Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD9308

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-07-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
AWB 08-824
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kapvergunning voor 265 bomen langs het traject van de N 605 en voor 290 bomen in twee LOG-gebieden in de gemeente Boekel.

Verweerder heeft in redelijkheid vergunning kunnen verlenen voor 265 bomen langs de N 605 en voor 287 bomen in de beide LOG-gebieden. Voorzover het besluit ziet op het aanmerken van bomen als kapvergunningvrij in de beide LOG-gebieden oordeelt de rechtbank dat verweerder dat onderdeel niet voldoende heeft gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/824

Uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2008

inzake

Brabantse Milieufederatie,

te Tilburg,

eiseres,

gemachtigden A.P.G. Philipse en H. Gerringa,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boekel,

verweerder,

gemachtigden mr. T.I.P. Jeltema, T.J.S. van Zutven, P. Ketelaars, R. Heins en M.A. van der Vleuten.

Procesverloop

Bij besluiten van 22 januari 2007 heeft verweerder aan Megaborn Traffic Development B.V. (hierna: vergunninghoudster) vergunning verleend voor:

1. het kappen van in totaal 355 bomen in het noordelijk landbouwontwikkelingsgebied van de gemeente Boekel (LOG-gebied Waterdelweg) in verband met het verbreden van wegen, te weten 71 bomen aan De Zijp, 28 bomen aan de Rietvenseweg, 27 bomen aan het Peelsehuis, 46 bomen aan het Bovenstehuis (Nrd), 68 bomen aan het Bovenstehuis (Zuid), 38 bomen aan de Waterdelweg en 77 bomen aan het Vosdeel;

2. het kappen van in totaal 286 bomen in het zuidelijk landbouwontwikkelingsgebied van de gemeente Boekel (LOG-gebied Venhorst), in verband met het verbreden van wegen, te weten 87 bomen aan de Hoogstraat, 88 bomen aan de Gagelstraat, 2 bomen aan de Hoekstraat, 26 bomen aan de Langstraat en 83 bomen aan de Gagelstraat (niet verhard gedeelte);

3. het kappen van 265 bomen aan de N 605 (Volkelseweg, Molenstraat, Bergstraat, Runstraat en Gemertseweg) in verband met de wegdeksanering en de ombouw van de N 605 (buiten de bebouwde kom) in opdracht van de provincie Noord-Brabant.

Tegen deze besluiten heeft eiseres bij brief van 28 februari 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 april 2007 heeft verweerder -beslissende op bezwaar- besloten tot het verlenen van een kapvergunning voor 317 bomen in beide LOG-gebieden.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 30 mei 2007 bij deze rechtbank beroep ingesteld.

Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 22 januari 2007, voor zover het betreft de kapvergunning voor bomen aan de N 605, ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 12 november 2007 het tegen het besluit van 24 april 2007 ingestelde beroep, dat zij mede heeft aangemerkt als te zijn gericht tegen het besluit van 28 augustus 2007, gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw een besluit op bezwaar te nemen.

Bij besluit van 18 december 2007 heeft verweerder de geldigheidsduur van de kapvergunningen voor de LOG-gebieden en voor de N605 verlengd tot één jaar na het onherroepelijk worden van de kapvergunningen.

Bij besluit van 24 januari 2008 heeft verweerder na heroverweging, het bezwaar tegen de kapvergunningen alsnog ongegrond verklaard en de bestreden kapvergunningen voor 290 bomen in de LOG-gebieden en 265 bomen langs de N 605 in stand gelaten.

Het tegen de verlenging van de geldigheidsduur van de kapvergunningen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 15 april 2008, verzonden 17 april 2008 ongegrond verklaard.

Het hiertegen ingestelde beroep is behandeld ter zitting van 27 juni 2008 waar eiseres is verschenen bij gemachtigden. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de gemachtigden. Vergunninghoudster die bij brief van 6 maart 2008 door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld om als belanghebbende aan het geding deel te nemen, heeft hier niet op gereageerd en is niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader – voor zover hier relevant – is als volgt.

Van toepassing is Hoofdstuk 4 “Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente” van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Boekel 2006 (hierna: APV).

Ingevolge artikel 4.5.2., eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van verweerder houtopstand te vellen of te doen vellen.

Het tweede lid van dat artikel luidt als volgt:

Het verbod geldt uitsluitend voor bomen die:

a. voorkomen op de vigerende lijst ‘inventarisatie waardevol groen’; en/of

b. eigendom zijn van de gemeente of de provincie en een diameter van de stam hebben van meer dan 30 cm op een hoogte van 1,30 meter boven het maaiveld; en/of

c. vallen onder de meldingsplicht van de Boswet.

Artikel 4.5.3.a (Weigeringsgronden) van de APV luidt als volgt:

De vergunning kan in elk geval worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

Ingevolge artikel 1.4, eerste lid, van de APV kunnen aan een krachtens die verordening verleende vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen worden verbonden.

2. Allereerst stelt de rechtbank vast dat het besluit tot verlenging van de geldigheidsduur van de kapvergunningen van 18 december 2007 gezien moet worden als een, onder toepassing van artikel 1.4, eerste lid, van de APV, aangebrachte wijziging in de voorwaarden die gesteld zijn aan de oorspronkelijke kapvergunningen. Daarbij overweegt de rechtbank dat, anders dan in de door verweerder genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 juli 2006 (no. 200507803/1 op www.raadvanstate.nl), zich in de onderhavige zaak niet de situatie voordoet dat in de APV is opgenomen dat de kapvergunning vervalt indien niet binnen een jaar na bekendmaking van de vergunning gebruik wordt gemaakt.

Aangezien er op 18 december 2007 reeds bezwaar tegen de kapvergunningen was ingesteld, is dit besluit tot verlenging van de geldigheidsduur van de kapvergunningen naar het oordeel van de rechtbank een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Ten onrechte heeft verweerder bij de beoordeling van het bezwaar tegen die wijziging van de voorwaarden van de kapvergunningen geen toepassing gegeven aan de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft daarentegen een afzonderlijke beslissing genomen op het bezwaar tegen de wijziging van de voorwaarden van de kapvergunningen. De beslissing op het bezwaar tegen de wijziging van de voorwaarden, van 15 april 2008, handhaaft het primaire besluit van 18 december 2007 en heeft daarmee, naar het oordeel van de rechtbank, eveneens te gelden als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, te weten als een wijziging van het bestreden besluit.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb acht de rechtbank het beroep van 24 januari 2008 tegen de beslissing op het bezwaar tegen de kapvergunningen, derhalve mede te zijn gericht tegen de beslissing van 15 april 2008.

3. Aldus is thans naast de vraag of verweerder in redelijkheid vergunningen heeft kunnen verlenen ten behoeve van het kappen van 290 bomen in beide LOG-gebieden en 265 bomen aan de N 605 in verweerders gemeente, aan de orde de vraag of de wijziging van de geldigheidsduur van deze kapvergunningen in stand gelaten kan worden.

Aantal te kappen en kapvergunningplichtige bomen

4. Verweerder heeft bij de aanvullende motivering van zijn besluit van 24 januari 2008 – waarbij de kapvergunningen in stand zijn gelaten – aangegeven dat met betrekking tot de beide LOG-gebieden voor 290 bomen een vergunning is vereist en wat betreft de N 605 voor 265 bomen. Daarmee heeft verweerder, anders dan eiseres stelt, het totaal van de bomen waarvoor kapvergunning is verleend, verder beperkt. De stelling van eiseres dat de in stand gelaten besluiten afwijken van het besluit zoals dat op de openbare besluitenlijst van de vergadering van verweerder van 22 januari 2008 staat, doet hier niet aan af. Ook is er geen sprake van een reformatio in peius. Anders dan eiseres stelt is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit het aantal te kappen bomen in totaal heeft verminderd ten opzichte van de primaire besluiten. De terzake door eiseres aangevoerde beroepsgronden worden dan ook verworpen.

5. Met betrekking tot de bomen die langs het traject van de N 605 staan overweegt de rechtbank als volgt. Bij het primaire besluit van 22 januari 2007 heeft verweerder voor 265 bomen een kapvergunning verleend. Uit de daarbij behorende tekeningen maakt de rechtbank op dat langs dat traject in totaal 347 bomen zullen worden gekapt. Aangezien thans, noch eerder in de procedure – los van een inhoudelijk betwisting van de noodzaak en wenselijkheid van de kap van deze bomen – het aantal door verweerder als te kappen aangemerkte bomen langs dit traject onderwerp van het geschil was, zal de rechtbank bij de verdere beoordeling van het geschil als uitgangspunt nemen dat verweerder langs de N 605 toestaat dat 347 bomen worden gekapt, waarvan zij voor 265 bomen een kapvergunning heeft verleend.

6. Ten aanzien van de door verweerder overgelegde, bij het bestreden besluit van 24 januari 2008 behorende kaarten, gedateerd 22 januari 2008 en die alleen betrekking hebben op de beide LOG-gebieden, overweegt de rechtbank dat deze leidend zijn voor het beantwoorden van de vraag welke bomen gekapt zullen gaan worden en voor welke bomen al dan niet een kapvergunning vereist en zonodig verleend is. Immers, op geen enkele andere wijze dan via het vermelden op deze tekening van de situatie ter plekke wordt kenbaar welke bomen het precies betreft en welk besluit ten aanzien van welke boom is genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, door het bij de bestreden beslissing op bezwaar overleggen van tekeningen waarop de te kappen bomen staan aangegeven en het in die beslissing verwijzen daarnaar, tevens besloten dat er een aantal bomen (op de tekeningen met de kleur zwart aangegeven) wel gekapt mogen worden, maar niet vergunningplichtig zijn. Hiertegen heeft eiseres in beroep geageerd. Anders dan verweerder stelt, moet deze beroepsgrond ook beoordeeld worden, ondanks het feit dat eiseres in de bezwaarfase deze grond niet heeft aangevoerd. De rechtbank komt tot dit oordeel omdat deze tekeningen eerst na de bezwaarfase door verweerder zijn ingebracht, zodat eiseres eerder ook niet met dit standpunt kon komen.

7. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de op de tekeningen betreffende de beide LOG-gebieden als zwart aangemerkte, te kappen bomen geen kapvergunning behoeven. Daarbij overweegt de rechtbank dat door eiseres terecht is gesteld dat in de APV in artikel 4.5.2, tweede lid aanhef en onder c, het verbod tot kappen van bomen zonder vergunning is neergelegd voor bomen die vallen onder de meldingsplicht van de Boswet. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat het enkele doen van een melding bij het Ministerie van LNV de werking van dit artikel van de APV niet opheft. Dit betekent dat verweerder voor de bomen waarvoor de Boswet een meldingsplicht voorschrijft een kapvergunning moet verlenen, alvorens ze kunnen worden gekapt. Niet uitgesloten is dat het (voor een deel) bomen betreft waarvoor reeds kapvergunning is verleend, maar op basis van de thans beschikbare informatie kan hierover geen duidelijkheid worden verkregen.

Overigens wordt uit de overgelegde tekeningen, noch uit het bestreden besluit duidelijk om welke reden de te kappen vergunningsvrije bomen als vergunningsvrij zijn aangemerkt.

De terzake door eiseres aangevoerde beroepsgrond slaagt derhalve.

8. Voorts is de rechtbank van oordeel dat er ook een motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit van 24 januari 2008 voor zover dit het aantal kapvergunningplichtige bomen in de LOG-gebieden betreft. Zowel in het bestreden besluit als ter zitting heeft verweerder betoogd dat het aantal kapvergunningplichtige bomen in de beide LOG-gebieden in totaal 290 is. De rechtbank heeft geconstateerd dat op de tekeningen van 22 januari 2008, die, zoals hiervoor is overwogen, als uitgangspunt voor het werkelijk vergunde aantal te kappen bomen hebben te gelden, een ander aantal, te weten 287 bomen als zodanig is aangeven. Op deze kaart zijn de kapvergunningplichtige te kappen bomen met een rode stip aangegeven en de kapvergunningvrij te kappen bomen met een zwarte stip.

In vergelijking met de tekening van 21 september 2007 is op de tekening van 22 januari 2008 aan het Bovenstehuis de boom met nummer 720 van vergunningplichtig te kappen, in vergunningvrij te kappen veranderd. De boom met nummer 721 was op de tekening van 21 september 2007 als vergunningplichtig te kappen aangemerkt, maar is op de tekening van 22 januari 2008 geheel verdwenen. Aan de Zijp is boom nummer 451 van vergunningplichtig te kappen op de tekening van 21 september 2007, veranderd in vergunningvrij te kappen op de tekening van 22 januari 2008 en aan de Hoogstraat is de boom die op de tekening van 21 september 2007 met nummer 002 als vergunningplichtig te kappen staat aangegeven, op de tekening van 22 januari 2008 in het geheel verdwenen.

Het voorgaande en het tellen van de rode stippen op de bij de bestreden beslissing behorende tekeningen brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder met betrekking tot de LOG-gebieden slechts voor 287 bomen kapvergunning heeft verleend.

9. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder het bestreden besluit van 24 januari 2008 voor een deel heeft genomen in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb en het bezwaar ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Het beroep zal wat dat betreft gegrond worden verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het ziet op de in de beide LOG-gebieden andere te kappen bomen dan de hiervoor genoemde 287 waarvoor een kapvergunning is verleend.

Inhoudelijk ten aanzien van alle bomen waarvoor kapvergunning is verleend

10. De rechtbank stelt voorop dat beoordeeld moet worden of verweerder het gebrek dat bij uitspraak van de rechtbank van 12 november 2007 is geconstateerd, bij de nieuwe beslissing op bezwaar afdoende heeft hersteld.

In haar uitspraak van 12 november 2007 heeft de rechtbank – onder meer – het navolgende overwogen:

“Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bestreden besluit onvoldoende of verweerder de waarden in de zin van artikel 4.5.3a van de APV bij de afweging van de betrokken belangen heeft betrokken.

(…)

Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat Flora- en Faunawaarden in het kader van de besluitvorming voor de kapvergunning geen rol kunnen spelen, overweegt de rechtbank dat uit de in artikel 4.5.3a van de APV genoemde waarden volgt dat rekening dient te worden gehouden met de natuurwetenschappelijke betekenis van een houtopstand. Daarbij dient naar het oordeel van de rechtbank onder meer te worden gedacht aan de nestel- en schuilgelegenheid voor bepaalde diersoorten. Het standpunt van verweerder, dat erop neerkomt dat voorafgaand aan de vergunningverlening geen onderzoek nodig is, kan derhalve niet worden gevolgd. Niet is gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit in dit verband onderzoek is verricht, terwijl hier naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het grote aantal bomen en de onderlinge samenhang daartussen, wel aanleiding toe bestond.”

11. De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder thans de waarden in de zin van artikel 4.5.3a van de APV bij de afweging van de relevante belangen heeft betrokken. De resultaten van de door Bureau Pius Floris uitgevoerde quickscans, de door de Provincie uitgevoerde toets ten aanzien van broedvogels aan de N 605 en het door Bureau Croonen uitgevoerde onderzoek heeft verweerder ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. Daarbij heeft verweerder de geconstateerde waarden in de zin van bovengenoemde bepaling van de APV afgewogen tegen de belangen van verkeersveiligheid en verkeersdoorstroming en tevens in de overwegingen de compensatieplannen betrokken, waarmee verweerder zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de bepalingen van de APV en de in de belangenafweging te betrekken waarden.

Hier staat geen door eiseres overgelegd deskundigenrapport tegenover en ook in hetgeen door eiseres is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder in redelijkheid niet tot het verlenen van de kapvergunningen heeft kunnen komen.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat artikel 4.5.3a van de APV verweerder de bevoegdheid verleent om op grond van de genoemde waarden een vergunning te weigeren. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid ten aanzien waarvan de rechtbank slechts kan toetsen of verweerder daarvan in redelijkheid gebruik heeft gemaakt.

12. Met betrekking tot het verlies aan laanstructuur aan de N 605, zoals door eiseres is gesteld, heeft verweerder aangevoerd dat getracht is de laanstructuur zo veel mogelijk te bewaren en dat ook in het compensatieplan hiermee rekening zal worden gehouden. Daar waar de laanstructuur moet verdwijnen weegt de waarde die een laanstructuur met zich brengt niet op tegen de noodzaak van het kappen voor de aanpassing van de weg. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid van de bevoegdheid deze belangen tegen elkaar af te wegen gebruik gemaakt.

13. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de APV niet volgt dat kapvergunningen eerst kunnen worden verleend of van kracht kunnen worden als een ontheffing in de zin van de Flora- en Faunawet is verleend. Het terzake door eiseres gevoerde betoog en wordt om die reden verworpen.

Hetgeen door eiseres is aangevoerd ten aanzien van het onderzoek naar vleermuizen en een mogelijk noodzakelijke ontheffing met betrekking tot deze dieren wordt evenmin gehonoreerd. Weliswaar onderschrijft de rechtbank het uitgangspunt zoals door eiseres geformuleerd dat ook ten aanzien van de aanwezigheid van vleermuizen in de betreffende gebieden onderzoek dient te worden verricht, maar de eventuele noodzaak tot een ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet raakt het bestreden besluit niet.

Ten aanzien van het noodzakelijke onderzoek naar vleermuizen is de rechtbank van oordeel dat verweerder, zo blijkt uit hetgeen ter zitting is aangevoerd – en overigens niet door eiseres is betwist – voldoende onderzoek heeft verricht. Daaruit is gebleken dat er zich geen nesten in de te kappen bomen bevinden, maar dat wel is geconstateerd dat de bomen in een foerageergebied voor vleermuizen zijn gelegen. Het gaat echter niet om grote aantallen vleermuizen.

Verweerder heeft aangegeven dat er voor het hele traject LOG-gebieden en N 605 nog slechts een drietal knelpunten zijn, die zullen worden opgelost of waarvoor de lichte ontheffingsprocedure ingevolge de Flora- en Faunawet wordt voortgezet. Deze constateringen zijn door verweerder in de belangenafweging betrokken en de rechtbank acht de uitkomst van deze afweging niet onredelijk.

14. Anders dan eiseres is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het Landschapsbeleidsplan zoals dat door de gemeenteraad is vastgesteld niet aan het verlenen van kapvergunningen in de weg staat. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat dit plan een algemeen beleidskader geeft waarop uitzonderingen denkbaar zijn. Bovendien volgt uit dat plan niet dat afgifte van kapvergunningen in het algemeen of deze kapvergunningen in het bijzonder, achterwege moet blijven. Ook deze beroepsgrond wordt derhalve verworpen.

15. Anders dan eiseres meent is zij niet in haar belangen geschaad met betrekking tot het (al dan niet onjuist) ter inzage leggen van het besluit tot verlenging van de geldigheidsduur van de kapvergunningen. Niet valt in te zien aan welke bepalingen van de Awb door verweerder niet is voldaan.

Ook staat het feit dat de verlenging mondeling is aangevraagd niet aan de geldigheid van het besluit in de weg. Het besluit tot verlenging van de geldigheidsduur van de kapvergunningen moet – zoals reeds eerder is overwogen – gezien worden als een wijziging van het besluit tot het verlenen van kapvergunningen onder de voorwaarde dat de vergunning geldt tot één jaar na de dag waarop de bekendmaking plaatsvond. Als verweerder bevoegd is voorwaarden aan een vergunning te verbinden, zoals volgt uit artikel 1.4 van de APV, is hij naar het oordeel van de rechtbank ook bevoegd om, al dan niet op aanvraag, deze voorwaarden te wijzigen, zoals hier is gebeurd.

16. Bij het bestreden besluit van 15 april 2008 heeft verweerder voor de aantallen bomen waarvoor de geldigheidsduur van de kapvergunning is verlengd verwezen naar de tekeningen die behoren bij de beslissing op bezwaar van 24 januari 2008 inzake de kapvergunningprocedure. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk gemaakt voor welke vergunningen is beoogd de geldigheidsduur te verlengen. Overigens is de rechtbank ook van oordeel dat verweerder in de publicatie van 9 januari 2008 voldoende duidelijk is geweest met betrekking tot de verlengde geldigheidsduur van de kapvergunningen. De terzake door eiseres aangevoerde beroepsgrond wordt derhalve verworpen.

17. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het beroep voor zover dat is gericht tegen het wijzigen van de voorwaarden van de kapvergunningen ongegrond dient te worden verklaard.

Derhalve kan eiseres niet gevolgd worden in haar beroepsgrond dat de vergunning van rechtswege is vervallen.

18. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het bestreden besluit in stand blijven voor zover het ziet op de verlening van kapvergunning voor 287 bomen in de beide LOG-gebieden (met rood aangegeven op de tekeningen van 22 januari 2008) en voor de 265 bomen langs de N 605 en voor zover het ziet op het verlengen van de geldigheidsduur van de kapvergunningen voor de hiervoor genoemde 552 bomen.

19. De rechtbank ziet, gelet op hetgeen hiervoor onder 9 is overwogen, aanleiding te bepalen dat door de gemeente Boekel aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad € 285,00 dient te worden vergoed, alsmede de reiskosten die door de rechtbank worden begroot op in totaal € 17,80, zijnde het door gemachtigde Gerringa gedeclareerde bedrag van € 11,40, vermeerderd met de kosten van gemachtigde Philipse, door de rechtbank begroot op de prijs van een dagretour op basis van een 2e klas reis per trein op het traject Oss-’s-Hertogenbosch.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond, voorzover het is gericht tegen het verlenen van kapvergunning voor de 265 bomen aan de N 605 en de 287 bomen in de beide LOG-gebieden en het verlengen van de geldigheidsduur van deze kapvergunningen;

- verklaart het beroep voor het overige gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 24 januari 2008 in zoverre;

- gelast de gemeente Boekel aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 285,00;

- gelast de gemeente Boekel aan eiseres te vergoeden de door haar gemachtigden gemaakte reiskosten ten bedrage van € 17,80.

Aldus gedaan door mr. C.A. Mandemakers als voorzitter en mr. A.A.H. Schifferstein en mr. W.C.E. Winfield als leden in tegenwoordigheid van mr. drs. J.J.M. Goosen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2008.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: