Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD5562

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
01/889028-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een werkstraf van 240 uur voor overtreding van artikel 48 van de Douanewet en deelname aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer : 01/889028-06

Uitspraak d.d. : 25 juni 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [achternaam verdachte]

voornamen : [voornamen)

geboren op : [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 18 oktober 2007, 06 december 2007, 27 en 28 mei 2008 en 04 en 11 juni 2008.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat -na wijziging van de tenlastelegging - terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 29 september 2005 te Breda (Hazeldonk), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, middels een ingevuld en ondertekend Carnet TIR, voorzien van het nummer [nummer X] bij een douanekantoor van vertrek opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangifte heeft gedaan van een extern douanevervoer, te weten van het vervoer van een hoeveelheid kippenvlees dat in de EG zou aanvangen, te weten in Nederland, en dat buiten de EG zou eindigen, te weten Roemenië, wetende dat dit vervoer in werkelijkheid zou eindigen binnen de EG, te weten in Nederland, en aldus een ingevolge wettelijke bepalingen, te weten de Douanewet en/of het Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2913/92) en/of de toepassingsverordening Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2454/93 1), vereiste aangifte opzettelijk onjuist of onvolledig heeft gedaan, welk feit ertoe strekte dat te weinig rechten bij invoer zou worden geheven;

(zaak 19 in samenhang met zaak 14; artikel 48 lid 1a Douanewet)

2.

hij op of omstreeks 17 oktober 2005 te Duiven, althans in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, middels een ingevuld en ondertekend Carnet TIR, voorzien van het nummer [nummer Y], bij een douanekantoor van vertrek opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangifte heeft gedaan, althans laten doen, van een extern douanevervoer, te weten van het vervoer van een hoeveelheid kippenvlees dat in de EG zou aanvangen, te weten in Nederland, en dat buiten de EG zou eindigen, te weten Bulgarije, wetende dat dit vervoer in werkelijkheid zou eindigen binnen de EG, te weten in Duitsland, en aldus een ingevolge wettelijke bepalingen, te weten de Douanewet en/of het Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2913/92) en/of de toepassingsverordening Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2454/93 1), vereiste aangifte opzettelijk onjuist of onvolledig heeft gedaan, althans laten doen, welk feit ertoe strekte dat te weinig rechten bij invoer zou worden geheven;

(zaak 20; artikel 48 lid 1a Douanewet)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] op of omstreeks 17 oktober 2005 te Duiven, althans in Nederland, middels een ingevuld en ondertekend Carnet TIR, voorzien van het nummer [nummer Y], bij een douanekantoor van vertrek opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangifte heeft gedaan van een extern douanevervoer, te

weten van het vervoer van een hoeveelheid kippenvlees dat in de EG zou

aanvangen, te weten in Nederland, en dat buiten de EG zou eindigen, te weten

Bulgarije, wetende dat dit vervoer in werkelijkheid zou eindigen binnen de EG, te weten in Nederland, en aldus een ingevolge wettelijke bepalingen, te weten de Douanewet en/of het Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2913/92) en/of de toepassingsverordening Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2454/93 1), vereiste aangifte opzettelijk onjuist of onvolledig heeft gedaan, welk feit ertoe strekte dat te weinig rechten bij invoer zou worden geheven, zijnde hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 1 oktober 2005 tot en met 20 oktober 2005 te Oss en/of Maurik, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam geweest bij het plegen van vorenomschreven feit, althans hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) toen en daar opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen verschaft tot het plegen van vorenomschreven misdrijf, immers hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s), toen en daar geregeld dat [medeverdachte 1] dat vervoer zou verrichten en/of er (mede) voor zorggedragen dat de gegevens welke noodzakelijk waren voor het uitvoeren van het desbetreffende transport werden verstrekt aan die (medeverdachte 1);

(zaak 20; artikel 48 lid 1a Douanewet juncto 48 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2005 tot en met 12 juni 2006 te Maurik, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een CMR voorzien van het nummer 0275310, zijnde deze CMR een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, althans valselijk heeft laten opmaken en/of laten vervalsen, hebbende hij, verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, toen daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid (zakelijk weergegeven) op die CMR vermeld, althans laten vermelden, dat blijkens die CMR een transport zou worden verricht van 2.083 dozen kippenvlees

op 17-10-2006 van Barneveld naar Sofia (Bulgarije), met het oogmerk om die CMR als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken,

en/althans opzettelijk gebruik heeft gemaakt, althans heeft laten maken, van die valse en/of vervalste CMR als ware deze echt en onvervalst en/althans opzettelijk die valse en/of vervalste CMR voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat geschrift bestemd was voor zodanig gebruik;

(zaak 20; artikel 225 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 28 december 2005 te Duiven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, middels een ingevuld en ondertekend Carnet TIR, voorzien van het nummer [nummer 2] bij een douanekantoor van vertrek opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangifte heeft gedaan van een extern douanevervoer, te weten van het vervoer van een hoeveelheid kippenvlees dat in de EG zou aanvangen, te weten in Nederland, en dat buiten de EG zou eindigen, te weten Bulgarije, wetende dat dit vervoer in werkelijkheid zou eindigen binnen de EG, te weten in Nederland, en aldus een ingevolge wettelijke bepalingen, te weten de Douanewet en/of het Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2913/92) en/of de toepassingsverordening Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2454/93 1), vereiste aangifte opzettelijk onjuist of onvolledig heeft gedaan welk feit ertoe strekte dat te weinig rechten bij invoer zou worden geheven;

(zaak 23; artikel 48 lid 1a Douanewet)

4.

hij op of omstreeks 11 maart 2005 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, middels een ingevuld en ondertekend Carnet TIR, voorzien van het nummer [nummer XX], bij een douanekantoor van vertrek opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangifte heeft gedaan van een extern douanevervoer, te weten van het vervoer van een hoeveelheid kippenvlees dat in de EG zou aanvangen, te weten in Nederland,

en dat buiten de EG zou eindigen, te weten in Sofia (Bulgarije), wetende dat dit vervoer in werkelijkheid zou eindigen binnen de EG, te weten in Nederland, en aldus een ingevolge wettelijke bepalingen, te weten de Douanewet en/of het Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2913/92) en/of de toepassingsverordening Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2454/93 1), vereiste aangifte opzettelijk onjuist of onvolledig heeft gedaan, welk feit ertoe strekte dat te weinig rechten bij invoer zou worden geheven;

(zaak 25; artikel 48 lid 1a Douanewet)

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 12 juni 2006 te Oss en/of Maurik en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte en een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk overtreding van de artikelen 46 en/of 48 en/of 50 van de Douanewet en/of 225 Wetboek van Strafrecht.

(artikel 140 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 25 juni 2008 gevorderd dat het onder 1, 2 primair, alsmede het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte alhoewel hij aanvankelijk zijn transportwerkzaamheden te goeder trouw is aangevangen ten tijde van het ten laste gelegde op de hoogte was van het frauduleuze handelen met betrekking tot de Carnets TIR.

7.2 Samenvatting van de bewijsmiddelen

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte bij de FIOD/ECD d.d. 22 juni 20061 en ter terechtzitting van 27 mei 2008, alsmede de verklaring van [medeverdachte 4] zoals afgelegd bij de FIOD/ECD d.d. 17 augustus 20062 en het proces verbaal van het Landelijk Team Falsificaten d.d. 21 april 20063, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte bij de FIOD/ECD 5 juli 20064 en ter terechtzitting van 27 mei 2008, alsmede de verklaring van [medeverdachte 4] d.d. 15 september 20065 en het proces verbaal van het Landelijk Team Falsificaten d.d. 21 april 20066, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte bij de FIOD/ECD d.d. 30 augustus 2006 7 en ter terechtzitting van 27 mei 2008, alsmede de verklaring van [medeverdachte 4] zoals afgelegd bij de FIOD/ECD d.d. 17 augustus 20068 en het proces verbaal van bevindingen d.d. 24 april 20069 , acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte bij de FIOD/ECD 30 augustus 200610 en ter terechtzitting van 27 mei 2008, alsmede de verklaring van [medeverdachte 4] d.d. 15 september 200611 en het proces verbaal van het Landelijk Team Falsificaten d.d. 21 april 200612, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte bij de FIOD/ECD d.d. 19 en 20 juni13 14 en ter terechtzitting van 27 mei 2008, alsmede de verklaring van [medeverdachte 4] d.d 16 augustus 200615 en van [medeverdachte 3] d.d. 11 oktober 200616 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan.

7.3 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 29 september 2005 te Breda (Hazeldonk), tezamen en in vereniging met anderen, middels een ingevuld en ondertekend Carnet TIR, voorzien van het nummer [nummer X] bij een douanekantoor van vertrek opzettelijk onjuiste aangifte heeft gedaan van een extern douanevervoer, te weten van het vervoer van een hoeveelheid kippenvlees dat in de EG zou aanvangen, te weten in Nederland, en dat buiten de EG zou eindigen, te weten Roemenië, wetende dat dit vervoer in werkelijkheid zou eindigen binnen de EG, te weten in Nederland, en aldus een ingevolge wettelijke bepalingen, te weten de Douanewet en/of het Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2913/92) en/of de toepassingsverordening Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2454/93 1), vereiste aangifte opzettelijk onjuist heeft gedaan, welk feit ertoe strekte dat te weinig rechten bij invoer zou worden geheven;

2.

hij op 17 oktober 2005 te Duiven, althans in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, middels een ingevuld en ondertekend Carnet TIR, voorzien van het nummer [nummer Y], bij een douanekantoor van vertrek opzettelijk onjuiste aangifte heeft gedaan, van een extern douanevervoer, te weten van het vervoer van een hoeveelheid kippenvlees dat in de EG zou aanvangen, te weten in Nederland, en dat buiten de EG zou eindigen, te weten Bulgarije, wetende dat dit vervoer in werkelijkheid zou eindigen binnen de EG, te weten in Duitsland, en aldus een ingevolge wettelijke bepalingen, te weten de Douanewet en/of het Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2913/92) en/of de toepassingsverordening Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2454/93 1), vereiste aangifte opzettelijk onjuist heeft gedaan, welk feit ertoe strekte dat te weinig rechten bij invoer zou worden geheven;

3.

hij op 28 december 2005 te Duiven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, middels een ingevuld en ondertekend Carnet TIR, voorzien van het nummer [nummer 2] bij een douanekantoor van vertrek opzettelijk onjuiste aangifte heeft gedaan van een extern douanevervoer, te weten van het vervoer van een hoeveelheid kippenvlees dat in de EG zou aanvangen, te weten in Nederland, en dat buiten de EG zou eindigen, te weten Bulgarije, wetende dat dit vervoer in werkelijkheid zou eindigen binnen de EG, te weten in Nederland, en aldus een ingevolge wettelijke bepalingen, te weten de Douanewet en/of het Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2913/92) en/of de toepassingsverordening Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2454/93 1), vereiste aangifte opzettelijk onjuist heeft gedaan welk feit ertoe strekte dat te weinig rechten bij invoer zou worden geheven;

4.

hij op 11 maart 2005 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, middels een ingevuld en ondertekend Carnet TIR, voorzien van het nummer [nummer XX], bij een douanekantoor van vertrek opzettelijk onjuiste aangifte heeft gedaan van een extern douanevervoer, te weten van het vervoer van een hoeveelheid kippenvlees dat in de EG zou aanvangen, te weten in Nederland, en dat buiten de EG zou eindigen, te weten in Sofia (Bulgarije), wetende dat dit vervoer in werkelijkheid zou eindigen binnen de EG, te weten in Nederland, en aldus een ingevolge wettelijke bepalingen, te weten de Douanewet en/of het Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2913/92) en/of de toepassingsverordening Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2454/93 1), vereiste aangifte opzettelijk onjuist heeft gedaan, welk feit ertoe strekte dat te weinig rechten bij invoer zou worden geheven;

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 12 juni 2006 te Oss en/of Maurik en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte en een of meer natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk overtreding van de artikelen 46 en/of 48 en/of 50 van de Douanewet en/of 225 Wetboek van Strafrecht.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Medeplegen van opzettelijk een ingevolge wettelijke bepalingen vereiste aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 48 van de Douanewet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde

Medeplegen van opzettelijk een ingevolge wettelijke bepalingen vereiste aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 48 van de Douanewet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Medeplegen van opzettelijk een ingevolge wettelijke bepalingen vereiste aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 48 van de Douanewet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Medeplegen van opzettelijk een ingevolge wettelijke bepalingen vereiste aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 48 van de Douanewet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 28 mei 2008 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, alsmede van het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft bij het bepalen van de gevorderde straf de door het openbaar ministerie (landelijk) gehanteerde gedragslijn bij economische delicten geraadpleegd, waarbij het toegebrachte financiële nadeel als uitgangspunt wordt genomen. Een financieel nadeel van € 500.000,- impliceert volgens deze gedragslijn in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar.

In dit kader verwijst de officier van justitie tevens naar een uitspraak van de rechtbank Alkmaar die bij een fraudebedrag van € 450.000,- een gevangenisstraf voor de duur van een jaar heeft bepaald. De officier van justitie heeft op grond van de bevindingen uit het financiële rapport het totale benadelingsbedrag gesteld op € 1.700.00 vanwege fraude als gevolg van de verkoop van ongeveer 100.000 kilogram kippenvlees.

Tevens heeft de officier van justitie bij het bepalen van de gevorderde straf in het nadeel van verdachte er rekening mee gehouden dat er door verdachte en de zijnen stelselmatig werd gefraudeerd in georganiseerd verband, alsmede met de rol van verdachte binnen het gehele kader van strafbare gedragingen die enerzijds van wezenlijke en anderzijds van meer ondergeschikte aard was. Daarnaast heeft de officier van justitie rekening gehouden met het strafverleden van verdachte.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot de strafmaat op het standpunt gesteld dat hierbij dient te worden meegewogen dat verdachte door druk van medeverdachten langer binnen de criminele organisatie actief is geweest dan hem wenselijk was, hij zijn volledige medewerking heeft verleend aan het strafonderzoek, als ook dat hij inmiddels vanwege de Carnetfraude door de Nederlands belastingdienst aansprakelijk is gesteld voor een bedrag van € 1.300.000,- en de Duitse staat heeft aangekondigd eveneens een vordering van dergelijke omvang tegen hem in te zullen stellen, alsmede zijn persoonlijke omstandigheden waarbij een gevangenisstraf van lange duur ontwrichtend zal werken op de geestelijke gesteldheid van zijn autistische zoon en hiermee ook op die van zijn echtgenote.

Gelet op het vorengaande is de raadsman van mening dat de door de officier van justitie gevorderde straf onevenredig zwaar moet worden geacht. Een voorwaardelijke gevangenisstraf dan wel een werkstraf wordt door de raadsman in deze meer passend bevonden.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Ten laste van verdachte is fraude ten aanzien van vier Carnets TIR bewezen verklaard, hetgeen door de rechtbank bij het bepalen van de straf als uitgangspunt wordt genomen. Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die stelselmatig fraude pleegde ten aanzien van CarnetsTIR.

Door zijn handelswijze heeft verdachte een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van de Carnetfraude. De rechtbank rekent verdachte zwaar aan dat hij hierdoor op laakbare wijze inbreuk heeft gemaakt op het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in handelsdocumenten als de onderhavige moet kunnen worden gesteld. Een handelwijze als die van verdachte werkt ontwrichtend op het systeem van een gemeenschappelijke economische ordening die in Europees verband wordt nagestreefd en kan als resultaat hebben dat voor zeer grote bedragen aan rechten wordt ontdoken, alsmede dat bonafide bedrijven, die wel aan de verplichtingen voldoen, oneerlijke concurrentie wordt aangedaan.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening tevens gehouden met de omstandigheid dat de verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de rol van verdachte ten aanzien van de strafbare gedragingen die mede gelet op de vergoeding die hij hiervoor ontving, naar het oordeel van de rechtbank van meer ondergeschikte aard moet worden geacht, alsmede met zijn persoonlijke omstandigheden zoals die zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Tenslotte heeft de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee gehouden dat de strafbare feiten dateren van 2005/2006 en het derhalve “oude feiten” betreft. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving een gevangenisstraf die deels voorwaardelijk zal worden opgelegd in combinatie met een werkstraf in deze een gepaste bestraffing vormt.

De rechtbank zal de gevangenisstraf bepalen voor de duur van 12 maanden waarvan er 6 voorwaardelijk zullen worden opgelegd. Daarnaast acht de rechtbank een werkstraf geïndiceerd voor de duur van 240 uur.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze straf in overeenstemming met de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, alsmede met de persoon van verdachte zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het bovenstaande in aanmerking acht de rechtbank deze strafoplegging meer passend dan hetgeen door de officier van justitie is gevorderd en door de verdediging is bepleit.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht artikel: 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 57, 91,140.

Douanewet artikel: 48.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair, alsmede van het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten opleveren en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

beveelt dat deze gevangenisstraf 6 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast;

verstaat dat de taakstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid;

beveelt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vonnis gewezen door mrs. F. Oelmeijer, A.J.M. Huisman-Kreijn en Y.J.C.A. Roeffen, rechters, van wie mr. F. Oelmeijer voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.C.W. Gubbels-Willems als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 25 juni 2008.

1 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 22 juni 2006, opgemaakt door [brigadier], brigadier van politie en [brigadier 1] brigadier van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-023079 (fotokopiepagina 191212 t/m 191216).

2 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 17 augustus 2006, opgemaakt door [brigadier 2], brigadier van politie en [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-023079 (fotokopiepagina 191146 t/m 191153).

3 Proces verbaal Landelijk Team Falsificaten met bijlagen d.d. 21 april 2006, opgemaakt door [ambtenaar], ambtenaar van de belastingdienst, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-023079 (fotokopiepagina 19201 t/m 191216).

4 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 05 juli 2006, opgemaakt door [hoofdagent], hoofdagent van politie en [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar der belastingdienst, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-023080 (fotokopiepagina 201174 t/m 201178).

5 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 15 september 2006, opgemaakt door [brigadier 2], brigadier van politie en [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar der belastingdienst, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-023080 (fotokopiepagina 201001 t/m 201002).

6 Proces verbaal Landelijk Team Falsificaten met bijlagen d.d. 21 april 2006, opgemaakt door [ambtenaar], ambtenaar van de belastingdienst, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-023080 (fotokopiepagina 20352 t/m 20353).

7 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 05 juli 2006, opgemaakt door [hoofdagent], hoofdagent van politie en [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar der belastingdienst, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-023082 (fotokopiepagina 23981 t/m 23985).

8 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 6 oktober 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar en [Hoofdagent], hoofdagent van politie bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-008148 (fotokopiepagina 22 1165 t/m 22 1173).

9 Proces verbaal bevindingen met bijlagen d.d. 24 april 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar] ambtenaar van de belastingdienst, proces verbaal nummer 26-055181 (fotokopiepagina 23 379 t/m 23381).

10 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 30 augustustus 2006, opgemaakt door [hoofdagent], hoofdagent van politie en [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar der belastingdienst, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-038966 (fotokopiepagina 25 953 t/m 25 956).

11 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 15 september 2006, opgemaakt door [brigadier 2], brigadier van politie en [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar der belastingdienst, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-038966 (fotokopiepagina 25 1014 t/m 251015).

12 Proces verbaal Landelijk Team Falsificaten met bijlagen d.d. 21 april 2006, opgemaakt door [ambtenaar], ambtenaar van de belastingdienst, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-023080 (fotokopiepagina 20352 t/m 20353).

13 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 19 juni 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar] buitengewoon opsporingsambtenaar en [brigadier], brigadier van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-029782 (fotokopiepagina 04035 t/m 04040).

14 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 20 juni 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar] buitengewoon opsporingsambtenaar en [brigadier], brigadier van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-030148 (fotokopiepagina 04050 t/m 04053).

15 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 16 augustus 2006, opgemaakt door [Hoofdagent], hoofdagent van politie en [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-039071 (fotokopiepagina 03053 t/m 03060).

16 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 11 oktober 2006, opgemaakt door [brigadier], brigadier van politie en [hoofdagent] hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-030148 (fotokopiepagina 06036 t/m 06041).