Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD9816

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-08-2008
Datum publicatie
12-08-2008
Zaaknummer
01/841671-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis. Een maand gevangenisstraf voorwaardelijk voor twee inbraken.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandighed dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten sterk verminderd toerekeningsvatbaar was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/841671-07

Datum uitspraak: 12 augustus 2008

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

wonende te [woonplaats] [adres]

thans gedetineerd te: PI Vught - Nw Vosseveld 2 IBA/FSU.

Het onderzoek van de zaak.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 juli 2008.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op basis van onderstaande tenlastelegging, aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 februari 2008. Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 12 augustus 2002 tot en met 13 augustus 2002 te

's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een (bedrijfs)pand gelegen aan de (adres) heeft weggenomen een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming te weten door het verbreken van een of meer deuren en/of het stukmaken van een of meer ruiten;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 30 augustus 2002 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit [slachtoffer 2] (gelegen aan (straat)) weg te nemen goederen van zijn/hunner gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot dat sportcentrum te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen van zijn/hunner gading onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen een lichtkoepel heeft/hebben stuk gemaakt en/of glas van een deur heeft/hebben vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 311 en 45 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 26 maart 2002 te Leerdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden en/of kleding, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming te weten door het stuk maken van een tuindeur;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vordering worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De processtukken.

De voor deze strafzaak relevante processtukken zijn:

* Het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant-Noord, District Den Bosch, met dossiernummer PL2116/07-016891, afgesloten d.d. 30 augustus 2007, aantal doorgenummerde pagina’s: 56 [hierna verder genoemd: p.v.];

* Het dossier van de rechter-commissaris bekend onder RC-nummer 07/2205, inhoudende een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte weergegeven in een dubbelrapportage van het Pieter Baan Centrum van 18 juli 2008 [hierna verder genoemd: dossier RC];

* Het onderzoek van de terechtzitting van 29 juli 2008.

De bewijsmotivering.

Het standpunt van de officier van justitie.

Ik ben van mening dat de drie feiten wettig en overtuigend zijn bewezen, gelet op de inhoud van de processen-verbaal van aangifte, het aantreffen van een dna-spoor van verdachte op de plaats van het delict en de verklaring van verdachte bij de politie, dat het best zou kunnen dat hij de feiten gepleegd heeft.

Het standpunt van de verdediging.

Vanaf 1999 wordt gesproken van paranoia en van vreemde gedragingen van verdachte. De dubbelrapportage1 geeft aan dat het waarschijnlijk is dat de schizofrene stoornis ook al toen aanwezig was en het is onwaarschijnlijk dat de chronisch psychotische stoornis geen enkele invloed heeft gehad op het functioneren van verdachte in 2002, waarbij nog aangedragen wordt dat verdachte veel sporen heeft nagelaten, weinig planmatig te werk is gegaan, waarschijnlijk veroorzaakt door het gebrek aan overzicht van verdachte. In zijn verklaring van 13 augustus 2007 geeft verdachte ook aan zich herhaaldelijk te verwonden bij inbraken en door zijn paranoia te moeten stelen.

Hieruit moet naar de mening van de verdediging de conclusie worden getrokken dat met betrekking tot de inbraken van enig inzicht in zijn daden en de gevolgen daarvan bij verdachte niet blijkt.

Bij verdachte ontbrak bij het plegen van de inbraken de opzet, in deze gevallen het oogmerk, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder 1, onder 2 en onder 3.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht het tenlastegelegde onder 2 niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte verklaart hieromtrent dat hij paranoia was, op het dak is geklommen, door het dak van de sportschool is geklommen en via de sportschool weer naar buiten is gegaan2. Aangever verklaart dat er niets is weggenomen. Op basis van de verklaringen van verdachte en aangever kan de tenlastegelegde poging tot inbraak niet worden bewezen.

De rechtbank is van oordeel dat, anders dan de verdediging heeft bepleit, verdachte het opzet heeft gehad bij het plegen van het tenlastegelegde onder 1 en onder 3. Aangever [persoon 1] heeft namens [slachtoffer 1] aangifte gedaan van een bedrijfsinbraak. De dader heeft een toegangsdeur van een kantoor ingetrapt en een paar potjes met muntgeld weggenomen. De dader heeft van een ander kantoor de ruit ingeslagen en een geldkistje met daarin een geldbedrag weggenomen3. In het pand is bloed aangetroffen, waarvan het dna-profiel is opgeslagen en waarvan later een match heeft plaatsgevonden met het dna van verdachte4. [slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan van een woninginbraak waarbij diverse sieraden en kleding is weggenomen. Tevens mist aangever een oud model groene koffer. De dader is de woning binnen gegaan na het inslaan van een ruit van de tuindeur5. Voorts is door een getuige gezien dat een man in de tuin van aangever is geweest. Even later zag zij die man lopen met een vrouw, waarbij verdachte een groene lederen koffer en de vrouw drie plastic tasjes bij zich droeg. Deze man en vrouw hoorden volgens haar echt bij elkaar6. In de woning van aangever is bloed aangetroffen, waarvan het dna-profiel is opgeslagen en waarvan later een match heeft plaatsgevonden met het dna van verdachte7.

Verdachte heeft verklaard dat hij welbewust de inbraken gepleegd om zijn middelengebruik te kunnen bekostigen8.

De rechtbank acht dan ook het onder 1 en onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en in samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van feit 1.

in de periode van 12 augustus 2002 tot en met 13 augustus 2002 te 's-Hertogenbosch, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een (bedrijfs)pand gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, te weten door het verbreken van een deur en het stukmaken van een ruit.

Ten aanzien van feit 3.

hij omstreeks 26 maart 2002 te Leerdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden en kleding, toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben

verschaft door middel van braak, te weten door het stuk maken van een tuindeur.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte:

Het standpunt van de verdediging.

Gelet op de chronische psychotische stoornis van verdachte acht de verdediging verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar, zodat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.

Namens de verdediging is in dit verband verwezen naar de dubbelrapportage van het Pieter Baan Centrum van 18 juli 2008.

De officier van justitie is van mening dat verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde niet volledig ontoerekeningsvatbaar was.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende redenen naar voren zijn gekomen dat verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was. Het onderzoek van het Pieter Baan Centrum was niet in het bijzonder gericht op de in deze strafzaak aan de orde zijnde feiten.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging. Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

De strafmotivering.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de feiten 1,2 en 3 vordert de officier van justitie een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat aan verdachte geen straf wordt opgelegd, omdat hij een beroep kan doen op een schulduitsluitingsgrond.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte werd terzake van strafbare feiten soortgelijk aan de door hem gepleegde feiten blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister reeds eerder veroordeeld.

Het rapport van het Pieter Baan Centrum houdt onder meer zakelijk weergegeven in:

‘Vanaf 1999 wordt voor het eerst gedurende betrokkene’s detentie gerapporteerd dat betrokkene achterdochtig en niet voor rede vatbaar is. In 2004 wordt in het penitentiair dossier vermeld dat hij zich verward gedraagt. Tijdens zijn detentie in 2004 werd hij gezien door een psycholoog die vond dat betrokkene paranoïde gedachten had en werd hij door een FPD-psychiater omschreven als een man met een paranoïde psychotisch toestandbeeld. Gedacht werd aan een drugsgeïndiceerde psychose of een schizofrene ontwikkeling.

Bij betrokkene is sprake van een schizofrene stoornis waarbij de samenhang in het denken, tussen waarneming en gedachten en tussen emoties en gedachten, in ernstige mate is afgenomen. Betrokkene is chronisch psychotisch.

Het is waarschijnlijk dat de schizofrene stoornis ook in 2002 al aanwezig was. Het is onwaarschijnlijk dat de chronisch psychotische stoornis geen enkele invloed heeft gehad op het functioneren van betrokkene. Opvallend is dat betrokkene veel sporen heeft achtergelaten bij alle drie de feiten en dat hij weinig planmatig te werk is gegaan, hetgeen waarschijnlijk veroorzaakt is door het gebrek aan overzicht van betrokkene.’

De rechtbank is op basis van de inhoud van het dossier en de inhoud van de rapportage van het Pieter Baan Centrum van oordeel dat verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sterk verminderd toerekeningsvatbaar was.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt, de rechtbank verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar houdt en de rechtbank verdachte voor één van de tenlastegelegde feiten vrijspreekt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 57, 63, 310, 311.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

T.a.v. feit 3:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. feit 2:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

T.a.v. feit 1, feit 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.J.H. van Dellen, voorzitter,

mr. A.F. van Hoorn en mr. W. Overbosch, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 12 augustus 2008.

Mr. W. Overbosch is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Pagina 54 NIFPP rapport 18 juli 2008

2 Zie p.v. pagina 54

3 Zie p.v. pagina 12

4 Zie p.v. 15 en 21

5 Zie p.v. pagina 38 en 39

6 Zie p.v. pagina’s 51 en 52

7 Zie p.v. pagina’s 42 en 48

8 Zie p.v. pagina 55