Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD2515

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-06-2008
Datum publicatie
02-06-2008
Zaaknummer
01/845187-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis.

Poging tot doodslag in Vlijmen: meermalen met een tafelpoot op iemands hoofd slaan.

Het beroep op noodweer dan wel noodweerexces wordt verworpen.

Opgelegd is o.m. een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845187-07

Datum uitspraak: 02 juni 2008

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

wonende te [woonplaats], [adres]

thans gedetineerd te: P.I. Breda - HvB De Boschpoort te Breda.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 mei 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 mei 2007.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 24 maart 2007 te Vlijmen, gemeente Heusden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] met een tafelpoot, althans een hard slagvoorwerp, (met kracht) tegen het hoofd en/of de nek, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 289/287/45 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 maart 2007 te Vlijmen, gemeente Heusden, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (barstwonden op de hoofdhuid en/of kneuzingshaarden met bloed m.b.t. de (frontale) hersenen en/of fractuur middenhandsbeentje aan de rechterhand), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met een tafelpoot, althans een hard slagvoorwerp, (met kracht) tegen het hoofd en/of de nek, in elk geval het lichaam te slaan;

(artikel 302 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 maart 2007 te Vlijmen, gemeente Heusden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een tafelpoot, althans een hard slagvoorwerp, (met kracht) tegen het hoofd en/of de nek, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302/45 Wetboek van Strafrecht)

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vordering worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op 24 maart 2007 heeft verdachte in de [straat] te Vlijmen [slachtoffer 1] meerdere keren met kracht met een tafelpoot geslagen, waaronder tegen diens hoofd. Verdachte hield tijdens het slaan de tafelpoot met twee handen vast. [slachtoffer 1] wordt liggend op straat aangetroffen met een hevig bloedende wond aan zijn hoofd.1,2,3,4,5,6,7,8

In het ziekenhuis wordt bij [slachtoffer 1] onder meer als letsel geconstateerd:

3 barstwonden op het hoofd, snijwonden hoofd, kneuzingshaarden met bloed frontaal bij

de hersenen.9 In de hal van de woning van verdachte wordt een tafelpoot aangetroffen bevattende dna-materiaal afkomstig van [slachtoffer 1].10,11,12,13 De tafelpoot heeft een lengte van 72,2 cm en een gewicht van 1,58 kg.14

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en evenmin opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de poging tot doodslag van [slachtoffer 1] bewezen en

wijst voor wat betreft het opzet daartoe op de aard en wijze van verdachtes gewelddadig handelen, mede gelet op de lengte en het gewicht van de tafelpoot waarmee verdachte heeft geslagen en op verdachtes expliciete uitlatingen tegen verbalisanten over het gewelddadige incident.

Het oordeel van de rechtbank.

Zoals hierboven is vastgesteld heeft verdachte [slachtoffer 1] meerdere keren met kracht tegen het hoofd geslagen met een tafelpoot met een lengte van 72,2 cm en een gewicht van 1,58 kg. De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte zich in niet mis te verstane bewoordingen heeft uitgelaten over de kracht waarmee en de wijze waarop hij heeft geslagen: ‘Gewoon met twee handen vasthouden en slaan, gewoon honkballen hè’, (op de vraag ‘Zo hard je kunt?’) ‘Ja, wat denk je dan’, Ik heb hem helemaal van de wereld geslagen’15, ‘Ik heb hem wel 4 of 5 maal met die tafelpoot op zijn harsus geslagen. Na de eerste keer ging hij al gestrekt’16 en ‘Ik heb hem flink geraakt’.17 Ook ter zitting heeft verdachte erkend dat hij met kracht heeft geslagen.18 [getuige 1] verklaart in dit verband dat zij heeft gezien dat verdachte de staaf die hij in zijn handen had vier à vijf keer verticaal omhoog bewoog en daarna naar beneden bewoog en dat hij dit met kracht deed en dat hij daarbij schreeuwde ‘Nou heb ik je’.19 Uit andere verklaringen kan nog worden afgeleid dat verdachte tijdens het gewelddadige incident heeft geroepen: ‘Ik maak oe kapot’20, ‘Ik maak je dood’21 en ‘ik maak je kapot’.22

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de poging tot doodslag van [slachtoffer 1] bewezen. De rechtbank acht de aard van verdachtes gedragingen, met name het met

kracht met vorenomschreven tafelpoot slaan op het hoofd, zijnde een plek met vitale lichaamsfuncties, en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, reeds naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op en geschikt tot de levensberoving van

genoemde [slachtoffer 1], dat hieruit valt af te leiden dat verdachte de aanmerkelijke kans op

dit gevolg welbewust heeft aanvaard. Dat verdachte de gevolgen van zijn handelen op de koop toe heeft genomen wordt ook overigens door hemzelf bevestigd in zijn antwoord (‘Tuurlijk, ja’) op de vraag of hij zich beseft dat hij [slachtoffer 1] dood had kunnen slaan met

dat ding (blz. 84; 10e alinea).

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

(primair)

op 24 maart 2007 te Vlijmen, gemeente Heusden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet

meermalen die [slachtoffer 1] met een tafelpoot met kracht tegen het hoofd heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces. Volgens de verdediging bestond er een reële dreiging dat [slachtoffer 1]

wederom de ruiten van de woning van [betrokkene 1] wilde vernielen en daarnaast zou [betrokkene 1] zich in een bedreigende situatie hebben bevonden door het handelen van [slachtoffer 1]. Voorts zou verdachte door [slachtoffer 1] met een helm zijn geslagen en verbaal met de dood zijn bedreigd waardoor verdachte in een hevige gemoedsbeweging heeft gehandeld zoals hij heeft gedaan.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

De rechtbank acht uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting geen feiten

en omstandigheden aannemelijk geworden waaruit afgeleid zou kunnen worden dat de

aanwezigheid of gedragingen van [slachtoffer 1] bij de voordeur van de woning van [betrokkene 1] een (onmiddellijk) dreigend gevaar opleverden voor de vernieling van de ruiten van die woning. Evenmin acht de rechtbank aannemelijk geworden dat [betrokkene 1] zich op dat moment in een bedreigende situatie bevond. De rechtbank ziet hiervoor in de verklaring van genoemde [betrokkene 1], zijnde de op dat moment direct betrokkene, onvoldoende aanknopingpunten. De rechtbank concludeert dan ook dat door de enkele aanwezigheid van [slachtoffer 1] bij de voordeur en de daarmee gepaard gaande commotie geen noodweersituatie bestond waarin verdachte mede gerechtigd was te handelen zoals bewezenverklaard. De rechtbank verwerpt dan ook het in dit verband aangevoerde beroep op noodweer.

Er voorts al van uitgaande dat [slachtoffer 1] met de helm in de richting van verdachte heeft gezwaaid dan wel verdachte ermee heeft geslagen, dan is dit naar het oordeel van de rechtbank niet in dusdanige mate geschied dat dit de bewezenverklaarde handelingen van verdachte rechtvaardigt. Allereerst leidt de rechtbank dit af uit het feitelijk gebeuren, waarbij vast is komen te staan dat verdachte zich op kennelijk eenvoudige wijze aan het zwaaien/slaan met de helm door [slachtoffer 1] heeft kunnen onttrekken nu hij terug de woning is binnengegaan. Daarnaast leidt de rechtbank dit af uit het antwoord van verdachte op de vraag of [slachtoffer 1 ] hem met de helm heeft geraakt, te weten: ‘Ja, maar niet om te zeggen

.. uhhh..ik heb hem beter geraakt’ (blz. 84) en uit zijn verklaring bij de rechter-commissaris d.d. 26 maart 2007, inhoudende: ‘Toen is [slachtoffer 1] mij met zijn helm gaan slaan. Dat stelde overigens niet veel voor.’

Dat [slachtoffer 1] hierbij dreigende taal zou hebben gebruikt, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden nu verdachte hier eerst ter zitting melding van heeft gemaakt.

De rechtbank stelt voorts vast dat, hoewel verdachte zich in de woning in een veilige

situatie bevond, hij er vervolgens voor heeft gekozen om een gewelddadige confrontatie

met [slachtoffer 1] aan te gaan. Uit de diverse verklaringen van verdachte leidt de rechtbank

ook af dat verdachte slechts met één intentie de woning is binnengegaan, namelijk om een tafelpoot te pakken teneinde [slachtoffer 1] daarmee aan te vallen. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dan ook dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich ten tijde van zijn gewelddadige handelen in een noodweersituatie bevond en dat de bewezen-verklaarde handelingen geboden waren ter noodzakelijke verdediging van een aanranding door [slachtoffer 1]. Gelet hierop faalt het beroep op noodweer en daarmee ook het beroep op noodweerexces.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 33, 33a, 45 en 287.

De strafoplegging

De eis van de officier van justitie.

*een gevangenisstraf van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk

met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht;

*onttrekking aan het verkeer van de vier tafelpoten;

*teruggave aan verdachte van de diverse kledingstukken.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman pleit voor een gevangenisstraf overeenkomstig het reeds ondergane voorarrest.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder

dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd

Verdachte heeft in een geweldsexplosie slachtoffer [slachtoffer 1] meerdere keren op brute wijze met een tafelpoot tegen het hoofd geslagen. Verdachte heeft door zijn uiterst gewelddadige gedrag welbewust een zeer groot en levensbedreigend gevaar voor het slachtoffer in het leven geroepen en het is niet aan verdachtes handelen te danken geweest dat dit niet tot fatale gevolgen heeft geleid. Dergelijk handelen betekent een zeer ernstige aantasting van

de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank rekent het verdachte dan ook zwaar aan dat hij er niet voor is teruggeschrokken om dergelijk zwaar geweld tegen zijn medemens te gebruiken. Bovendien worden door dergelijke feiten algemene gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving versterkt. Daarnaast houdt de rechtbank ten nadele van verdachte rekening met zijn eerdere veroordelingen terzake van geweldsdelicten, te weten op 29 april 2004 en 23 maart 2006.

De rechtbank houdt er anderzijds rekening mee dat slachtoffer [slachtoffer 1] rond 06:00 uur in benevelde toestand bij de onderhavige woning ‘verhaal’ is komen halen omtrent een naar diens zeggen valse beschuldiging.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het door het Pieter Baan Centrum opgestelde rapport d.d. 21 februari 2008. Psycholoog I. Schilperoord en psychiaters

F. Nhass en J.M.J.F. Offermans concluderen hierin – kort gezegd – dat er bij verdachte sprake is van alcoholmisbruik en antisociale persoonlijkheidstrekken, maar dat niet gesproken kan worden van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De psycholoog is

door de weigerachtige houding van verdachte niet in staat gebleken een antwoord te geven

op vragen omtrent de toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het onderhavige incident. De psychiaters achten verdachte volledig toerekeningsvatbaar.

Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat hij een ‘stok achter de deur’ nodig heeft en dat

hij zijn medewerking aan reclasseringstoezicht zal verlenen.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarde naleeft. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen- verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

t.a.v. beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met behulp van welke het feit is begaan dan wel tot het begaan van het misdrijf zijn bestemd en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorden.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

t.a.v. primair:

poging tot doodslag.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

t.a.v. primair:

*gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek

van Strafrecht waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

en de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te

geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwers-

weg 6, 5233 VG 's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d

van het Wetboek van Strafrecht.

*verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten: 4 tafelpoten.

Teruggave inbeslaggenomen goederen aan verdachte, te weten: kleding (broek, t-shirt, sok, trui en klomp).

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf, met inachtneming van het bepaalde in art. 15 Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I. Rijnbout, voorzitter,

mr. J.M.P. Willemse en mr. Ch. Dunnewijk, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,

en is uitgesproken op 2 juni 2008.

1bevindingen van verbalisanten [1] en [2] pag. 41 (3e en 6e alinea), pag. 42 (1e en 4e alinea) en pag.

44 (4e liggende streepje) van het eindpv

2verklaring verdachte ter zitting d.d. 19 mei 2008

3verklaring verdachte blz. 84 (2e alinea, 7e alinea en 8e alinea) van het eindpv

4verklaring verdachte bij rechter-commissaris d.d. 26 maart 20007 (middelste alinea)

5verklaring [betrokkene 1], pag. 90 (8e alinea) van het eindpv

6verklaring [getuige 1] pag. 51 (5e alinea) van het eindpv

7verklaring [getuige 2], pag. 60 (laatste 9 regels) en pag. 61 (regels 3 t/m 13; 17 t/m 23 en 28 t/m 35) van het eindpv

8bevindingen verbalisanten [4] en [5] pag. 47 (5e alinea) van het eindpv

9formulier medische informatie. pag. 39 van het eindpv

10bevindingen verbalisanten [1] en [2] pag. 43 (laatste alinea) van het eindpv

11bevindingen verbalisant [3], pag. 95 (vanaf kopje ‘onderzoek tafelpoten’) t/m blz. 97 (tot kopje

‘fotomap’) van het eindpv

12deskundigenrapport NFI d.d. 11 april 2008 met zaaknummer 2007.06.19.058 (pag. 4: conclusie)

13deskundigenrapport NFI d.d. 3 november 2006 met zaaknummer 2006.04.12.082

14bevindingen verbalisant [3], pag. 95 (kopje ‘omschrijving tafelpoten) van het eindpv

15verklaring verdachte, pag. 84 (alinea 2, 3 en 8) van het eindpv

16bevindingen van verbalisanten [1] en [2] pag. 44 (4e en 5e liggende streepje) van het eindpv

17verklaring verdachte bij rechter-commissaris d.d. 26 maart 2007 (12e regel)

18verklaring verdachte ter zitting d.d. 19 mei 2008

19verklaring [getuige 2], pag. 61 (regels 17 t/m 21 en 29 t/m 30) van het eindpv

20verklaring [getuige 1] pag. 50 ( regel 25 en 26) van het eindpv

21verklaring [getuige 3], pag. 64 (regel 8 en 9) van het eindpv

22verklaring [getuige 4], pag. 66 (3e alinea) van het eindpv

??

??

8

Parketnummer: 01/845187-07

[verdachte]