Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD5480

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
01/889040-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk voor overtreding van artikel 48 van de Douanewet, deelname aan een criminele organisatie, het voorhanden hebben van wapens en munitie en het voorhanden hebben en het buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep/hashish.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer : 01/889040-05

Uitspraak d.d. : 25 juni 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [achternaam verdachte]

voornamen : [voornaam]

geboren op : [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 18 oktober 2007, 06 december 2007, 27 en 28 mei 2008 en 11 juni 2008.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat - na wijziging tenlastelegging - terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 17 oktober 2005 te Duiven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, middels een ingevuld en ondertekend carnet TIR, voorzien van het nummer [X] bij een douanekantoor van vertrek opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangifte heeft gedaan, althans laten doen, van een extern douanevervoer, te weten van het vervoer van een hoeveelheid kippenvlees dat in de EG zou aanvangen, te weten in Nederland, en dat buiten de EG zou eindigen, te weten Bulgarije, wetende dat dit vervoer in werkelijkheid zou eindigen binnen de EG, te weten in Duitsland, en aldus een ingevolge wettelijke bepalingen, te weten de Douanewet en/of het Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2913/92) en/of de toepassingsverordening Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2454/93 1), vereiste aangifte opzettelijk onjuist of onvolledig heeft gedaan, althans laten doen, welk feit ertoe strekte dat te weinig rechten bij invoer zou worden geheven;

(zaak 20; artikel 48 lid 1a Douanewet)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] op of omstreeks 17 oktober 2005 te Duiven, althans in Nederland, middels een ingevuld en ondertekend carnet TIR, voorzien van het nummer [X] bij een douanekantoor van vertrek opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangifte heeft gedaan van een extern douanevervoer, te weten van het vervoer van een hoeveelheid kippenvlees dat in de EG zou aanvangen, te weten in Nederland, en dat buiten de EG zou eindigen, te weten Bulgarije, wetende dat dit vervoer in werkelijkheid zou eindigen binnen de EG, te weten in Duitsland, en aldus een ingevolge wettelijke bepalingen, te weten de Douanewet en/of het Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2913/92) en/of de toepassingsverordening Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2454/93 1), vereiste aangifte opzettelijk onjuist of onvolledig heeft gedaan, welk feit ertoe strekte dat te weinig rechten bij invoer zou worden geheven, zijnde hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 1 oktober 2005 tot en met 20 oktober 2005 te Oss en/of Lith, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam geweest bij het plegen van vorenomschreven feit, althans hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) toen en daar opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen verschaft tot het plegen van vorenomschreven misdrijf, immers hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s), toen en daar geregeld dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] dat vervoer zou(den) verrichten en/of aangegeven waar deze [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] zou(den) moeten laden en/of lossen en/of er mede voor zorg gedragen dat de gegevens welke noodzakelijk waren voor het opmaken en/of invullen van het carnet TIR en het/de bijbehorende CMR('s), werden verstrekt aan die [medeverdachte 1], althans die [medeverdachte 2];

(zaak 20; artikel 48 lid 1a Douanewet juncto 48 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2005 tot en met 12 juni 2006 te Oss en/of Lith en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte en een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk overtreding van de artikelen 46 en/of 48 en/of 50 van de Douanewet en/of 225 Wetboek van Strafrecht;

(artikel 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 17 mei 2006 te Lith, een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Bul, type M5, en/of munitie van categorie III, te weten 18 patronen, en/of een wapen van categorie II onder 6°, te weten een busje pepperspray, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 26 lid 1 juncto 55 lid 3 onder a Wet Wapens en Munitie)

4.

hij op of omstreeks 7 juni 2006 te Lith, munitie van categorie III, te weten 89 patronen en/of een wapen van categorie II onder 6°, te weten een busje pepperspray, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 26 lid 1 juncto 55 lid 3 onder a Wet Wapens en Munitie)

5.

hij op of omstreeks 12 juni 2006 te Lith, munitie van categorie III, te weten 4 patronen en/of 9 hulzen en/of een of meer wapen(s) van categorie II onder 6°, te weten een of meer busje(s) pepperspray, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 26 lid 1 juncto 55 lid 3 onder a Wet Wapens en Munitie)

6.

hij op of omstreeks 18 november 2005 te Lith, althans te Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 38,3 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel een middel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 3 jo. art.11 van de Opiumwet; p.v. 26-051409)

7.

hij in of omstreeks de periode van 14 juni 2005 tot en met 16 september 2005 te Ede en/of Olst, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van ongeveer 70 tot 80 kilogram hashish, althans een hoeveelheid hashish, zijnde hashish een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel een middel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet (artikel 3 onder A Opiumwet; p.v.'s nr. 26-051389, 25-049556 en 26-056310)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 28 mei 2008 gevorderd dat het onder 1 primair, alsmede het onder 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, 2, 6 en 7 ten laste gelegde. Voor wat betreft het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde voert de raadsman het volgende aan. Verdachte heeft nimmer ontkent betrokken te zijn geweest bij de activiteiten van [medeverdachte 3] [medeverdachte 4] en de zijnen. Hij betwist echter op de hoogte te zijn geweest van hun frauduleuze handelingen. Het voorhanden zijnde bewijsmateriaal geeft volgens de raadsman ook geen blijk van enige wetenschap hieromtrent. Verdachte dient derhalve volgens de raadsman van de onderhavige feiten te worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Ten aanzien van het onder 6 en 7 ten laste gelegde bepleit de raadsman eveneens vrijspraak van het ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Immers geeft het strafdossier te dien aanzien geen blijk van enige uitvoeringshandelingen van verdachte en kan voor wat betreft het onder 7 ten laste gelegde bovendien geen enkele betrokkenheid van verdachte worden aangetoond.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Ten aanzien van feit 1 en 2

Medeverdachte [medeverdachte 3] (verder te noemen [medeverdachte 3]) verklaart dat hij rond februari 2005 op de hoogte werd gesteld van een trucje dat [medeverdachte 6] (verder te noemen [medeverdachte 6]) hanteerde met betrekking tot transporten kipfilet onder Carnets TIR. Op de Carnets TIR werd een valse bestemming opgegeven. De Carnet TIR werd vervolgens bij de douane geldig gemaakt. De goederen werden in werkelijkheid afgezet binnen de landen van de EG. Deze constructie diende er toe om de verschuldigde douanerechten te omzeilen. Om de fraude compleet te maken werd er volgens [medeverdachte 3] een factuur ingediend voor transportkosten naar Roemenië of Bulgarije.

[medeverdachte 3] verklaart verder dat hij en medeverdachte [medeverdachte 4] (verder te noemen [medeverdachte 4]) besloten dit trucje voort te zetten. In een gesprek tussen [medeverdachte 3] [medeverdachte 1] (verder te noemen [medeverdachte 1]) en [medeverdachte 4] werd afgesproken dat [medeverdachte 4] de benodigde vennootschappen zou oprichten, [medeverdachte 1] het transport zou verzorgen en [medeverdachte 3] verantwoordelijk zou zijn voor de verkoop. Het was - zo verklaart [medeverdachte 3] - voor iedereen duidelijk dat hun activiteiten niet legaal waren omdat de invoerrechten ontdoken zouden worden.

Blijkens de verklaring van [medeverdachte 3] kwam [medeverdachte 4] vervolgens met [bedrijf X] op de proppen. [bedrijf X] werd volgens [medeverdachte 3] de verkopende onderneming van het via infraplan ingekochte kippenvlees. Op de Carnets TIR werd als ontvanger vermeld een vennootschap in Bulgarije genaamd [bedrijf Y], als ook een bedrijf gevestigd in Roemenië, te weten [bedrijf Z] Het bedrijf in Bulgarije als ook dat in Roemenië werden volgens de verklaring van [medeverdachte 3] door [medeverdachte 4] gecreëerd. Deze bedrijven deden dienst als zogenaamde klanten in die landen.

[medeverdachte 5] (verder te noemen [medeverdachte 5]) droeg - blijkens de verklaring van [medeverdachte 3] - zorg voor het afstempelen van de Carnets TIR. De Carnets TIR werden opgestuurd naar een contactpersoon in Bulgarije, genaamd [contactpersoon 1] (verder te noemen [contactpersoon 1]). Enige tijd later kwamen ze afgestempeld en wel weer terug bij de eigenaar, die ze daarna bij (bedrijf) inleverde. [contactpersoon 1] kreeg hiervoor betaald via money transfers.

[verdachte] (verder te noemen verdachte) had als taak - zo verklaart [medeverdachte 3] - dat hij de zaken waarnam bij zijn afwezigheid en van [medeverdachte 4] en dat hij de transporten kipfilet met Carnets TIR begeleide. Verdachte heeft [medeverdachte 3] ook een keer om geld gevraagd voor het verzorgen money transfers.

Uit het proces verbaal komt tevens naar voren dat verdachte op 04 november 2005 is opgenomen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf X] in de functie van inkoop, planning en logistiek1.

De fraude zoals hierboven omschreven heeft volgens [medeverdachte 3] plaatsgevonden tussen februari 2005 en januari 20062 3 4 5 6.

Medeverdachte [medeverdachte 4] verklaart dat hij medio april 2005 door [medeverdachte 3] was benaderd voor het opzetten van een bedrijfsstructuur voor de im/export van vlees, hetgeen hij vervolgens ook gedaan heeft. [medeverdachte 4] heeft - zo verklaart hij - voor deze bedrijfsstructuur bedrijven aangekocht in Nederland, Duitsland en Bulgarije, waaronder Infraplan, [bedrijf A], [bedrijf X] en [bedrijf Y]. In de meeste gevallen stond hij ook als aandeelhouder te boek7.

[medeverdachte 5] verklaart dat hij in april 2005 samen met [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] is gegaan. [medeverdachte 4] was hier ook bij aanwezig. [medeverdachte 4] was eigenaar van een bedrijf genaamd Infraplan. [medeverdachte 5] is toen bij dit bedrijf in dienst getreden. Zijn werkzaamheden bestonden uit het versturen van CarnetsTIR naar Bulgarije, het onderhouden van contacten met [contactpersoon 1] en het overmaken van money-transfers naar Bulgarije. Eind augustus is hij samen met verdachte naar deze [contactpersoon 1] in Bulgarije gegaan. De reis had ten doel om nieuwe afspraken te maken met [contactpersoon 1].

[medeverdachte 4] - zo verklaart [medeverdachte 5] - was de figuur achter [medeverdachte 3] en regelde de financiën. [medeverdachte 3] was de man van de handel en [medeverdachte 1] was verantwoordelijk voor het transport. In de tijd dat [medeverdachte 1] met vakantie was verzorgde [medeverdachte 2] (verder te noemen [medeverdachte 2]) de transportwerkzaamheden. Verdachte tenslotte droeg zorg voor de bescherming van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4].

De groep van [medeverdachte 3] bestond volgens de verklaring van [medeve[medeve[medeverdachte 5] uit [medeverdachte 3] [medeverdachte 4], Uwe en verdachte. [medeverdachte 1] werd eveneens in dit verhaal betrokken8.

[medeverdachte 1] verklaart dat hij in november of december 2004 werd benaderd door [medeverdachte 6] om vlees te vervoeren. Vanaf januari/februari 2005 is [medeverdachte 4] meer op de voorgrond getreden. [medeverdachte 1] heeft toen - volgens zijn verklaring - van [medeverdachte 3] [medeverdachte 6], [medeverdachte 4] en van verdachte opdrachten gekregen om transporten kippenvlees onder Carnet TIR te rijden.

[medeverdachte 1] verklaart verder dat hij voorafgaande aan het transport van [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] of verdachte te horen kreeg waar hij zijn vracht moest ophalen en moest lossen. De papieren werden nadat de goederen in Nederland of Duitsland waren gelost ingeleverd bij iemand van Infraplan. Meestal nam [medeverdachte 4] de papieren aan. [medeverdachte 4] gaf aan wat er op de vervoerspapieren moest worden gezet. Hij vertelde [medeverdachte 1] ook hoe de factuur moest worden opgemaakt. Met name welke plaats van bestemming op de facturen diende te worden vermeld. [medeverdachte 1] - zo verklaart hij - had met [medeverdachte 4] afgesproken om per vracht € 2500,- in rekening te brengen.

[medeverdachte 1] heeft volgens zijn verklaring verdachte voor het eerst ontmoet ergens in mei 2005 bij [medeverdachte 3] op kantoor in Oss. Verdachte was meer de bodygard van de organisatie. Zijn rol was overigens omvangrijker dan bodygard alleen. Hij mocht - zo verklaart [medeverdachte 1] - net als [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in een mooie BWW X5 rijden met een Duits kenteken. Verdachte wist ook van de gang van zaken binnen het bedrijf. Als er besloten moest worden waar er gelost zou worden, gaven [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] meestal de doorslag. Verdachte had echter volgens [medeverdachte 1] wel degelijk een stem hierin. Verdachte regelde ook alles als [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] met vakantie waren.

Bij afwezigheid van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] diende [medeverdachte 1] - zo verklaart hij - contact op te nemen met verdachte. Hij heeft verdachte in dit kader ook een keer langs de kant van de weg getroffen. Verdachte was daar toen om de papieren op te halen. Met papieren bedoelt [medeverdachte 1] de CMR, veterinair document en de Carnet TIR.

[medeverdachte 1] verklaart voorts dat [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en verdachte precies van elkaar wisten wat ze deden en dat ze elkaar ook bij afwezigheid vervingen. [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en verdachte waren gelijkwaardig aan elkaar. Ze hadden alle drie iets in te brengen met betrekking tot de zaak.

[medeverdachte 4] was de gezagvoerder van de bedrijven. Hij hield zich in het algemeen bezig met de hele papierwinkel en het financiële gedeelte van de organisatie. Met name hield hij zich bezig met het opmaken en vervalsen van de facturen, de Carnets TIR en de overige papieren. Onder [medeverdachte 4] stond [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] was de uitvoerder van de organisatie. Hij hield zich bezig met de vleeshandel en onderhield contacten met diverse klanten9 10 11 12 13 14 15 16.

Uit het proces verbaal blijkt dat onderzoek heeft aangetoond dat er een Carnet TIR met nummer [X] op 17 oktober 2005 is aangeboden bij de ambtenaren van het douanekantoor te Duiven. Het Carnet betrof het vervoer van een lading kippenborstfilet van Nederland naar Bulgarije. Het Carnet TIR zou vervolgens zijn aangeboden bij het douanekantoor te Röszke te Hongarije. Onderzoek naar de echtheid van de douanestempel op het terugzendstrookje van het desbetreffende Carnet TIR wees echter uit dat dit vals was17.

[medeverdachte 2] verklaart dat het inderdaad zo kan zijn dat hij het transport heeft gedaan met betrekking tot het Carnet TIR met nummer [X] op 17 oktober 2005 van (medeverdachte) naar Frankfurt.

[medeverdachte 2] verklaart verder dat hij in de zomer van 2005 heeft gereden voor [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] bezorgde hem de formulieren die noodzakelijk waren voor het transport. Het betrof onder meer een CMR en een Carnet TIR. Het land van vertrek en de bestemming werden op de Carnet TIR afwisselend ingevuld door [medeverdachte 1], (medeverdachte) of door hemzelf.

Het losadres stond op de vrachtbrief vermeld of op een kladje papier als er geen CMR bijzat. Verdachte was er van op de hoogte dat er op de formulieren twee verschillende bestemmingen werden aangehouden.

De vrachten werden - zo verklaart [medeverdachte 2] - geladen bij (medeverdachte) in Barneveld. De lading bevatte bevroren kipfilet. Hierna reed verdachte naar het douanekantoor te Duiven waar de formulieren werden afgestempeld. [medeverdachte 1] had hem verteld dat hij die formulieren na het afstempelen aan niemand hoefde te laten zien. Het transport kon verder worden gedaan onder dekking van het CMR. De formulieren moest hij na afloop bij [medeverdachte 1] inleveren18 19 20 21.

[medeverdachte 1] verklaart dat in de periode van het transport met bovenvermeld Carnet TIR nummer, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] met vakantie waren. Verdachte heeft toen alles geregeld. Per faxbericht heeft hij van Verdachte te horen gekregen waar hij moest laden en lossen22.

Uit een telefoontap van 15 oktober 2005 blijkt dat er door [medeverdachte 1] telefonisch contact wordt opgenomen met verdachte. Verdachte zegt in dit telefoongesprek dat [medeverdachte 1] alles met hem moet regelen deze week en dat hij de planning met de grijze heeft doorgenomen. Voor alle vragen moet [medeverdachte 1] bij hem zijn. Verdachte vraagt of hij maandagochtend bij Harthoorn kan zijn en dezelfde dag nog kan afleveren in Frankfurt bij die klant (klant)23.

Uit een telefoontap van 17 oktober 2005 blijkt dat er door verdachte telefonisch contact wordt opgenomen met [persoon X]. Verdachte zegt dat de “transportguy”onderweg is en nu bij de douane is. Afgesproken wordt dat de “transportguy morgen om 7.00 uur bij (klant) is24.

[medeverdachte 3] verklaart met betrekking tot het transport met Carnet TIR nummer [X] dat de gehele gang van zaken rondom dit transport hetzelfde is verlopen als hij reeds ten aanzien van eerdere transporten heeft verklaard.

[medeverdachte 3] heeft daarover verklaard dat om de verschuldigde invoerrechten te omzeilen de bestemming van de goederen onjuist op het desbetreffende Carnet TIR stond vermeld. De werkelijke bestemming van de goederen was gelegen binnen de EG25.

Ten aanzien van het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, alsmede het proces verbaal van bevindingen d.d 20 mei 2006 26, 07 juli 2006 27 en 21 november 200628, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van feit 6

Uit een telefoontap op 26 september 2005 blijkt dat er telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen verdachte en een onbekende man, waarvan uit onderzoek is gebleken dat deze persoon [medeverdachte 7] (verder te noemen [medeverdachte 7]) betreft. Verdachte geeft tijdens dit telefoongesprek aan dat hij de jongens heeft gesproken en dat hij het karwei wil aannemen. Verdachte geeft vervolgens aan dat hij het de eerste dagen te druk heeft29.

Uit een telefoontap op 17 november 2005 blijkt dat er wederom telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen verdachte en deze [medeverdachte 7]. Tijdens dit telefoongesprek doet verdachte [medeverdachte 7] een voorstel om op 18 november 2005 af te spreken30.

Uit een telefoontap van een telefoongesprek tussen verdachte en [medeverdachte 7] op 18 november 2005 blijkt dat er tussen verdachte en [medeverdachte 7] wordt afgesproken dat [medeverdachte 7] naar het [restaurant 1] zal komen te Lithoijen rond een uur of zes, half zeven. Even later geeft verdachte tijdens een telefoongesprek met [medeverdachte 7] te kennen dat de jongen met de “lange haren” hem zal ophalen en dat de rest zal gaan zoals verdachte dat gezegd had31.

Medeverdachte [medeverdachte 7] verklaart dat hij voor een Engelsman genaamd [persoon Y] heeft bemiddeld in de verkoop van een partij weed. De Engelsman had [medeverdachte 7] gevraagd of hij iemand wist die voor hennep kon zorgen. [medeverdachte 7] heeft verdachte hiervoor benaderd. [medeverdachte 7] heeft verdachte volgens zijn verklaring getroffen in een [restaurant 1] te Lith en hem verteld dat hij iemand wist die interesse had in een partij hennep. Verdachte heeft toen tegen [medeverdachte 7] gezegd dat hij dit wel kon regelen.

[medeverdachte 7] verklaart verder dat hij op enig moment met [persoon Y] en verdachte naar een restaurant is gereden. In dit restaurant waren nog twee andere mannen aanwezig waarvan de een lang wit/grijs sprieterig haar had en de ander een kleinere, gezettere man was. Aan de hand van een getoonde foto van [medeverdachte 8] (verder te noemen [medeverdachte 8]) en [medeverdachte 9] (verder te noemen [medeverdachte 9]) worden deze personen door [medeverdachte 7] herkend als zijnde respectievelijk de man met het sprieterige grijze haar en de man met het meer gezette postuur. Er werd daar volgens de verklaring van [medeverdachte 7] ook gesproken over een prijs en [persoon Y] heeft aldaar een aanbetaling gedaan.

Op een vrijdagavond moest de hennep volgens de verklaring van [medeverdachte 7] worden afgehaald. [medeverdachte 7] ontmoette toen in het gezelschap van [persoon Y] een andere Engelsman. Van deze Engelsman kan hij zich de naam niet meer exact herinneren, het was iets in de trant van “(naam)”. In het [restaurant 1] werden zij opgehaald door medeverdachte [medeverdachte 8] die voor hen uit reed naar een woonwagenkampje in Oss.

[medeverdachte 7] verklaart verder dat de hennep vervolgens vanuit een woonwagen in de auto van “(naam)” is geladen. De zakken met bruine hennep wilde “(naam)“ niet hebben.

Toen zij vertrokken is de jongen met de lange haren voor hen uit gereden om hen de weg naar de snelweg te wijzen. [medeverdachte 7] is volgens zijn verklaring bij een verkeerslicht verkeerd gereden en heeft de auto van “(naam)” niet meer gezien. Later heeft [medeverdachte 7] van [persoon Y] gehoord dat “(naam)” niet was aangekomen. [medeverdachte 7] heeft hierover met verdachte getelefoneerd waarna zij elkaar hebben ontmoet in motel Vianen32.

Uit het proces verbaal blijkt dat op vrijdag 18 november 2005 door het observatieteam van de politie regio Brabant Noord het volgende wordt waargenomen. Omstreeks 13.21 uur reed een BMW met hierin verdachte en twee mannen, het kamp in gelegen aan de [adres 1] te Oss. Even later heeft deze auto het kamp weer verlaten.

Omstreeks 18.40 uur die dag werd er op het parkeerterrein van het [restaurant 1] “[restaurant 1]” te Lithoijen een tweetal personenauto’s geparkeerd, te weten een Mercedes, voorzien van het [kenteken nr. 1] en een bestelauto van het merk Fiat, type Doblo voorzien van het [kenteken nr. 2]

Hier stapten twee mannen uit die elkaar de hand gaven. Omstreeks 19.15 uur werd er een Mercedes Sprinter naast de Fiat Doblo geparkeerd. [medeverdachte 8] stapte uit deze auto en ging eveneens het [restaurant 1] binnen, waar hij contact legde met de bovenvermelde mannen.

Om ongeveer 19.27 uur kwamen zij samen naar buiten lopen. De mannen stapten in hun auto’s en reden rond 19.40 uur het terrein op van het kamp gevestigd aan de [adres 1] te Oss. De Fiat Doblo werd vervolgens tussen de twee woonwagens gereden in de hoek van het kamp. De bestuurder van de Mercedes met het [kenteken nr. 1] haalde een aktetas uit de auto en liep weg in de richting van de woonwagens.

Om 20.27 uur kwam een aantal mannen naar buiten en liep naar het binnenterrein tussen de woonwagens. Vervolgens hoorden de observanten dat door een of meerdere van die mannen meerdere plastic tassen/zakken in een auto werden gelegd. Meteen hierna werd er een auto gestart en kwam de Fiat Doblo achteruit het binnenterrein afrijden.

De man met de aktetas kwam ook naar buiten en de voornoemde Mercedes, Mercedes Sprinter en Fiat Doblo reden vervolgens achter elkaar het terrein van het kamp af33.

Omstreeks 21.44 uur die dag werd de bestuurder van de Fiat Doblo met kenteken (kenteken) aangehouden door medewerkers van het arrestatieteam Zuid-Nederland. De bestuurder betrof (medeverdachte). In de auto werden 3 boodschappentassen met gesealde hennep aangetroffen34.

Bij het testen van een monster uit de in beslag genomen partij, bleek er een positieve indicatie te zijn van de aanwezigheid van Cannabis producten, welke staan vermeld op lijst II van de Opiumwet35.

Bij weging bleek het te gaan om 38,3 kilogram hennep36.

Uit het proces verbaal blijkt dat verdachte op 18 november te 22.37 uur een SMS bericht heeft verzonden aan een persoon, vermoedelijk [medeverdachte 8]. Hierin vraagt hij hoe het is gegaan.

Tevens blijkt dat verdachte even later een tweede SMS-bericht heeft verzonden aan [medeverdachte 9] met hierin de tekst:”en diploma binnen of niet” ?. [medeverdachte 9] beantwoordt dit bericht met:”Jawoel maar ff iets minder feestelijk, ze deden er geen streepje bij”37.

Blijkens een telefoontap op 19 november 2005 wordt er door verdachte telefonisch contact opgenomen met een nummer waarvan de telefoon vermoedelijk in gebruik is van [medeverdachte 8]. verdachte vraagt aan de andere spreker wat er gebeurd is. De spreker zegt hierop dat “hij” nooit is aangekomen. Zijn maat had er nog wel een hele tijd voorgereden. De spreker zegt dat hij precies wil weten wat er aan de hand is. Verdachte zegt vervolgens dat hij een afspraak zal maken38.

Blijkens een telefoontap op 19 november 2005 wordt er door verdachte telefonisch contact opgenomen met [medeverdachte 9]. [medeverdachte 9] zegt tijdens het gesprek tegen verdachte dat hij al een paar keer gebeld had en bang was dat er iets gebeurd was. Verdachte zegt vervolgens dat hij een sms van de zwager van verdachte heeft gehad die niet best klonk. Verdachte vraagt of [medeverdachte 9] weet wat er gebeurd is omdat die nooit is aangekomen. [medeverdachte 9] weet het niet39.

Blijkens een telefoontap op 21 november 2005 wordt er door verdachte telefonisch contact opgenomen met [medeverdachte 7] en hij zegt dat hij een afspraak heeft gemaakt in Vianen om 19.30 uur. Verdachte heeft gezegd dat hij die jongens zou bellen en dat ze daarheen komen40.

[medeverdachte 8] verklaart dat hij op 18 november 2005 op verzoek van verdachte twee mannen heeft opgehaald bij het [restaurant 1] te Lith. Hij is hen voorgereden naar het woonwagenkampje aan de [adres 1] te Oss. Later heeft hij vernomen zo blijkt uit zijn verklaring dat een van de mannen zou zijn opgepakt en dat het om een aantal kilo’s weed ging41.

Ten aanzien van feit 7

[medeverdachte 5] (verder te noemen [medeverdachte 5]) verklaart dat er via een persoon die hij kent als [persoon Z] een keer een partij weed is weggegaan. Het transport heeft volgens [medeverdachte 5] plaatsgevonden in juni 2005.

Op een gegeven moment - zo verklaart [medeverdachte 5] - is verdachte samen met die [persoon Z] naar hem toegekomen. Zij wilden een partij softdrugs getransporteerd hebben naar Engeland en vroegen [medeverdachte 5] of hij dat kon regelen. Het betrof een partij geperste weed met een gewicht van rond de 70 tot 80 kilogram. Verdachte kon op de een of andere manier over een dergelijke partij weed beschikken. [medeverdachte 5] verklaart verder dat hij met het verzoek tot bemiddeling heeft ingestemd en vervolgens naar [medeverdachte 10] (verder te noemen [medeverdachte 10]) is gegaan.

[medeverdachte 5] verklaart voorts dat [medeverdachte 10] dit wel zag zitten. [medeverdachte 10] zou het transport in plannen. Vervolgens heeft [medeverdachte 5] contact opgenomen met verdachte en te kennen te geven dat de partij vervoerd kon worden. [persoon Z] heeft toen geregeld dat [medeverdachte 5] de partij de volgende dag zou kunnen ophalen. [medeverdachte 5] verklaart tevens dat [persoon Z] de betaling van het transport zou regelen, in totaal €16.000,-. De betaling zou plaatsvinden via verdachte.

[medeverdachte 5] kreeg echter - zo blijkt uit zijn verklaring - steeds van verdachte te horen dat er geen geld kwam. Uiteindelijk is het transport betaald maar daar ging enige tijd overheen. In totaal is er € 20.000,- voor het transport aan hem betaald. In eerste instantie heeft [medeverdachte 5] geld gekregen van verdachte. Het betrof een geldbedrag van €10.000,- . Het overige gedeelte ad. €10.000, - heeft [medeverdachte 5] pas later van de Engelsman gekregen. Dat was ongeveer in september 2005. Ondertussen wilde men nieuwe drugstransporten opzetten. [medeverdachte 5] vond het maar niks, dat het eerste transport nog niet betaald was en de tweede al ingezet zou worden.

[medeverdachte 5] verklaart voor het overige niet bemiddeld te hebben in drugstransporten voor verdachte en [persoon Z]. Het is bij dat ene transport gebleven42 43.

Uit een proces verbaal blijkt dat middels een fotoconfrontatie de persoon [persoon Z] door (medeverdachte) wordt herkend als zijnde [medeverdachte 5] (verder te noemen [medeverdachte 5])44.

Blijkens een telefoontap op 28 juni 2005 wordt er door [medeverdachte 5] telefonisch contact opgenomen met verdachte. [medeverdachte 5] zegt dat er morgen definitief geld - euro’s - komt, maar nog niet genoeg om de liftmonteur af te handelen. Verdachte baalt hiervan. [medeverdachte 5] zegt dat er €10.000,- beschikbaar is voor de liftmonteur en nog wat voor verdachte. [medeverdachte 5] zegt dat als hij morgen de euro’s heeft, hij samen met verdachte naar de liftmonteur zal gaan om het uit te leggen45.

Blijkens een telefoontap op 29 juni 2005 wordt er door verdachte telefonisch contact opgenomen met [medeverdachte 5]. [medeverdachte 5] geeft in dit telefoongesprek te kennen dat hij iets voor verdachte heeft46.

Blijkens een telefoontap op 30 juni 2005 wordt er door verdachte telefonisch contact opgenomen met [medeverdachte 5]. Verdachte geeft [medeverdachte 5] te kennen dat hij [medeverdachte 5] zo meteen komt verblijden met gezelschap. Verdachte geeft aan dat hij iemand heeft die “A6” van [medeverdachte 5] wil kopen. [medeverdachte 5] weet wat verdachte bedoelt. [medeverdachte 5] vraagt aan het einde van het gesprek of “de rest” al binnen is47.

Blijkens een telefoontap op 12 juli 2005 wordt er door [medeverdachte 5] telefonisch contact opgenomen met verdachte. Er wordt niet opgenomen. Te horen is wel dat [medeverdachte 5] tegen iemand zegt : “Niemand alleen ik heb contact met [verdachte], niemand anders. Hij weet hoe het werkt, je weet wel wat ik bedoel, ik heb hem verdomme net €10.000,- gegeven”48.

Blijkens een telefoontap op 14 juli 2005 wordt er door [medeverdachte 5] telefonisch contact opgenomen met verdachte. [medeverdachte 5] vraagt aan verdachte hoe het zit met Joe. Verdachte zet dat het wel goed zit en dat hij er mee bezig is. [medeverdachte 5] zegt vervolgens dat het twee weken geleden is. Verdachte zegt dat hij gezegd heeft, eerst betalen. [medeverdachte 5] zegt dat hij dat ook tegen hem heeft gezegd, maak het maar voor elkaar. [medeverdachte 5] zegt dat hij afgelopen week alles compleet voor mekaar zou maken, ze zijn er al weer een week overheen49.

Blijkens een telefoontap op 20 juli 2005 wordt er door [medeverdachte 5] telefonisch contact opgenomen met verdachte. [medeverdachte 5] vraagt aan verdachte of hij die 10 voor elkaar heeft. Verdachte denkt van wel maar hij vraagt het zo en belt [medeverdachte 5] dadelijk wel even terug. [medeverdachte 5] zegt dat het anders uitgesloten is en dan bekijkt hij het maar50.

Blijkens een telefoontap op 29 juli 2005 wordt er door verdachte telefonisch contact opgenomen met [medeverdachte 5].

Verdachte heeft de andere kant gezegd dat ze het gewoon doen maar wel eerst afhandelen. Verdachte had gezegd handel nummer een af en nummer twee gaat er achteraan51.

[medeverdachte 10] (verder te noemen [medeverdachte 10]) verklaart dat [medeverdachte 5] hem begin 2005 heeft benaderd met de vraag of hij mee wilde werken aan het transport van verdovende middelen naar Engeland.

[medeverdachte 10] verklaart voorts dat [medeverdachte 5] in juni of juli van 2005 vraagt of hij gebruik mag maken van de transportlijn van [medeverdachte 10] om goederen naar Engeland te vervoeren. Als [medeverdachte 10] vraagt om welke goederen het gaat antwoordt [medeverdachte 5] dat het vlees betreft in combinatie met verdovende middelen (softdrugs). [medeverdachte 10] is hiermee akkoord gegaan en heeft voor [medeverdachte 5] een aantal transporten verzorgd in de periode juni tot september 200552.

7.3 Bewijsmotivering van de rechtbank

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde op een actieve wijze betrokken is geweest bij het door [medeverdachte 3] geschetste fraudepatroon ten aanzien van Carnets TIR.

Met name uit de verklaringen van de medeverdachten over de rol van verdachte binnen de organisatie en zijn activiteiten dienaangaande (begeleiden van transporten, verzorgen van money-transfers, ophalen van vervoerspapieren bij de transporteur) leidt de rechtbank af dat verdachte wetenschap moet hebben gehad van de frauduleuze handelingen, hetgeen tevens zijn bevestiging vindt in de onder de bewijsmiddelen aangehaalde inhoud van de telefoontaps. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte er van op de hoogte was dat er door de transporteurs aangifte werd gedaan bij de douane terwijl de werkelijke bestemming van de goederen was gelegen binnen Europa (Frankfurt), hetgeen de basis vormde van het gehele fraudepatroon.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - verdachte ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde bewijsbaar betrokken is geweest bij de verkoop en levering van een partij hennep.

Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat verdachte de onderhandelingen te dien aanzien heeft gevoerd en bewijsbaar betrokken is geweest bij de levering van de hennep, alsmede bij de afwikkeling van de deal. De omstandigheid dat verdachte niet fysiek bij de overdracht van de partij verdovende middelen aanwezig was doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang gezien - verdachte bewijsbaar betrokken is geweest bij het transport van een partij hashish buiten het grondgebied van Nederland.

Immers komt de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 5] op dit punt naadloos overeen met de inhoud van de in de bewezenverklaring aangehaalde telefoontaps en kan naar het oordeel van de rechtbank op grond hiervan alsmede op grond van de verklaring van [medeverdachte 5] dat hij slechts een transport voor verdachte heeft verzorgd niet anders worden geconcludeerd dan dat de inhoud van de telefoontaps betrekking heeft op de afwikkeling van het ten laste gelegde feit, waarmee tevens de betrokkenheid van verdachte komt vast te staan.

Hiermee weerlegt de rechtbank de verweren van de raadsman.

7.4 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, alsmede het onder 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 04 oktober 2005 te Duiven, tezamen en in vereniging met anderen, middels een ingevuld en ondertekend Carnet TIR, voorzien van het nummer [X] bij een douanekantoor van vertrek opzettelijk onjuiste aangifte heeft gedaan van een extern douanevervoer, te weten van het vervoer van een hoeveelheid kippenvlees dat in de EG zou aanvangen, te weten in Nederland, en dat buiten de EG zou eindigen, te weten Bulgarije, wetende dat dit vervoer in werkelijkheid zou eindigen binnen de EG, te weten in Duitsland, en aldus een ingevolge wettelijke bepalingen, te weten de Douanewet en/of het Communautair douanewetboek (verordening EG nr. 2913/92) en/of de toepassingsverordening Communautair douanewetboek (verordening EEG nr. 2454/93 1), vereiste aangifte opzettelijk onjuist heeft gedaan, welk feit ertoe strekte dat te weinig rechten bij invoer zou worden geheven;

2. =

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2005 tot en met 12 juni 2006 te Oss en/of Lith en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte en een of meer natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] en een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk overtreding van de artikelen 46 en/of 48 en/of 50 van de Douanewet en/of 225 Wetboek van Strafrecht;

3.

hij op 17 mei 2006 te Lith, een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Bul, type M5, en munitie van categorie III, te weten 18 patronen, en een wapen van categorie II onder 6°, te weten een busje pepperspray, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 07 juni 2006 te Lith, munitie van categorie III, te weten 89 patronen en een wapen van categorie II onder 6°, te weten een busje pepperspray, voorhanden heeft gehad;

5.

hij op 12 juni 2006 te Lith, munitie van categorie III, te weten 4 patronen en 9 hulzen en wapens van categorie II onder 6°, te weten busjes pepperspray, voorhanden heeft gehad;

6.

hij op 18 november 2005 te Oss, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid van 38,3 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

7.

hij in de periode van 14 juni 2005 tot en met 16 september 2005 te Olst, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van ongeveer 70 tot 80 kilogram, een middel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

Medeplegen van opzettelijk een ingevolge wettelijke bepalingen vereiste aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 48 van de Douanewet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 11 (oud) van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 11 (oud) van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 28 mei 2008 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, alsmede van het onder 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft bij het bepalen van de gevorderde straf voor wat betreft de Carnetfraude de door het openbaar ministerie (landelijk) gehanteerde gedragslijn bij economische delicten geraadpleegd, waarbij het toegebrachte financiële nadeel als uitgangspunt wordt genomen. Een financieel nadeel van € 500.000,- impliceert volgens deze gedragsregel in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar. In dit kader verwijst de officier van justitie tevens naar een uitspraak van de rechtbank Alkmaar die bij een fraudebedrag van € 450.000,- een gevangenisstraf voor de duur van een jaar heeft bepaald.

De officier van justitie heeft op grond van de bevindingen uit het financiele rapport het totale benadelingsbedrag gesteld op € 1.700.00 waarvan € 1.100.000 ,- ten nadele van verdachte kan worden gebracht vanwege fraude ten aanzien van de verkoop van rond de 666.000 kilogram kippenvlees. Het een en ander impliceert volgens de gedragslijn van het openbaar ministerie een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren.

Tevens heeft de officier van justitie in het nadeel van verdachte er rekening mee gehouden dat er door verdachte en de zijnen stelselmatig werd gefraudeerd in georganiseerd verband, alsmede met de (aanzienlijke) rol van verdachte binnen het gehele kader van strafbare gedragingen.

Daarnaast heeft de officier van justitie bij het bepalen van de straf de Opiumdelicten in aanmerking genomen, alsmede het feit dat verdachte meerdere malen heeft gehandeld in strijd met de Wet wapens en munitie. De officier van justitie heeft tenslotte in het voordeel van verdachte er rekening mee gehouden dat hij nog niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat mocht de rechtbank (ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde) tot een bewezenverklaring komen, een straf gelijk aan de duur van het voorarrest in deze passend kan worden geacht. De door de officier van justitie gevorderde straf wordt door de raadsman dan ook buiten proportioneel hoog bevonden.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Ten nadele van verdachte is fraude ten aanzien van een Carnet TIR bewezen verklaard. Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die stelselmatig fraude pleegde ten aanzien van Carnets TIR.

Door zijn handelswijze heeft verdachte een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van de Carnetfraude. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij hierdoor op laakbare wijze inbreuk heeft gemaakt op het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in handelsdocumenten als de onderhavige moet kunnen worden gesteld. Een handelwijze als die van verdachte werkt ontwrichtend op het systeem van een gemeenschappelijke economische ordening die in Europees verband wordt nagestreefd en kan als resultaat hebben dat voor zeer grote bedragen aan rechten wordt ontdoken, alsmede dat bonafide bedrijven, die wel aan de verplichtingen voldoen, oneerlijke concurrentie wordt aangedaan.

Verdachte is - naar het oordeel van de rechtbank - tevens betrokken geweest bij de verkoop en levering van een partij hennep en een transport van hashish naar Engeland. De rechtbank acht dergelijke misdrijven ernstig aangezien deze middelen als zij in handen komen van de gebruikers schade kunnen toebrengen aan de gezondheid. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat handel in verdovende middelen ontwrichtend kan werken en zodoende de maatschappij in zijn geheel schade berokkend. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de export van softdrugs vanuit Nederland, de Nederlandse staat een negatief imago bezorgt in het buitenland.

Voorts zijn er in de woning van verdachte meerdere malen (vuur)wapens en munitie aangetroffen. Tenslotte rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij geen inzicht heeft getoond in de onjuistheid van zijn handelen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Anderzijds heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening gehouden met zijn strafverleden zoals blijkt uit het Algemeen Documentatieregister, alsmede met zijn persoonlijke omstandigheden zoals die zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Tenslotte heeft de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee gehouden dat de strafbare feiten dateren van 2005/2006 en het derhalve “oude feiten” betreft. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf waarvan een deel voorwaardelijk zal worden opgelegd een gepaste bestraffing vormt en in dit geval een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank zal de duur van de gevangenisstraf bepalen op 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk zullen worden opgelegd.

Het bovenstaande in aanmerking acht de rechtbank deze strafoplegging meer passend dan hetgeen door de officier van justitie is gevorderd en door de verdediging is bepleit.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht: 10, 14 a, 14 b, 14 c, 27, 47, 57, 91, 140.

Douanewet artikel: 48.

Opiumwet artikel: 3 en 11 (oud).

Wet wapens en munitie artikel: 26 en 55.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, alsmede het onder 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten opleveren en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;

beveelt dat van de gevangenisstraf 6 maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vonnis gewezen door mrs. F. Oelmeijer, A.J.M. Huisman-Kreijn en Y.J.C.A. Roeffen, rechters, van wie mr. F. Oelmeijer voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.C.W. Gubbels-Willems als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 25 juni 2008.

1 Proces verbaal van verhoor met bijlagen, opgemaakt door [inspecteur] inspecteur van politie en [inspecteur 2], inspecteur van politie bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-011843 (fotokopiepagina 12 055).

2 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 15 september 2006, opgemaakt door [brigadier] brigadier van politie en [buitengewoon opsporingsambtenaar] buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-004359 (fotokopiepagina 21 1082 t/m 21 1086).

3 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 16 augustus 2006, opgemaakt door [hoofdagent], hoofdagent van politie en [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-039071 (fotokopiepagina 03 53 t/m 03 060).

4 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 17 augustus 2006, opgemaakt door [hoofdagent], hoofdagent van politie en [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-039920 (fotokopiepagina 03 061 t/m 0 3068).

5 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 18 augustus 2006, opgemaakt door [hoofdagent], hoofdagent van politie en [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-040373 (fotokopiepagina 03 095 t/m 03 097).

6 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 18 augustus 2006, opgemaakt door [hoofdagent], hoofdagent van politie en [buitengewoon opsporingsambtenaar] buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-044379 (fotokopiepagina 03 163 t/m 03 170).

7 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 16 augustus 2006, opgemaakt door [hoofdagent], hoofdagent van politie en [hoofdagent], hoofdagent van politie bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-037896 (fotokopiepagina 02 100 t/m 02 106).

8 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 11 oktober 2006, opgemaakt door [brigadier], brigadier van politie en [hoofdagent], hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-030148 (fotokopiepagina 06036 t/m 06041).

9Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 19 juni 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar] buitengewoon opsporingsambtenaar en [brigadier], brigadier van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-029782 (fotokopiepagina 04 035 t/m 04 040).

10 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 20 juni 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar] buitengewoon opsporingsambtenaar en [brigadier], brigadier van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-030148 (fotokopiepagina 04050 t/m 04053).

11 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 21 juni 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar en [brigadier], brigadier van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-030260 (fotokopiepagina 04054 t/m 04056).

12 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 6 juli 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar] buitengewoon opsporingsambtenaar en [hoofdagent] hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-032609 (fotokopiepagina 04 122 t/m 04 126).

13Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 17 juli 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar en [hoofdagent] hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-034397 (fotokopiepagina 04168 t/m 04173).

14 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 17 juli 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar en [hoofdagent] hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-034410 (fotokopiepagina 04 174 t/m 04 176).

15 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 1 september 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar] buitengewoon opsporingsambtenaar en [hoofdagent] hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-042538 (fotokopiepagina 04 259 t/m 04 265).

16 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 19 juli 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar en [hoofdagent] hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-034863 (fotokopiepagina 04 196 t/m 04 199).

17 Proces verbaal Landelijk Team Falsificaten met bijlagen d.d. 21 april 2006, opgemaakt door [ambtenaar], ambtenaar van de belastingdienst, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-023079 (fotokopiepagina 21 512 t/m 21 513).

18 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 13 juni 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar en [hoofdagent] hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-028851 (fotokopiepagina 05021 t/m 05024).

19 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 14 juni 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar en [hoofdagent] hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-029086 (fotokopiepagina 05029 t/m 05030).

20 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 14 juni 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar en [hoofdagent] hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-029086 (fotokopiepagina 05029 t/m 05030).

21 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 20 juni 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar en [hoofdagent], hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-030008 (fotokopiepagina 05045 t/m 05047).

22 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 5 juli 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar] buitengewoon opsporingsambtenaar en [hoofdagent] hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-032458 (fotokopiepagina 04095 t/m 04099).

23 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 31 mei 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-026857 (fotokopiepagina 20051 t/m 20077).

24 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 31 mei 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar], buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-026857 (fotokopiepagina 20051 t/m 20077).

25 Proces verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 15 september 2006, opgemaakt door [buitengewoon opsporingsambtenaar] buitengewoon opsporingsambtenaar en [hoofdagent] hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-044727 (fotokopiepagina 20 1001 t/m 20 1002).

26 Proces verbaal van bevindingen d.d. 30 mei 2006 met bijlagen, opgemaakt door [hoofdagent] hoofdagent van politie bij de Regiopolitie Brabant-Noord, behorende bij het dossier met nummer PL2140/06-014046 (fotokopiepagina 26 006 t/m 26 008).

27 Proces verbaal van bevindingen d.d. 07 juli 2006 met bijlagen, opgemaakt door [brigdier], brigadier van politie bij de Regiopolitie Brabant-Noord, behorende bij het dossier met nummer PL2140/06-015259 (fotokopiepagina 27 025 t/m 27 026).

28 Proces verbaal van bevindingen d.d. 21 november 2006 met bijlagen, opgemaakt door [inspecteur] inspecteur van politie bij de Regiopolitie Brabant-Noord en [brigadier] brigadier van politie bij de Regiopolitie Brabant-Noord, proces verbaal nummer 26-051286 (fotokopiepagina 28 002 t/m 28 003).

29 Proces verbaal van bevindingen d.d. 11 februari 2007 plus bijlage van telefoontap 17 d.d. 26 september 2005, opgemaakt door [hoofdagent] hoofdagent van politie bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 25-051409 (fotokopiepagina 45 037 t/m 45 038).

30 Proces verbaal van bevindingen d.d. 11 februari 2007 plus bijlage van telefoontap 17 d.d. 17 november 2005, opgemaakt door [hoofdagent] hoofdagent van politie bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 25-051409 (fotokopiepagina 45 037 t/m 45 038).

31 Proces verbaal van bevindingen d.d. 11 februari 2007 plus bijlagen van telefoontap 17 d.d. 18 november 2005, opgemaakt door [hoofdagent] hoofdagent van politie bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 25-051409 (fotokopiepagina 45 037 t/m 45 038).

32 Proces verbaal van verhoor d.d. 2 oktober 2006, opgemaakt door [inspecteur], inspecteur van politie en [hoofdagent] hoofdagent van politie bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 25-051409 (fotokopiepagina 45 256 t/m 45 261).

33 Proces verbaal van observeren d.d. 23 november 2005, opgemaakt door (verbalisant) hoofd unit observatie en observanten 10, 24, 28, 39, 40, 44, 47 bij de Regiopolitie Brabant-Noord, unit observatie, behorende bij proces verbaal dossiernummer 25-051409 (fotokopiepagina 45 162 t/m 45 168).

34 Proces verbaal van aanhouding d.d. 18 november 2005, opgemaakt door verbalisanten EXO-05 en EXO -19 van de politie Brabant Zuid Oost, interregionaal Arrestatieteam, behorende bij proces verbaal dossiernummer 25-051409 (fotokopiepagina 45 180 t/m 45 181).

35 Proces verbaal van onderzoek in beslag genomen goederen d.d. 21 november 2005, opgemaakt door [technisch medewerker] technisch medewerker bij Politie Utrecht divisie Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 25-051409 (fotokopiepagina 45 190).

36 Proces verbaal van bevindingen d.d. 21 november 2005, opgemaakt door (verbalisant), hoofdagent van politie bij Politie Utrecht district Lekstroom, behorende bij proces verbaal dossiernummer 25-051409 (fotokopiepagina 45 200).

37 Proces verbaal van bevindingen d.d. 11 februari 2007 plus bijlagen van tap 33 SMS- tekstberichten d.d. 18 november 2005, opgemaakt door [hoofdagent] hoofdagent van politie bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 25-051409 (fotokopiepagina 45 037 t/m 45 038).

38 Proces verbaal van bevindingen d.d. 11 februari 2007 plus bijlage van telefoontap 33 d.d. 19 november 2005, opgemaakt door [hoofdagent] hoofdagent van politie bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 25-051409 (fotokopiepagina 45 037 t/m 45 038).

39 Proces verbaal van bevindingen d.d. 11 februari 2007 plus bijlage van telefoontap 33 d.d. 19 november 2005, opgemaakt door [hoofdagent] hoofdagent van politie bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 25-051409 (fotokopiepagina 45 037 t/m 45 038).

40 Proces verbaal van bevindingen d.d. 11 februari 2007 plus bijlage van telefoontap 33 d.d. 19 november 2005, opgemaakt door [hoofdagent] hoofdagent van politie bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 25-051409 (fotokopiepagina 45 037 t/m 45 038).

41 Proces verbaal van verhoor d.d. 11 september 2006, opgemaakt door [inspecteur], inspecteur van politie en [hoofdagent] hoofdagent van politie bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 25-051409 (fotokopiepagina 45 221 t/m 45 226).

42 Proces verbaal van verhoor d.d. 17 oktober 2006, opgemaakt door [brigadier] brigadier van politie en [hoofdagent], hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-051389 (fotokopiepagina 48 207 t/m 48 23).

43 Proces verbaal van verhoor d.d. 07 november 2006, opgemaakt door [brigadier] brigadier van politie en [hoofdagent], hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-051389 (fotokopiepagina 48 217 t/m 48 219).

44 Proces verbaal van verhoor d.d. 19 oktober 2006, opgemaakt door [brigadier] brigadier van politie en [hoofdagent], hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-051389 (fotokopiepagina 48 212).

45 Telefoontap weergegeven op pagina 48070 van het proces verbaal met dossier nummer 26-051389.

46 Telefoontap weergegeven op pagina 48070 van het proces verbaal met dossier nummer 26-051389.

47 Telefoontap weergegeven op pagina 48080 en 48081 van het proces verbaal met dossier nummer 26-051389.

48 Telefoontap weergegeven op pagina 48 108 van het proces verbaal met dossier nummer 26-051389.

49 Telefoontap weergegeven op pagina 48 113 van het proces verbaal met dossier nummer 26-051389.

50 Telefoontap weergegeven op pagina 48 122 t/m 124 van het proces verbaal met dossier nummer 26-051389.

51 Telefoontap weergegeven op pagina 48 127 t/m 130 van het proces verbaal met dossier nummer 26-051389.

52 Proces verbaal van verhoor d.d. 08 november 2006, opgemaakt door [brigadier] brigadier van politie en [hoofdagent] hoofdagent van politie, bij de Regiopolitie Brabant-Noord, divisie Centrale Recherche, behorende bij proces verbaal dossiernummer 26-051389 (fotokopiepagina 48 234 t/m 48 237).