Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD6517

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-07-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
157855 - HA ZA 07-800
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Tijdens het huwelijk stellen partijen huwelijkse voorwaarden op, neergelegd in concept notariële akten. Daags na goedkeuring van de huwelijkse voorwaarden door de rechtbank, maar nog voor het ondertekenen en passeren van de akten, geeft de vrouw aan tot beëindiging van het huwelijk te willen overgaan. De man stelt zich primair op het standpunt dat verdeeld moet worden conform de gemaakte concept-afspraken, welke niet een verdeling bij helfte inhouden. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Hoofdregel artikel 1:100 BW; ieder een gelijk aandeel tenzij huwelijkse voorwaarden of overeenkomst. Geen huwelijkse voorwaarden, reeds omdat niet is voldaan aan het in 1:115 BW neergelegde vereiste dat ze op straffe van nietigheid moeten worden aangegaan bij (getekende) notariële akte. Geen afwijking mogelijk bij overeenkomst die is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding van de gemeenschap ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden en daarvan is in casu juist sprake. Afwijking nog mogelijk op grond van de redelijkheid en billijkheid, maar slechts in zeer uitzonderlijke gevallen en dat wordt in dit geval niet aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 157855 / HA ZA 07-800

Vonnis van 2 juli 2008

in de zaak van

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. M. Burgers,

tegen

[De man],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. M.L.A. van Opstal.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 augustus 2007;

- het proces-verbaal van comparitie van 27 november 2007 met daaraan gehecht de reacties van partijen op dat proces-verbaal van respectievelijk 11 december 2007 en 12 december 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 9 november 1996 zijn partijen met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

2.2. Partijen hebben op 11 oktober 2005 een schriftelijk stuk ondertekend, waarin zij onder meer verklaren:

“- Dat zij voornemens zijn medio 2005 alsnog huwelijkse voorwaarden aan te brengen met beperkte gemeenschap.

- Dat er een vermogensverdeling plaats zal hebben voor die zaken die niet in de beperkte gemeenschap vallen.

- Dat na verdeling voor ieder per saldo een positief vermogen toebehoort.”

Vervolgens heeft een notaris ten behoeve van partijen een concept-akte huwelijkse voorwaarden en een concept-akte verdeling en levering opgesteld.

In de concept-akte huwelijkse voorwaarden is onder meer opgenomen:

“Artikel 1.A.

1.Tussen de echtgenoten zal een beperkte gemeenschap van goederen bestaan. Deze beperkte gemeenschap van goederen bestaat uitsluitend uit de volgende vermogensbestanddelen:

a. het woonhuis […];

b. de op gemeld registergoed rustende hypothecaire schuld […];

c. de zich in gemeld registergoed bevindende inboedelgoederen.

[…]”

In de concept-akte verdeling en levering is onder meer opgenomen:

“Verdeling

Partijen zijn een partiele verdeling van de goederen behorende tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap overeengekomen. Partijen wensen thans tot verdeling overeenkomstig de tussen hen gemaakte afspraken over te gaan, waarbij overigens door partijen is overeengekomen dat bij deze akte uitsluitend een verdeling en levering van voormelde vermogensbestanddelen zal plaatsvinden en wel als volgt:

- aan partij 1 (de man, rb) wordt toegedeeld de eigendom van (of alle rechten met betrekking tot) alle hiervoor genoemde vermogensbestanddelen, met uitzondering van de auto;

- aan partij 2 (de vrouw, rb) wordt toegedeeld: voormelde auto en voorts een vordering wegens onderbedeling ten laste van partij 1, groot eenhonderdtwintig duizend euro (€ 120.000,00).”

2.4. Op 8 november 2005 hebben partijen een verzoekschrift tot goedkeuring van de huwelijkse voorwaarden ondertekend, waarna de notaris namens partijen het verzoek aan de rechtbank heeft voorgelegd. De rechtbank heeft uiteindelijk bij beschikking van 4 januari 2006 het maken van huwelijkse voorwaarden goedgekeurd.

2.5. Op 5 januari 2006 heeft de vrouw aan de man te kennen gegeven dat zij wenst over te gaan tot beëindiging van het huwelijk. Bij brief van 6 januari 2006 heeft de vrouw aan de notaris medegedeeld dat de procedure inzake de verdeling en de huwelijkse voorwaarden moet worden stopgezet.

2.6. Bij beschikking van 5 september 2006 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 28 november 2006 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

2.7. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking van de rechtbank van 4 januari 2006. Bij beschikking van 6 februari 2007 heeft het gerechtshof alhier de vrouw in haar hoger beroep niet ontvankelijk verklaard. Het gerechtshof heeft voorts overwogen (r.o. 3.5):

“Er kan thans geen verdeling meer plaatsvinden die een gevolg is van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden. Er dient verdeeld te worden per datum ontbinding van het huwelijk. Met de onderhavige niet ontvankelijkverklaring is niets gezegd over de vraag of partijen bij die verdeling zijn gebonden aan de (concept-) overeenkomst van verdeling die is opgemaakt in het kader van het wijzigingsverzoek, noch over de vraag of die overeenkomst partijen bindt dan wel vernietigbaar is. Beslissingen daaromtrent vallen buiten het bestek van dit geding.”

3. Het geschil en de beoordeling daarvan in conventie en in reconventie

De vorderingen

3.1. Partijen vorderen ieder - na wijziging en/of aanvulling van eis - de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap op de door hen voorgestelde wijze. De man heeft zich daarbij primair gebaseerd op de door partijen gemaakte (en in zijn ogen voor partijen bindende) verdelingsafspraken.

De rechtbank zal overgaan tot een bespreking per onderdeel van het geschil, waarbij zoveel mogelijk de door partijen gehanteerde aanduidingen en volgorde zullen worden aangehouden.

De concept-akten huwelijkse voorwaarden en verdeling en levering

3.2. De man heeft hieromtrent aangevoerd dat partijen eind 2005 hebben vastgesteld hoe de verdeling zou moeten plaatsvinden van de aldus op te heffen huwelijksgoederengemeenschap. Nu deze afspraken in het zicht van de echtscheiding zijn gemaakt, zijn partijen daar volgens de man thans aan gebonden en dient de onderhavige verdeling conform die afspraken te geschieden. Indien partijen niet al rechtstreeks zijn gebonden aan die verdelingsafspraken, dienen die afspraken - bezien in het licht van alle omstandigheden - in zodanige mate van directe invloed te zijn op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, dat met een beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid die verdeling alsnog conform de destijds gemaakte afspraken dient plaats te vinden. Die afspraken houden volgens de man niet in een verdeling bij helfte. De overeenkomst behelst een partiële verdeling; de resterende (eenvoudige) gemeenschap dient bij helfte te worden verdeeld, aldus de man.

De vrouw houdt vast aan een verdeling bij helfte van de huwelijksgoederengemeenschap per de door haar gewenste peildatum van 1 januari 2007. In dat kader heeft de vrouw gesteld dat de voorliggende concept-afspraken tussen partijen zijn gemaakt met het oog op het aangaan van huwelijkse voorwaarden en dus niet met het oog op een echtscheiding, in welk geval op grond van artikel 1:100 BW afwijking van een verdeling bij helfte mogelijk zou zijn geweest.

Als er al een overeenkomst zou zijn, is daarmee volgens de vrouw sprake van benadeling voor meer dan een vierde, zodat die overeenkomst ingevolge 3:196 BW vernietigbaar is. De vrouw heeft de vernietiging ingeroepen.

3.3. De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 1:100 BW, de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap hebben, tenzij anders is bepaald (1) bij huwelijkse voorwaarden of (2) bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden.

3.4. Eerstgenoemde uitzondering - het bestaan van huwelijkse voorwaarden - is in casu niet aan de orde, reeds omdat niet is voldaan aan het in artikel 1:115 BW neergelegde vereist dat huwelijkse voorwaarden op straffe van nietigheid bij (getekende) notariële akte worden aangegaan. Tussen partijen is niet in geschil dat de voorliggende notariële akte huwelijkse voorwaarden slechts een concept-akte betreft.

3.5. De rechtbank begrijpt de stelling van de man dat partijen gebonden zijn aan de afspraken in de concept-akten nu die afspraken in het zicht van de echtscheiding zijn gemaakt, als een beroep op voormelde tweede uitzondering op de hoofdregel van artikel 1:100 BW. De man kan in zijn standpunt niet worden gevolgd. Weliswaar biedt dat artikel aan echtelieden de mogelijkheid om bij een overeenkomst af te wijken van de hoofdregel dat zij een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap hebben, maar niet bij een overeenkomst die is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding van de gemeenschap ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden (vgl. art. 1:100, lid 1 juncto 1:99, lid 1, sub d BW) en daarvan is in het onderhavige geval juist sprake. De concept-akte verdeling en levering, waarin de verdelingswijze is vastgelegd die de man thans nageleefd wenst te zien, is blijkens de tekst van de akten immers direct en onlosmakelijk verbonden met de concept-akte huwelijkse voorwaarden. Het tegendeel heeft de man niet gesteld. Ook als er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat partijen bij het opstellen van de concept-akte verdeling en levering reeds de bedoeling hadden om - zo mogelijk direct aansluitend op de wijziging van het voor hen geldende huwelijksvermogensregime door het maken van huwelijkse voorwaarden - het huwelijk te beëindigen (zoals de man heeft gesteld, maar de vrouw gemotiveerd heeft betwist), neemt dat niet weg dat zij de voorliggende verdelingsafspraken hebben gemaakt met het oog op de ontbinding van de gemeenschap dóór het aangaan van die huwelijkse voorwaarden.

3.6. De man heeft zich ten aanzien van de gelding van de door partijen opgestelde verdelingsafspraken voorts beroepen op de redelijkheid en billijkheid (vgl. zijn cva sub 7). De rechtbank overweegt als volgt. Nu, gezien het voorgaande, partijen gehuwd waren in algehele gemeenschap van goederen en niet kan worden gezegd dat zij een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid van artikel 1:100 BW hebben gemaakt, geldt de in dat artikel neergelegde regel van verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap. Een afwijking van die regel, op de grond dat onverkorte toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, is niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel niet dan in zeer uitzonderlijke gevallen worden aangenomen (vgl. in dit kader HR 27 juni 2003, NJ 2003, 524, HR 6 oktober 2000, NJ 2004, 58 en HR 7 december 1990, NJ 1991, 593).

3.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval in voormelde zin, op grond waarvan afgeweken kan worden van de hoofdregel van een verdeling bij helfte in die zin, dat - zoals de man wenst - de aanspraken van de vrouw op de ontbonden gemeenschap worden beperkt tot de omvang die overeenstemt met de inhoud van de gemaakte (concept-) verdelingsafspraken. De rechtbank merkt dienaangaande allereerst op dat de man zijn beroep op de redelijkheid en billijkheid slechts summier en in algemene zin heeft onderbouwd, zonder concreet aan te geven welke feiten en omstandigheden hij in dit kader precies van belang acht. Verder kan de enkele omstandigheid dat het traject om huwelijkse voorwaarden aan te gaan en daarbij tot een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te komen, zich reeds in een vergevorderd en afrondend stadium bevond, in dit geval niet als uitzonderlijk geval in voormelde zin worden aangemerkt. Hierbij verdient aantekening dat de concept-akte verdeling en levering slechts een partiële verdeling behelst. Verder heeft de vrouw over de onderbedelingsvordering die ten behoeve van haar in de concept-akte is opgenomen, ter comparitie aangegeven dat zij niet wist wat alles waard was, dat zij wel heeft gevraagd naar de totstandkoming van het bedrag van de onderbedelingsuitkering (EUR 120.000,-), maar dat zij van de man als antwoord kreeg dat het natte vingerwerk was. De man heeft op dit punt in antwoord op de vraag van de rechtbank of het de bedoeling van partijen was om met de overeenkomst de goederen bij helfte te verdelen, ter comparitie verklaard, dat veel waarden onduidelijk waren en dat ze de wel bekende of geschatte waarden door twee hebben gedeeld. De concept-akte verdeling en levering geeft overigens ook geen inzicht in hoe het bedrag van de onderbedelingsvordering van de vrouw tot stand is gekomen.

3.8. Onder voormelde omstandigheden - in onderlinge samenhang bezien - komt de man geen beroep op de redelijkheid en billijkheid toe, zodat niet het in de concept-akte verdeling en levering opgenomen bedrag met betrekking tot de desbetreffende vermogensbestanddelen zal worden betrokken bij de onderhavige verdeling, maar de hierna afzonderlijke te bepalen waarden per peildatum. Deze waarden zullen vervolgens, tenzij partijen in deze procedure ten aanzien van één of meerdere vermogensbestanddelen anders overeenkomen, bij helfte worden verdeeld.

De peildata

3.9. Tussen partijen is kennelijk niet in geschil dat ten aanzien van de omvang van de huwelijksgemeenschap als peildatum de datum van ontbinding van hun huwelijk, 28 november 2006, heeft te gelden. Ten aanzien van de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap, zijn partijen het erover eens dat als peildatum zal gelden 1 januari 2007 (vgl. dv sub 18 en cva sub 12).

De voormalig echtelijke woning, de hypothecaire geldlening en het effectendepot bij Vierlanden Effecten N.V.

3.10. Partijen komen het volgende overeen:

- de voormalig echtelijke woning zal worden verkocht via makelaarskantoor Best Intermediair;

- de hypothecaire geldlening van € 1.200.000,-- zal in mindering worden gebracht op de verkoopopbrengst;

- de kosten van Best Intermediair zullen in mindering worden gebracht op de koopprijs;

- het effectendepot bij Vierlanden Effecten N.V. zal te gelde worden gemaakt en als plus-post worden opgenomen in de afrekening van de notaris;

- het (eventuele) restant van de verkoopopbrengst zal bij helfte worden verdeeld;

- de kosten van de door makelaar Van Zandvoort uitgevoerde taxatie van de woning, ad € 1.850,-, nog te vermeerderen met BTW, komen voor rekening van de vrouw, maar zij zullen worden voorgeschoten door de man.

3.11. De man heeft voorts eerst ter comparitie gesteld dat de hypothecaire geldlening voor een deel consumptief is en daarom in belastingbox 3 valt. Bij de alimentatieberekening is er volgens de man geen rekening mee gehouden, dat hij ook het rentedeel van de vrouw voldoet. Het rentedeel dat in de ogen van de man voor rekening van de vrouw moet worden gebracht bedraagt € 10.000,- per jaar, te rekenen vanaf 28 november 2006.

De vrouw heeft aangegeven niet op deze stellingen te zijn voorbereid en daarop niet te kunnen reageren.

De rechtbank zal de man in de gelegenheid stellen zijn stellingen op dit punt, welke - zo begrijpt de rechtbank - strekken tot vergoeding, nader te concretiseren door het overleggen van schriftelijke bewijsstukken, waarna de vrouw de gelegenheid krijgt daarop inhoudelijk te reageren.

De twee polissen bij Reaal Levensverzekeringen N.V.

3.12. Partijen komen het volgende overeen:

- de polis met nummer [nummer] had op 31 december 2006 een waarde van € 32.395,51;

- de polis met nummer [nummer] had op 31 december 2006 een waarde van € 34.300,56;

- één polis komt op naam van de vrouw en één op naam van de man, waarbij het verschil in waarde zal worden verrekend;

- de man zorgt voor de praktische uitvoering van het voorgaande;

- indien het niet mogelijk is de polissen op voormelde wijze te verdelen, zullen zij te gelde worden gemaakt en zal de opbrengst bij helften worden verdeeld. Dit geldt ook wanneer afkoop van de polissen in verband met de verkoop van de woning en de verkoopopbrengst daarvan noodzakelijk blijkt te zijn.

Lijfrentepolis AMEV/Fortis

3.13. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van deze polis (met nummer [nummer]) per 10 januari 2007 EUR 67.080,43 bedroeg. Partijen hebben zich bereid verklaard mee te werken aan de splitsing van de lijfrentepolis in twee separate polissen voor de vrouw en de man. De man heeft ter comparitie aangegeven te zullen uitzoeken of dit mogelijk is. In afwachting van nadere informatie op dit punt van de zijde van de man, zal de rechtbank een verdere beslissing op dit punt aanhouden.

Bankrekeningen SNS-bank

3.14. Blijkens de toelichting van de man ter comparitie, betreft het één account met twee rekeningnummers ([nummer] en [nummer]; een spaarrekening en een betaalrekening), die in september 2006 zijn opgeheven.

De vrouw heeft gesteld dat deze rekeningen per juli 2005 een saldo van EUR 136.769,36 hadden. Zij vermoedt dat deze gelden zijn overgeschreven naar een rekening waarvan de vrouw geen rekeninghoudster is. Op grond hiervan wenst zij vergoeding op grond van artikel 1:164 BW.

De man heeft hierbij aangegeven dat hij sinds eind 2005 veel uitgaven heeft moeten doen en dat hij van die uitgaven een lijst heeft opgemaakt. Het gaat volgens de man onder andere om hypotheekrente, verzekeringen, eigenaarslasten van de voormalig echtelijke woning, energie- en telefoonkosten, wegenbelasting van de auto van de vrouw, kosten voor de kinderen, alimentatie, huur eigen woning en betalingen in verband met zijn ontslag bij Van den Hurk, arbeidsbemiddeling, verliezen op opties, verplichtingen ter zake investeringen in Sint Maarten en verplichtingen van InterOpus B.V.. De verplichtingen zijn tijdens het huwelijk al aangegaan, aldus de man.

De man heeft zich bereid verklaard om in het geding te brengen de afschriften van de rekeningen bij de SNS-bank over de periode juli 2005 tot januari 2007 en een overzicht van voormelde uitgaven met de daaraan ten grondslag liggende bescheiden. De rechtbank zal de man daartoe in de gelegenheid stellen. De vrouw zal op de in te dienen stukken mogen reageren.

Girorekeningen Postbank

3.15. Tussen partijen is niet in geschil dat per 31 december 2006 het saldo van girorekening [nummer] EUR 4.337,68 bedroeg en dat per diezelfde datum girorekening [nummer] een saldo bevatte van EUR 2.561,36. De rekeningen staan op naam van de man en zullen daarom aan hem worden toegedeeld. De man zal de helft van voormelde saldi (EUR 2.168,84 + EUR 1.280,68 = EUR 3.449,52) aan de vrouw dienen te vergoeden.

Aandelen Houdstermaatschappij Buro Philip van den Hurk B.V.

3.16. De man heeft ter comparitie aangegeven dat de aandelen, conform de vaststellingsovereenkomst die hij als productie 2 in het geding heeft gebracht, door een derde taxateur worden gewaardeerd. De eerste taxatie kwam uit op een waarde nihil en de tweede op een waarde van EUR 900.000,-. Volgens de man zijn er al wel EUR 40.000,- tot EUR 50.000,- aan kosten gemaakt.

De man heeft zich bereid verklaard alle bescheiden hieromtrent (waaronder het bericht van de derde deskundige) in het geding te brengen, waartoe de rechtbank hem in de gelegenheid zal stellen. De vrouw zal vervolgens op de alsdan in te dienen stukken mogen reageren. De rechtbank zal een verdere beoordeling op dit punt aanhouden.

Aandelen InterOpus B.V.

3.17. De vrouw heeft gesteld dat voor de waardering van deze aandelen een deskundige moet worden benoemd, dat de waardering zal moeten gebeuren met het oog op de toekomst en dat daarom als waarderingsgrondslag de discounted cashflow-methode dient te worden gehanteerd.

Volgens de man hebben deze aandelen geen waarde. De man heeft aangegeven dat hij in februari 2006 in de onderneming is ingetreden, dat er niets in het bedrijf zit en er geen grote klantenportefeuille is. Er is geen noodzaak een deskundige te benoemen en voor het geval dat wel gebeurt, moet de waarderingsgrondslag de intrinsieke waarde zijn aldus de man.

3.18. De rechtbank ziet aanleiding om in dit kader een deskundige te benoemen, die volgens de discounted cashflow-methode - nu die methode het beste de prijs benadert die een derde in redelijkheid voor de aandelen zal willen betalen - de waarde van de aandelen dient te berekenen per de peildatum, zijnde 1 januari 2007. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de niet nader onderbouwde stelling van de man dat de intrinsieke waarde als waarderingsmaatstaf moet worden gebruikt. Indien volgens de deskundige een andere maatstaf in dit geval meer in de rede ligt, dient hij dit in zijn bericht gemotiveerd aan te geven en vervolgens de waarde van de aandelen ook volgens die andere maatstaf te bepalen.

Aandelen Eximius B.V. en het stamrecht

3.19. De vrouw heeft gesteld dat de man een bedrag van EUR 240.000,- in de vorm van een zogenoemd stamrecht in de onderneming Eximius B.V. heeft laten storten. Het bedrag houdt verband met de afkoopsom die de man heeft ontvangen wegens de beëindiging van zijn dienstverband met Bureau Philip van den Hurk B.V.. Eximius B.V. heeft dus volgens de vrouw vermoedelijk ten minste die waarde. Volgens de vrouw is de ontbindingsvergoeding niet verknocht aan de man, maar volledig in de gemeenschap gevallen. Zij heeft daarmee recht op de helft van dat bedrag. Voor zover de man een groot gedeelte van de vergoeding reeds heeft uitgegeven, heeft hij daarmee de gemeenschap benadeeld en dient de man ex artikel 1:164 BW de gemeenschap voor dit nadeel te compenseren.

Volgens de man vertegenwoordigen de aandelen Eximius B.V. geen waarde. Het bedrag van het stamrecht betreft een bruto ontbindingsvergoeding, waarover dus nog 52% belasting verschuldigd is. De vergoeding is overigens verknocht voor het gedeelte dat bedoeld is ter compensatie van te derven inkomsten na echtscheiding. Een groot gedeelte van de ontbindingsvergoeding, is volgens de man overigens opgegaan aan de hiervoor in 3.14 door hem genoemde kostenposten.

3.20. De rechtbank ziet ook ten aanzien van de aandelen Eximius B.V. aanleiding een deskundige te benoemen om de waarde te bepalen. Dit zal dezelfde deskundige zijn die ook de aandelen InterOpus B.V. gaat waarderen. Ook de opdracht met betrekking tot de aandelen Eximius B.V. zal dezelfde zijn; een waardering per peildatum 1 januari 2007 volgens de discounted cashflow-methode en eventueel volgens een andere methode, indien de deskundige gezien de omstandigheden van dit geval een andere methode meer aangewezen acht.

Een verdere beoordeling met betrekking tot de verdeling van de beëindigingsvergoeding en het beroep van de vrouw op artikel 1:164 BW zal worden aangehouden, aangezien de man ten aanzien van de door hem gestelde kostenposten documenten in het geding zal brengen en de vrouw daarop nog zal mogen reageren.

Aandelen EWE B.V., Sint Maarten

3.21. De man heeft met een aantal zakelijke partners deze vennootschap opgericht met het doel om in Sint Maarten een perceel grond te kopen in de hoop en verwachting daar een onroerende zaak te kunnen ontwikkelen. Ter comparitie heeft de man aangegeven dat de grond nog niet is aangekocht.

Ook de waarde van deze aandelen zal door een deskundige moeten worden bepaald. Indien dat nodig is, staat het die deskundige vrij om zich over de onroerend goedmarkt op Sint Maarten door derden te laten informeren.

De deskundige dient te waarderen volgens de discounted cashflow-methode en eventueel volgens een andere methode, indien de deskundige dat gezien de omstandigheden van dit geval meer aangewezen acht.

Deskundigenbericht

3.22. De rechtbank acht het derhalve nodig voor de waardering van de aandelen InterOpus B.V., Eximius B.V. en EWE B.V. een deskundigenbericht in te winnen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

3.23. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één accountant en dat de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:

1. Wat was op 1 januari 2007 de waarde van de aandelen die de man houdt in InterOpus B.V., Eximius B.V. en EWE B.V., uitgaande van de discounted cashflow-methode?

2. Ligt een andere dan de discounted cashflow-methode meer in de rede, zo ja waarom en wat is de waarde van voormelde aandelen volgens die andere methode?

3.24. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding aanleiding om het voorschot op de kosten van de deskundige(n) gelijkelijk over partijen te verdelen. Partijen zullen daarom ieder de helft van dit voorschot moeten betalen. In de stellingen van beide partijen ter comparitie dat zij het voorschot niet kunnen betalen, ziet de rechtbank geen aanleiding om op dit punt anders te oordelen.

Beleggingsrekening Alex

3.25. De rechtbank stelt de man in de gelegenheid de afschriften van deze beleggingsrekening vanaf september 2005 tot januari 2007 in het geding te brengen. De vrouw zal daarop vervolgens mogen reageren.

Renault Scenic (kenteken 06-GS-KD)

3.26. Partijen zijn het erover eens dat de auto aan de vrouw zal worden toegedeeld en dat de rechtbank met behulp van internet de waarde van de auto zal begroten.

De rechtbank merkt allereerst op dat zij - gezien het type en kenteken van de auto - uitgaat van het jaar 2001 als bouwjaar van de auto en niet van het jaar 1991, zoals dat in het proces-verbaal van comparitie is opgenomen. Naar aanleiding van vorenbedoeld onderzoek op de sites autotrack.nl en autotrader.nl, begroot de rechtbank de waarde van de auto op 1 januari 2007 - partijen hebben immers niet aangegeven dat met betrekking tot de auto een andere peildatum heeft te gelden - op EUR 10.000,-. De vrouw is gehouden de helft van dit bedrag (zijnde EUR 5.000,-) te vergoeden aan de man.

Inboedel

3.27. Partijen zijn overeengekomen dat de inboedel bij helfte zal worden verdeeld en dat zij die verdeling zelf tot stand zullen brengen.

Vordering op ouders van de vrouw

3.28. Partijen zijn overeengekomen dat deze vordering voor nihil aan de man zal worden toegedeeld.

Deelneming Holland Immo Group

3.29. De vrouw heeft gesteld dat op 15 december 2006 EUR 43.000,- is uitgekeerd door dit investeringsfonds en dat bij de verdeling met deze uitkering rekening moet worden gehouden. In dit kader heeft de vrouw een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 1:164 BW.

De man heeft aangegeven dat het geld is opgegaan aan de hiervoor in 3.14 door hem genoemde kostenposten. De rechtbank zal een verdere beoordeling van dit punt aanhouden, aangezien de man ten aanzien van die kostenposten documenten in het geding zal brengen.

Aanslag inkomstenbelasting (i.v.m. gedeeltelijke uitkering ontbindingsvergoeding)

3.30. De man heeft gesteld dat als gevolg van de uitkering van de ontbindingsvergoeding, rekening moet worden gehouden met een verplichting wegens inkomstenbelasting van 52%. De man heeft op dit punt nog geen duidelijkheid verkregen van de Belastingdienst.

De vrouw heeft aangegeven dat het niet zo kan zijn dat zij geen recht heeft op de helft van de ontbindingsvergoeding, maar wel moet bijdragen in de belastingschuld.

3.31. De rechtbank overweegt dat indien zal worden geoordeeld dat de ontbindingsvergoeding - al dan niet gedeeltelijk - in de te verdelen gemeenschap van goederen valt, dat ook geldt voor een eventueel daarmee samenhangende IB-belastingaanslag. Een verder oordeel hieromtrent zal worden aangehouden in afwachting van de hiervoor in 3.14 door de man in het geding te brengen aanvullende informatie en een naar aanleiding daarvan te geven oordeel omtrent de verdeling van de ontbindingsvergoeding (vgl. 3.20). Indien de man van de Belastingdienst duidelijkheid verkrijgt over de hoogte van de belastingaanslag, dient hij ook op dat punt nadere informatie in te brengen.

Vordering van Van den Hurk B.V. c.s.

3.32. De man heeft in dit kader aangevoerd dat zijn voormalig werkgever en twee daaraan gelieerde ondernemingen hem verwijten - samengevat - dat hij tijdens zijn dienstverband jegens hen toerekenbaar tekort is geschoten, bovendien onrechtmatig heeft gehandeld en daarmee schade heeft veroorzaakt. De ondernemingen maken jegens de man aanspraak op in totaal EUR 450.000,- aan verbeurde contractuele boetes. De kosten die de man moet maken om zich tegen deze vordering te verweren, begroot de man op EUR 50.000,-.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat met deze vordering thans geen rekening dient te worden gehouden, aangezien de vordering eerst ná de peildatum is ontstaan. De dagvaarding in die zaak dateert immers van 17 april 2007 en uit de stukken kan worden afgeleid dat Van den Hurk B.V. c.s. op 4 januari 2007 hun vordering op de man voor het eerst kenbaar hebben gemaakt. Subsidiair heeft de vrouw betoogd dat de vordering geheel voor rekening en risico van de man dient te blijven op grond van de redelijkheid en billijkheid. Meer subsidiair, voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat de vrouw dient bij te dragen in deze vordering, dient de vordering volgens de vrouw onverdeeld te blijven.

3.33. De rechtbank is van oordeel dat op dit punt tussen partijen onvoldoende debat is gevoerd om tot een afgewogen inhoudelijke beoordeling te kunnen komen. Mede gezien het primaire verweer van de vrouw, dient de man meer concreet aan te geven op grond waarvan deze vordering tot de huwelijksgoederengemeenschap dient te worden gerekend. Verder zal de man zich moeten uitlaten over de wijze waarop de rechtbank in het kader van de verdeling met deze vordering dient om te gaan, nu de procedure waarin de vordering speelt nog niet is afgerond en het derhalve nog onduidelijk is of (en zo ja, op welke gronden) de vordering zal worden toegewezen.

Aan de andere kant dient de vrouw haar subsidiaire stelling omtrent de redelijkheid en billijkheid nader te concretiseren. Het is thans niet duidelijk welke feiten en omstandigheden de vrouw aan die stelling precies ten grondslag legt. De enkele omstandigheid dat de man “zich heeft gedragen als een olifant in een porseleinkast ten opzichte van zijn voormalig werkgever” (vgl. haar pleitnotities sub 56), wat daar vooralsnog ook van zij, is in dit kader onvoldoende.

Gezien het voorgaande en gezien de aard en de omvang van deze door de man aangebrachte vordering, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen hieromtrent nader te concretiseren en onderbouwen.

Voortgang procedure

3.34. De zaak zal naar de rolzitting worden verwezen voor het nemen van akten door beide partijen om zich uit te laten over het deskundigenbericht en voor het nemen van een akte door de man om de hiervoor vermelde stukken in het geding te brengen en om zich uit te laten als bedoeld in 3.33. Partijen mogen geen antwoordakten nemen. De vrouw, die als eerste zal mogen concluderen na het deskundigenbericht, heeft dan de gelegenheid om te antwoorden op voormelde akte van de man. Hierna mag de man een antwoordconclusie na deskundigenbericht nemen.

3.35. Om redenen van proceseconomische aard zal de rechtbank tussentijds hoger beroep van dit vonnis toestaan. Iedere verdere beslissing in conventie en reconventie zal worden aangehouden.

4. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

4.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 juli 2008 voor het nemen van een akte:

- door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage (vgl. overweging 3.22);

- door de man om de in overweging 3.11, 3.13, 3.14, 3.16, 3.25 en 3.31 genoemde bescheiden in het geding te brengen en om zich uit te laten als overwogen in 3.33;

4.2. bepaalt dat partijen geen antwoordakten mogen nemen;

4.3. bepaalt dat na het nemen van voormelde akten de zaak wordt verwezen naar de rol van 20 augustus 2008 voor het wijzen van vonnis met betrekking tot het deskundigenbericht;

4.4. bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen;

4.5. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.G.H. Milar en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2008.