Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD3269

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
06-06-2008
Zaaknummer
160240 - HA ZA 07-1135
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een bedrag dat is bestemd voor een failliete vennootschap wordt door de raadsman op verzoek van de bestuurder en (indirect) aandeelhouder betaald op de en/of rekening van deze bestuurder en zijn echtgenote met wie hij op huwelijkse voorwaarden is gehuwd. Ten aanzien van de en/of rekening bestaat een deelgenootschap. De curator vordert het gehele bedrag van 330.000,-- terug van de echtgenote. Zij stelt dat zij niet is gebaat bij de betaling aangezien haar echtgenoot van het bedrag allerlei betalingen heeft verricht ten behoeve van de vennootschap. Ook stelt zij dat haar echtgenoot en diens vennootschappen geld te vorderen hadden van de vennootschap, zodat de curator niets te vorderen heeft althans sprake is van verrekening. Verder stelt zij dat niet zij maar het deelgenootschap de gelden heeft ontvangen, zodat de curator het deelgenootschap had moeten dagvaarden. Beslist is dat de betaling deels aan de echtgenote is gedaan, nu zij een aandeel in het deelgenootschap heeft.Op grond van art. 3:166 lid 2 BW is beslist dat de helft van het bedrag aan haar is betaald. Aan de betaling doet niet af of zij al dan niet hierdoor is gebaat. Voor onverschuldigde betaling is niet vereist dat de ontvanger door de betaling is gebaat. Of haar echtgenoot en diens vennootschappen vorderingen op de vennootschap hebben, doet evenmin terzake omdat het gaat om de vraag of onverschuldigd is betaald aan haar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 160240 / HA ZA 07-1135

Vonnis van 4 juni 2008

in de zaak van

[curator],

kantoorhoudende te [plaatsnaam],

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

HENASS UITZENBUREAU B.V.,

eiser,

procureur mr. J.M. Jonkergouw,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. C.C.C.A.M. Kuijken.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 september 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 27 november 2007.

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 11 augustus 2004 is het faillissement uitgesproken van de Henass Uitzendbureau B.V. (verder: HUB). [N], de echtgenoot van [gedaagde], is voormalig middellijk aandeelhouder en statutair bestuurder van HUB geweest.

2.2. HUB heeft in 2004 een procedure gevoerd tegen Van Rooi Meat B.V. en Van Rooi Export B.V. op wie zij een vordering had van EUR 353.267,23. Na het vonnis in deze procedure hebben Van Rooi Meat B.V. en Van Rooi Export B.V. op 25 maart 2004 een bedrag van EUR 330.000,-- betaald op de derdenrekening van de raadsman van HUB. Dit bedrag is vervolgens op dezelfde dag door de advocaat overgemaakt naar de bankrekening met het nummer van 11.37.01.594. op verzoek van [N]. Deze bankrekening is een zogenaamde en/of rekening ten name van [N] en [gedaagde]. [gedaagde] en [N] zijn op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Ten aanzien van de bankrekening bestaat een gemeenschap in de zin van art. 3:166 BW.

3. Het geschil

3.1. De curator vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 330.000, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. De curator legt hieraan naast de vaststaande feiten – voor zover door hem aangedragen - het volgende ten grondslag.

3.2.1. Door de overmaking van het bedrag van EUR 330.000 op de en/of rekening van [N] en [gedaagde] heeft [gedaagde] volledig over het bedrag kunnen beschikken. Het bedrag is volledig in haar vermogen terecht gekomen. [gedaagde] had geen enkele aanspraak op het bedrag. HUB heeft het bedrag onverschuldigd aan [gedaagde] betaald en [gedaagde] is daardoor ongerechtvaardig verrijkt. Hierdoor heeft de curator primair een vordering tot terugbetaling van EUR 330.000,-- (art. 6:203 BW) en subsidiair een vordering tot schadevergoeding van EUR 330.000,-- (art. 6:212 BW). Van [N] is de curator geen enkel vermogen bekend. [gedaagde] is eigenaar van de onroerende zaken te Budel Dorplein, gemeente Cranendonck aan de Hoofdstraat 103, 104 en 105. De curator heeft conservatoir beslag hierop laten leggen. De voorlopig erkende concurrente vorderingen in het faillissement van HUB bedragen EUR 211.673,98 en de voorlopig erkende preferente crediteuren EUR 1.049.910,31. Voorts zijn er boedelvorderingen ad EUR 10.369,26. Ten tijde van het faillissement heeft de curator EUR 5.000,-- op een bankrekening aangetroffen en wat oude tafels en stoelen waarvoor hij een paar honderd euro heeft gekregen. Verder zat er geen enkel actief in de boedel en is er ook geen enkel vooruitzicht dat er iets binnen komt. De curator heeft van de rechter-commissaris toestemming gekregen om deze procedure te voeren.

3.3. [gedaagde] voert het volgende verweer.

3.3.1. [gedaagde] betwist dat het gehele bedrag van EUR 330.000,-- aan HUB dient toe te komen nu in het geschil met Van Rooi Meat BV en Van Rooi Export B.V. niet alleen HUB maar ook Henass Projecten Management (verder: HPM) betrokken was. Er moet daarom worden vastgesteld welk deel van het bedrag van EUR 330.000 aan HUB toekomt en welk deel aan HPM.

3.3.2. Het enkele feit dat het bedrag van EUR 330.000 is overgemaakt op de Rabobankrekening leidt niet tot een vorderingsrecht van de curator, omdat het bedrag niet tot haar vermogen is gaan c.q. blijven behoren. De Rabobankrekening behoort tot het gezamenlijke vermogen van [gedaagde] en [N]. Gezien het deelgenootschap in de vorm van het hebben van een gezamenlijke bankrekening tussen [gedaagde] en [N] zullen de afspraken tussen de deelgenoten ten aanzien van deze gezamenlijkheid bepalend zijn voor de vraag tot wiens vermogen het bedrag van EUR 330.000,-- behoort dan wel zal een scheiding en deling van de Rabobankrekening duidelijk moeten maken tot wiens vermogen het bedrag van EUR 330.000,-- is gaan behoren.

3.3.3. De bestemming van het bedrag van EUR 330.000,-- is geen besteding geweest ten behoeve van [gedaagde]. [N] heeft middels een aantal boekingen de bankrekening weer gedebiteerd. [gedaagde] geeft een overzicht van deze boekingen in de periode van 1 maart 2004 tot 11 augustus 2004. [gedaagde] is niet gebaat geweest bij de bijboeking van het bedrag van EUR 330.000,-- en heeft uit dien hoofde geen voordeel genoten.

3.3.4. Door HUB en de curator is niets te vorderen terzake van de bijboeking van EUR 330.000,-- nu dit bedrag een betaling betrof door HUB van openstaande schulden van HUB jegens [N] c.q. diens vennootschappen, althans terzake verrekening heeft plaats gevonden. [N] hield 100 % van de aandelen in Solskin Beheer B.V.,welke vennootschap 100 % van de aandelen hield in HUB en HPM. Op 25 maart 2004, de datum van de bijboeking, had [N] aanzienlijk meer te vorderen van HUB dan EUR 330.000,-- terzake van:

- de rekening courant van HPM per 11 augustus 2004;

- debiteuren HPM per 11 augustus 2004;

- de rekening-courant van Solskin Beheer B.V. per 11 augustus 2004;

- debiteuren van Solskin Beheer B.V. per 11 augustus 2004;

- de rekening courant van [N] per 11 augustus 2004.

3.3.5. De curator heeft [gedaagde] rauwelijks gedagvaard en onder punt 12 van de dagvaarding vermeld dat hem geen verweren van [gedaagde] bekend zijn. [gedaagde] beroept zich op nietigheid van de dagvaarding nu de curator door het niet vermelden van de verweren niet heeft voldaan aan het vereiste van artikel 111 lid 3 Rv.

3.4. Op de verdere stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Bij akte van 27 november 2007 heeft de curator het stuk waaruit de toestemming van de rechter-commissaris om de dagvaarding uit te brengen, blijkt in het geding gebracht. Gezien de toestemming is de curator bevoegd om het onderhavige geding te voeren.

4.2. Het beroep van [gedaagde] op de nietigheid van de dagvaarding wegens het niet vermelden van haar verweren als vereist in artikel 111 lid 3 Rv wordt verworpen. Uit artikel 120 lid 4 Rv volgt dat het vereiste van artikel 111 lid 3 Rv niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven.

4.3. Op grond van artikel 6:203 BW is degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd dit van de ontvanger terug te vorderen. [gedaagde] heeft zicht op het standpunt gesteld dat het bedrag van EUR 330.000,-- niet tot haar vermogen is gaan behoren, zodat de vordering niet aan haar is betaald. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Het bedrag van EUR 330.000,-- is betaald aan de bankrekening van [gedaagde] en [N]. Ten aanzien van deze bankrekening bestaat er een gemeenschap tussen [gedaagde] en [N]. [gedaagde] heeft een aandeel in deze gemeenschap. Daarmee staat vast dat de betaling (mede) aan [gedaagde] heeft plaatsgevonden.

4.4. Of [gedaagde] niet is gebaat bij de betaling van dit bedrag, zoals zij stelt, doet aan de betaling op zich niet af en is in zoverre niet rechtens relevant. Voor het toewijzen van een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling is niet vereist dat de ontvanger van een betaling is verrijkt of enig voordeel hiervan heeft genoten.

4.5. De rechtsgevolgen en de verhouding tussen de deelgenoten van een gemeenschap worden beheerst door titel 7 van boek 3 BW. Op grond van artikel 3:166 lid 2 BW zijn de aandelen van deelgenoten gelijk, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. [gedaagde] heeft gesteld dat zij ten aanzien van de rekening niets met [N] had afgesproken en dat zij allebei geld ervan mochten opnemen; de rekening was van hen allebei. Verder is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] en [N] een van de hoofdregel afwijkende verdeling van hun aandeel in de gemeenschappelijke bankrekening zijn overeengekomen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de helft van het bedrag van EUR 330.000,-- aan [gedaagde] is betaald. Indien [gedaagde] (een deel van) dit bedrag moet terugbetalen omdat het onverschuldigd is betaald, maakt het niet uit dat de bankrekening een onverdeelde gemeenschap is en wat het saldo van de rekening is. [gedaagde] hoeft het terug te betalen bedrag immers niet specifiek van deze bankrekening te terug te betalen.

4.6. [gedaagde] betwist dat het hele bedrag van EUR 330.000,-- aan HUB toekomt en stelt dat een deel van dit bedrag aan HPM toekomt. De rechtbank begrijpt dit verweer aldus dat een deel van het bedrag volgens [gedaagde] niet door HUB is betaald maar door HPM, zodat de curator niet gerechtigd is het deel dat door HPM is betaald terug te vorderen. De curator heeft daarop gesteld dat HPM op Van Rooi Meat B.V. en Van Rooi Export B.V. een vordering had van EUR 20.933,87. Volgens de curator is echter het hele bedrag van EUR 330.000,-- door HUB betaald omdat [N] de opdracht aan de advocaat om dit bedrag naar de en/of rekening over te maken, heeft gegeven op briefpapier van HUB. Naar het oordeel van de rechtbank is dit echter onvoldoende om aan te namen dat de betaling van EUR 330.000 in zijn geheel door HUB is gedaan. De curator heeft niet weersproken dat Van Rooi Meat B.V. en Van Rooi Export B.V. het bedrag van EUR 330.000,-- zowel aan HUB als aan HPM ter voldoening van hun vorderingen hebben betaald. Daarmee staat vast dat dit bedrag voor een deel aan HUB en voor een deel aan HPM toekomt. Het bedrag kan dus niet in zijn geheel door HUB zijn betaald, maar slechts voor dat gedeelte dat aan HUB toekomt. Het aan HUB toekomende gedeelte van het bedrag moet worden gesteld op het gedeelte dat correspondeert met het aandeel van de vordering van HUB (353.267,23) in het totaal van de vorderingen van HUB en HPM gezamenlijk (EUR 374.201,10), te weten 94,44 % van EUR 330.000,--, dat is EUR 311.652,--. [gedaagde] heeft nog gesteld dat deze verdeling niet zou kunnen corresponderen met de werkelijkheid omdat de vordering van HUB ‘zacht’ zou kunnen zijn en de vordering van HPM ‘hard’. De enkele stelling dat dit zo zou kunnen zijn, is echter niet voldoende om van deze voor de hand liggende verdeling af te wijken. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat een bedrag van EUR 311.652, door HUB op de en/of rekening is betaald. Hiervan is de helft aan [gedaagde] betaald, dat is EUR 155.826,--.

4.7. [gedaagde] stelt dat HUB en de curator niets te vorderen hebben omdat de betaling van EUR 330.000,-- een betaling betrof door HUB van openstaande schulden van HUB jegens [N] c.q. diens vennootschappen, althans dat terzake verrekening heeft plaats gevonden. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat de betaling volgens [gedaagde] niet onverschuldigd was. De curator betwist dit. Hij wijst er op dat [gedaagde] niet stelt dat zij zelf vorderingen op HUB had. Verder betwist de curator dat [N] een vordering op HUB had en dat HUB schulden had aan HPM en Solskin Beheer B.V..Volgens de curator kan HUB niet aan [N]s vennootschappen betalen door een bedrag op de en/of rekening van [N] en [gedaagde] te betalen. De rechtbank is van oordeel dat voor de vraag of onverschuldigd is betaald aan [gedaagde], niet relevant is of er openstaande vorderingen van [N] en/of HPM en Solskin Beheer B.V. bestaan. Het gaat immers om een betaling aan [gedaagde] niet om een betaling aan [N], HPM of Solskin Beheer B.V. Bovendien acht de rechtbank deze gestelde vorderingen onvoldoende onderbouwd, nu [gedaagde] niet eens de omvang daarvan heeft aangegeven. Nu gesteld noch gebleken is dat er een rechtsgrond is voor de betaling aan [gedaagde], acht de rechtbank deze betaling onverschuldigd.

4.8. [gedaagde] dient het onverschuldigd betaalde bedrag van EUR 155.826,-- aan HUB terug te betalen. De vordering van de curator zal dan ook voor dit bedrag worden toegewezen.

4.9. Nu de subsidiaire grondslag van de vordering van de curator, ongerechtvaardigde verrijking, niet tot toewijzing van een hoger bedrag zou leiden gelet op het aandeel van [gedaagde] in de ontvangen betaling, komt de rechtbank aan een beoordeling van de subsidiaire grondslag niet toe.

4.10. De vordering van de curator om het toegewezen bedrag te vermeerderen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente sedert de dag der dagvaarding zal worden toegewezen nu [gedaagde] niet heeft weersproken dat zij sedert deze datum wettelijke rente verschuldigd is. De rechtbank gaat ervan uit dat de curator de wettelijke rente ex art. 119 BW vordert, nu in bij onverschuldigde betaling geen sprake kan zijn van de wettelijke handelsrente.

4.11. De curator vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op EUR 744,22 voor verschotten en EUR 1.421,00 voor salaris procureur (1 rekest x EUR 1421).

4.12. Aangezien de vordering van de curator slechts voor ongeveer de helft is toegewezen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan de curator te betalen een bedrag van EUR 155.826,--(honderd vijfenvijftig duizend achthonderd zesentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 24 mei 2007 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 2.165,22,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2008.