Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD2709

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
149315 / FA RK 06-4060 II
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op de beschikking van 7 augustus 2007 (LJN: BB5372). Niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding. Bewijs ten aanzien van overgespaard inkomen. Uitleg inkomensbegrip in huwelijkse voorwaarden. Kosten van de huishouding. Leningen tussen echtgenoten onderling. Wettelijke rente.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 136
Burgerlijk Wetboek Boek 1 141
Burgerlijk Wetboek Boek 1 142
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Zaaknummer: 149315 / FA RK 06-4060

Uitspraak: 23 mei 2008

Beschikking in de zaak van

[naam verzoeker]

wonende te [woonplaats],

procureur mr. M.A.J. Burgers-Thomassen,

tegen:

[naam verweerster]

wonende te [woonplaats],

procureur mr. J.E. Benner,

advocaat mr. H.J.M. van Arkel te Arnhem,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de man en de vrouw.

Deze beschikking is een vervolg op de beschikking van deze rechtbank van 07 augustus 2007, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelezen moet worden beschouwd.

De verdere procedure

Bij voornoemde beschikking van 07 augustus 2007 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, alsmede nevenvoorzieningen vastgesteld.

De behandeling en verdere beslissing inzake de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden is aangehouden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken zoals vermeld in de beschikking van 07 augustus 2007, alsmede van de navolgende nadien ontvangen stukken:

-de brief met bijlagen van de procureur van de man, gedateerd 07 februari 2008;

-de brief met bijlagen van de procureur van de vrouw, gedateerd 07 februari 2008, waaronder een akte uitlating, vermeerdering c.q. wijziging van het verzoek van 06 februari 2008.

De vrouw heeft haar verzoeken bij akte van 06 februari 2008 vermeerderd en gewijzigd.

De zaak wederom behandeld ter zitting van 21 februari 2008. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. M.A.J. Burgers-Thomassen, en de vrouw, bijgestaan door mr. H.J.M. van Arkel. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De verdere beoordeling

Ter beoordeling staan nog de wederzijdse verzoeken van partijen tot het vaststellen van de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden.

Bij akte van 15 mei 1986 zijn tussen partijen huwelijkse voorwaarden opgemaakt. In artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat tussen partijen geen gemeenschap van goederen bestaat. Speciaal de gemeenschap van winst en verlies en de gemeenschap van vruchten en inkomsten worden uitdrukkelijk uitgesloten.

Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden een zogenaamd periodiek verrekenbeding behelst. Kort samengevat worden op grond van dit artikel de inkomsten uit arbeid, vlijt, vermogen of anderszins samengevoegd teneinde daaruit de kosten te voldoen, waarna hetgeen in een jaar overblijft aan ieder van de echtgenoten bij helfte toekomt en aldus privé-vermogen zal zijn.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij nimmer uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekeningbeding, zodat alsnog verrekening zal moeten plaatsvinden.

Nu partijen tijdens hun huwelijk geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding wordt op grond van artikel 1:141 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) het op de peildatum aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de wet en de eisen van de redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

Peildatum

Ter zitting van 21 februari 2008 hebben partijen verklaard in te stemmen met de datum van indiening van het verzoekschrift echtscheiding – 6 oktober 2006 – als peildatum voor de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen.

Woning [adres A]

Uit de overgelegde stukken, met name de produkties 1 tot en met 5 bij akte uitlating van de vrouw van 12 maart 2007, blijkt dat de vrouw op 12 oktober 1979 deze woning in eigendom heeft verworven voor ƒ 296.000,-- exclusief kosten, ƒ 327.387,95 inclusief kosten. Niet in geschil is dat de vrouw deze woning heeft aangebracht bij huwelijk. De woning is ook als zodanig vermeld op de staat van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden.

Voorts blijkt uit de genoemde stukken dat de aankoop van deze woning als volgt is gefinancierd:

-een hypothecaire geldlening van de Rijskpostspaarbank (nadien Postbank) onder nummer [...] ten bedrage van ƒ 185.000,--;

-een geldlening van de vader van de vrouw ten bedrage van ƒ 110.500,--;

-eigen vermogen van de vrouw ten bedrage van ƒ 31.887,95.

Op 31 december 1987 is de woning door de vrouw verkocht. Uit de overgelegde afrekening van de notaris blijkt dat de netto verkoopopbrengst ƒ 78.224,35 bedroeg, alsmede dat uit de verkoopsom de navolgende aflossingen zijn gedaan:

-de restant hoofdsom van de hypotheek bij de Postbank, zijnde ƒ 97.109,33;

-het restant van de geldlening aan de vader van de vrouw, zijnde ƒ 50.414,--.

Partijen zijn op 15 mei 1986 gehuwd. Volgens de man heeft de vrouw in de periode 15 mei 1986 tot en met 31 december 1987 aflossingen uit overgespaard inkomen verricht op genoemde geldleningen. De vrouw ontkent dit. Volgens de vrouw bestond haar privé-vermogen op of omstreeks de huwelijksdatum uit een tweetal spaarrekeningen met een saldo van ongeveer ƒ 20.000,-- en een betaalrekening waarop in 1986 en 1987 tweemaal een schenking van ƒ 2.000,-- is gestort door haar vader. Zij stelt dat de aflossingen hebben plaatsgevonden uit dit privévermogen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Nu vaststaat dat de woning door de vrouw bij huwelijk is aangebracht, is de rechtbank van oordeel dat indien en voor zover ten aanzien van deze woning alsnog een verrekening dient plaats te vinden deze verrekening ziet op de periode 15 mei 1986 tot en met 31 december 1987, derhalve een periode van 19½ maand.

Ten aanzien van de hypotheek van de Postbank overweegt de rechtbank dat uit de door de vrouw overgelegde overzichten van de Postbank blijkt van een rente over 1987 van ƒ 735,66 per half jaar, derhalve ƒ 122,61 per maand. Weliswaar wordt door de vrouw aangetoond dat zij de betalingen inzake de hypotheek (rente en aflossing) van haar privé-rekening betaalde, doch daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank niet vast dat het saldo op de privérekening geheel bestaat uit privévermogen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het begrip inkomsten in artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden ruim is omschreven en dat door de vrouw is gesteld dat zij in die periode ook inkomsten uit arbeid had. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat het saldo op de privérekening van de vrouw per oktober 1986 ƒ 13.691,09 bedroeg en per december 1987 ƒ 12.085,57. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit saldo derhalve niet uitsluitend betrekking hebben op een tweetal schenkingen van ƒ 2.000,-- van de vader van de vrouw.

Ten aanzien van de schuld aan de vader van de vrouw overweegt de rechtbank dat door de vrouw onbetwist is gesteld dat het restant hoofdsom van deze schuld per datum huwelijk ongeveer ƒ 50.414,-- bedroeg. Uit de afrekening van de notaris blijkt dat het restant op 31 december 1987 nog immer ƒ 50.414,-- bedraagt. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat over de periode 15 mei 1986 tot en met 31 december 1987 niet op deze schuld is afgelost door de vrouw.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aflossingen over de periode 15 mei 1986 tot en met 31 december 1987 inzake de hypotheek van de Postbank relevant zijn. Uit de afrekening van de notaris van de verkoop van de woning van 31 december 1987 en de opgave van de Postbank van de hypotheek van 15 juli 1987 in hun onderling verband beschouwd blijkt evenwel dat vanaf 1 augustus 1987 geen aflossingen hebben plaatsgevonden, nu de restschuld per 1-8-1987 gelijk is aan de restschuld per 31 december 1987. Wat betreft de huwelijkse periode is er sprake is van een aflossingsduur van 14½ maand ten bedrage van totaal ƒ 1.777,85 (14½ maal ƒ 122,61).

Het voorgaande in aanmerking nemend kan de rechtbank de vrouw niet volgen in haar standpunt dat in het kader van de verdere verrekening naast de netto opbrengst van de verkoop van de woning van ƒ 78.224,35, er tevens rekening mee dient te worden gehouden dat aan haar bij voorrang een bedrag van ƒ 20.000,-- wegens het saldo op spaarrekeningen en een bedrag van ƒ 4.000,-- wegens schenkingen toekomt. De rechtbank merkt daarbij nog op dat uit de afrekening van de notaris een netto verkoopopbrengst blijkt van ƒ 76.647,90. Het meerdere blijkt nergens uit.

Door de man is gesteld dat, indien en voorzover de rechtbank inzake de woning aan [adres A] tot het oordeel komt dat wat de betreft de verdere verrekening enkel en alleen rekening dient te worden gehouden met de netto verkoopopbrengst (€ 76.647,99) hij ter zake afstand doet van verdere aanspraken. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat hierna wat betreft de woning aan [adres A] enkel de netto verkoopopbrengst van deze woning in aanmerking hoeft te worden genomen, nu de man geacht wordt afstand te doen van het meerdere.

Woning en grond [adres B]

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw op 12 februari 1988 een perceel grond in eigendom heeft verworven tegen een totale aankoopprijs van ƒ 127.061,99.

Deze aankoop is gefinancierd door aanwending van de opbrengst van de verkoop van de woning aan [adres A] tot een bedrag van ƒ 76.647,99, blijkend uit nota van aankoop van de notaris als produktie 13 bij akte van 12 maart 2007 door de vrouw overgelegd. Het resterende deel is gefinancierd met de oorspronkelijke lening van de vader van de vrouw ter grootte van € 50.414,--. Eén en ander is tussen partijen niet in geschil.

Partijen verschillen van mening omtrent met name de herkomst van de investeringen en financieringen en de daarmee samenhangende betalingen met betrekking tot dit perceel grond na aankoop daarvan.

Volgens de vrouw is de casco bouw en verdere afbouw van de woning als volgt gefinancierd:

-een hypotheek bij de Postbank ten bedrage van ƒ 220.000,--;

-een verhoging van de geldlening van de vader van de vrouw tot ƒ 67.472,--, zodat ƒ 17.058,-- is bijgeleend;

-ƒ 20.000,-- saldo spaargeld;

-een bedrag van ongeveer ƒ 151.050,-- afkomstig uit de ontvangen gelden uit verkoop van een ziekenfondscontract;

-schenkingen van de ouders tot en met 1989 ten bedrage van ƒ 10.500,--;

-een bedrag van ƒ 25.164,-- teruggave WIR;

-schenkingen van de vader van de vrouw ten bedrage van ƒ 15.000,--.

De vrouw stelt in dit verband nog dat voornoemde hypothecaire geldlening in 1993 is overgesloten, dat deze lening op dat moment ƒ 201.472,-- bedroeg en dat deze na oversluiting wederom ƒ 220.000,-- bedroeg. Ten behoeve van deze hypotheek is in 1993 tevens een levensverzekering afgesloten met een premie van ƒ 390,04 per maand.

Aldus is volgens de vrouw de bouw en verdere afbouw van de woning deels gefinancierd met haar privévermogen, deels met vreemd vermogen. Betalingen inzake het vreemd vermogen hebben volgens de vrouw plaatsgevonden uit privévermogen, met name uit de door haar ontvangen schenkingen en erfenissen, doch niet met overgespaard verrekenbaar inkomen.

De man erkent dat de vrouw de verkoopopbrengst van de woning aan [adres A] heeft benut voor de aankoop van de grond, zodat de vrouw dat bedrag bij voorrang dient te ontvangen. De overige stellingen van de vrouw worden door de man betwist. De man stelt dat ook een deel van zijn inkomsten is aangewend voor de woning aan [adres B]. Daartoe voert de man aan dat hij in 2002 een goodwill uitkering heeft ontvangen ter grootte van € 42.554,-- en in de jaren 2002 tot en met 2004 een totaal bedrag aan schenkingen heeft ontvangen van € 49.432,02. Beide bedragen zijn volgens de man naast de betaling van de huishoudelijke kosten tevens aangewend ten behoeve van de bouw van een garage, de betaling van de hypotheekrente en -aflossing en de betaling van de premie levensverzekering. De man is van mening dat de overwaarde na aftrek van hetgeen de vrouw bij voorrang toekomt, in de verrekening moet worden betrokken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 1:141 lid 3 BW bepaalt dat indien bij het einde van het huwelijk aan een periodiek verrekenbeding niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard van de omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

Dit betekent dat op de partij – in casu de vrouw – die van mening is dat een vermogensbestanddeel niet (mede) is gevormd met overgespaard inkomen maar geheel of gedeeltelijk met privé-vermogen, de bewijslast rust van die stelling.

De vrouw stelt in aanvang dat zij de woonlasten in het begin van het huwelijk heeft kunnen financieren uit opbrengsten uit arbeid en eigen vermogen. Na oversluiting van de hypotheek in 1993 hebben partijen, aldus de vrouw, afgesproken dat er vanuit de en/of rekening van de Rabobank maandelijks ƒ 1.838,60 aan de vrouw werd overgemaakt voor betaling van rentelasten. In een later stadium is dit maandelijkse bedrag tevens aangewend voor kosten huishouding en ziektekosten. Door de man is in dit verband ter zitting onbetwist gesteld dat ook hij geld overmaakte op de en/of rekening.

Uit de door de vrouw overgelegde stukken, met name de produkties 20 en 24 bij akte van 12 maart 2007, blijkt dat de vrouw een totaalbedrag van ƒ 226.760,78 aan schenkingen en erfenissen heeft ontvangen. Op grond van artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden behoren schenkingen en erfenissen tot het privévermogen. Door de vrouw is aangetoond dat de door haar ontvangen schenkingen en erfenissen zijn geboekt op haar privérekening. Voorts is door de vrouw aangetoond, zij het in beperkte mate, dat ook hypotheekrente en –aflossing van diezelfde privérekening werden voldaan.

De vraag of de vrouw daarmee haar stelling dat alle betalingen inzake het vreemd vermogen ten laste van haar privévermogen hebben plaatsgevonden voldoende heeft onderbouwd beantwoord de rechtbank ontkennend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat door de vrouw is gesteld dat zij ook inkomsten uit arbeid heeft gehad, alsmede dat uit de redactie van artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden volgt dat naast inkomsten uit arbeid ook inkomsten uit vlijt, vermogen of anderszins als verrekenbaar inkomen in aanmerking moeten worden genomen. Voorts laat de rechtbank meewegen dat beide partijen stellen dat ten aanzien van de woning aan [adres B] nadien verbouwingen en andere investeringen hebben plaatsgehad, zonder dat inzichtelijk is geworden met welke middelen die verbouwingen en investeringen zijn betaald.

Resumerend is de rechtbank van oordeel dat de vrouw weliswaar aantoont dat met betrekking tot haar privérekening kasstromen plaatsvinden, doch dat op grond van het voorgaande niet is komen vast te staan alle betalingen ten laste van haar privévermogen hebben plaatsgevonden en derhalve sprake kan zijn van betalingen van aflossingen en van daarmee gelijk te stellen premies levensverzekering die zijn gedaan met verrekenbaar inkomen.

Voorts overweegt de rechtbank dat door de vrouw is gesteld dat zij de gelden door haar ontvangen uit verkoop van een ziekenfondscontract heeft aangewend ter aflossing van schulden samenhangende met de woning. Uit de door de vrouw als produktie 17 bij akte van 12 maart 2007 overgelegde brief van 18 maart 1991 wat betreft een bindend advies ter zake, blijkt een totale verkoopopbrengst van ƒ 151.050,50. Door de man is gesteld dat deze verkoopopbrengst als verrekenbaar inkomen moet worden beschouwd en derhalve onder het verrekenbeding valt.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank herhaalt dat onder inkomsten in de zin van artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden alle inkomsten van partijen vallen in enig jaar genoten uit arbeid, vlijt, vermogen of anderszins. Vast staat dat de vrouw een fysiotherapiepraktijk uitoefende ten tijde van de aanvang van het huwelijk. Door de vrouw zelf is gesteld dat zij een ten behoeve van die praktijk gesloten contract met het ziekenfonds heeft verkocht aan derden. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank sprake van inkomsten die direct samenhangen met de door de vrouw uitgeoefende fysiotherapiepraktijk. Door de man is in dit kader onbetwist gesteld dat de gerealiseerde verkoopopbrengst onderhevig was aan de inkomstenbelasting, zodat de verkoopopbrengst ook in die zin is te beschouwen als inkomen in de zin van de Wet IB 1964, welke wet van toepassing was op het moment dat partijen hun huwelijkse voorwaarden lieten opmaken en op het moment van verkoop van het contract.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat naar redelijkheid en billijkheid, mede in het licht van de huwelijkse voorwaarden van partijen, de gerealiseerde verkoopopbrengst is te beschouwen als inkomen in de zin van artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden. Nu de vrouw zelf heeft gesteld dat met dit bedrag aflossingen zijn verricht dient de woning en de grond aan [adres B] in ieder geval deels in de verrekening te worden betrokken.

Het voorgaande in aanmerking nemend en gelet op 1:141 lid 3 BW wordt de vrouw in de gelegenheid gesteld om door alle middelen rechtens aan te tonen dat;

- de overige aflossingen, niet zijnde de aflossingen welke zijn gedaan met de gelden uit het ziekenfondscontract, uitsluitend zijn gedaan uit haar privé-vermogen en niet uit andere hoofde dan wel tevens uit privévermogen van de man;

- dat de premiebetalingen inzake de aan de hypotheek gekoppelde spaarverzekering uitsluitend zijn gedaan uit haar privé-vermogen en niet uit andere hoofde dan wel uit privévermogen van de man;

- inzicht te verschaffen in de netto opbrengst van de verkoop van het ziekenfondscontract, nu de verkoopopbrengst onderhevig is geweest aan de inkomstenbelasting.

Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat de vrouw ter zitting heeft verklaard dat zij en de vader van de man de administratie van de man hebben verzorgd, afgezet tegen het feit dat de man van mening is en blijft dat hij niet alle stukken uit zijn administratie retour heeft ontvangen van de vrouw.

De rechtbank zal de vrouw in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de vraag of, en zo ja, op welke wijze zij aan haar bewijsopdracht wenst te voldoen.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat tevens de waarde van grond en de woning aan [adres B] dient te worden vastgesteld per peildatum. Partijen zijn het over die waarde niet eens. De rechtbank is voornemens ter zake een deskundige te benoemen, indien partijen niet in onderling overleg tot taxatie kunnen komen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over:

-de vraag of zij in onderling overleg tot een taxatie kunnen komen;

-zo niet, een voordracht te doen voor een te benoemen deskundige;

-te verklaren of zij bereid zijn de kosten van de deskundige te voldoen.

Spaarpolis gekoppeld aan de hypotheek [nummer]

Tussen partijen is niet in geschil dat deze spaarpolis betrekking heeft op de hypotheek rustende op de woning van de vrouw aan [adres B]. Partijen verschillen van mening over de vraag of de premie is voldaan uit overgespaard inkomen, danwel uit privévermogen van de vrouw. Zoals hiervoor is overwogen wordt de vrouw in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de premie is betaald met privé-vermogen. Ten aanzien van deze polis wordt dan ook verder iedere beslissing aangehouden.

Inboedel en auto’s

Partijen zijn het er over eens dat met betrekking tot de inboedelgoederen sprake is van een beperkte gemeenschap en dat de inboedel zonder nadere verrekening aan de vrouw kan worden toegescheiden. Partijen zijn het er voorts over eens dat geen nadere verrekening hoeft plaats te vinden ten aanzien van de bij ieder van partijen in gebruik zijnde auto’s.

Pand aan [adres C]

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw dit pand in 1991 heeft gekocht ten behoeve van haar fysiotherapiepraktijk. De koopsom is betaald met een geldlening bij de Rabobank en een gift en een lening van de ouders van de vrouw. De vrouw stelt dat zij de lening aan haar ouders heeft afgelost uit privé-vermogen. De man stelt primair dat de vrouw niet aantoont dat de aflossing is gedaan uit privévermogen, zodat vermoed wordt dat de aflossing is geschied met overgespaard inkomen. Subsidiair stelt de man dat hij bereid is om, wanneer de rechtbank van oordeel is dat de verkoopopbrengst van het ziekenfondscontract tot het verrekenbaar inkomen behoort, ervan uit te gaan dat het pand aan [adres C] volledig is gefinancieerd met privé-vermogen van de vrouw. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld over de verkoopopbrengst van het ziekenfondscontract kan het pand aan [adres C] geheel als privé-vermogen van de vrouw worden beschouwd en derhalve buiten de verrekening blijven.

Fysiotherapiepraktijk te [woonplaats]

Tussen partijen is niet in geschil dat deze praktijk tot het privé-vermogen van de vrouw behoorde en niet verder in de verrekening hoeft te worden betrokken.

Pand [adres D]

Tussen partijen is niet in geschil dat de man in 1984 mede-eigenaar is geworde[adres D], derhalve voor het huwelijk.

De vrouw is van mening dat dit pand in de verrekening moet worden betrokken. De vrouw stelt daartoe dat de man, samen met zijn compangnon, de aankoop heeft gefinancierd met een hypothecaire geldlening. Aan deze hypothecaire geldlening is een levensverzekering gekoppeld. De strekking van deze levensverzekering is om middels inleg van een maandelijkse premie de hypotheek aan het einde van de looptijd te kunnen aflossen. De vrouw becijfert de door de man betaalde premie tijdens het huwelijk op totaal ƒ 77.032,44 en voor het huwelijk op een bedrag van ƒ 5.636,--. Aldus is volgens de vrouw 93,18% van de waarde van de polis opgebouwd tijdens het huwelijk. Voorts stelt de vrouw dat de door de man betaalde hypotheekrente, door haar becijferd op totaal ƒ 297.726,-- tijdens de huwelijkse periode, in aanmerking moet worden genomen bij de verrekening, waarbij de vrouw verwijst naar de jurisprudentie.

De man is van mening dat het pand [adres D] buiten de verrekening valt. Volgens de man is er nimmer afgelost op de hypotheek. De betaalde rente is volgens de man te beschouwen als een kostenpost voor de maatschappraktijk, vergelijkbaar met de huur die de maatschap zou hebben betaald als het pand niet in eigendom zou zijn. Ook de inkomsten uit verhuur van een deel van de maatschap komen toe aan de maatschap. Aan het eind van ieder boekjaar ontvangt de man uit de maatschap het aan hem toekomende winstaandeel. Aldus is volgens de man geen sprake meer van verder verrekenbaar inkomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtsvragen die de rechtbank dient te beantwoorden vallen uiteen in twee delen. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of naast het jaarlijks aan de man toekomende winstaandeel uit de maatschap, nog sprake kan zijn van verrekenbare inkomsten doordat bepaalde betalingen in maatschapsverband plaats vinden voordat het winstaandeel wordt bepaald en uitgekeerd. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord dient te worden beoordeeld welke betalingen in het kader van te verrekenen inkomen in aanmerking moeten worden genomen, meer specifiek of betaalde rente daarbij een rol speelt.

De man oefent een [...praktijk] uit in de vorm van een maatschap. Op grond van artikel 7a:1655 BW is de maatschap een overeenkomst waarbij twee of meer personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen met het oogmerk om het daaruit onstaande voordeel met elkaar te delen.

Artikel 7a:1662 bepaalt dat de inbreng van een vennoot kan bestaan in geld, goederen en genot. Door de man is onweersproken gesteld dat het pand aan [adres D] door beide vennoten in mede-eigendom is verworven, hetgeen voorts blijkt uit de door vrouw als produktie 45 bij akte van 12 maart 2007 overgelegde borderel van inschrijving. Tevens is door de man onweersproken gesteld dat het pand door beide vennoten is ingebracht in de maatschap. Ten slotte is door de man onweersproken gesteld dat de betalingen inzake de hypotheek door de maatschap worden voldaan. Dit brengt met zich dat deze kosten worden toegerekend aan de maatschap en als zodanig als last in mindering strekken op de inkomsten van de maatschap en derhalve op hetgeen ieder der vennoten jaarlijks als winst ontvangt. Uit de overgelegde jaarrekeningen van de maatschap blijkt dat ieder der vennoten jaarlijks een evenredig deel van de winst ontvangt, te weten ieder 50%.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de hypotheeklasten, te weten de rente en de premie voor de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering, worden voldaan door de maatschap en dus niet uit persoonlijke inkomsten van de vennoten, zodat van overgespaard inkomen ter zake geen sprake is. De stelling van de vrouw ter zake impliceert dat de maatschap haar resultaat anders zou moeten vaststellen en/of verdelen. Deze stelling grijpt rechtstreeks in op de bestendige bedrijfsvoering, die blijkt uit de overgelegde jaarstukken, van de maatschap en de zakelijke afspraken die de vennoten hebben gemaakt. Het staat de rechtbank niet vrij deze afspraken in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te wijzigen, danwel tijdelijk aan te passen. Daarbij merkt de rechtbank op dat ook de man niet bij machte is om de gemaakte afspraken eenzijdig te wijzigen.

Nu geen sprake is van verrekenbaar inkomen ter zake het pand [adres D], zal de rechtbank het verzoek van de vrouw ter zake afwijzen.

Postbankrekening [nummer] en Postbank Loyaalrekening van de vrouw

Ter zitting heeft de man zich op het standpunt gesteld dat deze rekeningen tot het privévermogen van de vrouw behoren en dat ter zake geen verrekening hoeft plaats te vinden.

Levensverzekeringen

De vrouw maakt aanspraak op de helft van de waarde van de bestaande polissen levensverzekering, als ook van de levensverzekeringen die reeds tot uitkering zijn gekomen.

Zowel door de man als de vrouw zijn een aantal polissen opgesomd. Ter zitting is komen vast te staan de polis met nummer [...] Levensverzekeringsmaatschappij UAP niet in de verrekening hoeft te worden betrokken, omdat dit een oude verzekering inzake arbeidsongeschiktheid betreft.

Ten aanzien van de overige polissen overweegt de rechtbank als volgt.

Amev, [nummer W] ten name van de man

Deze polis is gekoppeld aan het pand [adres D]. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld blijft het pand [adres D] buiten de verrekening, zodat ook de onderhavige polis niet in de verrekening wordt betrokken.

Amev, [nummer X] ten name van de man

Partijen zijn het er over eens dat deze polis omstreeks 1996 tot uitkering is gekomen. Volgens de vrouw dient de uitkering in de verrekening te worden betrokken. Volgens de man is de uitkering ten goede gekomen aan het gezin en is er een deel van de schuld ter financiering van goodwill mee afgelost.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de bij akte van 12 maart 2007 overgelegde produktie 66 blijkt dat deze polis op 1 november 1996 tot uitkering is gekomen en dat de opbrengst als volgt is aangewend:

-ƒ 232.974,99 aflossing hoofdsom en rente geldlening;

-ƒ 40.290,01 uitbetaald aan de man.

De stelling van de vrouw dat de premie op deze polis is betaald uit overgespaard inkomen is door de man niet danwel onvoldoende betwist. Aldus komt de waarde van de polis op de uitkeringsdatum, te weten totaal ƒ 273.265,--, voor verrekening in aanmerking.

Dat de man het overgrote deel van de uitkering heeft aangewend voor aflossing van een schuld inzake goodwill maakt dit niet anders. Artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden laat saldering van inkomsten en schulden toe, doch uitsluitend voor zover die schulden in dat jaar zijn ontstaan. De stelling van de man dat het restant ten goede gekomen is aan kosten van de huishouding is door hem niet nader onderbouwd.

Het voorgaande brengt met zich dat de volledige uitkering in de verrekening moet worden betrokken. Aan de vrouw komt de helft van het bedrag toe, zijnde ƒ 136.632,50 (€ 62.001,13).

Amev, [nummer Y] ten name van de man

Volgens de man is deze polis beëindigd door het verstrijken van de termijn, hetgeen door de vrouw niet is betwist. De stelling van de vrouw dat de premie op deze polis is voldaan uit overgespaard inkomen is door de man niet betwist. Het voorgaande brengt met zich dat de waarde van de polis per datum beëindiging in de verrekening moet worden betrokken.

Nu de gegevens daarvan ontbreken zal de rechtbank de man in de gelegenheid stellen een opgave in het geding te brengen van de waarde van polis per datum beëindiging, dan wel per peildatum indien de datum van beëindiging op latere datum is gelegen, alsmede een opgave van de eventueel op de polis rustende belastingclaim.

Amev, [nummer Z] ten name van de man

Partijen zijn het er over eens dat deze polis in 1998 is afgesloten en dat deze in 2011 tot uitkering komt. De vrouw stelt dat zij ƒ 5.000,-- uit privévermogen heeft voldaan aan de man voor financiering van deze polis. Zij verzoekt te bepalen dat de man mee dient te werken aan een wijziging van de tenaamstelling van de polis, zonder nadere verrekening.

De man betwist dat deze polis uit privé-vermogen van de vrouw is voldaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op de betwisting van de man bestaat op grond van artikel 1:141 lid 3 BW het vermoeden dat deze polis tot het te verrekenen vermogen behoort. Nu de vrouw stelt dat zij de financiering van deze polis heeft voldaan uit haar privévermogen, zal de vrouw in de gelegenheid worden gesteld hiervan bewijs te leveren.

De rechtbank zal de vrouw in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de vraag of, en zo ja op welke wijze zij dit bewijs wil leveren.

ABN AMRO, [rekeningnummer 1] ten namen van de man.

Door de vrouw is gesteld dat deze polis in 1999 is afgesloten en dat deze polis door haar is gefinancierd uit privévermogen. Zijn verzoekt te bepalen dat de man medewerking dient te verlenen aan wijziging van de tenaamstelling van de polis, zonder nadere verrekening.

De man betwist dat deze polis uit privé-vermogen van de vrouw is voldaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op de betwisting van de man bestaat op grond van artikel 1:141 lid 3 BW het vermoeden dat deze polis tot het te verrekenen vermogen behoort. Nu de vrouw stelt dat zij de financiering van deze polis heeft voldaan uit haar privévermogen, zal de vrouw in de gelegenheid worden gesteld hiervan bewijs te leveren.

De rechtbank zal de vrouw in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de vraag of, en zo ja op welke wijze zij dit bewijs wil leveren.

Teruggaaf inkomstenbelasting van betaalde hypotheekrente

Belastingaanslagen en teruggaven

De vrouw stelt dat de man de rente op de hypotheek van het pand aan [adres B] en van het pand aan [adres C] op zijn belastingaangifte heeft opgevoerd en de ontvangen teruggaaf heeft gehouden.

Door de vrouw wordt met betrekking tot het pand aan [adres B] een aftrekbare rente becijferd van ƒ 17.063,-- per jaar en met betrekking tot het pand [adres C] ƒ 5.700,-- per jaar. Rekening houden met een gemiddeld belastingvoordeel van 50% en 20½ huwelijkse jaren stelt de vrouw de totale renteaftrek op ƒ 233.331,--. 50% hiervan levert een voordeel op ƒ 116.665,-- hetgeen volgens de vrouw voor verrekening in aanmerking komt. Aldus komt de vrouw de helft van dit bedrag toe, zijnde ƒ 58.332,75 (€ 26.470,25).

De man betwist dat terzake nog een verrekening zal moeten plaatsvinden. Hij is van mening dat betaalde rente als kosten van de huishouding moet worden aangemerkt. Hetgeen van de belastingdienst is terugontvangen is volgens de man steeds aan het gezin ten goede gekomen. Verrekening heeft aldus de man om die reden al plaatsgevonden.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat het antwoord op de vraag of ter zake de teruggave inkomstenbelasting een verrekening dient plaats te vinden, mede afhankelijk is van de vraag of, en zo ja, op welke wijze een verrekening dient plaats te vinden met betrekking tot de woning aan [adres B]. De beslissing wat betreft de verrekening van de teruggave van de inkomstenbelasting wordt door de rechtbank dan ook aangehouden.

Leningen van de vrouw aan de man

Partijen hebben op 9 april 2006 een schuldbekentenis ondertekend, waaruit volgt dat de man een bedrag van € 60.000,-- aan de vrouw verschuldigd is, te vermeerderen met een rente van 3% over het eerste jaar, en daarna te vermeerderen met de wettelijke rente. De man heeft nog niets betaald, aldus de vrouw. Zij verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat de man een bedrag verschuldigd is aan de vrouw uit hoofde van de schuldbekentenis. Voorts stelt de vrouw dat zij de man daarnaast nog diverse malen geld heeft geleend ter grootte van totoaal € 21.339,01.

De man betwist het bestaan van de schuldbekentenis van 09 april 2006 niet, doch stelt dat hij deze onder grote druk heeft getekend. De man betwist voorts de stelling van de vrouw dat zij hem een totaal bedrag van € 21.339,01 heeft geleend en vraagt zich af of in dit bedrag niet leningen zijn begrepen van de kinderen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de door de vrouw overgelegde overeenkomst van geldlening blijkt dat de man een bedrag van € 60.000,-- schuldig verklaart aan de vrouw. De man stelt dat hij zulks onder grote druk heeft gedaan, doch laat na deze stelling te onderbouwen, noch geeft de man aan wat het rechtsgevolg daarvan zou moeten zijn. De rechtbank neemt in aanmerking dat door de man zelf is gesteld dat het veelvuldig voorkwam dat hij onvoldoende geld had om allerlei kosten te betalen. Volgens de man was de vrouw dan na veel aandringen bereid geld aan hem over te maken. Door de man zelf worden stukken overgelegd waaruit blijkt hij bedragen van de vrouw ter leen heeft ontvangen. Ook door de vrouw worden stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij de man in totaal € 21.339,-- heeft geleend.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op grond van de overgelegde overeenkomst voldoende aannemelijk is dat de man een totaal bedrag van € 60.000,-- van de vrouw heeft ontvangen. Het voorgaande brengt evenwel met zich, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, dat door de vrouw niet is aangetoond dat zij naast het bedrag van € 60.000,-- nog een bedrag van € 21.339,-- aan de man heeft geleend. De vordering van de vrouw voor zover betrekking hebben op de overeenkomst van geldlening van € 60.000,-- kan worden toegewezen.

Kosten huishouding

De vrouw stelt dat zij in 2005 en 2006 een deel van de kosten van de huishouding voldaan heeft uit haar privé-vermogen, terwijl de man de verplichting had deze kosten uit zijn inkomen te betalen. Bij akte van 06 februari 2008 heeft de vrouw haar vordering gewijzigd. De vrouw stelt dat partijen in mei 2005 de afspraak hebben gemaakt dat de man € 2.000,-- netto per maand aan de vrouw zou voldoen voor haar eigen kosten van levensonderhoud, bovenop een lopende betaling van € 4.000,-- per maand. Zij stelt dat de man tot augustus 2006 € 3.246,35 te weinig heeft betaald. Voorts zou de man hebben toegezegd dat hij de gemeentelijke belastingen en verzekeringen zou betalen. Omdat de man zulks niet heeft gedaan vordert de vrouw € 591,09. Daarnaast zijn er een groot aantal kosten voor de kinderen voldaan die mede voor rekening van de man komen. De vrouw stelt het door de man te betalen aandeel op € 16.293,--. Ten slotte stelt de vrouw dat de man de oudste zoon heeft toegezegd respectievelijk € 8.000,-- kosten te betalen en € 1.400,-- voor kosten autorijles.

De man betwist de stelling van de vrouw in dit verband bij gebrek aan wetenschap. Zo er kosten zijn voldaan, dan is de man van mening dat die kosten niet voor verrekening in aanmerking komen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor zover de vorderingen van de vrouw zien op toezeggingen van de man jegens de oudste zoon, is de vrouw hierin niet ontvankelijk nu de zoon geen partij is in dit geding.

Wat betreft de overige vorderingen heeft de vrouw ter zitting gesteld dat deze betrekking hebben op de periode voordat de door de rechtbank getroffen voorlopige voorzieningen van kracht waren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van degene die stelt een vordering te hebben kan en mag worden verlangd dat die stelling wordt onderbouwd met verifieerbare stukken. Nu de vrouw zulks heeft nagelaten en ook anderszins niet is gebleken van de gestelde vorderingen, worden de vorderingen van de vrouw als onvoldoende bepaald dan wel onvoldoende onderbouwd afgewezen.

Pensioenverevening

Partijen zijn het er over eens dat de wederzijds opgebouwde pensioenen moeten worden verevend. Nu zulks reeds volgt uit de wet hoeft daarover niets te worden vastgelegd.

Wettelijke rente

De vrouw verzoekt de rechtbank de vorderingen ten laste van de man te vermeerderen met de wettelijke rente per peildatum althans per zodanige datum als de rechtbank juist acht. Door de man wordt betwist dat hij wettelijke rente verschuldigd is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Wettelijke rente is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is. Een schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden, daargelaten de vraag of vooraf een ingebrekestelling vereist is.

Beide partijen hebben de rechtbank verzocht de omvang van de verrekeningsvordering vast te stellen. Zolang de rechtbank de verrekeningsvordering niet heeft vastgesteld kan de man dan ook bezwaarlijk in verzuim worden geacht. Het verzoek van de vrouw wordt derhalve afgewezen.

Proceskosten

De tot op heden gevallen proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart voor recht dat de man aan de vrouw een bedrag verschuldigd is ter grootte van € 60.000,--, te vermeerderen met een rente van 3% over het eerste jaar en met de wettelijke rente over de daarop volgende jaren uit hoofde van de tussen partijen op 09 april 2006 gesloten geldleningsovereenkomst;

stelt beide partijen in de gelegenheid om uiterlijk 20 juni 2008 de rechtbank te berichten of zij wat betreft de grond en de woning aan [adres B]:

-in onderling overleg tot een taxatie kunnen komen;

-zo niet, een voordracht te doen voor een te benoemen deskundige;

-te verklaren of zij bereid zijn de kosten van de deskundige te voldoen;

laat de vrouw toe door alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door het horen van getuigen, tot het bewijs van haar stellingen:

- dat de overige aflossingen, niet zijnde de aflossingen welke zijn gedaan met de gelden uit het ziekenfondscontract, uitsluitend zijn gedaan uit haar privé-vermogen en niet uit andere hoofde dan wel tevens uit privévermogen van de man;

- dat de premiebetalingen inzake de aan de hypotheek gekoppelde spaarverzekering uitsluitend zijn gedaan uit haar privé-vermogen en niet uit andere hoofde dan wel uit privévermogen van de man;

- dat de financiering van de Amev polis, [nummer Z] ten name van de man, door haar is voldaan uit privévermogen;

- dat de financiering van de ABN AMRO polis, [rekeningnummer 1] ten name van de man, door haar is voldaan uit privévermogen;

beveelt dat, indien de vrouw het bewijs (mede) wil leveren door het horen van getuigen, de vrouw de rechtbank hiervan uiterlijk 20 juni 2008 dient te berichten onder opgave van de verhinderdata gelegen over een periode van 3 maanden na 13 juni 2008, waarna de getuigenverhoren zullen plaatsvinden ter terechtzitting met gesloten deuren in één der zalen van deze rechtbank aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een nader te bepalen datum;

beveelt dat, indien de vrouw het bewijs (mede) op andere wijze dan middels het horen van getuige wil bewijzen dat zij dit bewijs uiterlijk 01 augustus 2008 dient te leveren;

stelt de vrouw in de gelegenheid om uiterlijk 01 augustus 2008:

- inzicht te inzicht te verschaffen in de netto opbrengst van de verkoop van het ziekenfondscontract, nu de verkoopopbrengst onderhevig is geweest aan de inkomstenbelasting;

stelt de man in de gelegenheid om uiterlijk 01 augustus 2008:

- een opgave in het geding te brengen van de waarde van de polis Amev, [nummer Y] per datum beëindiging, dan wel per peildatum indien de datum van beëindiging later is gelegen dan de peildatum, alsmede een opgave van de eventueel op de polis rustende belastingclaim;

stelt beide partijen in de gelegenheid uiterlijk 29 augustus 2008 te reageren op de aan de rechtbank toegezonden informatie;

houdt de verdere behandeling en iedere verdere beslissing van de zaak pro forma aan tot

19 september 2008;

compenseert de tot op heden gevallen proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. O.A.J.M. Lavrijssen, vice-president,

en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2008 in aanwezigheid van de griffier.

conc: aweij