Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD5310

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/3473
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitkering ingevolge de Werkloosheidswet is geweigerd op grond van de overweging dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden. Ontslagreden is bepalend voor de beoordeling van dringende reden en niet de ontslagroute. Deugdelijke feitelijke grondslag ontbreekt. Detentie en onbereikbaarheid dientengevolge op zich, zonder onderzoek naar overige omstandigheden, bieden niet voldoende grond om dringende reden aan te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/3473

Uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juni 2008

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. M.A.W. Ketelaars,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door het Uwv-kantoor te Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2007 heeft verweerder geweigerd aan eiser per 30 januari 2007 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen, omdat hij verwijtbaar werkloos wordt geacht.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 6 september 2007 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 22 april 2008, waar eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich niet doen vertegenwoordigen.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft geweigerd eiser met ingang van 30 januari 2007 in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering, omdat hij verwijtbaar werkloos wordt geacht.

2. De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Eiser was vanaf 1 september 1986 in dienst bij de Stichting [werkgever] (de werkgever) als leraar op een school voor speciaal onderwijs te [plaats] (de school). In mei 2003 is eiser uitgevallen als gevolg van privé-omstandigheden. In verband hiermee heeft eiser in de periode van mei 2003 tot medio 2005 in overleg met de bedrijfsarts en de school minder gewerkt dan wel aangepast werk verricht. In deze periode is eiser, als gevolg van door hem geuite bedreigingen aan het adres van zijn gezin en/of hulpverleners, van september 2005 tot januari 2007 in voorlopige hechtenis gehouden. Het gerechtshof heeft aan eiser gevangenisstraf opgelegd voor de duur van de voorlopige hechtenis. De eerder door de rechtbank opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging heeft het gerechtshof niet gehandhaafd.

De kantonrechter heeft, op verzoek van de werkgever, de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en eiser met ingang van 15 december 2006 ontbonden. Nadat eiser door het gerechtshof per 29 januari 2007 uit de voorlopige hechtenis is geschorst, heeft hij een WW-uitkering aangevraagd.

4. Het standpunt van verweerder is als volgt. Eiser heeft zich niet gedragen als een goed werknemer. Hij heeft gedrag vertoond dat heeft geresulteerd in een dringende reden (de langdurige detentie) waardoor het van de werkgever niet gevergd kon worden dat de dienstbetrekking zou worden voortgezet. Verweerder stelt dat eiser - hoewel de langdurige detentie geheel losstaat van de arbeidsrelatie met de werkgever - door de detentie voor langere duur onbereikbaar was voor de werkgever en dat eiser de werkgever tijden lang in het ongewisse heeft gelaten over de stand van zaken, respectievelijk over zijn verblijfplaats. Verweerder stelt tevens dat eiser de werkgever er niet van op de hoogte heeft gesteld dat hij rechtens van zijn vrijheid was beroofd. Doordat eiser onbereikbaar was voor zijn werkgever, was er geen vruchtbare basis meer voor voortzetting van het dienstverband. Daarnaast is door de detentie de vertrouwensrelatie met de werkgever ernstig verstoord. Dit valt eiser te verwijten en levert voor de werkgever een dringende reden op om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

5. Eiser meent - kort gezegd - dat hem door de omstandigheden niet kan worden verweten dat hij geen contact met de school kon opnemen en dat overigens de school wel degelijk op de hoogte was van zijn verblijfplaats en detentie. Daarnaast voert eiser aan dat de werkgever hem eervol ontslag heeft verleend en het verzoek aan de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te beëindigen is gedaan op grond van gewichtige redenen, genoemd in artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waaruit blijkt dat ook de werkgever geen dringende reden tot ontslag als bedoeld in artikel 7:678 van het BW heeft aangenomen. Ook de kantonrechter heeft in zijn beschikking geen dringende redenen aangenomen. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder hem ten onrechte niet de gelegenheid heeft geboden zijn bezwaar mondeling toe te lichten.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Artikel 24 van de WW luidt - voor zover van belang – als volgt:

1. De werknemer voorkomt dat hij:

a. verwijtbaar werkloos wordt; (...)

2. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien:

a. aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt; (...)

8. Artikel 27, eerste lid, van de WW luidt als volgt:

1. Indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a of onderdeel b, onder 3° opgelegd, niet is nagekomen, weigert het UWV de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het UWV de uitkering gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over de volledige duur van de uitkering, maar ten hoogste over een periode van 26 weken.

9. Artikel 7:678 BW, luidt als volgt.

1. Voor de werkgever worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. (...)

10. Tijdens de terechtzitting heeft de gemachtigde namens eiser de grief dat verweerder hem ten onrechte niet de gelegenheid heeft geboden zijn bezwaar mondeling toe te lichten, ingetrokken.

11. Verweerder kan zelfstandig onderzoek doen naar een eventuele verwijtbare dringende reden voor ontslag in het kader van artikel 24 van de WW. Voor de beoordeling of zich een dringende reden voor ontslag heeft voorgedaan is niet van belang of de werkgever zich jegens de werknemer daarop heeft beroepen en evenmin of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden op grond van een dringende reden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de ontslagreden bepalend is voor de vraag of sprake is van een dringende reden en niet de ontslagroute.

12. Gelet op artikel 7:678 BW levert eisers detentie op zichzelf genomen geen dringende reden voor ontslag op. Voor zover verweerder heeft gemeend dat het niet bereikbaar zijn van eiser voor de werkgever een dringende reden tot ontslag oplevert, kan verweerder daarin naar het oordeel van de rechtbank niet worden gevolgd. Het langdurig onbereikbaar zijn is immers een direct gevolg van de detentie van eiser en levert als zodanig evenmin een dringende reden op. Dat eiser de werkgever in het ongewisse heeft gelaten over de stand van zaken rondom zijn detentie, vindt geen steun in de gedingstukken. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift gesteld dat de directeur van de school waar hij werkzaam was diverse gesprekken heeft gehad met zowel advocaat mr. Jansen, die eisers belangen in de strafzaak behartigde, als met eisers broer. De rechtbank stelt vast dat verweerder naar de juistheid van deze stelling geen nader onderzoek heeft verricht. Gelet op de schriftelijke verklaring die de toenmalige directeur van de school op 28 juli 2006 heeft opgesteld ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek, is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de werkgever wel degelijk op de hoogte was van de stand van zaken rondom de detentie van eiser. Indien de werkgever de exacte verblijfplaats van eiser wilde weten, stond niets eraan in de weg om daarvoor de advocaat of familie van eiser te benaderen. Niet is onderzocht of de werkgever dergelijke pogingen heeft ondernomen.

13. Het verwijt dat als gevolg van het opleggen van de gevangenisstraf sprake zou zijn van een ernstige verstoring van de vertrouwensrelatie tussen eiser en de werkgever, wordt door verweerder niet nader gemotiveerd. Dit verwijt mist een feitelijke onderbouwing.

14. Naar het oordeel van de rechtbank ontbeert het bestreden besluit met het enkele vermelden van voornoemde verwijten een deugdelijke feitelijke grondslag en mitsdien een voldoende deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank gaat er niet aan voorbij dat de gedingstukken enig inzicht bieden in de mogelijke feitelijke invulling van een aan eiser te maken verwijt, doch het voert naar het oordeel van de rechtbank te ver om deze feiten ten behoeve van het bestreden besluit ambtshalve aan te vullen. Daarbij wijst de rechtbank erop dat artikel 8:69, derde lid, van de Awb niet ten doel heeft om het bestreden besluit alsnog van een juiste feitelijke grondslag te voorzien. De rechtbank acht het opnemen van een deugdelijke feitelijke grondslag in het bestreden besluit te meer van belang, nu aan de hand van die feitelijke grondslag dient te worden beoordeeld of sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 van het BW. Bij het ontbreken van een deugdelijke feitelijke grondslag komt de rechtbank mitsdien aan de beantwoording van de vraag of er sprake is van een dringende reden niet toe.

15. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

16. Verweerder dient op basis van een gedegen nader onderzoek voldoende feiten of gedragingen aan te voeren die voor de werkgever een dringende reden voor ontslag zoals bedoeld in artikel 7:678 BW zouden kunnen opleveren. Daarbij wijst de rechtbank er op dat bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden volgens vaste jurisprudentie tevens de omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking dienen te worden genomen. Daarbij behoren ook in het oordeel te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer en de omstandigheden zoals de lengte van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag. Pas als een volledig beeld bestaat van de aard en de ernst van de gedraging, én van de overige omstandigheden, kan een afweging plaatsvinden en een oordeel worden gevormd over het al dan niet bestaan van een dringende reden. De enkele omstandigheid dat eiser in detentie is geweest, is bij gebreke van een nader onderzoek van verweerder naar de overige omstandigheden, waaronder eisers persoonlijke omstandigheden, niet voldoende om nu al tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van een dringende reden.

Vervolgens moet verweerder, gelet op de tekst van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a van de WW, ook nog beoordelen of de werknemer terzake van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.

Het is aan verweerder om zowel de dringende reden, inclusief de omstandigheden van het geval, als de verwijtbaarheid nader te onderzoeken en te beoordelen. De rechtbank overweegt daarbij wel dat als eiser zich in dit verband wil beroepen op bijzondere feiten of omstandigheden, het aan eiser is deze naar voren te brengen en te bewijzen.

Overigens volgt uit artikel 27, eerste lid, van de WW dat verweerder bij het opleggen van de maatregel ook nog moet beoordelen of eiser het niet nakomen van zijn verplichting, te weten het voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt, niet in overwegende mate kan worden verweten.

17. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 322,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

18. Tevens zal de rechtbank bepalen dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,00 dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 39,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 322,00;

- wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. ing. C.G.J.M. Peeters als voorzitter en mr. Y.S. Klerk en mr. G.H. de Heer-Schotman als leden in tegenwoordigheid van E.H.J.M.T. van der Steen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2008.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.