Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD2716

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-05-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
01/875188-05 en 01/995643-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

* Motivering waarom in strijd met vergunningsvoorwaarden auto's zijn aan te merken als wrakken.

* Deskundigheid opsporingsambtenaar voldoende om zonder chemische analyse vast te stellen dat milieuovertreding is gepleegd.

* Verwerping van het verweer dat strafrechtelijke handhaving regelgeving identificatie dieren onverbindend zou zijn wegens strijd met Europese verordering (EG) 494/98.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JDW 2008/26 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummers: 01/875188-05 en 01/995643-07 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 29 mei 2008

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

wonende te [woonplaats], [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 juni 2005, 25 oktober 2005, 5 oktober 2007, 7 december 2007, 4 maart 2008 en 14 mei 2008.

Op 5 oktober 2007 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 18 mei 2005 respectievelijk 3 september 2007.

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/875188-05 tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 maart 2005, in

elk geval op of omstreeks 22 februari en of 31 maart 2005, in de gemeente

Deurne, terwijl aan hem door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Deurne

1. bij besluit van 1 juni 1999 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer

was verleend tot het in die gemeente in of op het [perceel 1]

oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie

8 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer

en/of

2. bij besluit van 21 maart 2000 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer

was verleend tot het in die gemeente in of op het [perceel 2], oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in

categorie 8 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit

milieubeheer

en/of in de gemeente Heeze-Leende, terwijl aan hem door Burgemeester en

Wethouder van de gemeente Heeze-Leende

3. bij besluit van 22 september 2000 een vergunning krachtens de Wet

milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel

[perceel 3] ongenummerd, te Sterksel, oprichten en in werking

hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 8 van bijlage I van het

Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,

in elk geval (een) inrichting(en) als bedoeld in de bijlagen I en/of III van

voornoemd besluit,

zich, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al

dan niet opzettelijk,

heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde

vergunning(en), immers

1. werd toen daar op het perceel aan de [perceel 1] gehandeld in

strijd met de/het voorschrift(en)

- 1.1.9 en of meer wrakken van een auto, loader en/of aanhangwagen(s)

opgeslagen

- 2.1, 2.2 en 7.9 omdat de plaatsing en de keuring van brandblusmiddelen niet

was zoals in die voorschriften omschreven en/of

- 3.3 omdat afvalstoffen waaronder metalen staven, kunststof, staalkabel,

buizen en/of een as met wiel niet op ordelijke wijze werden bewaard en/of

- 6.1 omdat op meerdere plaatsen met olie besmeurde voorwerpen op de bodem

lagen en/of

- 7.11 omdat een (oude) accu niet in een vloeistofdichte bak was opgeslagen

en/of

- 8.1 omdat olie en/of benzine werd bewaard in kannen waarop de inhoud niet

vermeld stond en/of

- 8.4 en/of 8.5 omdat olie en/of andere voor de bodem gevaarlijke stoffen niet

in vloeistofdichte bakken waren geplaatst en/of

- 9.1.5, 9.2.1 en/of 9.2.3 omdat een bovengrondse tank met diesel niet was

voorzien van een peilinrichting, niet was geplaatst in een vloeistofdichte

bak en/of omdat zich binnen 5 meter van die tank brandgevaarlijke

stoffen waaronder banden, een pallet en houten platen bevonden en/of

- 10.1.2 omdat een grote hoeveelheid kadavers niet zo spoedig mogelijk volgens

de regels van de Destructiewet uit de inrichting was verwijderd en/of

- 10.2.4 omdat mest werd opgeslagen op de onbeschermde bodem en/of

en/of

2. werd toen daar op het [perceel 2] gehandeld

- in strijd met voorschrift E.5 omdat kadavers op het terrein van de

inrichting waren begraven en/of

3. werd toen daar op het perceel aan de [perceel 3] gehandeld in

strijd met voorschrift

- 1.3 omdat dierlijk afval op het terrein van de inrichting was begraven en

niet zo spoedig mogelijk overeenkomstig de regels van de Destructiewet uit

de inrichting was verwijderd

- 2.2 omdat de put onder de machineloods werd gebruikt voor de opslag van mest

en/of

- 2.7 omdat de opslagruimte van mest was voorzien van een of meer

overstort(en) en/of

- 5.4 kuilvoerrestanten niet zodanig werden opgeslagen dat er geen

geuroverlast kon ontstaan en/of

- 5.6 omdat de kuil voor kuilvoer niet geheel met kunststoffolie was toegedekt;

(Artikel 18.18 van de Wet milieubeheer)

2.

hij in of omstreeks de periode van 16 november 2004 tot en met 31 maart 2005

te Sterksel op of nabij het perceel [perceel 3] en/of Deurne op of

nabij de perce(e)l(en) [perceel 1] en/of [perceel 2] en/of op een

perceel [perceel 4] te Heythuysen, tezamen en in vereniging met anderen of

een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, een of meer do(o)d(e)

rund(eren), paard(en) en/of varken(s), zijnde destructiemateriaal, heeft

onttrokken aan verwerking;

(Arikel 4 lid 1 van de Destructiewet)

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 maart 2005, in

elk geval op of omstreeks 22 februari en/of 31 maart 2005 in de gemeente

Deurne, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

- op of nabij het [perceel 1] een hoeveelheid afvalstoffen, te

weten asbest en of asbesthoudende materialen en/of (delen van) kadavers

en/of mest en/of olie en/of brandstof(fen) en/of

- op of nabij het perceel [perceel 2] (delen van) kadavers

en/of in de gemeente Heeze-Leende

- op of nabij een perceel aan de [perceel 3] te Sterksel mest en/of

(delen van) kadavers

in of op de bodem heeft gebracht, waardoor de bodem kon worden verontreinigd

en/of aangetast - terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had

kunnen vermoeden dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd

en/of aangetast - en toen al dan niet opzettelijk niet aan de verplichting

heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem en/of zijn

mededader(s) konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of

aantasting te voorkomen, danwel indien die verontreiniging zich voordeed, de

bodem te saneren en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk

ongedaan te maken;

(Artikel 13 van de Wet bodembescherming)

4.

hij te Deurne, Sterksel en/of Heythuysen, tezamen en in vereniging met anderen

of een ander, althans alleen, als houder van een of meer dieren, te weten

paarden, runderen, en/of honden, aan dat/die dier(en) de nodige verzorging

heeft onthouden,

hebbende hij en/of voornoemde ander(en) toen

te Deurne op het adres [perceel 1]

in de periode van 22 februari tot en met 31 maart 2005, in elk geval op of

omstreeks 22 februari 2005

- meerdere paarden gehouden, in een wei zonder of met onvoldoende voer, water

en/of schuilmogelijkheid, in elk geval in een wei die niet voor het houden

van paarden geschikt was en/of die leden aan schurft, luis en/of wormeieren

en/of waarvan de hoeven niet tijdig bekapt waren en/of

- meerdere runderen gehouden die leden aan schurft en/of die mager waren en/of

die kreupel waren en/of

in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 22 februari 2005 bij

een of meer van die runderen een keizersnede uitgevoerd en/of daarbij

onvoldoende (na)zorg aan die dieren besteed en/of

in of omstreeks de periode van 19 januari 2004 tot en met 22 februari 2005, in

elk geval op of omstreeks 22 februari 2005, meerdere honden gehouden die aan

oormijt leden en/of in een met Parvo besmette omgeving en onvoldoende

ondernomen om die omgeving Parvo vrij te krijgen en/of

te Deurne op het adres [perceel 2]

in de periode van 22 februari tot en met 31 maart 2005, in elk geval op of

omstreeks 22 februari 2005 meerdere runderen gehouden die leden aan schurft

en/of kreupel waren en/of ontstekingen hadden en/of

te Sterksel op het adres [perceel 3]

op of omstreeks 31 maart 2005 meerdere runderen gehouden die aan luis en of

schurft leden en/of te mager waren en/of

te Heythuysen

op of omstreeks 4 maart 2005 meerdere paarden gehouden met wonden veroorzaakt

door prikkeldraad en/of die mager waren en/of die onvoldoende voer en/of water

hadden;

(Artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren)

5.

hij op of omstreeks 22 februari 2005 op een of meer plaatsen in het

arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met anderen of een

ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, runderen heeft gehouden die

niet overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren waren

geïdentificeerd en/of geregistreerd

immers hield hij en/of voornoemde ander(en) toen

- te Sterksel, op een locatie aan de [perceel 3], drie, althans een

of meer rund(eren) dat/die niet was/waren voorzien van enig oormerk en/of

de/het rund(eren) met de/het oormerk(en) met ID-code NL 3508 3027 6, NL 3428

3304 1, NL 3970 3423 3, NL 2329 6481 3 en/of NL 2745 8158 4 terwijl dat/die

merken niet voor dat/die betreffende rund(eren) was/waren afgegeven en/of

- te Deurne, op een locatie aan de [perceel 2], zeven, althans een of meer

rund(eren) dat/die niet was/waren voorzien van enig oormerk en/of de/het

rund(eren) met de/het oormerk(en) met ID-code NL 3406 3074 3 en/of NL 2329

6460 4 terwijl dat/die merk(en) niet voor dat/die betreffende rund(eren)

was/waren afgegeven en/of

- te Deurne, op een locatie aan de [perceel 1], twintig, althans een of

meer, rund(eren) dat/die niet was/waren voorzien van enig oormerk en/of

de/het rund(eren) met de/het oormerk(en) met ID-code NL 3505 2763 3, NL 3356

3000 0, NL 3508 3023 8, NL 3508 3090 4, NL 3706 3297 1, NL 3970 3398 2, NL

3970 3413 2, NL3970 3424 0, NL 3970 3452 9, NL 3230 5015 7, NL 3339 5042 5,

NL 2921 5047 2, NL 2329 6456 5, NL 2329 6901 0 en/of NL 2037 6930 4 terwijl

dat/die merk(en) niet voor dat/die betreffende rund(eren) was/waren

afgegeven;

(Artikel 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren)

6.

hij op of omstreeks 2 mei 2005 in de gemeente Deurne ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een of meer

politieambtenaren van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel

toe te brengen, met dat opzet, als bestuurder van een auto, die

politieambtena(a)r(en) die in een als zodanig herkenbare politieauto

re(e)d(en) van de weg heeft gedrukt, althans heeft geprobeerd te drukken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Artikel 287 gelet op 45 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 mei 2005 te gemeente Deurne een of meer

politieambtena(a)r(en) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar

opzettelijk dreigend als bestuurder van een auto getracht de auto waarin die

politieambtena(a)r(en) re(e)d(en) van de weg te drukken;

(Artikel 285 wetboek van strafrecht)

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/995643-07 tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 februari 2006 te Deurne, tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe

verleende vergunning, een in of op perceel [perceel 1] gelegen inrichting

voor het houden van dieren, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 8 van

de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage

I, ten aanzien van de wijze van gebruik van een of meer stal(len) en/of de

opslag van hooi, heeft veranderd of de werking daarvan heeft veranderd,

althans ten aanzien van die verandering(en) in werking heeft gehad;

(Artikel 8.1 van de Wet milieubeheer)

2.

hij op of omstreeks 20 februari 2006 te Deurne, tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, terwijl aan [medeverdachte 2] door Burgemeester

en Wethouders van de gemeente Deurne bij besluit van 1 juni 1999 een

vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente

in of op het [perceel 1] oprichten en in werking hebben van een

inrichting als bedoeld in categorie 8 van bijlage I van het Inrichtingen- en

vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in

de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich, al dan niet opzettelijk,

heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde

vergunning, immers

- werd in strijd met voorschrift 1.1.1 een hoeveelheid hooi opgeslagen op het

achterterrein en/of

- werd(en) in strijd met voorschrift 1.1.3 autobanden, ijzer plastic en stenen

opgeslagen waardoor de inrichting niet ordelijk was en/of

- kwam in strijd met voorschrift 3.2 met afvalstoffen verontreinigd water

vanuit de mestkelder terecht op de bodem en/of

- werden brandblusmiddelen in strijd met voorschrift 2.2 niet tenminste

éénmaal per jaar door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige

gecontroleerd en/of

- was in strijd met voorschrift 8.2 ongeveer 250 liter olie binnen de

inrichting aanwezig en/of

- waren in strijd met voorschrift 8.1 voor de bodem gevaarlijke stoffen

aanwezig in verpakkingen waarop de inhoud niet stond vermeld en/of

- was in strijd met voorschrift 9.1.5 een dieseltank aanwezig zonder

peilinrichting en/of vloeistofstandaanwijzer en/of

- voldeed de kuilvoeropslag niet aan de eisen van voorschrift 10.4.2;

(Artikel 18.18 van de Wet milieubeheer)

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaardingen.

De raadsman van verdachte heeft, op de gronden zoals weergegeven in zijn pleitnota, ter terechtzitting van 14 mei 2008 ten aanzien van hetgeen onder parketnummer 01/875188-05 feiten 1 sub 1 voorschrift – 8.1 en 2 en onder parketnummer 01/995643-07 feit 1 is tenlastegelegd primair het verweer gevoerd dat de dagvaarding nietig is omdat de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is. De pleitnota is aan dit vonnis gehecht en de inhoud ervan dient als hier herhaald en ingevoegd te worden beschouwd.

De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen onder genoemde feiten is tenlastegelegd voldoende concreet en feitelijk is omschreven en dat het voor verdachte op basis van het dossier voldoende duidelijk is waarvan hij beschuldigd wordt. Bovendien is bij de inhoudelijke bespreking van de feiten ter terechtzitting van 5 oktober 2007 en 4 maart 2008 zijdens de verdediging niet gebleken van enige onduidelijkheid omtrent de aan verdachte verweten handelingen.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de dagvaarding aan de eisen die in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 47 van de Wet op de economische delicten daaraan worden gesteld.

Beide dagvaardingen voldoen ook overigens aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Ten aanzien van parketnummer 01/875188-05.

Feit 5.

De raadsman heeft op de gronden als omschreven in zijn pleitnota het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard (zie pleitnota raadsman).

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit onderzoek op 22 februari 2005 is gebleken dat er op de bedrijven van verdachte te Sterksel en Deurne meerdere runderen aanwezig waren met verkeerde oormerken en dat er zelfs runderen waren die nooit voorzien waren geweest van enig oormerk, omdat in de oren van die runderen geen gaten aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat een administratie op orde moet zijn omwille van een juiste identificatie en registratie van de runderen.

Het verweer van de raadsman dat de verdachte niet de mogelijkheid heeft gehad om de identiteit van de dieren aan te tonen, omdat hij in hechtenis was genomen, gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. Op 22 februari 2005 is de verdachte niet aangehouden. Indien verdachte en/of zijn mededader(s) een deugdelijke administratie van het aanwezige vee hadden gevoerd of anderszins op dit punt hun bedrijf op orde hadden gehad, dan had hij, al dan niet geholpen door derden, de wettelijk vereiste duidelijkheid kunnen verschaffen. Verdachte heeft het echter aan zijn eigen werkwijze te danken (zie boven) dat een dergelijke hersteloperatie waarschijnlijk niet mogelijk is gebleken.

Bovendien is niet gebleken dat door of namens verdachte en/of zijn mededader(s) is verzocht om uitstel dan wel concreet is aangegeven hoe en op welke termijn de wettelijk vereiste duidelijkheid wel had kunnen worden verschaft.

Het verweer faalt op grond van het voorafgaande.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook voor het overige geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewijsbeslissing.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder parketnummer 01/875188-05 feit 1 sub 2 voorschrift E.5 en feit 6 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder parketnummer 01/875188-05 feit 1 sub 2 voorschrift E.5 tenlastegelegde overweegt de rechtbank, dat de kadavers werden aangetroffen in de akkers aan de achterzijde van de inrichting en geen deel uitmaakten van de inrichting, waarvoor een vergunning was afgegeven.

Ten aanzien van parketnummer 01/875188-05 feit 6 primair overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de processen-verbaal van de betrokken politieambtenaren blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte ten tijde van het hem verweten rijgedrag richting de politieauto met inzittenden wist dat hij werd achtervolgd door de politie. De rechtbank leidt dit af uit de verklaringen dat verdachte in de spiegel heeft gekeken en zijn rijgedrag aanpaste door harder te gaan rijden. Bovendien acht de rechtbank het volstrekt ongeloofwaardig dat verdachte niets heeft gemerkt van de licht- en geluidssignalen van het politievoertuig.

De verbalisanten beschrijven verder dat (en hoe) verdachte een aantal maal naar links komt op of (zeer) kort voor het moment dat de politieauto het voertuig van verdachte in wil gaan halen. Slechts door zeer krachtig remmen kon de bestuurder van het politievoertuig een aanrijding met verdachte of botsing met (een) langs de weg staande bo(o)m(en) voorkomen. Indien de politieambtenaren hun voorgenomen handeling hadden doorgezet was de kans op een dergelijk voorval groot geweest. Verdachte heeft zijn voertuig in feite als gevaarzettend instrument ingezet om de politie achter zich te houden. Door aldus te handelen heeft hij echter ook zichzelf in groot gevaar gebracht. Om die reden acht de rechtbank bij verdachte niet het opzet aanwezig (ook niet in voorwaardelijke zin) dat hij de betrokken politieambtenaren van het leven wilde beroven of hen zwaar lichamelijk letsel toe wilde brengen. Wel heeft hij door aldus te handelen een ernstige bedreiging uitgevoerd tegen het leven van die politieambtenaren en daarmee het subsidiair aan hem ten laste gelegde feit gepleegd.

Bewijsoverwegingen.

De raadsman van verdachte heeft het verweer gevoerd dat het opzet bij verdachte met betrekking tot de tenlastegelegde feiten niet kan worden bewezen (zie pleitnota).

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Gelet op het structurele karakter van de door verdachte gepleegde delicten, zoals onder andere blijkt uit eerdere controles en onderzoeken op de bedrijven van verdachte en zijn eerdere veroordeling terzake een soortgelijk delict, acht de rechtbank het opzet ten aanzien van de tenlastegelegde feiten bewezen.

Ten aanzien van parketnummer 01/875188-05.

Feit 1.

De periode.

De rechtbank acht de in de tenlastelegging genoemde periode bewezen op grond van onder meer het proces-verbaal van [verbali[verbalisant 1] (p. 1413-1418), waaruit blijkt dat in de periode van 9 mei 2000 tot 30 november 2004 diverse milieucontroles bij de bedrijven van verdachte zijn gehouden, waarbij telkens werd geconstateerd dat verdachte in strijd met meerdere vergunningsvoorschriften handelde.

De vergunningsvoorschriften.

Voorschrift 1.1.9.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van wrakken, omdat het in casu ging om (zeer) oude voertuigen die niet meer functioneerden en die niet meer als een geheel werden opgeknapt. De aangetroffen voertuigen vervulden geen functie meer binnen het bedrijf en waren in feite op het erf opgeslagen zonder speciale voorzieningen. Doordat de voertuigen niet meer functioneerden dienden zij afgevoerd te worden naar een gespecialiseerde (sloop)inrichting voor motorvoertuigen. Zonder daarop toegesneden vergunning is het niet toegelaten dergelijke autowrakken op het erf te laten staan.

Dat onderdelen van die voertuigen mogelijk daarna nog ooit zouden worden gebruikt voor andere voertuigen, zoals verdachte heeft aangevoerd, doet daar niet aan af.

Voorschriften 2.1, 2.2 en 7.9.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (p. 1626) is gebleken dat een brandblusser niet op de juiste plaats hing, een brandblusser niet tijdig was gekeurd en nabij de toegangsdeur van de werkplaats geen draagbare poederblusser aanwezig was. Derhalve werd in strijd gehandeld met genoemde vergunningsvoorschriften.

Voorschrift 3.3.

Uit de foto’s die zich bij de stukken bevinden heeft de rechtbank waargenomen dat op het bedrijf van verdachte een ongeordende en ongesorteerde hoop van diverse materialen door elkaar lag. Het zijn spullen die afgedankt waren en volgens verdachte bewaard worden voor later mogelijk hergebruik. Onder de gegeven omstandigheden, gelet op de aard en de bestemming, is er echter sprake van afvalstoffen.

Het enkele feit dat er mogelijk nog materialen tussen liggen voor hergebruik doet daar niet aan af; het zijn materialen waar men zich feitelijk van heeft ontdaan en die op juiste wijze hadden moeten worden afgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het daardoor afvalstoffen in de zin van de wet.

Voorschrift 6.1.

Op grond van het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (p. 1627) acht de rechtbank bewezen dat er sprake was van een (auto)band die besmeurd was met olie. De stelling van de verdediging dat onvoldoende duidelijk is of sprake is van olie verwerpt de rechtbank. De betreffende verbalisanten zijn uit hoofde van hun specifieke deskundigheid in staat om vast te stellen dat het in casu om olie gaat. Daarbij neemt de rechtbank in beschouwing dat deze stof als zodanig qua samenstelling, uiterlijk en geur, eenvoudig te herkennen is.

Voorschrift 7.11.

De stelling van de verdediging dat op de foto niet te zien is dat het gaat om een accu mist feitelijke grondslag, gelet op het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (p. 1627), waarin wordt gerelateerd dat onder de accu geen vloeistofdichte bak is geplaatst, hetgeen ook zichtbaar is.

Voorschriften 8.4, 8.5, 9.1.5, 9.2.1 en 9.2.3.

De rechtbank acht deze feiten op grond van het proces-verbaal van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (p. 1627) bewezen.

De rechtbank verwerpt de stelling van de verdediging dat onvoldoende duidelijk is of sprake is van olie, diesel of andere stoffen op dezelfde grond als hiervoor overwogen onder punt 6.1.

Voorschrift 10.1.2.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (p. 1628) blijkt dat er op diverse plaatsen op het terrein van de inrichting buiten de kadaver-verzamelplaats, zowel op als onder de grond, kadavers zijn aangetroffen. Zeker omdat deze kadavers in de nabijheid van de opstallen lagen is er sprake van binnen de inrichting aangetroffen kadavers.

Voorschrift 10.2.4.

Verbalisanten hebben waargenomen (p. 1628) dat er op het achterterrein op onbeschermde bodem een opslag van vaste mest lag en dat is in strijd met het vergunningsvoorschrift.

De stelling van de verdediging dat onvoldoende duidelijk is of sprake is van (dierlijke) mest verwerpt de rechtbank. De betreffende verbalisanten zijn uit hoofde van hun specifieke deskundigheid in staat om vast te stellen dat het in casu om mest gaat. Daarbij neemt de rechtbank in beschouwing dat mest als zodanig qua samenstelling, uiterlijk en geur, eenvoudig te herkennen is.

Voorschrift 1.3.

De rechtbank acht op grond van het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (p. 1793) bewezen dat er dierlijk afval (kadavers en botten) in de directe nabijheid van de machineloods en de veestal, aldus binnen de inrichting, was aangetroffen, hetgeen in strijd is met genoemd voorschrift.

Voorschrift 2.2.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] en [verbalisant 4]

(p. 1794) blijkt dat de put gevuld was met mest en dat is strijdig met het voorschrift. Dat er geen monster van de mest is genomen is niet relevant, gelet op het hiervoor overwogene onder 10.2.4.

Voorschrift 2.7.

De rechtbank acht op grond van het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (p. 1795) bewezen dat in de mestopslag van de veestal twee overstorten aanwezig waren. Bovendien tonen de foto’s in het dossier het gelijk van de opsporingsambtenaren aan.

Voorschriften 5.4 en 5.6.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] en [verbalisant 4]

(p. 1795-1796) en de foto’s die zijn gemaakt van de aangetroffen situatie blijkt dat de kuil voor maïsvoer niet volledig was afgedekt met kunststoffolie en dat er maïsvoer open en bloot lag, voor een deel in het water, waardoor er een geur van maïsvoer ontstond, die voor overlast kon zorgen. Ook deze feiten acht de rechtbank bewezen.

Feit 2.

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Uit het beeldmateriaal dat ter terechtzitting van 14 mei 2008 is getoond en de processen-verbaal van bevindingen met de daarbij behorende foto’s van de aangetroffen situatie (zie

p. 1274, 1281 ev., 1306 ev., 1313 ev., 1337, 1342 ev., 1351 ev. en 1354 ev.), blijkt genoegzaam dat alle kadavers, die op de diverse bedrijven van verdachte op en onder de grond werden aangetroffen, met uitzondering van de kadavers die op de kadaverplaats aan de [perceel 1] te Deurne lagen, daar niet tijdelijk waren opgeslagen. De rechtbank wijst in dit verband ook op het feit dat er (onder meer) meerdere kadavers zijn aangetroffen die in verre staat van ontbinding waren.

Feit 3.

Uit de processen-verbaal bevindingen van verbalisanten (p. 1837 ev.) blijkt dat er op de bedrijven van verdachte in en op de bodem een hoeveelheid afvalstoffen, te weten asbest, kadavers, mest, olie en brandstoffen zijn aangetroffen.

Waar de verdediging het verweer voert met betrekking tot de afvalstoffen die niet bemonsterd zijn, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder feit 1 bij de voorschriften 6.1, 8.4, 8.5, 9.1.5, 9.2.1, 9.2.3 en 10.2.4 is opgemerkt. Ook hier betreft het milieuambtenaren die op grond van hun specialisme voldoende deskundig zijn om te kunnen beoordelen dat er daadwerkelijk sprake is van de door hen herkende stoffen en voorwerpen, die wanneer ze op of in de bodem worden gebracht, de bodem kunnen verontreinigen en de kwaliteit van de bodem kunnen aantasten.

De rechtbank oordeelt dat op het moment dat er stoffen in de grond worden gestopt die niet in de bodem horen, en dat geldt uiteraard voor de hiervoor genoemde stoffen, er sprake is van bodemverontreiniging.

Met betrekking tot de hoeveelheid asbest die is aangetroffen aan de [perceel 1] te Deurne wijst de rechtbank op de bevindingen van verbalisanten op p. 1846 en 1847. Uit de rapportage van Search blijkt dat er sprake is van asbesthoudend afval (p. 1849).

De rechtbank acht dit feit op grond van het voorgaande bewezen.

Feit 4.

Uit het procesdossier blijkt dat verdachte in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 maart 2005 op zijn bedrijven te Deurne paarden, runderen en honden, te Sterksel runderen en te Heythuysen paarden heeft gehouden. In genoemde periode werden de dieren bezocht en beoordeeld door dierenartsen en zijn er diverse controles gehouden door de AID in het bijzijn van dierenartsen op de gezondheids- en welzijnstoestand van de dieren, waarbij meermalen gebleken is dat aan de dieren de nodige verzorging was onthouden.

Ten aanzien van de paarden.

Op 22 februari 2005 werden op een landbouwperceel aan de [perceel 1] te Deurne een twintigtal paarden aangetroffen en beoordeeld door de dierenarts [A] (p. 1890). De dierenarts oordeelde dat aan 5 van deze paarden de nodige verzorging was onthouden. Blijkens de diergeneeskundige verklaring van de dierenarts (p. 1893) betroffen het 3 paarden en 2 pony’s, die onder meer ernstig vermagerd dan wel uitgemergeld waren, een slechte vacht hadden, ernstige regenschurft en wormen hadden en waarvan de hoeven niet tijdig bekapt waren.

Op 8 maart 2005 werd een hercontrole aan d[perceel 1] uitgevoerd in aanwezigheid van een keuringsdierenarts (p. 1908). Op het perceel liepen 19 paarden, die niet over een toereikende hoeveelheid schoon water konden beschikken, er was geen drinkbak of andere drinkwatervoorziening. Verder was er geen beschuttingsplek voor de paarden aanwezig.

Blijkens de dierenarts (p. 1909) verkeerden 3 paarden in een dermate schrale conditie dat ze acute verzorging nodig hadden en waren 2 paarden broodmager. Verder liet de hoefverzorging van alle 19 paarden te wensen over.

De paardendierenarts [B] heeft het betreffende perceel bezocht en de paarden en pony’s bekeken (p. 1930-1934). Hij verklaarde dat het terrein ongeschikt was voor het houden van dieren wegens het ontbreken van geschikt voer en water. Bij onderzoek aan de paarden constateerde de dierenarts dat alle dieren in algemeen te schrale conditie waren, onbehandelde infecties met ectoparasieten (schurft en luis) hadden en achterstallige hoefverzorging hadden. Aan de hand van meegenomen mestmonsters van de paarden stelde de dierenarts vast dat de paarden zeer ernstig waren besmet met wormeieren (p. 1935).

Op 4 maart 2005 werden bij een controle op een perceel bouwland gelegen [perceel 4] te Heythuysen en in eigendom van verdachte 16 paarden aangetroffen (p. 2012). Verbalisanten constateerden dat de paarden geen voer en geen toereikende hoeveelheid schoon water hadden en dat her en der verspreid op het perceel lange stukken oud prikkeldraad lagen. Uit de diergeneeskundige verklaringen van dierenarts [C]p. 2015 en 2016) blijkt dat aan 2 paarden de nodige zorg was onthouden. De paarden waren onder meer te mager en hadden oude draadwonden waaruit etter kwam. De wonden waren volgens de dierenarts waarschijnlijk veroorzaakt door het vele losliggende prikkeldraad op het terrein.

Ten aanzien van de runderen.

Op 22 februari 2005 werd een controle gehouden op het bedrijf van verdachte aan de [perceel 1] te Deurne naar de gezondheids- en welzijnstoestand van de runderen waarbij de runderen beoordeeld werden door de dierenartsen [D] en [A] (p. 2305).

Uit de verklaringen van genoemde dierenartsen bleek onder meer dat een aantal runderen te mager was en dat het overgrote deel van de dieren ernstig besmet was met schurft. Volgens de dierenarts [D] was de eigenaar duidelijk nalatig gebleken bij de behandeling van schurft. Verder werden 2 runderen aangetroffen, waarvan een rund nauwelijks overeind kon komen en als ernstig wrak werd bestempeld, en een rund ernstig kreupel was. Beide dieren werden door dierenarts [D] geëuthanaseerd. Voorts constateerden de dierenartsen bij 10 runderen niet professioneel uitgevoerde operatiewonden van keizersneden.

Op 22 februari 2005 werd op het bedrijf van verdachte aan de [perceel 2] te Deurne een controle gehouden naar de gezondheids- en welzijnstoestand van de aldaar gehouden runderen (p. 2310). De aanwezige dierenarts [D] constateerde dat 3 runderen ernstig besmet waren met schurft, ernstig kreupel waren en ontstekingen hadden. Behandeling van de runderen was volgens de dierenarts niet meer mogelijk en de dieren werden ter slachting afgevoerd. Uit een aanvullende verklaring van dierenarts [D] (p. 2315) bleek dat het merendeel van de gehouden runderen op de locatie [perceel 2] te Deurne besmet was met schurftmijt.

Op 31 maart 2005 werd in aanwezigheid van dierenartsen [A] en [B] een hercontrole gehouden op de voornoemde bedrijven van verdachte te Deurne en op het bedrijf te Sterksel aan de [perceel 3] (p. 2325). Op de locati[perceel 1] werden 4 runderen aangetroffen die ernstig ziek waren en waaraan de nodige zorg was onthouden. Wederom werden runderen aangetroffen die aan schurft leden.

Op de locatie [perceel 2] werd geconstateerd dat het merendeel van de runderen nog steeds last had van een schurftbesmetting. Verder werd een rund aangetroffen dat kreupel was.

Op de locatie te Sterksel werd een rund aangetroffen met huidafwijkingen als gevolg van schurftbesmetting.

Uit de verklaring van dierenarts [A] (p. 2528) bleek dat de gehele koppel runderen op alle locaties besmet was met schurftmijten en dat de verzorging van de dieren tussen 22 februari en 31 maart 2005 matig tot slecht is geweest.

Uit de diergeneeskundige verklaring van dierenarts [B] (p. 2530) bleek dat duidelijk sprake was van het onthouden van de nodige veterinaire en andere zorg aan de runderen.

Dierenarts [E] heeft verklaard (p. 192 en 209) dat er op de bedrijven van [familie X] te weinig tegen schurft werd behandeld waardoor het welzijn van de runderen is benadeeld.

Ten aanzien van de keizersneden bij de runderen wijst de rechtbank op:

-de verklaringen van de dierenartsen [E] en [F] bij de rechter-commissaris, waaruit blijkt dat zij al meerdere jaren geen keizersneden bij [familie X] hebben uitgevoerd,

-de verklaring van dierenarts [F], dat hij ervan uit ging dat [familie X] zelf de keizersneden uitvoerde,

-de verklaring van de broer van verdachte, [medeverdachte 1], afgelegd bij de politie (p. 526), waarin hij heeft aangegeven dat zijn vader en zijn [medeverdachte 1] al een paar jaar bezig zijn met het zelf uitvoeren van keizersneden bij de koeien en dat aantal op 25 tot 30 schat, en

-op de doorzoeking op het bedrijf van verdachte op 22 februari 2005, waarbij diverse spullen, die gebruikt worden voor het uitvoeren van keizersneden, zoals hechtdraad, naalden, injectiespuiten, snijgereedschap en het verdovingsmiddel Lidocaine, zijn aangetroffen.

Ten aanzien van de honden.

Op 22 februari 2005 werden op het bedrijf van verdachte aan de [perceel 1] te Deurne 26 honden aangetroffen en inbeslaggenomen.

Uit de diergeneeskundige verklaring van dierenarts [G] (p. 1898) blijkt dat bij een van de honden, een Duitse dog, sprake was van zwaar achterstallig diergeneeskundige verzorging. Het dier was sterk vermagerd en had ontstoken ogen. Bij de andere honden was sprake van oormijt en was de hygiëne niet goed.

Blijkens de verklaringen van de beheerster van het dierenasiel te Almelo (p. 1962), waar een deel van de honden waren opgevangen, bleek dat een aantal honden (pups) is overleden als gevolg van Parvo-besmetting.

Uit diverse aangiften van de kopers van een hond bleek dat de hond als gevolg van een Parvo infectie is overleden.

Dierenarts [E] verklaart hierover (p. 196 ev) dat hij wist, dat er Parvo op het bedrijf van [familie X] heerste en dat dat ook door Intervet, leverancier van het vaccin tegen Parvo, werd vastgesteld. Hij heeft verklaard, dat hij aan de medeverdachten (vader en dochter [familie X]) adviseerde om een tijdje geen honden te houden om zo verdere besmetting te voorkomen, maar dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] dit geen optie vonden.

Uit diens verklaring blijkt ook dat de honden in hokken lagen met stro of krullen terwijl dat uit oogpunt van het voorkomen/beperken van Parvo-besmetting moeilijker was, aangezien het schoonhouden van de hokken dan meer problemen geeft.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de honden gedurende langere tijd in een met Parvo besmette omgeving verbleven en dat verdachte te weinig heeft gedaan om de omgeving Parvo-vrij te krijgen.

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de hiervoor vermelde onderdelen van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting, alsmede op grond van de eigen waarneming ter terechtzitting van 14 mei 2008 van het vertoonde beeldmateriaal.

Ten aanzien van parketnummer 01/995643-05.

Feit 1.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbali[verbalisant 1] (p. 433 ev) blijkt dat verdachte de inrichting in strijd met de vergunning heeft gewijzigd ten aanzien van het feitelijk gebruik van de stallen en de opslag van hooi. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2.

Op grond van het hiervoor onder 1 genoemde proces-verbaal van bevindingen en de brief van de Gemeente Deurne d.d. 21 maart 2006 aan [verdachte] inzake de gehouden bedrijfscontrole op 20 februari 2006 (p. 455), acht de rechtbank het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging met betrekking tot de afvalstoffen, het ontbreken van monsternames, de brandblussers en de kuilopslag op dezelfde gronden als de rechtbank hiervoor onder parketnummer 01/875188-05 feit 1 heeft overwogen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

Parketnummer 01/875188-05:

1.

in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 maart 2005

in de gemeente Deurne, terwijl aan hem door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Deurne

1. bij besluit van 1 juni 1999 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het [perceel 1] oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 8 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en

in de gemeente Heeze-Leende, terwijl aan hem door Burgemeester en Wethouder van de gemeente Heeze-Leende

3. bij besluit van 22 september 2000 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [perceel 3] ongenummerd, te Sterksel, oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 8 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,

zich tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunningen, immers

1. werd toen daar op het perceel aan d[perceel 1] gehandeld in strijd met de voorschriften

- 1.1.9 wrakken van een auto, loader en aanhangwagens opgeslagen en

- 2.2 en 7.9 omdat de plaatsing en de keuring van brandblusmiddelen niet was zoals in die voorschriften omschreven en

- 3.3 omdat afvalstoffen waaronder metalen staven, kunststof, staalkabel, buizen en een as met wiel niet op ordelijke wijze werden bewaard en

- 6.1 omdat op een plaats een met olie besmeurd voorwerp op de bodem lag en

- 7.11 omdat een (oude) accu niet in een vloeistofdichte bak was opgeslagen en

- 8.1 omdat olie en/of benzine werd bewaard in kannen waarop de inhoud niet vermeld stond en

- 8.4 en 8.5 omdat olie en andere voor de bodem gevaarlijke stoffen niet in vloeistofdichte bakken waren geplaatst en

- 9.1.5, 9.2.1 en 9.2.3 omdat een bovengrondse tank met diesel niet was voorzien van een peilinrichting, niet was geplaatst in een vloeistofdichte bak en omdat zich binnen 5 meter van die tank brandgevaarlijke stoffen waaronder banden, een pallet en houten platen bevonden en

- 10.1.2 omdat een grote hoeveelheid kadavers niet zo spoedig mogelijk volgens de regels van de Destructiewet uit de inrichting was verwijderd en

- 10.2.4 omdat mest werd opgeslagen op de onbeschermde bodem en

3. werd toen daar op het perceel aan de [perceel 3] gehandeld in strijd met voorschrift

- 1.3 omdat dierlijk afval op het terrein van de inrichting was begraven en niet zo spoedig mogelijk overeenkomstig de regels van de Destructiewet uit de inrichting was verwijderd en

- 2.2 omdat de put onder de machineloods werd gebruikt voor de opslag van mest en

- 2.7 omdat de opslagruimte van mest was voorzien van overstorten en

- 5.4 kuilvoerrestanten niet zodanig werden opgeslagen dat er geen geuroverlast kon ontstaan en

- 5.6 omdat de kuil voor kuilvoer niet geheel met kunststoffolie was toegedekt;

2.

in de periode van 16 november 2004 tot en met 31 maart 2005 te Sterksel op het perceel [perceel 3] en Deurne op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] en op een perceel [perceel 4] te Heythuysen, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk, dode runderen en/of paarden en/of varkens, zijnde destructiemateriaal, heeft

onttrokken aan verwerking;

3.

in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 maart 2005 in de gemeente Deurne,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

- op het [perceel 1] een hoeveelheid afvalstoffen, te weten asbest en/of asbesthoudende materialen en (delen van) kadavers en mest en olie en brandstof(fen) en

- op of nabij het perceel [perceel 2] (delen van) kadavers

en in de gemeente Heeze-Leende

- op een perceel aan de [perceel 3] te Sterksel mest en (delen van) kadavers

in of op de bodem heeft gebracht, waardoor de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast - terwijl hij, verdachte, wist dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast - en toen opzettelijk niet aan de verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem en zijn mededaders konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen.

4.

hij te Deurne, Sterksel en Heythuysen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, als houder van dieren, te weten paarden, runderen en honden, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden,

hebbende hij en/of voornoemde ander(en) toen

te Deurne op het adres [perceel 1] in de periode van 22 februari tot en met 31 maart 2005,

- paarden gehouden in een wei zonder of met onvoldoende voer, water en/of schuilmogelijkheid en die leden aan schurft, luis en/of wormeieren en/of waarvan de hoeven niet tijdig bekapt waren en

- runderen gehouden die leden aan schurft en/of die mager waren en/of die kreupel waren en

in de periode van 1 januari 2004 tot en met 22 februari 2005 bij runderen een keizersnede uitgevoerd en daarbij onvoldoende (na)zorg aan die dieren besteed en

in de periode van 19 januari 2004 tot en met 22 februari 2005 honden gehouden die aan

oormijt leden en in een met Parvo besmette omgeving en onvoldoende ondernomen om die omgeving Parvo vrij te krijgen en

te Deurne op het adres [perceel 2] in de periode van 22 februari tot en met 31 maart 2005,

runderen gehouden die leden aan schurft en/of kreupel waren en/of ontstekingen hadden en

te Sterksel op het adres [perceel 3] op 31 maart 2005

runderen gehouden die aan luis en/of schurft leden en/of te mager waren en

te Heythuysen op 4 maart 2005

paarden gehouden met wonden veroorzaakt door prikkeldraad en/of die mager waren en/of die onvoldoende voer en water hadden;

5.

op 22 februari 2005 op plaatsen in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, opzettelijk, runderen heeft gehouden die niet overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren waren geïdentificeerd en/of geregistreerd

immers hield hij en/of voornoemde ander(en) toen

- te Sterksel, op een locatie aan de [perceel 3], drie runderen die niet waren voorzien van enig oormerk en de runderen met de oormerken met ID-code NL 3508 3027 6, NL 3428 3304 1, NL 3970 3423 3 en NL 2329 6481 3, terwijl die merken niet voor die betreffende runderen waren afgegeven en

- te Deurne, op een locatie aan de [perceel 2], zeven runderen die niet waren voorzien van enig oormerk en de runderen met de oormerken met ID-code NL 3406 3074 3 en NL 2329

6460 4, terwijl die merken niet voor die betreffende runderen waren afgegeven en

- te Deurne, op een locatie aan d[perceel 1], twintig runderen die niet waren voorzien van enig oormerk en de runderen met de oormerken met ID-code NL 3505 2763 3, NL 3356

3000 0, NL 3508 3023 8, NL 3508 3090 4, NL 3706 3297 1, NL 3970 3398 2, NL 3970 3413 2, NL3970 3424 0, NL 3970 3452 9, NL 3230 5015 7, NL 3339 5042 5, NL 2921 5047 2, NL 2329 6456 5, NL 2329 6901 0 en/of NL 2037 6930 4, terwijl die merken niet voor die betreffende runderen waren afgegeven;

6 subsidiair.

op 2 mei 2005 te gemeente Deurne politieambtenaren heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend als bestuurder van een auto getracht de auto waarin die politieambtenaren reden van de weg te drukken;

Parketnummer 01/995643-07:

1.

op 20 februari 2006 te Deurne, opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een op perceel [perceel 1] gelegen inrichting voor het houden van dieren, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 8 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, ten aanzien van de wijze van gebruik van stallen en de

opslag van hooi, heeft veranderd.

2.

op 20 februari 2006 te Deurne, terwijl aan [medeverdachte 2] door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Deurne bij besluit van 1 juni 1999 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het [perceel 1] oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 8 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers

- werd in strijd met voorschrift 1.1.1 een hoeveelheid hooi opgeslagen op het achterterrein en

- werden in strijd met voorschrift 1.1.3 autobanden, ijzer plastic en stenen opgeslagen waardoor de inrichting niet ordelijk was en

- kwam in strijd met voorschrift 3.2 met afvalstoffen verontreinigd water vanuit de mestkelder terecht op de bodem en

- werden brandblusmiddelen in strijd met voorschrift 2.2 niet tenminste éénmaal per jaar door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige gecontroleerd en

- was in strijd met voorschrift 8.2 ongeveer 250 liter olie binnen de inrichting aanwezig en

- waren in strijd met voorschrift 8.1 voor de bodem gevaarlijke stoffen aanwezig in verpakkingen waarop de inhoud niet stond vermeld en

- was in strijd met voorschrift 9.1.5 een dieseltank aanwezig zonder peilinrichting en vloeistofstandaanwijzer en

- voldeed de kuilvoeropslag niet aan de eisen van voorschrift 10.4.2.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Ten aanzien van parketnummer 01/875188-05.

Feit 5.

De strafbaarheid van verdachte.

De rechtbank verwerpt het door de raadsman gedane beroep op overmacht om dezelfde reden als hiervoor bij de ontvankelijkheid van de officier van justitie is weergegeven.

De strafbaarheid van het feit.

De raadsman van verdachte heeft in zijn pleitnota -kort gezegd- aangevoerd dat de Nederlandse strafbaarstelling onverbindend is vanwege strijd met de Europese Verordening (EG) 494/98, op grond waarvan verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Naar het oordeel van de rechtbank staat de Europese Verordening er niet aan in de weg om nationaal ordeningsrecht via het strafrecht af te dwingen. Deze verordening verbiedt een dergelijke wijze van sanctioneren niet. Evenmin is dit naar het oordeel van de rechtbank af te leiden uit een ander rechtstreeks werkend verdrag. Er bestaat dus ruimte voor de nationale wetgever om te bepalen dat strafrechtelijk sanctioneren gewenst is. Verdere toetsingsruimte komt de rechter op dit punt niet toe, gelet op artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen.

Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 27, 47, 57 en 285 Wetboek van Strafrecht,

1, 1a, 2, 6 en 87 Wet op de economische delicten,

1.1, 8.1, 18.18 en 22.2 Wet milieubeheer,

1, 2, 4 en 30 Destructiewet,

1, 13 en 105 Wet bodembescherming,

1, 37, 111 en 131 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren,

1, 2, 3 en 6 Besluit identificatie en registratie van dieren,

1, 14, 39 en 47 Regeling identificatie en registratie van dieren.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van parketnummer 01/875188-05 feiten 1 tot en met 6 en parketnummer 01/995643-07 feiten 1 en 2:

-een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 202 dagen voorwaardelijk, proeftijd 2 jaar,

-180 uur werkstraf subsidiair 90 dagen hechtenis,

-toewijzing van de vordering van de [benadeelde partij 1] ad € 250,00, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr. ad € 250,00.

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder de draagkracht.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- verdachte werd terzake van een strafbaar feit soortgelijk aan de door hem gepleegde feiten blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister reeds eerder veroordeeld;

- verdachte heeft gedurende een langere periode te weten ongeveer 1 januari 2003 tot en met 20 februari 2006 een zeer groot aantal strafbare feiten gepleegd dan wel is hij bij het plegen van die strafbare feiten betrokken geweest.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De rechtbank acht naast de gevangenisstraf een werkstraf van na te melden duur en een geldboete van na te melden hoogte op zijn plaats. De werkstraf is met name ingegeven door de door verdachte gepleegde bedreiging.

De vordering van de [benadeelde partij 1].

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De benadeelde partij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 01/875188-05 feit 1 sub 2 voorschrift E.5 en feit 6 primair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. 01/875188-05 feit 1:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van

de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

T.a.v. 01/875188-05 feit 2:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 4, eerste

lid, van de Destructiewet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

T.a.v. 01/875188-05 feit 3:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de

Wet bodembescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

T.a.v. 01/875188-05 feit 4:

Medeplegen van gedragingen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij

artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd

T.a.v. 01/875188-05 feit 5:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 111

van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan

(artikel 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren)

T.a.v. 01/875188-05 feit 6 subsidiair:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

T.a.v. 01/995643-07 feit 1:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid aanhef en

onder b, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan

T.a.v. 01/995643-07 feit 2:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet

milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. 01/875188-05 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6 subsidiair, 01/995643-07 feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 202 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

T.a.v. 01/875188-05 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6 subsidiair, 01/995643-07 feit 1, feit 2:

Werkstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis.

T.a.v. 01/875188-05 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6 subsidiair, 01/995643-07 feit 1, feit 2:

Geldboete van EUR 10000,00 subsidiair 80 dagen hechtenis waarvan EUR 5000,00 subsidiair 40 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

T.a.v. 01/875188-05 feit 6 subsidiair:

Niet-ontvankelijkverklaring van de [benadeelde partij 1] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 9 juni 2005 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.W.H. Renneberg, voorzitter,

mr. drs. W.A.F. Damen en mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging, leden,

in tegenwoordigheid van L.M.E. de Roo, griffier,

en is uitgesproken op 29 mei 2008.

23

Parketnummers: 01/875188-05 en 01/995643-07 (ter terechtzitting gevoegd)

[verdachte]