Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD5219

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/2737
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers zijn in 1970 met elkaar in het huwelijk getreden. Het jongste kind uit hun huwelijk is geboren op [dag] 1980. Omdat eiser haar had verlaten is vanaf 1983 aan eiseres bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande (ouder) toegekend. In juni 1984 is hun huwelijk door echtscheiding ontbonden. Reeds vanaf februari 1985 ontving verweerder aanwijzingen dat eisers desondanks bleven samenwonen. Verweerder heeft echter tientallen jaren nagelaten dat punt doortastend te onderzoeken.

Blokkering en terugvordering van de uitkering. Fictieve versus reële gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/2737

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2008

inzake

[eiser], eiser, en [eiseres], eiseres, beiden wonende te [woonplaats],

gemachtigde mr. G.J.B.C. Maton,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught, verweerder,

gemachtigde mr. H.W.P.M. van der Linden.

Procesverloop

Eisers zijn in 1970 met elkaar in het huwelijk getreden. Het jongste kind uit hun huwelijk is geboren op [dag] 1980. Omdat eiser haar had verlaten is vanaf 1983 aan eiseres bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande (ouder) toegekend. In juni 1984 is hun huwelijk door echtscheiding ontbonden. Reeds vanaf februari 1985 ontving verweerder aanwijzingen dat eisers desondanks bleven samenwonen. Verweerder heeft echter tientallen jaren nagelaten dat punt doortastend te onderzoeken.

Op 13 december 2005 werd eiser door de sociale recherche in eiseresses woning aangetroffen. Tevens bevonden zich daar persoonlijke bezittingen van eiser. In verband hiermee heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres per 1 december 2005 geblokkeerd, bij besluit van 3 februari 2006 die uitkering “met ingang van 3 februari 2006 opgeschort” en bij besluit van 10 augustus 2006 die uitkering met ingang van 1 juli 1997 ingetrokken en de over de periode van 1 juli 1997 tot 1 december 2005 betaalde bijstand (ook van eiser) teruggevorderd. De hiertegen gemaakte bezwaren heeft verweerder bij besluit van 3 juli 2007 ongegrond verklaard, met dien verstande dat eiser slechts hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor terugbetaling van over de periode van 1 januari 1999 tot 1 december 2005 verstrekte bijstand.

Tegen het besluit van 3 juli 2007 is namens eisers beroep ingesteld. Dat beroep is behandeld ter zitting van 9 juni 2008, waar voor eisers is verschenen mr. J.R. Ali, kantoorgenoot van de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich daar door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

De rechtbank merkt allereerst op dat er in de periode van 1985 tot 13 december 2005 geen enkel effectief onderzoek is verricht naar het punt of eiser en eiseres (in dezelfde woning hun hoofdverblijf hadden en) blijk gaven van wederzijdse zorg. Dit heeft tot gevolg dat ten aanzien van de periode tot (in) 1996 – dat wil zeggen: onder de werking van de Algemene Bijstandswet van 13 juni 1963, welke wet geen zogenaamde fictieve gezamenlijke huishoudingen kende – thans hoe dan ook niet meer valt na te gaan of er toen sprake was van een gezamenlijke huishouding. Hierbij wil de rechtbank nog vermelden dat blijkens zich in het dossier bevindende notities van een functionaris van verweerder d.dis 30 oktober 1987 en 11 oktober 1990 samenwoning destijds niet hard te maken zou zijn geweest.

Wat betreft de periode van 1996 tot 13 december 2005 kan naar het oordeel van rechtbank in ieder geval worden aangenomen dat eiser zijn hoofdverblijf had in de woningen van eiseres aan de [adres 1] (tot 11 mei 2000), aan de [adres 2] (van 11 mei 2000 tot 1 oktober 2002) en aan de [adres 3] (vanaf 1 oktober 2002). Doorslaggevend hiervoor acht de rechtbank verklaringen van buren alsmede door eiser zelf geschreven verhuisberichten die bij het UWV zijn ontvangen op 21 augustus 2000 en op 14 oktober 2002. Er zijn echter geen gegevens voorhanden op grond waarvan kan worden aangenomen dat er in de periode van 1996 tot 13 december 2005 tussen eisers tevens sprake was van wederzijdse zorg.

Vanaf (een datum in) 1996 kennen de artikelen 3 van de Algemene bijstandswet (Abw) en van de Wet werk en bijstand (WWB) situaties van gezamenlijk hoofdverblijf waarbij een gezamenlijke huishouding fictief aanwezig wordt geacht. De eerste van deze ficties (“indien zij met elkaar gehuwd zijn geweest”) geldt krachtens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep slechts indien het gezamenlijke hoofdverblijf een aanvang neemt uiterlijk twee jaar na de ontbinding van het huwelijk. Nu het huwelijk in 1996 reeds 12 jaar geleden was ontbonden kan deze eerste fictie niet worden toegepast. De rechtbank merkt hierbij op dat het uiteraard in strijd zou zijn met de rechtszekerheid om in of vóór 1986 een fictieve gezamenlijke huishouding aanwezig te achten; de toenmalige regelgeving kende die immers niet. De derde en de vierde van bedoelde ficties (samenlevingscontract en registratie als gezamenlijke huishouding) zijn in casu evenmin van toepassing.

Wèl van toepassing is de tweede fictie: “indien uit hun relatie een kind is geboren”. Krachtens recente jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep – zie de uitspraken van dat rechtscollege van 24 april 2008 en van 27 mei 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl LJN BD0478 en BD2891 – geldt die fictie echter slechts totdat het (jongste) kind de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Aangezien in casu het jongste kind op [dag] 1998 die leeftijd had bereikt is er tot aan die datum wèl, maar per die datum géén sprake meer van een fictieve gezamenlijke huishouding. De rechtbank merkt hierbij op – zulks naar aanleiding van hetgeen verweerders gemachtigde ter zitting te berde heeft gebracht – dat de in de zojuist genoemde jurisprudentie gegeven uitleg van een wettelijke bepaling geldt vanaf het begin van de werkingsduur van die bepaling in de WWB en ook van de daaraan voorafgaande gelijkluidende bepaling in de Abw.

Gezien het vorenstaande komt het op de intrekking en terugvordering betrekking hebbende gedeelte van het bestreden besluit – waarbij de intrekking van de bijstandsuitkering ten onrechte ook over de periode vanaf [dag] 1998 is gehandhaafd – wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen waarbij de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot [dag] 1998 kan worden ingetrokken en teruggevorderd. Tevens kan verweerder dan onderzoeken of het gezamenlijke hoofdverblijf van eisers op 13 december 2005 (en voordien) gepaard ging met – voor het aannemen van een (niet-fictieve) gezamenlijke huishouding vereiste – wederzijdse zorg. Indien zijdens eiseres aan een dergelijk onderzoek onvoldoende medewerking wordt verleend komt als weigeringsgrond in beeld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld wegens schending van de in artikel 17 van de WWB vervatte informatie- en medewerkingsplicht. Naar aanleiding van hetgeen door de gemachtigde van verzoekers bij aanvullend beroepschrift van 14 september 2007 is aangevoerd merkt de rechtbank hierbij nog op dat geen termen aanwezig worden geacht om verweerder een termijn te stellen voor het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar.

Het op de “opschorting” per 3 februari 2006 betrekking hebbende gedeelte van het bestreden besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. Die “opschorting” – door verweerder gebaseerd op artikel 54, eerste lid, van de WWB – was in strijd met de wet reeds omdat op geen enkele manier duidelijk is welk concreet verzuim in het kader van genoemd artikellid hier aan de orde zou zijn geweest. De rechtbank wijst er in dit verband op dat artikel 54, leden 1, 2 en 4, van de WWB krachtens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep niet kan worden gehanteerd als reactie op schending van de informatieplicht als omschreven in artikel 17 van die wet. De rechtbank zal wat dit gedeelte van het bestreden besluit betreft zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 3 februari 2006 te herroepen.

Het op de blokkering per 1 december 2005 betrekking hebbende gedeelte van het bestreden besluit kan in stand blijven. Verweerder kon namelijk op of omstreeks 13 december 2005 het gerechtvaardigd vermoeden hebben dat er (ook) per 1 december 2005 geen recht op bijstand bestond.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de gemeente Vught aan eisers het door hen gestorte griffierecht ad € 39,00 dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond voorzover het gericht is tegen de intrekking en terugvordering van bijstand en tegen de opschorting per 3 februari 2006;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen omtrent de intrekking en terugvordering met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- herroept het primaire opschortingsbesluit van 3 februari 2006;

- gelast de gemeente Vught aan eisers te vergoeden het door hen gestorte griffierecht ad € 39,00;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de gemeente Vught aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. A.W. Govers als rechter in tegenwoordigheid van mr. B. van den Akker als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2008.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: