Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD3406

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
09-06-2008
Zaaknummer
546824 CV EXPL 08-1295
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur van bedrijfsruimte; kantine van een schietvereniging is in de onderhavige kwestie geen bedrijfsruimte in zin van 7:290 BW; exploitatie van de kantine drijft op de activiteiten van de hurende schietverenigen en hun leden; niet voor publiek toegankelijk lokaal; huurbeschermingsbepalingen van afdeling 6 van titel 4 van boek 7 BW niet van toepassing; sprake van bedrijfsruimte in de zin van art. 7:230a BW; ontruiming gehuurde toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 546824

Rolnummer : 08-1295

Uitspraak : 5 juni 2008

in de zaak van:

de stichting Stichting Veghelse Indoor Schietbaan,

gevestigd te Veghel,

de stichting Stichting Veghelse Indoor Schietbaan 100,

gevestigd te Veghel,

eisers,

gemachtigde: mr. M.A.J. Kemps,

t e g e n :

[[gedaagde],

wonende te Veghel,

gedaagde,

gemachtigde: mr. H.T.L. Janssen.

1. De procedure

Eisers hebben bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. Gedaagde is in rechte verschenen en heeft een conclusie van antwoord genomen. Vervolgens is een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft plaatsgevonden op 14 mei 2008. Ten behoeve van de comparitie heeft de gemachtigde van eisers nog twee faxberichten d.d. 9 mei 2008, met bijlagen, aan de rechtbank en de wederpartij doen toekomen. Tot besluit van de comparitie is vonnis bepaald.

Partijen zullen verder worden aangeduid als ‘Stichting VIS’ respectievelijk ‘Stichting VIS 100’, en ‘[gedaagde]’.

2. De feiten

2.1. Tussen partijen staat het volgende vast.

Stichting VIS en Stichting VIS 100 exploiteren een tweetal schietbanen (25 meter en 100 meter) aan [adres gehuurde]. De 100 meter schietbaan is pas korte tijd geleden aangelegd en in gebruik genomen.

Bij akte d.d. 27 maart 1996 hebben Stichting VIS en [gedaagde] een huurovereenkomst gesloten, waarbij Stichting VIS aan [gedaagde] per 1 januari 1996 heeft verpacht de exploitatie van de kantine, met verhuur van de kantinekeuken en het kantinemagazijn en de medeverhuur van de kantine, de entree, de toiletten en de cv-ruimte, welke ruimten zijn gelegen in het pand aan [adres gehuurde].

De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaren. Artikel 2 van de overeenkomst bepaalt dat de huurovereenkomst, bij gebreke van rechtsgeldige en tijdige opzegging, wordt verlengd voor een periode van vijf jaren.

Bij gebreke van opzegging is de overeenkomst per 1 januari 2001 verlengd voor de duur van vijf jaren.

Bij deurwaardersexploot d.d. 30 december 2004 heeft Stichting VIS de huurovereenkomst opgezegd tegen 31 december 2005.

Naar aanleiding van de opzegging van de overeenkomst hebben partijen in de afgelopen maanden overleg gevoerd over een gewijzigde voortzetting van de zakelijke relatie. Dat heeft echter tot op heden niet tot een nieuwe overeenkomst geleid.

Bij brief van 14 januari 2008 is [gedaagde] gesommeerd om het gebruik van de kantine te staken en gestaakt te houden, alsmede om uiterlijk op 26 januari 2008 de sleutels van de kantine ter hand te stellen aan de voorzitter van Stichting VIS en Stichting VIS 100. Aan deze sommatie heeft [gedaagde] geen gehoor gegeven.

3. Het geschil

3.1. Eisers vorderen, kort weergegeven, de ontruiming van het gehuurde door [gedaagde].

Zij leggen daaraan, naast voornoemde feiten, het volgende ten grondslag.

Aangezien voormelde huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd per 31 december 2005 en [gedaagde] heeft geweigerd in te stemmen met het voorstel voor een nieuwe overeenkomst, verblijft hij sinds 31 december 2005 zonder recht of titel in het gehuurde.

3.2. [gedaagde] heeft, kort weergegeven, onder meer het volgende verweer gevoerd.

a. Tussen hem en Stichting VIS 100 bestaat geen rechtsverhouding. Stichting VIS 100 heeft geen recht en belang bij onderhavige procedure en dient daarom niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

b. De huurovereenkomst tussen Stichting VIS en [gedaagde] heeft betrekking op bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7:290 BW. De gehuurde kantine is een voor het publiek toegankelijk lokaal.

De huurovereenkomst is daarom niet door de enkele opzegging ervan geëindigd. [gedaagde] heeft niet met de beëindiging van de overeenkomst ingestemd. Stichting VIS heeft nimmer een vordering op de voet van artikel 7:295 BW ingesteld. De huurovereenkomst is derhalve, op grond van artikel 7:295 BW, van kracht gebleven. Er bestaat daarom geen grond voor de onderhavige vordering.

3.3. Ter comparitie is zijdens eisers betoogd dat er geen sprake is van huur van bedrijfsruimte ex artikel 7:290 BW, aangezien er geen sprake is van een voor het publiek toegankelijk lokaal als bedoeld in dat artikel. Het zou gaan om een kantine die uitsluitend ten dienste staat voor gebruik door leden van de tien verenigingen die huurders zijn van de schietbanen. Slechts door leden geïntroduceerde personen hebben als niet lid toegang. Alleen als er een wedstrijd is komt er wel publiek. Dat betreft dan op de een of andere wijze aan de leden gerelateerde personen. Gewoon publiek kan volgens eisers niet naar binnen. De kantine is onlosmakelijk verbonden met de schietbanen, aldus eisers. Er is ook een verband tussen de openingstijden van de schietbanen en de openstelling van de kantine en het kantinegebruik. Voorts is van buitenaf niet zichtbaar dat ter plaatse een kantine is dan wel dat er consumpties worden verkocht. De kantine bevindt zich in een ondergrondse bunker.

Voorts heeft ook Stichting VIS 100 belang bij de vordering, omdat zij exploitant is van de 100 meter schietbaan en er uit dien hoofde belang bij heeft dat er een nieuwe overeenkomst wordt gesloten met een exploitant van de kantine, waartoe [gedaagde] de kantine dient te ontruimen.

Aldus eisers.

3.4. [gedaagde] heeft ter comparitie verklaard dat de toegang tot de schietbanen beperkt is, namelijk tot de leden, maar dat de toegang tot de kantine vrij is. In de praktijk kan iedereen naar binnen. Er komen in de kantine ook niet-leden. Aldus [gedaagde].

Indien de onderhavige huurovereenkomst geen bedrijfsruimte ex artikel 7:290 BW betreft, is de kantonrechter niet bevoegd tot kennisneming van de vordering, aldus de gemachtigde van [gedaagde].

4. De beoordeling

4.1. De kantonrechter is bevoegd tot kennisneming van de vordering. De vordering strekt tot ontruiming van het bij de overeenkomst d.d. 27 maart 1996 gehuurde. Grondslag van de vordering is dat deze huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd en dat [gedaagde] om die reden zonder recht of titel in de onderhavige onroerende zaak verblijft. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of de huurovereenkomst (rechtsgeldig) is geëindigd, nu [gedaagde] heeft betwist dat dat het geval is. Om die reden moet worden geconcludeerd dat het in dezen gaat om een zaak betreffende een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 93 sub c Rv. Daarvoor is immers niet vereist dat de vordering haar grondslag heeft in de huurovereenkomst. Vereist is slechts dat de vordering betrekking heeft op een huurovereenkomst (of een andere in dat artikelonderdeel genoemde overeenkomst). Daaraan wordt in dit geval voldaan.

4.2. Ter beantwoording van de vraag of de huurovereenkomst tussen Stichting VIS en [gedaagde] (rechtsgeldig) is geëindigd, is relevant of het gehuurde moet worden aangemerkt als bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7:290 BW. Dat is het geval indien in het gehuurde – in casu de kantine – “een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is”. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

4.3. In artikel 3 lid 1 van de huurovereenkomst is bepaald dat [gedaagde] verplicht is de bedrijfsruimte uitsluitend te gebruiken voor de uitoefening van de exploitatie van een sportkantine en het daartoe ingericht te houden en open te stellen op alle dagen en uren als de inrichting wordt gebruikt door verhuurder of haar huurders. Vaststaat dat [gedaagde] deze verplichtingen in de praktijk nakomt. [gedaagde] heeft ter comparitie niet weersproken dat de kantine onlosmakelijk is verbonden met de schietbanen. Evenmin heeft [gedaagde] weersproken dat de kantine gelegen is in het complex van de ondergrondse bunker waarin zich de schietbanen bevinden, dat aan de buitenzijde van het pand niet is aangegeven of zichtbaar is dat er binnen consumpties worden verkocht, dat slechts de leden van de tien hurende verenigingen toegang hebben tot de schietbanen en dat voornamelijk deze leden de gebruikers van de kantine zijn.

Deze feiten wijzen er op dat de kantine niet openstaat voor willekeurige voorbijgangers. [gedaagde] heeft aangevoerd dat in de praktijk iedereen naar binnen kan en dat er ook niet-leden in de kantine komen. Het gaat dan om bezoekers tijdens wedstrijden die af en toe plaatsvinden. Deze bezoekers hebben vrijwel altijd een of andere relatie met een lid van de hurende verenigingen. De kantine wordt kennelijk niet bezocht door ander publiek dan de leden en incidentele bezoekers. Geconcludeerd moet worden dat de exploitatie van de kantine drijft op de activiteiten van de hurende schietverenigingen en hun leden. Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat er sprake is van een voor het publiek toegankelijk lokaal als bedoeld in artikel 7:290 BW.

4.4. Dat betekent dat de huurbeschermingsbepalingen van afdeling 6 van titel 4 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zijn op de onderhavige huurovereenkomst. Er is sprake van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW. De opzegging van 30 december 2004 tegen 31 december 2005 is derhalve rechtsgeldig. De huurovereenkomst is daarom per deze datum geëindigd.

4.5. Bij brief van 14 januari 2008 is de ontruiming aangezegd tegen 26 januari 2008. [gedaagde] heeft niet binnen twee maanden na het tijdstip waartegen de ontruiming is aangezegd een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn ingediend. Deze termijn is inmiddels verstreken. De vordering tot ontruiming is daarom toewijsbaar, met een ontruimingstermijn als na te melden.

4.6. Voldoende is aannemelijk gemaakt, en van de zijde van [gedaagde] is dat na de toelichting zijdens Stichting VIS 100 ook niet meer weersproken, dat ook Stichting VIS 100 belang heeft bij de onderhavige vordering. De vordering zal dan ook mede jegens haar worden toegewezen.

4.7. Gelet op de tussen partijen bestaand hebbende, langdurige zakelijke relatie alsmede op het feit dat Stichting VIS eerst na lange tijd een voorstel voor een nieuwe overeenkomst aan [gedaagde] heeft voorgelegd en partijen daarover niet tot overeenstemming kunnen komen, zullen de kosten van de procedure worden gecompenseerd als na te melden.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde met al degenen die zich daarin of daarop bevinden, binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis te verlaten en te ontruimen en met afgifte der sleutels in behoorlijke staat ter vrije beschikking van eisers te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden, met machtiging op eisers om bij gebreke van voldoening aan deze veroordeling deze ontruiming zelf te bewerkstelligen des nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie en op kosten van [gedaagde];

compenseert de kosten van de procedure, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door mr. J.H. Wiggers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2008.

Zaaknummer: 546824 blad 4

vonnis