Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD9369

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
01/849348-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2009:BK7071, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis: uitvoerige bewijs- en strafoverwegingen van de rechtbank.

Medepleger van moord, brandstichting en het verbranden van een lijk in Oploo is bestraft met een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek van voorarrest. De benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849348-07

Datum uitspraak: 6 augustus 2008

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

thans gedetineerd in P.I. Vrouwen, Breda te Breda.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 februari 2008, 25 april 2008 en 23 juli 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 januari 2008. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 6 februari 2008 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht [bijlage 1]. Met inachtneming van deze wijziging is aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 15 mei 2007 tot en met 16 mei 2007 te Oploo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en/of met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) met dat opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg

- een capuchon (van een regenjas) gepakt en/of deze capuchon op/over de mond en/of neus, althans over het gezicht en/of hoofd van deze [slachtoffer] geplaatst en/of (met kracht) aangetrokken, en/of deze capuchon (gedurende enige tijd) op deze wijze vastgehouden; en/of

- (met kracht) met een of meer hand(en) de hals van deze [slachtoffer] dichtgeknepen, althans samendrukkend geweld gebruikt op de hals van deze [slachtoffer]; en/of

- (met kracht) een kussen op het gezicht van deze [slachtoffer] gedrukt;

tengevolge waarvan deze [slachtoffer] is overleden;

[artikel 289/287 Wetboek van Strafrecht]

2.

zij in of omstreeks de periode van 15 mei 2007 tot en met 16 mei 2007 te Oploo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning gelegen aan de [adres], immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) toen aldaar opzettelijk, in een slaapkamer van die woning

- een of meer brandbare (vloei)stof(fen) gesprenkeld op en/of nabij een of meer voorwerp(en) en/of de vloer(bedekking) van die slaapkamer, en/of op en/of nabij het in de slaapkamer gelegen stoffelijk overschot van [slachtoffer]; en/of

- een raam van die slaapkamer open gezet; en/of

- (met behulp van een aansteker) de in die slaapkamer aanwezige televisie en/of gordijnen en/of vloerbedekking en/of bed, althans een of meer (besprenkelde) voorwerp(en), en/of het stoffelijk overschot van [slachtoffer], in brand gestoken, althans open vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen) en/of (een) brandbare voorwerp(en), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten die (gehele) woning en de daarin aanwezige goederen, te duchten was;

[artikel 157 Wetboek van Strafrecht]

3.

zij in of omstreeks de periode van 15 mei 2007 tot en met 16 mei 2007, te Oploo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer], heeft verbrand, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) in een slaapkamer van de woning aan de [adres], alwaar zich het

stoffelijk overschot van [slachtoffer] bevond

- een of meer brandbare (vloei)stof(fen) gesprenkeld op en/of nabij een of meer voorwerp(en) en/of de vloer(bedekking) van die slaapkamer, en/of op en/of nabij het in de slaapkamer gelegen stoffelijk overschot van [slachtoffer]; en/of

- een raam van die slaapkamer open gezet; en/of

- (met behulp van een aansteker) de in die slaapkamer aanwezige televisie en/of gordijnen en/of vloerbedekking en/of bed, althans een of meer (beprenkelde) voorwerp(en), en/of het stoffelijk overschot van [slachtoffer], in brand gestoken, althans open vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen) en/of (een) brandbare voorwerp(en), ten gevolge waarvan het stoffelijk overschot van deze [slachtoffer] (gedeeltelijk) is verbrand;

[artikel 151 Wetboek van Strafrecht]

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vordering worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Verhoren politie.

De raadsman heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat een zeer groot deel van de daadwerkelijk door verdachte afgelegde verklaringen in haar verhoor van 12 november 2007 aanvankelijk volstrekt niet in het proces-verbaal van dat verhoor waren opgenomen. Naar het standpunt van de raadsman zijn essentiële onderdelen van het verhoor van verdachte weggelaten. De raadsman heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte waardoor haar recht op een eerlijke behandeling van haar zaak is tekortgedaan. De raadsman heeft hieromtrent geconcludeerd dat dit verzuim van vormen in elk geval dient te worden verdisconteerd in de strafmaat.

De rechtbank is in tegenstelling tot de raadsman van oordeel dat er in de onderhavige zaak geen sprake is geweest van verzuim van vormen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank merkt hierbij op dat in het dossier telkens is aangegeven dat de processen-verbaal van de verhoren geen woordelijke weergaven, doch slechts samenvattingen betroffen. Lezing van de woordelijke weergave van genoemd verhoor, zoals dit op verzoek van de verdediging is opgemaakt door de politie, leidt ook niet tot de conclusie dat in de samenvattingen van de verhoren met het oog op de beoordeling van de zaak essentiële delen zijn weggelaten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte door voornoemde werkwijze niet in haar belang is geschaad. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

De bewijsmiddelen.

De voor de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn:

* het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant-Noord, Team Grootschalige Opsporing, met kenmerk PL2156/07-016407, afgesloten d.d. 22 januari 2008, aantal doorgenummerde bladzijden: 972 [hierna: p.v.];

* het woordelijk verslag van het verhoor van verdachte bij de politie van 12 november 2007 [hierna: verbatimverslag];

* de verklaring van verdachte zoals deze is afgelegd ter terechtzitting van 23 juli 2008;

* het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt en ondertekend d.d. 7 augustus 2007 door dr. B. Kubat [hierna: obductieverslag];

* het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut [onderzoek naar brandversnellende middelen n.a.v. brand te Oploo op 16 mei 2007], opgemaakt en ondertekend d.d. 11 juli 2007 door ing. Peschier [hierna: Peschier];

* de verklaringen van [persoon 1], huisarts, en [persoon 2], huisartschauffeur afgelegd op 12 maart 2008 ten overstaan van de rechter-commissaris.

De vaststaande feiten.

Woensdag 16 mei 2007 om ongeveer 1.30 uur uur meldt [medeverdachte] telefonisch dat hij en zijn vriendin [verdachte] (= verdachte) bij de woning aan de [adres] te Oploo zijn, dat er brand in die woning is en dat [slachtoffer] nog in die woning aanwezig is.1

Politie en brandweer gaan naar de woning. In de woning wordt in een slaapkamer op de begane grond een verbrand c.q. verkoold lichaam van een overleden persoon aangetroffen. Later wordt vastgesteld dat het [slachtoffer] betreft.2 Hij is 52 jaar oud geworden.

Verdachte en [medeverdachte] worden diezelfde nacht om ongeveer 3.30 uur als getuigen gehoord (in het politiebureau te [plaats]).3 Beiden verklaren o.m. over hetgeen er vanaf dinsdag 15 mei 2007 omstreeks 17.00 uur (toen arriveerden zij in de woning) is gebeurd. Onderdeel daarvan is dat zij omstreeks 23.00 uur naar de woning van [medeverdachte] in Eindhoven zijn gereden, maar dat ze zijn teruggereden naar Oploo omdat ze hondenbrokken waren vergeten. Ongeveer om 1.15 uur waren ze terug in Oploo en daar bleek brand in de slaapkamer van [slachtoffer] te zijn, waarop [medeverdachte] 112 heeft gebeld.

Vanaf eind mei / begin juni 2007 worden verdachte en [medeverdachte] als verdachten aangemerkt (artt. 289/287 en 157 Sr) en is jegens hen een aantal bijzondere opsporingsmiddelen toegepast.4

Het deskundigenrapport van ing. Peschier5 vermeldt o.m.:

- in de brandresten die onder en op het lichaam van [slachtoffer] zijn aangetroffen [bm-02 en bm-03] is een aardolieproduct aangetoond; de samenstelling duidt op een product van subklasse terpentine;

- in de brandrest bm-02 zijn tevens stoffen aangetoond (o.m. ethanol) die afkomstig kunnen zijn van brandspiritus;

- in de op de vloer van de slaapkamer aangetroffen brandspiritusfles [bm-04] zijn stoffen aangetoond (o.m. ethanol) die afkomstig kunnen zijn van brandspiritus;

- in het op de vloer van de slaapkamer aangetroffen flesje [bm-05] is een aardolieproduct aangetoond; de samenstelling duidt op een product van subklasse terpentine.

Het obductieverslag vermeldt als bevindingen o.m.:

2) CO-gehalte in het bloed 7%6, geen cyanide in het bloed7, geen aanwijzingen voor inademing van roet;

3) breuk van beide grote hoornen van het strottenhoofd, breuk van de grote hoorn van het tongbeen links;

4) bloeduitstortingen in de weke delen rond de grote hoornen van het strottenhoofd.

Wetenschappelijke beoordeling:

De bevindingen sub 3 en 4 waren het gevolg van bij leven opgetreden uitwendig mechanisch samendrukkend of botsend geweld op de hals, zoals kan optreden bijvoorbeeld door wurghandelingen of een val of een slag op de hals. De bevindingen sub 2 tonen aan dat het slachtoffer ten tijde van de brand niet ademde en dus niet in leven was.

Het is vrijwel zeker dat het slachtoffer ten tijde van het uitbreken van de brand reeds was overleden.

Het is niet aan te geven hoe lang vóór het overlijden het geweld op de hals heeft plaatsgevonden, waarbij de mogelijke tijdspanne maximaal uren bedraagt. In het algemeen leidt botsend geweld op de hals (bijvoorbeeld een val of een slag) eventueel wel tot letsels maar niet tot overlijden. Het is niet noodzakelijk dat derden de gevolgen van een dergelijk geweld op de hals aan de betrokkene merken. Samendrukkend geweld op de hals (een wurghandeling) kan leiden tot het overlijden door belemmering van zuurstoftoevoer aan onder andere de hersenen. Het is in het voorliggende geval niet aan te geven welk type geweld op de hals heeft plaats gevonden en of dit geweld tot het overlijden heeft geleid. Gezien echter het ontbreken van een andere, mogelijke doodsoorzaak is het zeer wel mogelijk dat dit geweld het overlijden heeft veroorzaakt.

Conclusie:

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer], geboren [geboortedatum] 1955, werd geen anatomische en geen toxicologische doodsoorzaak gevonden. Verstikking ten gevolge van samendrukkend geweld op de hals (wurging) dient echter als doodsoorzaak te worden overwogen.

Uit de verklaringen van verdachte en [medeverdachte]8 kunnen voorts als vaststaande feiten worden vermeld:

op 15 mei 2007 arriveerden zij aan het einde van de middag in de woning aan de [adres] te Oploo. De vader van verdachte, [slachtoffer], bleek toen wederom dronken te zijn en nadien bleek bovendien dat hij bierflesjes tegen de computer van verdachte had stukgeslagen of -gegooid. Toen zij hem daar op aanspraken greep hij verdachte bij de keel. Voor verdachte en [medeverdachte] was de maat vol en zij wensten dat [slachtoffer] onmiddellijk in een kliniek zou worden opgenomen. Dat lukte, ondanks een consult van de dienstdoende arts van de huisartsenpost, echter niet.9 Toen na het vertrek van de arts [slachtoffer] zich onwillig en onredelijk bleef gedragen, heeft aan het einde van de avond [medeverdachte] een capuchon van een regenjas over het gezicht van [slachtoffer] getrokken en heeft verdachte een kussen tegen het gezicht van haar vader gedrukt. [medeverdachte] heeft hierna met zijn rechterhand de keel van [slachtoffer] bij het strottenhoofd nog dichtgeknepen. Het levenloze lichaam van [slachtoffer] bleef daarna op de slaapkamervloer liggen. De capuchon heeft [medeverdachte] later doen verdwijnen.

Vervolgens hebben verdachte en [medeverdachte] in overleg met elkaar enkele voorwerpen in de slaapkamer, de vloerbedekking aldaar en het stoffelijk overschot van [slachtoffer] overgoten met brandbare stoffen en een en ander in brand gestoken.

Daarna zijn zij met de auto van [medeverdachte] in de omgeving van Oploo rond gaan rijden en zijn zij nog tweemaal naar de woning teruggekeerd. [medeverdachte] is beide keren binnengeweest teneinde de voortgang van de brand te bezien. Tijdens één van die bezoeken heeft hij met zijn mobiele telefoon een foto- en een filmopname van de brand gemaakt. De tweede keer heeft hij uiteindelijk het alarmnummer 112 gebeld.

De overwegingen met betrekking tot het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan hetgeen aan haar onder feit 1 impliciet primair (kort gezegd: medeplegen moord [slachtoffer]), feit 2 (kort gezegd: medeplegen opzettelijke brandstichting woning [adres] Oploo) en feit 3 (kort gezegd: medeplegen verbranden lijk [slachtoffer]) is tenlastegelegd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft ten eerste aangevoerd dat er in het onderhavige geval bij verdachte geen sprake is geweest van voorbedachten rade op de levensberoving van [slachtoffer]. Voorts is er naar het standpunt van de raadsman geen sprake geweest van medeplegen van moord dan wel doodslag, nu de uitvoeringshandelingen van verdachte met het kussen niet hebben geleid tot het verstikken van voornoemd slachtoffer. Op deze gronden heeft de raadsman ten aanzien van hetgeen aan verdachte onder feit 1 is tenlastegelegd vrijspraak bepleit. Ten aanzien van hetgeen aan verdachte onder feit 3 is tenlastegelegd (medeplegen van onttrekking van aan lijk aan nasporing) heeft de raadsman eveneens tot vrijspraak geconcludeerd, nu er naar het standpunt van de verdediging in het onderhavige geval geen sprake is geweest van verbranding in de zin van artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, nu verdachte dit feit gaaf en onvoorwaardelijk heeft bekend.

Het oordeel van de rechtbank.

Door de rechtbank gebezigde verklaringen van verdachte en [medeverdachte].

De rechtbank constateert dat door verdachte en [medeverdachte] vele uiteenlopende en wisselende verklaringen zijn afgelegd met betrekking tot hetgeen zich in de avond en nacht van 15 op 16 mei 2007 daadwerkelijk heeft afgespeeld. De rechtbank zal zich derhalve eerst dienen uit te laten welke verklaringen van verdachte en [medeverdachte] zij zal bezigen voor het bewijs.

Verdachte heeft (als verdachte) met betrekking tot de feiten in totaal 8 verklaringen afgelegd bij de politie. [medeverdachte] is in totaal 12 maal als verdachte verhoord. In eerste instantie heeft verdachte verklaard dat de dood van haar vader een ongeluk was. Naarmate de verhoren vorderden heeft verdachte steeds meer openheid van zaken gegeven; zij ontkende echter in eerste instantie haar betrokkenheid bij de dood van haar vader. [medeverdachte] heeft aanvankelijk zich grotendeels beroepen op zijn zwijgrecht of de feiten ontkend. Ook hij heeft pas in een later stadium meer openheid van zaken willen geven.

Naar het oordeel van de rechtbank bevatten deze in het eerdere stadium afgelegde verklaringen veel tegenstrijdigheden en zijn er voorts door verdachten een aantal aantoonbare onjuistheden verteld. Deze verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank dusdanig inconsequent en tegenstrijdig, dat de rechtbank deze verklaringen ongeloofwaardig acht.

Verdachte en [medeverdachte] zijn op 12 en 13 november 2007 voor de laatste keer bij de politie verhoord. In tegenstelling tot hun eerdere verklaringen acht de rechtbank deze verklaringen voor wat betreft de feitelijke toedracht zoals die zich in de keuken en de slaapkamer heeft afgespeeld wèl consistent en derhalve betrouwbaar. De verklaringen van de verdachte en [medeverdachte] stemmen op essentiële punten met elkaar overeen. Naar het oordeel van de rechtbank worden door hen afzonderlijk en spontaan opvallende details genoemd. Gelet op de betrouwbaarheid van deze verklaringen zal de rechtbank uitgaan van de juistheid ervan en deze verklaringen bezigen voor het bewijs ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten.

Relevante feiten en omstandigheden; feitelijke toedracht.

Het overleg tussen verdachte en [medeverdachte] aan de keukentafel.

Verdachte heeft op 12 november 2007 verklaard dat zij en [medeverdachte] op 15 mei 2007, laat in de avond, aan de keukentafel zaten en aldaar met elkaar hebben gesproken over de levensberoving van [slachtoffer].10 Verdachte heeft over dat overleg verklaard dat zij aan de keukentafel tegen [medeverdachte] zei ‘[i]k zou ons pap naar god toe brengen en dan kan hij zijn strijd daar verder gaan’. Kort daarna heeft verdachte aan [medeverdachte] gevraagd ‘zullen we dat doen of niet?’.11 Op 13 november 2007 heeft zij verklaard dat ze aan de keukentafel tegen [medeverdachte] heeft gezegd dat die vent echt kapot moest.12 Hiermee werd [slachtoffer] bedoeld. [medeverdachte] heeft op 12 november 2007 verklaard dat hij en verdachte in de keuken voor het eerst het erover hadden dat zij van [slachtoffer] afwilden. [medeverdachte] heeft voorts verklaard dat [verdachte] met het idee kwam dat [slachtoffer] dood moest.13 [medeverdachte] heeft dit op 13 november 2007 herhaald14 en verdachte heeft dit bevestigd.15 Verdachte heeft hieromtrent voorts nog verklaard dat [medeverdachte] aan de keukentafel tegen haar heeft gezegd dat hij misschien wel een idee had hoe ze dat konden doen.16 Beide verdachten overlegden aan de keukentafel dat ze het op een ongeluk17 of zelfmoord18 wilden laten lijken. Op het moment dat verdachte en [medeverdachte] overlegden aan de keukentafel bevond [slachtoffer] zich in zijn slaapkamer.19

Het zich verplaatsen van de keuken naar de slaapkamer van [slachtoffer].

Vervolgens is verdachte naar de slaapkamer van [slachtoffer] gegaan.20 Daarna kwam [medeverdachte] naar de slaapkamer toe en zei tegen verdachte dat hij de capuchon van een regenjas had afgescheurd. Op het moment dat verdachte naar de slaapkamer liep zei [medeverdachte] ‘hou ‘em daar’ tegen verdachte.21 [medeverdachte] heeft verklaard dat hij alvorens hij naar de slaapkamer van [slachtoffer] liep hij een capuchon heeft gepakt. Hij heeft verklaard dat hij het doel had om [slachtoffer] te laten stikken en dat hij een capuchon pakte omdat deze geen lucht doorlaat.22 Volgens de verklaring van [medeverdachte] bevond verdachte zich op het bed in de slaapkamer van [slachtoffer]. [slachtoffer] bevond zich aan de linkerzijde van het bed.23 Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij tegen de linkermuur van de slaapkamer stond en dat [medeverdachte] op dat moment met de capuchon in zijn hand haar voorbij liep en achter haar vader ging staan of zitten.24 [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte op dat moment oogcontact met hem maakte.25

De levensberoving van [slachtoffer].

Vervolgens pakte [medeverdachte] de capuchon met beide handen vast en sloeg de capuchon van achteren over het hoofd en gezicht [van slachtoffer]. [medeverdachte] trok de capuchon stevig aan ten gevolge waarvan [slachtoffer] naar achteren tussen de benen van [medeverdachte] viel. [medeverdachte] heeft voorts verklaard dat hij op die manier [slachtoffer] wilde laten stikken, zodat [slachtoffer] geen lucht meer kreeg.26 Verdachte heeft hieromtrent verklaard dat op het moment dat [medeverdachte] de capuchon over de mond van [slachtoffer] hield, zij een kussen van het bed pakte en dit kussen ongeveer 30 seconden à 1 minuut tegen de mond van [slachtoffer] gedrukt hield.27 Ter terechtzitting heeft verdachte dit afgezwakt door te stellen dat zij dit slechts enkele seconden heeft gedaan.28 [medeverdachte] heeft op 12 november 2007 verklaard dat hij na het loslaten van de capuchon nog een zuigend geluid uit de keel van [slachtoffer] hoorde. [medeverdachte] heeft hierop met zijn rechterhand de keel van [slachtoffer] bij het strottenhoofd nog ongeveer 10 seconden dichtgeknepen.29 Hij heeft deze verklaring op 13 november 2007 herhaald.30 De rechtbank merkt hierbij op dat uit het obductieverslag is gebleken dat de beide grote hoornen van het strottenhoofd en de grote hoorn van het tongbeen links van het slachtoffer waren gebroken31, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank past bij de verklaring van [medeverdachte] dat hij de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen; het enkel verstikken door de capuchon had dergelijk letsel niet teweeg kunnen brengen. Op het moment dat [slachtoffer] niets meer deed, heeft [medeverdachte] hem op de grond gelegd.32 Beide verdachten hebben verklaard dat zij op dat moment een ‘knoek’ c.q. het knakken van de nek van het slachtoffer hebben gehoord.33

De brandstichting.

Vervolgens hebben verdachte en [medeverdachte] het erover gehad om de boel in brand te steken.34 Verdachte heeft verklaard dat zij voorstelde de slaapkamer in brand te steken, teneinde het op een zelfmoord te laten lijken.35 Vervolgens is [medeverdachte] naar de badkamer gelopen om after shave te pakken. Deze after shave heeft hij op de televisie in de slaapkamer gesproeid met de bedoeling om deze in brand te steken. Verdachte en [medeverdachte] hebben verder gezocht naar brandbare stoffen. In het waslokaal werden drie witte flessen met brandbare stof gevonden.36 [medeverdachte] heeft een fles terpentine gepakt.37 In de schuur werd nog een fles gevonden en verdachte heeft daar de verfrollen en kwasten gepakt. Verdachte pakte deze om te doen voorkomen alsof [slachtoffer] bezig was met schilderwerkzaamheden in zijn slaapkamer.38 Nadat beide verdachten de spullen uit de schuur hadden gepakt, zijn zij terug naar de slaapkamer van [slachtoffer] gegaan. [medeverdachte] heeft daar met de flessen gesprenkeld, bij de kast, op de grond bij de televisie, midden in de slaapkamer op de grond, een beetje over het bed, rondom [slachtoffer] en op [slachtoffer]. De flessen brandbare stof, alsmede de verfrollen en verfkwasten werden achtergelaten in de slaapkamer.39 Vervolgens heeft [medeverdachte] een raam in de slaapkamer opengezet voor zuurstof.40 Verdachte bevond zich toen in de slaapkamer, maar zij heeft zich na het besprenkelen door [medeverdachte] omgedraaid.41 Vervolgens heeft [medeverdachte] met een aansteker de televisie, de gordijnen bij het raam achter de televisie, de vloerbedekking in het midden van de slaapkamer, het bed en de vloerbedekking rond [slachtoffer] in brand gestoken.42 Uit het deskundigenrapport van ing. Peschier is gebleken dat in de brandresten terpentine is aangetroffen en (mogelijk) brandspiritus.43

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1.

Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte en [medeverdachte] bewust hebben gehandeld en dat hun daad het gevolg is geweest van voorafgaand overleg en een te voren genomen besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte in het tijdsverloop tussen het besluit en de uitvoering tijd gehad zich te beraden over het besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat zij over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad heeft kunnen nadenken en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Naar vaste jurisprudentie levert dit op een kalm beraad en rustig overleg, zodat er sprake is van voorbedachten rade.

Voorts is er naar het oordeel van de rechtbank gelet op de hierboven weergegeven gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht sprake van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering met de medeverdachte, dat dit kan worden aangemerkt als medeplegen. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat voor het bewijs van medeplegen irrelevant is de vraag of het drukken van het kussen door verdachte op het gezicht van het slachtoffer uiteindelijk heeft bijgedragen aan de dood. In het onderhavige geval staat vast dat verdachte – door het drukken van het kussen op de mond van het slachtoffer, terwijl deze reeds werd verstikt door de capuchon – actief heeft meegedaan met de levensberoving van het slachtoffer. Verdachte heeft zich hiervan in het geheel niet gedistantieerd. Het enkele feit dat verdachte ter terechtzitting haar verklaring heeft gewijzigd in de zin dat zij slechts enkele seconden het kussen over de capuchon op de mond van haar vader heeft gehouden, doet aan het voorgaande niets af.

Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte hetgeen aan haar onder feit 1 impliciet primair is tenlastegelegd heeft begaan zoals hierna bewezen is verklaard. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3.

Alvorens in te gaan op het verweer van de raadsman stelt de rechtbank vast dat het zeker is, dat het slachtoffer ten tijde van het uitbreken van de brand reeds was overleden en dat er aldus sprake was van een lijk.44

Naar het oordeel van de rechtbank strekt artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht ertoe handelingen tegen te gaan, die – voor zover te dezen van belang en toegepast op de voorliggende casus – beogen te verhelen wat de doodsoorzaak is geweest.

Het artikel noemt als één van de daarvoor in aanmerking komende handelingen ‘verbranden’. Naar het oordeel van de rechtbank behoeft het verhelen niet op een dusdanige manier te geschieden, dat er nimmer sporen van een lijk terug te vinden zijn. Dit geldt immers ook niet voor andere in genoemd artikel opgesomde handelingen zoals begraven, verbergen en wegvoeren. In het onderhavige geval was het stoffelijk overschot van het slachtoffer ernstig verbrand en in vergaande mate verkoold.45 Naar het oordeel van de rechtbank is er in het onderhavige geval aldus sprake geweest van verbranding in de zin van artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank hetgeen aan verdachte onder feit 3 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

in de periode van 15 mei 2007 tot en met 16 mei 2007 te Oploo, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en haar mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

- een capuchon van een regenjas gepakt en deze capuchon over het gezicht van deze [slachtoffer] geplaatst en met kracht aangetrokken en deze capuchon gedurende enige tijd op deze wijze vastgehouden en

- met kracht met een hand de hals van deze [slachtoffer] dichtgeknepen en

- een kussen op het gezicht van deze [slachtoffer] gedrukt

tengevolge waarvan deze [slachtoffer] is overleden;

2.

in de periode van 15 mei 2007 tot en met 16 mei 2007 te Oploo, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres], immers hebben verdachte en haar mededader toen aldaar opzettelijk, in een slaapkamer van die woning

- brandbare vloeistoffen gesprenkeld op en nabij voorwerpen en de vloerbedekking van die slaapkamer en op en nabij het in de slaapkamer gelegen stoffelijk overschot van [slachtoffer] en

- een raam van die slaapkamer open gezet en

- met behulp van een aansteker de in die slaapkamer aanwezige televisie en gordijnen en vloerbedekking en bed en het stoffelijk overschot van [slachtoffer], in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten die (gehele) woning en de daarin aanwezige goederen, te duchten was;

3.

in de periode van 15 mei 2007 tot en met 16 mei 2007, te Oploo, tezamen en in vereniging met een ander, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer], heeft verbrand, met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers hebben verdachte en haar mededader in een slaapkamer van de woning aan de [adres], alwaar zich het stoffelijk overschot van [slachtoffer] bevond

- brandbare vloeistoffen gesprenkeld op en nabij voorwerpen en de vloerbedekking van die slaapkamer en op en nabij het in de slaapkamer gelegen stoffelijk overschot van [slachtoffer] en

- een raam van die slaapkamer open gezet en

- met behulp van een aansteker de in die slaapkamer aanwezige televisie en gordijnen en vloerbedekking en bed en het stoffelijk overschot van [slachtoffer], in brand gestoken, ten gevolge waarvan het stoffelijk overschot van deze [slachtoffer] is verbrand.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

De officier van justitie heeft betoogd dat er geen sprake is van psychische overmacht. Er was geen externe drang waaraan zij redelijkerwijs geen weerstand hoefde te bieden.

Er was wel sprake van omstandigheden die op een dergelijke drang wijzen. Haar vader had die avond flesjes bier op de computer stuk geslagen en haar bij de keel gegrepen. De ingeschakelde hulpverlening had aangegeven niets te kunnen doen. Dat was een volgende teleurstelling in de lange reeks van eerdere teleurstellingen. Verdachte zal zich – gezien haar beperkte mogelijkheden om oplossingen voor problemen te vinden - machteloos, wellicht wanhopig en gekrenkt hebben gevoeld. Dat maakte het nog niet redelijk en onontkoombaar dat zij haar vader doodde.

In psychische overmacht zit ook een objectief element. In beginsel dient gekeken te worden of van een normale of gemiddelde persoon in dezelfde omstandigheden weerstand tegen die drang kan worden gevergd. Dat is hier het geval. Bij het bezoek van de arts was er al geen bedreigende sfeer meer. Volgens de psycholoog was zij rationeel goed doordrongen van het wederrechtelijke van het doden van haar vader. Er was een alternatieve weg, zoals de arts had geadviseerd: het huis verlaten en naar de flat van haar vriend gaan. De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn dan ook beide ernstig geschonden.

De raadsman heeft betoogd dat er sprake was van psychische overmacht bij verdachte, omdat zij op het moment van het strafbare handelen verkeerde in een ongewone psychische toestand, waaruit de strafbare gedraging voortkwam. Volgens de psychiater maakte verdachte een overbelaste en geparentificeerde indruk. Zij leed onder haar in huis wonende alcoholistische vader met zijn dronkemansuitspraken jegens haar. Niettemin zorgde zij voor hem en regelde zij het huishouden. Zij bemiddelde in de ruzies tussen haar ouders. Volgens de psychiater waren dat stresserende omstandigheden waarin een ‘gezond’ iemand zich al met moeite staande zou hebben gehouden. De psycholoog wijst erop dat de bewuste avond verschillende emoties een rol hebben gespeeld, waaronder de opbouwende spanningen van maanden en maanden krenking en machteloosheid. Er was dus sprake van een extreme en acute vorm van stress-situatie waaronder verdachte gebukt ging en waaraan zij uiteindelijk toegaf. Dit levert psychische overmacht op, op grond waarvan verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

De rechtbank is van oordeel dat er in ieder geval sprake was van omstandigheden die een grote drang op verdachte uitoefenden een eind te maken aan de situatie waarin zij met haar vader leefde. Door omstandigheden was zij alleen overgebleven in de woning met haar vader, die steeds meer aan de drank raakte en zich voortdurend misdroeg ten opzichte van haar. Terwijl zij, min of meer in de steek gelaten door de rest van het gezin, naast haar baan voor haar vader bleef zorgen, het huishouden bestierde, financiële en administratieve zaken regelde, stond daar geen dankbaarheid tegenover maar werd zij door haar vader voortdurend uitgescholden en miskend. Haar pogingen om haar vader bij een zorginstantie onder te brengen liepen op niets uit. Ook op de bewuste avond was haar vader verbaal en - voor het eerst - fysiek agressief tegen haar, kon de te hulp geroepen arts weer niets doen en weigerde haar vader zich door haar naar een kliniek te laten brengen. Zij moet ten einde raad zijn geweest.

De rechtbank is echter van oordeel dat die drang om een eind te maken aan de situatie waarin zij met haar vader leefde niet noodzakelijkerwijs moest lijden tot het doden van haar vader. Er waren alternatieven voorhanden. De bezoekende arts had haar geadviseerd weg te gaan naar de flat van haar vriend. Zij had zich ook met haar vriend even uit de woning kunnen terugtrekken om alles weer tot rust te laten komen. Ten slotte was haar vader in een vergaande staat van dronkenschap. Volgens de psychiater46 hebben haar zwakbegaafdheid en persoonlijkheidsstoornis met narcistisch en antisociale trekken een rol gespeeld bij het strafbare feit, maar dat levert slechts een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid op. De psycholoog deelt dat standpunt47. Verdachte heeft dus voor één van de bovengenoemde alternatieven kunnen kiezen, maar heeft dat niet gedaan. Zij besefte ook dat het doden van haar vader ontoelaatbaar was. Ter terechtzitting spreekt zij over een dubbel gevoel, enerzijds van rust - immers de bovengenoemde drang is weggevallen - maar, zo zegt zij, ‘het is toch je vader’.

Verdachte heeft tegen de bovengenoemde externe drang weerstand kunnen bieden en dat had zij ook moeten doen. Om die reden is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van psychische overmacht.

De oplegging van de straf.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht [bijlage 2].

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft geconcludeerd dat de vordering van de officier van justitie exorbitant hoog is gelet op de naar zijn mening schrijnende feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak. De raadsman heeft vooral benadrukt dat verdachte naar mate het onderzoek vorderde openheid van zaken heeft gegeven over de feiten. De mate waarover de officier van justitie in haar requisitoir zich heeft uitgelaten over met name het impliciet primair aan verdachte tenlastegelegde feit doet naar de mening van de raadsman geen enkel recht aan genoemde feiten en omstandigheden.

De overwegingen omtrent de op te leggen straf.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Verdachte heeft samen met haar toenmalige vriend (thans echtgenoot) na daarover overleg gehad te hebben haar eigen vader in de slaapkamer van de gezamenlijke woning om het leven gebracht en vervolgens deze slaapkamer en het zich daar bevindende stoffelijk overschot in brand gestoken teneinde de doodsoorzaak te verhullen. Verdachte heeft aan haar vader het kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Aan diverse nabestaanden is hierdoor onherstelbaar leed aangedaan en aan het slachtoffer is de kans ontnomen zijn leven wederom op de rails te krijgen. Tevens is door verdachte en haar vriend door de brandstichting een forse materiële schade veroorzaakt aan de woning. De feiten als de onderhavige dragen ook een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en hebben ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeg gebracht.

Daarnaast zal de rechtbank voorts rekening houden met het navolgende.

Omtrent verdachte is door [persoon 3] namens de Reclassering Nederland een milieurapportage opgesteld. Uit deze rapportage is onder meer naar voren gekomen dat er reeds jarenlang relationele problemen waren in het gezin van het slachtoffer en verdachte. Deze problemen waren grotendeels terug te voeren op de extensieve alcoholverslaving van het slachtoffer. Zijn alcoholverslaving leidde regelmatig tot verbale agressiviteit en op de avond van het tenlastegelegde zelfs tot enig fysiek geweld.

In 2003 overleed plotseling de jongere zus van verdachte, [persoon 4]. Dit overlijden had een grote impact op het gezin, maar hierover werd onderling nauwelijks gesproken met elkaar. Verdachte heeft aangegeven dat zij tot op heden de dood van haar zusje nooit echt heeft kunnen verwerken. Over en weer werd in het gezin nauwelijks nog gecommuniceerd; een ieder leidde zijn eigen leven.

De moeder van verdachte is in 2004 met de jongste zoon [persoon 5] in het buitenland gaan wonen. Uiteindelijk hebben ook de andere broers van verdachte, [persoon 6 en 7], en haar zus [persoon 9] de ouderlijke woning verlaten, hetgeen erin heeft geresulteerd dat verdachte vanaf maart 2006 alleen in de woning verbleef met haar vader. De overige gezinsleden bemoeiden zich nog maar sporadisch met verdachte en haar vader. Er was sprake van een volledig uiteengevallen gezin. Verdachte, toentertijd slechts 18 jaar jong, draaide naast haar baan in haar eentje op voor het huishouden en de zorg voor haar alcoholverslaafde vader. Zij voelde zich verantwoordelijk voor hem en heeft ook meermalen getracht hulpverlening voor hem te regelen. De voormalige werkgever van verdachte heeft verklaard dat verdachte zichzelf hieromtrent geheel wegcijferde.48 Haar vader stond voor hulpverlening in het geheel niet open en de hulpverlening is dan ook niet tot stand gekomen. De huisarts van de vader heeft hem omschreven als een persoon die volledig op zichzelf was gericht en die buiten zichzelf om niemand iets gaf.49

Uit de omtrent verdachte opgemaakte gedragsrapportages pro justitia van drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, en drs. R.H.P. Schlösser, psychiater van respectievelijk 7 april 2008 en 29 maart 2008 is gebleken dat verdachte licht zwakzinnig c.q. zwakbegaafd is en een narcistische en antisociale persoonlijkheidsstoornis heeft. Beide gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat de door verdachte gepleegde strafbare feiten in licht verminderde mate aan haar kunnen worden toegerekend. De aanvullende gedragskundige rapportages van genoemde deskundigen van respectievelijk 30 juni 2008 en 2 juli 2008 hebben niet geleid tot andere conclusies. De rechtbank zal derhalve de conclusies overnemen en deze tot de hare maken.

Op het bewezenverklaarde kan naar oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan door het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank komt echter tot een fors lichtere straf dan die de officier van justitie heeft geëist, nu de rechtbank van oordeel is dat de hierna op te leggen gevangenisstraf gelet hetgeen hiervoor is overwogen de ernst van de bewezenverklaarde feiten genoegzaam tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat gelet op de hiervoor omschreven zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van verdachte, alsmede haar jonge leeftijd een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden is.

De vordering van de [benadeelde partij].

[benadeelde partij] heeft een schriftelijke civiele vordering ingediend terzake van de erfenis (na beneficiaire aanvaarding) na verkoop van het huis aan de [adres] te Oploo. De benadeelde partij heeft verzuimd een bedrag in te vullen met betrekking tot genoemde schadepost. Ter terechtzitting van 23 juli 2008 heeft de benadeelde partij zijn civiele vordering nader toegelicht en heeft voorts mondeling gevorderd een bedrag ter hoogte van € 20.000,- voor materiële schade. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting het laatstgenoemde bedrag niet nader onderbouwd.

De officier van justitie en de raadsman hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij, nu diens vordering niet is onderbouwd met stukken en derhalve niet eenvoudig van aard is.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien deze niet is onderbouwd en reeds om die reden niet van zo eenvoudige aard is, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2].

[benadeelde partij 2] heeft een civiele vordering ingediend ter hoogte van € 653.600,-, bestaande uit € 650.000,- voor de woning gelegen aan de [adres] te Oploo en € 3.600,- voor de huur van diens eigen woning.

De officier van justitie en de raadsman hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij, nu de vordering niet is onderbouwd met stukken en derhalve niet eenvoudig van aard is.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien deze niet is onderbouwd en reeds om die reden niet van zo eenvoudige aard is, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op artikelen 10, 27, 47, 57, 151, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

medeplegen van moord

T.a.v. feit 2:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

T.a.v. feit 3:

medeplegen van een lijk verbranden, met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

T.a.v. feit 1, feit 2:

Niet-ontvankelijkverklaring van de [benadeelde partij] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte, tot op heden begroot op nihil.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter,

mr. J.J.H. Bruggink en mr. I.M. Nusselder, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier

en is uitgesproken op 6 augustus 2008,

zijnde mr. I.M. Nusselder buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Zie proces verbaal van bevindingen, p.v. blz. 348-352.

2 Samengevat opgenomen in het loop-proces-verbaal, blz. 94 en 96.

3 Zie verklaring verdachte d.d. 16 mei 2007, p.v. blz. 141-144 en verklaring [medeverdachte] d.d. 16 mei 2007, p.v. blz 147-149.

4 Zie loop-proces-verbaal blz 7 en 8.

5 Zie bijlage IV.2 van het proces-verbaal technisch sporenonderzoek.

6 [verdachte] was een roker en voor een roker is dit niet een bijzonder percentage (zie proces-verbaal technisch sporenonderzoek, bijl. IV, blz. 1).

7 Cyanide komt vrij bij de verbranding van kunststoffen. Het bed van [verdachte] had vermoedelijk een kunststof matras (loop-proces-verbaal blz. 6, alsmede proces-verbaal technisch sporenonderzoek bijl. I.5, blz 5 en bijl. IV, blz 1).

8 Zie verklaringen van beiden d.d. 12 en 13 november 2007.

9 Zie ook de verklaringen van die arts [ ] en haar chauffeur [ ]), p.v. blz. 176-179 en 186-188, alsmede hun ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaringen.

10 Zie verklaring verdachte d.d. 12 november 2007, p.v. blz. 701; verbatimverslag, blz. 172.

11 Zie verklaring verdachte d.d. 12 november 2007, p.v. blz. 701.

12 Zie verklaring verdachte d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 707.

13 Zie verklaring [medeverdachte] d.d. 12 november 2007, p.v. blz. 872.

14 Zie verklaring [medeverdachte] d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 880.

15 Zie verbatimverslag, blz. 171.

16 Zie verklaring verdachte d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 707.

17 Zie verklaring verdachte d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 707.

18 Zie verklaring verdachte d.d. 12 november 2007, p.v. blz. 687.

19 Zie verbatimverslag, blz. 171.

20 Zie verklaring verdachte d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 707.

21 Zie verklaring [medeverdachte] d.d. 12 november 2007, p.v. blz. 873.

22 Zie verklaring [medeverdachte] d.d. 12 november 2007, blz. 873 en 874.

23 Zie verklaring [medeverdachte] d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 881.

24 Zie verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 juli 2008.

25 Zie verklaring [medeverdachte] d.d. 12 november 2007, p.v. blz. 873.

26 Zie verklaring van [medeverdachte] d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 881.

27 Zie verklaring verdachte d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 708; verbatimverslag, blz. 171.

28 Zie verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 juli 2008.

29 Zie verklaring [medeverdachte] d.d. 12 november 2007, p.v. blz. 861.

30 Zie verklaring [medeverdachte] d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 881.

31 Zie obductieverslag, blz. 7.

32 Zie verklaring [medeverdachte] d.d. 13 november 2007, blz. 882.

33 Zie verklaring verdachte d.d. 12 november 2007, p.v. blz. 697 en verklaring [medeverdachte] d.d. 12 november 2007, p.v. blz. 861.

34 Zie verklaring [medeverdachte] d.d. 12 november 2007, p.v. blz. 861.

35 Zie verklaring verdachte d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 708.

36 Zie verklaring [medeverdachte] d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 882.

37 Zie verklaring verdachte d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 709.

38 Zie verklaring [medeverdachte] d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 882.

39 Zie verklaring [medeverdachte] d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 882.

40 Zie verklaring [medeverdachte] d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 883.

41 Zie verklaring verdachte d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 709.

42 Zie verklaring [medeverdachte] d.d. 13 november 2007, p.v. blz. 883.

43 Peschier, blz. 8.

44 Zie obductieverslag, blz. 7.

45 Zie obductieverslag, blz. 3.

46 Zie psychiatrische rapportage pro justitia, opgemaakt en ondertekend d.d. 29 maart 2008 door drs. R.H.P. Schlösser, psychiater, blz. 14 en 15.

47 Zie psychologische rapportage pro justitia, opgemaakt en ondertekend d.d. 7 april 2008 door drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, blz. 18 en 19.

48 Zie verklaring [persoon 10] d.d. 11 juni 2007, p.v. blz. 344.

49 Zie verklaring [persoon 11] d.d. 30 mei 2007, p.v. blz. 341.

??

??

4

Parketnummer: 01/849348-07

[verdachte]