juli 2006 een herzieningsbesluit was. Genoemd artikel 17a is dus, wat de wetgever met dit artikel ook voor ogen heeft gestaan, in het onderhavige geval hoe dan ook niet aan de orde. Overigens doet dat artikel niets toe of af aan de krachtens ongeschreven recht bestaande bevoegdheid van een bestuursorgaan om ten onrechte verleende uitkering met terugwerkende kracht te herzien, mits daarbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden nageleefd. Zoals uit het bovenstaande blijkt heeft de rechtbank het bestreden besluit in dit laatste kader beoordeeld.

De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat door de Sociale verzekeringsbank aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad € 39,00 dient te worden vergoed.

Naar aanleiding van hetgeen de gemachtigde van eiseres aan het slot van zijn beroepschrift heeft gevorderd wil de rechtbank vermelden dat het in het kader van dit geding niet mogelijk is om “alle besluiten genomen door de SVB te vernietigen”. Met name kunnen genoemde terugvordering en boete-oplegging in dit geding niet inhoudelijk worden besproken. Het namens eiseres gedane verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen omdat thans te weinig gegevens voorhanden zijn om de gestelde schade te kunnen vaststellen. Er zijn evenmin gronden voor een proceskostenveroordeling.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- vernietigt het bestreden besluit voorzover het betrekking heeft op de herziening van het AOW-pensioen;

- verklaart het beroep in zoverre gegrond;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- wijst het verzoek om een schadevergoeding af;

- gelast de Sociale verzekeringsbank aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ad € 39,00.

Aldus gedaan door mr. A.W. Govers als rechter in tegenwoordigheid van E.H.J.M.T. van der Steen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2008.

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: