Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD3666

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
170825 / FA RK 08-606
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling van een bijdrage in de kosten van de huishouding op grond van artikel 1:84 BW.

Wederzijdse opheffing aansprakelijkheid voor huishoudelijke schulden. Rechtsmacht en toepasselijk recht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 84
Burgerlijk Wetboek Boek 1 86
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 3
Wet conflictenrecht huwelijksbetrekkingen
Wet conflictenrecht huwelijksbetrekkingen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/102 met annotatie van BER
JIN 2008/478
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Zaaknummer: 170825 / FA RK 08-606

Uitspraak: 09 juni 2008

Beschikking in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

procureur mr. I. Gerrand,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

procureur mr. P.J.J.A. Hendriks,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vrouw en de man.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

– het verzoekschrift van de vrouw, ontvangen ter griffie op 04 februari 2008;

– het verweerschrift van de man, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek;

– de correspondentie, waaronder met name:

-de brief met bijlagen van de procureur van de vrouw, gedateerd 07 mei 2008;

-de brief met bijlagen van de procureur van de man, gedateerd 08 mei 2008.

De zaak is behandeld ter zitting van 23 mei 2008. Verschenen zijn de vrouw, bijgestaan door mr. I. Gerrand. Namens de man is mr. P.J.J.A. Hendriks verschenen. Alhoewel behoorlijk opgeroepen is de man niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De beoordeling

Partijen zijn op 15 augustus 2001 in Marokko met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende, thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].

Beide kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

De vrouw verzoekt de man te veroordelen om bij te dragen in de kosten van de huishouding van de vrouw, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen, met een bedrag van € 818,13 netto per maand, te betalen aan de vrouw en bij vooruitbetaling te voldoen. De vrouw grond haar verzoek op artikel 1:84 Burgerlijk Wetboek (BW) en stelt daartoe dat de man op of omstreeks 06 oktober 2006 de echtelijke huurwoning heeft verlaten. Nadien heeft de man geen contact meer gezocht met de vrouw, noch met de kinderen, en hij reageert niet op brieven. Omdat de vrouw onvoldoende inkomsten heeft dient de man volgens haar bij te dragen in de kosten van de huishouding.

Daarnaast verzoekt de vrouw om te bepalen dat de zij met ingang van de datum van deze beschikking niet meer aansprakelijk zal zijn voor de door de man aangegane verbintenissen als bedoeld in artikel 1:85 eerste lid BW.

De man voert verweer. Ten aanzien van de bijdrage in de kosten van de huishouding stelt de man dat dit verzoek moet worden afgewezen, omdat hij geen draagkracht heeft om daarin bij te dragen.

Ten aanzien van het verzoek tot opheffing van de aansprakelijkheid van de vrouw op grond van artikel 1:85 BW refereert de man zich aan het oordeel van de rechtbank. De man verzoekt, bij wijze van zelfstandig verzoek, opheffing van zijn aansprakelijkheid voor de door de vrouw aangegane verbintenissen als bedoeld in artikel 1:85 eerste lid BW.

Nu beide partijen de Marokkaanse nationaliteit hebben dient de rechtbank vooreerst de rechtsmacht en het toepasselijke recht te beoordelen.

De rechtsmacht

Blijkens de overgelegde bescheiden hebben partijen beiden de Marokkaanse nationaliteit.

Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift hadden partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland. Door de vrouw is onweersproken gesteld dat partijen hun eerste gezamenlijk huwelijksdomicilie in Nederland hadden.

Op grond van de EG-verordening 44/2001 (EEX-verordening) komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over verzoeken inzake levensonderhoud, omdat dergelijke verzoeken vallen onder het begrip “burgerlijke zaken” in artikel 1 EEX-verordening. Het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de huishoudelijke kosten is naar het oordeel van de rechtbank een verzoek dat naar zijn aard gelijk is te stellen met een verzoek tot vaststelling van een bijdrage in levensonderhoud in het kader van een aanhangig (te maken) echtscheidingsprocedure. Aldus is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is om over het verzoek van de vrouw te oordelen.

Ten aanzien van het verzoek tot opheffing van de aansprakelijkheid van verbintenissen op grond van artikel 1:85 BW geldt het volgende. Dergelijke verzoeken zijn naar het oordeel van de rechtbank nauw verwant met het huwelijksgoederenregime van partijen. Voornoemde EEX-verordening, noch de EG-verordening 2201/2003 (Brussel IIbis), is van toepassing op het huwelijksvermogensrecht. Aldus is de rechtbank van oordeel dat de bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de wederzijdse verzoeken moet worden bepaald door het Nederlandse nationale recht.

Op grond van artikel 3 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering is de Nederlandse rechter bevoegd om van een verzoek kennis te nemen indien verzoeker woon- of verblijfplaats heeft binnen Nederland of als de zaak anderszins voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is. Aangezien partijen reeds langere tijd in Nederland woonachtig zijn en onweersproken is gesteld dat partijen hun eerste huwelijksdomicilie in Nederland hadden is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van de wederzijdse verzoeken kennis te nemen.

Toepasselijk recht

Naar het oordeel van de rechtbank wordt het verzoek om een bijdrage in de kosten van de huishouding beheerst door het Haags Alimentatieverdrag 1973. Artikel 1 van dit verdrag verklaart het verdrag van toepassing op alle onderhoudsverplichtingen voortvloeiend uit familierechtelijke betrekkingen. Ingevolge artikel 4 van het verdrag is de interne wet van de gewonen verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde van toepassing op het verzoek. Aldus wordt Nederlands recht toegepast.

Naar het oordeel van de rechtbank is op het verzoek tot opheffing van de aansprakelijk van verbintenissen op grond van artikel 1:85 BW de Wet Conflictenrecht Huwelijksbetrekkingen (WCH) van toepassing. Ingevolge artikel 2 WCH wordt de vraag of en in hoeverre de ene echtgenoot aansprakelijk is voor verbintenissen ten behoeve van de gewone gang van het huishouden, welke door de andere echtgenoot zijn aangegaan wordt, indien die andere echtgenoot en de wederpartij ten tijde van het aangaan van de verbintenis hun gewone verblijfplaats hadden in dezelfde Staat, beheerst door het recht van die Staat.

Nu beide partijen woonachtig zijn in Nederland is de rechtbank van oordeel dat Nederlands recht moet worden toegepast op de wederzijdse verzoeken.

Bijdrage in de kosten van de huishouding

De vrouw verzoekt de rechtbank een bijdrage in de kosten van de huishouding ten laste van de man vast te stellen ter grootte van € 818,13 netto per maand. Ter zitting is namens de man erkend dat de vrouw aanspraak kan maken op dit bedrag. Aldus dient de rechtbank te beoordelen of de man in staat is met dit bedrag bij te dragen in de kosten van de huishouding.

De man is van mening dat hij geen draagkracht heeft, gelet op zijn inkomsten. Namens de vrouw is gesteld dat de man in staat moet worden geacht om inkomsten uit arbeid te verwerven en dat dit ook van hem kan worden verwacht gelet op zijn onderhoudsverplichtingen jegens zijn gezin. Door de man is niet aangetoond dat hij alles heeft gedaan om zijn verlies aan inkomen te herstellen. Omdat zijn inkomen voor herstel vatbaar is hoeft geen rekening te worden gehouden met de regel dat de man minimaal 90% van zijn inkomen dient te behouden om in eigen levensonderhoud te voorzien, aldus de vrouw.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het is vaste jurisprudentie dat voor de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige niet alleen zijn huidige inkomsten van belang zijn, doch ook het inkomen dat hij redelijkerwijs kan verwerven. Door de man is onweersproken gesteld dat hij voorheen ongeschoolde arbeid verrichtte en dat het bedrijf waar hij werkte failliet is gegaan, waarna hij een werkloosheidsuitkering heeft ontvangen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man niet verweten kan worden dat hij werkloos is geworden. Op grond van de overgelegde stukken kan de rechtbank voorts niet anders oordelen dan dat de man aan de voorwaarden voor een werkloosheidsuitkering heeft voldaan. Wegens het bereiken van de maximale uitkeringsduur is de werkloosheidsuitkering per 28 november 2007 beëindigd. Gesteld, noch gebleken is, dat de man gedurende de tijd dat hij een werkloosheidsuitkering ontving niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van de Werkloosheidswet om passende arbeid te vinden.

Ingaande 03 maart 2008 ontvangt de man een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand (Wwb). Weliswaar is een eerdere aanvraag van de man afgewezen, doch niet op grond van het feit dat hij in onvoldoende mate heeft getracht arbeid te vinden.

Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat van de man kan worden verwacht dat hij zich actief inzet om inkomsten uit arbeid te verwerven. Nu de man met ingang van 03 maart 2008 een Wwb-uitkering ontvangt staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de man ook op grond van artikel 9 lid 1 van de Wwb een arbeidsverplichting heeft.

Het voorgaande in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat de man thans geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van de huishouding van de vrouw. De rechtbank ziet geen aanleiding de regel dat een onderhoudsplichtige moet kunnen beschikken over minimaal 90% van de op zijn situatie toepasselijke bijstandsnorm om in eigen levensonderhoud te voorzien, buiten toepassing te laten. Door de man is voldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden en, mede gelet op het feit dat de man een werkloosheidsuitkering ontving en thans een bijstandsuitkering ontvangt, is niet dan wel onvoldoende aannemelijk dat de man niet naar vermogen tracht arbeid te vinden.

Het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.

Opheffing aansprakelijkheid

Op verzoek van een echtgenoot kan ingevolge artikel 1:86 lid 1 BW worden bepaald dat deze niet aansprakelijk zal zijn voor de door de andere echtgenoot in het vervolg aangegane verbintenissen als bedoeld in artikel 1:85 BW, indien daarvoor gegronde redenen zijn.

Als wederzijds gesteld en niet betwist staat vast dat partijen reeds langere tijd niet meer duurzaam samenwonen, alsmede dat zij sedert het verbreken van hun samenwoning geen contact meer met elkaar hebben. Naar het oordeel van de rechtbank brengt zulks met zich dat een gegronde reden aanwezig is om over te gaan tot opheffing van de aansprakelijkheid van verbintenissen ten behoeve van de gewone gang van de huishouding als bedoeld in art 1:85 BW. Nu beide partijen daarom verzoeken zal de rechtbank de aansprakelijkheid van beide partijen jegens elkaar opheffen.

De rechtbank wijst er op dat deze beschikking wat betreft de opheffing van de aansprakelijkheid aan derden die van haar bestaan onkundig waren slechts kan worden tegengeworpen vanaf veertien dagen nadat deze beschikking is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 1:116 BW. Omdat het al of niet inschrijven van deze beschikking ter vrije keuze van partijen staat, dienen partijen zelf, al dan niet gezamenlijk, een verzoek daartoe te richten aan de griffier van de rechtbank.

De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat deze beschikking daarnaast moet worden gepubliceerd in één of meerdere dagbladen.

Proceskosten

De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de vrouw met ingang van 09 juni 2008 niet aansprakelijk zal zijn voor door de man in het vervolg ten behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen, met inbegrip van die welke voortvloeien uit de door hem als werkgever ten behoeve van de huishouding aangegane arbeidsovereenkomsten;

bepaalt dat de man met ingang van 09 juni 2008 niet aansprakelijk zal zijn voor door de vrouw in het vervolg ten behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen, met inbegrip van die welke voortvloeien uit de door haar als werkgever ten behoeve van de huishouding aangegane arbeidsovereenkomsten;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. V.R. de Meyere, rechter-plaatsvervanger,

en door mr. S. ter Braak, rechter, in het openbaar uitgesproken op 09 juni 2008 in aanwezigheid van de griffier.