Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD3055

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
161200 - HA ZA 07-1297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft: vordering tot heropening en herroeping als bedoeld in art. 387 en 382 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering omdat het vonnis zou berusten op stukken waarvan de valsheid inmiddels is vastgesteld.

De rechtbank overweegt dat sprake is van een grond voor heropening en herroeping indien de gestelde valsheid komt vast te staan. Aan eisers kan in deze zaak niet worden tegengeworpen dat zij eerder verweer hadden kunnen en moeten voeren tegen de onjuist gemeten afstand, die in een deskundigenbericht tot uitgangspunt is genomen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 154
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 382
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 387
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2008/48 met annotatie van mr. T.R.B. de Greve
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 161200 / HA ZA 07-1297

Vonnis van 4 juni 2008

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats], gemeente Haaren,

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats], gemeente Haaren,

eisers,

procureur mr. L.R.G.M. Spronken,

tegen

De Staat der Nederlanden (MINISTERIE VAN VERKEER EN WATERSTAAT, DIRECTORAAT-GENERAAL RIJKSWATERSTAAT)

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. P.C.M. van der Ven.

Partijen zullen hierna [eisers] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan:

2.1. In de periode van september 1993 tot en met december 1995 hebben in de omgeving van Boxtel werkzaamheden plaatsgevonden aan de rijksweg A2. Daarbij is de rijksweg verbreed van een autoweg naar een autosnelweg. Voorts is een fietstunnel aangelegd. Tevens zijn aan weerszijden van de rijksweg parallelwegen aangelegd ter ontsluiting van aangrenzende percelen.

2.2. In november 1995 heeft [eisers] de Staat aansprakelijk gesteld voor schade aan zijn boerderij aan [adres] te [woonplaats] (hierna: het pand). [eisers] stelt dat die schade (scheuren) verband houdt met de werkzaamheden aan de A2. Een en ander heeft geleid tot een procedure bij deze rechtbank. Daarin stond de vraag centraal of sprake was van causaal verband tussen de in opdracht van Rijkswaterstaat verrichte werkzaamheden en de door [eisers] gestelde schade. De procedure heeft geleid tot een tussen partijen op 3 januari 2007 gewezen vonnis (hierna: het vonnis).

2.3. De in het vonnis gegeven beslissingen stoelen grotendeels op de bevindingen en conclusies van een in opdracht van de rechtbank gelast deskundigenbericht van TNO (hierna: het deskundigenbericht).

2.4. Het deskundigenbericht kent onder meer de volgende passage:

“5.7 Invloed van trillingen op de draagkracht van de ondergrond

Uit de fax van 20 november 1996 (…) blijkt dat er voor het verdichten van de ventweg gebruik is gemaakt van een 10- tons Dynapac wals.

Het verdichten door middel van een trilwals gaat gepaard met hoge trillingssnelheden (…)

Berekeningen (…) van de trillingssnelheden laten zien dat de trillingen pas vanaf 40 m afstand van de trilwals onder de grenswaarden van de van toepassing zijnde beoordelingsrichtlijn blijven (SBR-richtlijn-A). Volgens de rapportage [V] (rapportage van 18/5/1998) zou de trilwals op 31,20 m (afstand van het pand, rb) hebben gewerkt. Dit is de kortste afstand tot de woning. Gezien de flexibiliteit van het gebouw is het redelijk om de trillingssterkte op de afstand tot de locatie van de schade te hanteren en niet op de kortste afstand tot het gebouw. De afstand van de oprit tot de locatie van de schade is gelijk aan 39 m (dichtstbijzijnde hoek van de badkamer) tot 47 m (verste hoek van de hal). Het is daarmee niet uit te sluiten dat de trillingen van de trilwals hebben geleid tot verdichting van zand ter plaatse van het pand. (…)

Verdichting van het zand betekent dat sprake is van zetting van de ondergrond waardoor schade aan het pand kan ontstaan.(…).”

2.5. De rechtbank heeft in het vonnis -onder andere op basis van de hiervoor geciteerde passage uit het deskundigenbericht- aangenomen dat een aantal scheuren zich op meer dan 40 meter afstand van de uitgevoerde werkzaamheden bevindt en dat ten aanzien van die scheuren niet voldoende is komen vast te staan dat ze door de werkzaamheden in opdracht van Rijkswaterstaat zijn veroorzaakt. Bij het vonnis heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding ter zake die scheuren afgewezen. Verder is de Staat veroordeeld om aan [eisers] te betalen een bedrag van EUR 2.655,87, en voorts om de schade te vergoeden die verband houdt met scheuren in het pand van [eisers] als opgesomd in overweging 2.15 in dat vonnis, een en ander op te maken bij staat.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vordert :

1. De procedure die geleid heeft tot het eindvonnis van 3 januari 2007 op de voet van art. 387 Rv te heropenen voor zover de rechtbank daarbij de schadevergoedingsvordering van [eiser] heeft afgewezen op de grond dat het oorzakelijk verband met de onrechtmatige daad van de Staat niet kan worden vastgesteld, TNO opdracht te geven om haar rapportage met betrekking tot het onderzoek naar de schade van [eiser] aan te passen aan de feiten en omstandigheden zoals die inmiddels zijn gebleken, en partijen de gelegenheid te geven hun stellingen en verweren naar aanleiding van deze rapportage te wijzigen en aan te vullen;

2. Het vonnis op de voet van art. 389 Rv voor zover nodig te herroepen op de gronden als vermeld in art. 382 Rv althans een van de daar vermelde gronden, en opnieuw uitspraak te doen in die zin dat de Staat alsnog wordt veroordeeld om aan [eiser], tegen behoorlijk bewijs van kwijting, de geleden en nog te lijden schade volledig te vergoeden, welke schade nader moet worden opgemaakt bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 november 1995, althans vanaf de dag van het verzuim;

3. De Staat alsnog te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2. [eisers] voert als grondslag voor zijn vordering aan dat het vonnis berust op stukken waarvan de valsheid is vastgesteld. Inmiddels is, aldus [eisers], gebleken dat de afstand van zijn pand tot de trillingsbron slechts 20 meter was in plaats van 31,20 meter zoals TNO heeft aangenomen op basis van de rapportage in opdracht van Rijkswaterstaat. Daarmee ligt het pand van [eisers] vrijwel volledig in de straal waarbinnen TNO zettingsschade als gevolg van trillingen aannemelijk heeft geacht.

[eisers] verwijst in dat kader voorts naar een brief van TNO aan [eiseres sub 2] d.d. 10 mei 2007, met de volgende inhoud:

“Recentelijk heeft u en uw advocaat mr. Linssen ons gemeld dat er in het deskundigenbericht van TNO (…) mogelijk een fout is geslopen. Het gaat daarbij om de afstand tussen de toegangsweg naar (rb: lees en) de woning. TNO heeft deze afstand van de kaart opgemeten (zoals overhandigd door partijen en opgenomen als bijlage J van het voornoemde rapport).

Er wordt nu gesteld dat die niet goed is. De toegangsweg ligt dichter bij de woning dan aangegeven op de kaart. Wij hebben dit geverifieerd met behulp van het computerprogramma Google-earth. Er is dan inderdaad te zien dat de afstand kleiner is dan volgens de kaart is aangegeven.

De afstand van de toegangsweg tot de woning is cruciaal in de beantwoording van de vragen betreffende de oorzaak en de omvang van de schade. Voor een eventueel aangepast rapport dient de werkelijke afstand van de toegangsweg tot de woning door TNO te worden opgemeten en vervolgens de conclusies opnieuw te worden opgesteld.(…)”.

3.3. De Staat voert verweer. Zij betwist dat sprake is van een onjuiste afstand als door [eisers] gesteld. Zij voert voorts aan dat, zo al sprake is geweest van een onjuiste afstand, het achteraf ontdekken daarvan een omstandigheid is die voor rekening en risico van [eisers] komt. Zij voert daartoe aan dat TNO bij de bepaling van de afstand kennelijk is uitgegaan van een kaart die door Rijkswaterstaat en [eisers] gezamenlijk aan TNO is overhandigd. Bovendien had [eisers] eenvoudig kunnen nameten of sprake was van een afstand van 31,20 meter in plaats van 20 meter.

4. De beoordeling

4.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de gestelde valsheid, te weten de onjuist weergegeven afstand tussen de trillingsbron en het pand in het deskundigenbericht (en in de aan die aanname in het deskundigenbericht ten grondslag liggende rapportage van i[V] van 18 mei 1996 in opdracht van Rijkswaterstaat), een grond voor heropening en herroeping kán zijn. Hiervoor dienen, mede in het licht van de gevoerde verweren van de Staat, de volgende vragen te worden beantwoord:

Berust het vonnis op valse stukken oftewel: leidt de ingeroepen grond voor herroeping, indien deze komt vast te staan, tot twijfel over de juistheid van het vonnis ?

4.2. Gelet op de hiervoor onder 2.3 tot en met 2.6 weergegeven gang van zaken is er gerede aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het vonnis indien komt vast te staan dat slechts sprake was van een afstand van 20 meter in plaats van 31,20 meter tussen de trillingsbron en het pand. Aan dit criterium voor heropening en herroeping is derhalve voldaan.

Kan [eisers] zich nog in het kader van deze procedure beroepen op de onjuistheid van de stukken?

4.3. De Staat betoogt dat een vordering tot herroeping slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden toegewezen. In dit geval gaat het om de afstand tussen de toegangsweg en het pand van [eisers] Een afstand die voor [eisers] zeer gemakkelijk na te meten was. Het is geenszins zo dat [eisers] zich in een afhankelijke positie bevond en maar moest uitgaan van de juistheid van de afstand van 31,20 meter. Bovendien is de in rapportage van [V], waarin de afstand van 31,20 meter is vermeld, door beide partijen aan de deskundige gegeven, aldus nog steeds de Staat.

4.4. [eisers] voert aan dat hij pas na inschakeling van een deskundige ten behoeve van de schadestaatberekening door deze deskundige werd geconfronteerd met de mededeling dat de afstand tussen de trillingsbron en het pand slechts 20 meter bedroeg. Voorts voert [eisers] aan dat hij geen aanwijzingen had om te vermoeden dat het rapport van [V] en daarmee ook het deskundigenbericht op het punt van de afstand tussen de trillingsbron en het pand onjuist was. Voor een leek als [eisers] is een verschil tussen 20 en 30 meter ook niet zichtbaar, aldus nog steeds [eisers].

4.5. De rechtbank deelt het uitgangspunt van de Staat dat aan een vordering tot heropening en herroeping bijzondere eisen dienen te worden gesteld. Niet iedere materiële onwaarheid, ook al heeft zij geleid tot een (deels) onjuiste uitspraak, is voldoende. Vereist is een zodanige valsheid dat [eisers] redelijkerwijze niet in staat was om deze tijdig (in de oorspronkelijke procedure) te keren. Deze strenge toets dient te worden aangelegd omdat groot belang toekomt aan het gegeven dat aan procedures een eind dient te komen.

4.6. Vervolgens komt de vraag aan de orde of [eiser] c.s al dan niet redelijkerwijze in staat was om deze valsheid tijdig te keren. Bij de beantwoording van die vraag acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden van belang:

a. de afstand van 31,20 meter wordt vermeld in het in opdracht van Rijkswaterstaat gelaste onderzoek door i[V];

b. in het rapport van [V] wordt niet aangegeven op welke wijze [V] is gekomen tot deze afstandsbepaling, maar de rechtbank gaat er vanuit dat deze afstand is ontleend aan (meet)gegevens van Rijkswaterstaat;

c. [eisers] had op zichzelf geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door deskundigen (eerst i[V] in opdracht van Rijkswaterstaat en later TNO als door de rechtbank benoemde deskundige) aangehouden afstand;

d. Voor een niet geoefend oog is het moeilijk om zonder direct vergelijkingsmateriaal in te schatten of een opgegeven afstand van 30 meter onjuist is (of eigenlijk 20 meter had moeten zijn); zulks geldt te meer als je er niet op bedacht hoeft te zijn dat de afstand onjuist is gemeten.

e. TNO heeft als deskundige, ondanks het feit dat zij onderzoek ter plaatse heeft uitgevoerd, geen aanleiding gezien om deze afstand zelfstandig na te meten;

4.7. Beslissend acht de rechtbank dat [eisers] in beginsel kon en mocht afgaan op de meetgegevens, zoals vermeld in de in opdracht van Rijkswaterstaat gelaste rapportage. Als burger mag je er, nu de wederpartij een overheidsorgaan is, in beginsel op vertrouwen dat een dergelijke afstand zorgvuldig wordt gemeten en correct wordt weergegeven. Ook TNO heeft dat kennelijk gedaan. Het gaat niet aan om een burger die stelt schade te hebben geleden door werkzaamheden in opdracht van de Staat en vervolgens vertrouwd heeft op een door de Staat in het geding gebrachte meting, die later onjuist blijkt te zijn, af te serveren met de enkele mededeling dat hij zich maar eerder had moeten verweren tegen deze achteraf onjuist gebleken meting. Alle belangen afwegend en rekening houdend met de strenge toets, zoals geformuleerd in overweging 4.5 komt de rechtbank tot de slotsom dat het verweer van de Staat inhoudend dat [eisers] zich in deze procedure tot heropening en herroeping van het vonnis niet meer kan beroepen op de valsheid moet worden afgewezen.

Ook het feit dat beide partijen de rapportage van [V] aan de deskundige zouden hebben gegeven, kan daaraan niet afdoen.

4.8. Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de rechtbank de vordering tot heropening zal toewijzen indien komt vast te staan dat de afstand tussen trillingsbron en het pand substantieel kleiner is dan 31,20 meter. Een feitelijke afstand van 20 tot 25 meter in plaats van 31,30 meter, acht de rechtbank in elk geval substantieel kleiner.

4.9. De Staat betwist gemotiveerd dat de afstand kleiner is dan 31,20 meter. Zij stelt daartoe dat het uitgesloten moet worden geacht dat de Staat, dhr. [V] en TNO (dat ter plaatse is geweest) moeten hebben gemist dat de afstand slechts 20 meter was in plaats van 31,20 meter. De rechtbank zal derhalve [eisers], die nog geen bewijs heeft bijgebracht van de feitelijke afstand, opdragen te bewijzen dat de afstand tussen de trillingsbron en het pand substantieel kleiner is dan 31,20 meter.

4.10. De rechtbank kan zich ook voorstellen dat de Staat, geconfronteerd met deze uitspraak, een en ander zelf zal doen nameten en dat partijen, indien inderdaad blijkt dat de afstand substantieel kleiner is, direct aan de rechtbank verzoeken om TNO in de gelegenheid te stellen een aanvullend deskundigenbericht uit te brengen.

4.11. De zaak zal derhalve naar de rol van woensdag 2 juli 2008 worden verwezen voor akte aan de zijde van beide partijen, waarbij [eisers] zich kan uitlaten over de (wijze van) bewijslevering en beide partijen zich kunnen uitlaten over het hiervoor onder 4.10 overwogene.

4.12. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt [eisers] op te bewijzen dat de afstand tussen de trillingsbron en het pand substantieel kleiner is dan 31,20 meter,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 juli 2008 voor uitlating door [eisers] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3. bepaalt dat [eisers], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken alsdan in het geding moet brengen,

5.4. bepaalt dat [eisers], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus tot en met oktober 2008 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5. verwijst de zaak voorts naar de rol van 2 juli 2008 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten als bedoeld in overweging 4.10 en 4.1.1

5.6. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. P.P.M. Rousseau in het paleis van justitie te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8,

5.7. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.8. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.M. Rousseau en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2008.