Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD2332

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
26-05-2008
Zaaknummer
01/821378-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kopstaartbotsing op de invoegstrook van de A2 bij Best waarbij twee gewonden zijn gevallen wordt verdachte aangerekend. De straf houdt in een werkstraf van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk.

De rechtbank motiveert aan de hand van natuurkundige wetmatigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/821378-07

Datum uitspraak: 22 mei 2008

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

wonende te [woonplaats], [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 mei 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 maart 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 08 december 2006 te Best als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met [kentekennr. 1]),

daarmede rijdende over de (snel)weg, A2 (Best) zich zodanig heeft gedragen dat

een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

de op de matrixborden boven de weg aangeduide snelheidsbeperking '50 kilometer

per uur' niet op te merken en/of

de door haar bestuurde personenauto niet tijdig tot stilstand te brengen

binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was

waardoor, althans mede waardoor een aanrijding en/of botsing is ontstaan

tussen deze door verdachte bestuurde personenauto en een op de (snel)weg

(nagenoeg) stilstaande personenauto ([kentekennr. 2]);

waardoor een ander,

te weten [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten neurotrauma

(kindercontusie) en een frontale schedel- en schedelbasisfractuur werd

toegebracht, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan

en waardoor een ander, te weten [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel

werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de

uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

(Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 08 december 2006 te Best als bestuurder van een voertuig

(personenauto, kenteken [kentekennr. 1]), daarmee rijdende op de weg, (snel)weg A2,

de op de matrixborden boven de weg aangeduide snelheidsbeperking '50 kilometer

per uur' niet heeft opgemerkt en/of

de door haar bestuurde personenauto niet tijdig tot stilstand heeft gebracht

binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;

(Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994)

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de schuldvraag van verdachte uit van de hierna volgende feiten en omstandigheden.

Op 8 december 2006 omstreeks 16.30 uur bestuurde [verdachte] een Volkswagen Lupo met [kentekennr. 1] te Best. Zij reed daar op de invoegstrook naar de A2. Er heeft toen daar een ongeval plaatsgehad, waarbij verdachte van achter tegen een Opel Vectra reed. In die auto zaten vijf inzittenden, onder wie [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Bij [slachtoffer 1] is door een arts vastgesteld dat zij neurotrauma (kindercontusie) en een frontale schedel- en basisfractuur heeft opgelopen op 8 december 2006. Het schadebeeld van de vier betrokken auto’s geeft een kop-staart schadebeeld te zien. Verdachte bestuurde de vierde auto van de rij; [getuige 1] bestuurde de derde auto in de rij. De auto van [getuige 1] had zowel aan de voor- als achterzijde schade.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de airbags van haar auto in werking waren getreden en dat als gevolg van het ongeval haar personenauto total loss is verklaard door de verzekering.

Verdachte heeft in haar politieverklaring gesteld dat zij “met het verkeer meereed”, haar snelheid ten tijde van het ongeval niet kan aangeven en dat zij geen wegsignalering heeft gezien en ter terechtzitting dat, bij nader inzien, de ruimte voor haar voertuig onvoldoende was om het voertuig tot stilstand te brengen.

Door de verdediging is gesteld dat er geen sprake is van een kettingbotsing die is veroorzaakt door het achterop rijden van verdachte, maar dat de drie eerste auto’s al eerder hadden gebotst en verdachte uitsluitend achterop is gereden. Door de verdediging is daarbij gewezen op het feit dat het lichte gewicht van de auto van verdachte het geconstateerde schadebeeld niet kan veroorzaken.

De rechtbank verwerpt deze versie van de feiten op grond van het navolgende en acht op grond daarvan wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een aanzienlijke snelheid en met onvoldoende afstand houden achterop de reeds stilstaande Opel Vectra is gebotst.

De getuigen [getuige 1] en [slachtoffer 2] verklaren beiden dat hun Opel Vectra stilstond op het moment dat de auto van verdachte van achter op hun auto botste. Deze weergave is tevens vastgelegd in de brief van het AZM d.d. 11 december 2006 (proces-verbaal p. 24 -27).

Uit het proces-verbaal (p 11-12), onmiddellijk na het ongeval opgemaakt door de opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] blijkt van dezelfde toedracht . Geen van de betrokkenen (dus ook de bestuurders van de andere auto’s: [persoon 1] en [persoon 2]) heeft bij deze gelegenheid gesproken over een eerdere kop-staart botsing of ander ongeval voorafgaand aan de aanrijding/botsing tussen verdachte en de Opel Vectra. Het schadebeeld van de betrokken motorvoertuigen bevestigt deze gang van zaken.

[getuige 1] heeft verder verklaard dat ten tijde van de botsing de matrixwegsignalering 50 km aangaf als maximumsnelheid. Gelet op het verkeersbeeld ter plaatse komt dat de rechtbank ook logisch voor: er was immers sprake van zeer langzaam rijdend en stilstaand verkeer.

Verdachte moet met een aanzienlijke snelheid achterop de Opel Vectra zijn gereden, hoewel onbekend is hoe hard verdachte exact reed toen zij achterop de Opel Vectra reed.

De rechtbank leidt dit af uit de schade aan de betrokken auto’s maar (vooral) ook uit het letsel/de gevolgen bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Door de verdediging is aangevoerd dat de auto van verdachte niet in staat moet worden geacht het geconstateerde schadebeeld te veroorzaken. De verdediging miskent dat de snelheid in veel grotere mate dan de massa bijdraagt aan de kracht van een botsing: uit de natuurkundige wetmatigheden volgt dat de hoeveelheid energie in een botsend voorwerp gelijk is aan de massa (in kilo’s) maal het kwadraat van de snelheid (in meters/seconde), zodat vooral het snelheidsverschil tussen de bij het ongeval betrokken voertuigen de impact van de botsing bepaalt.

Verdachte is met een aanzienlijke snelheid achterop een andere, stilstaande, auto gereden en heeft kort tevoren (een) wegsignaleringsbord met de indicatie 50 kilometer/uur niet gezien. Een dergelijke snelheidsindicatie duidt naar algemene ervaringsregels op filevorming en/of (zeer) langzaam rijdend verkeer en dient te leiden tot verhoogde opmerkzaamheid op dit punt.

Door aldus te rijden heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden.

Het letsel van [slachtoffer 1] merkt de rechtbank, gelet op ernst en gevolgen voor het slachtoffer, aan als zwaar lichamelijk letsel. Het letsel van [slachtoffer 2] een whiplash, acht de rechtbank bewezen op grond van de medische informatiestaat (p 23) en de verklaringen van [slachtoffer 2]

(p. 18) en het proces-verbaal van bevindingen van [opsporingsambtenaar 2]. Mede gelet op de lange duur het herstel (14 maanden na het ongeval ondervindt [slachtoffer 2] nog steeds gevolgen) kwalificeert de rechtbank dit letsel als letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de normale uitoefening van normale bezigheden is ontstaan.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op 08 december 2006 te Best als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met [kentekennr. 1]), daarmede rijdende over de snelweg A2 (Best) zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, de op de matrixborden boven de weg aangeduide snelheidsbeperking '50 kilometer per uur' niet op te merken en de door haar bestuurde personenauto niet tijdig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was waardoor een botsing is ontstaan tussen deze door verdachte bestuurde personenauto en een op de snelweg stilstaande personenauto ([kentekennr. 2]), waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten neurotrauma (kindercontusie) en een frontale schedel- en schedelbasisfractuur werd toegebracht en waardoor een ander, te weten [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te hare laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 179.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist ten aanzien van het primair tenlastegelegde:

- een geldboete van EUR 800,00 subsidiair 16 dagen vervangende hechtenis, eventueel te voldoen in termijnen en

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder

begrepen) voor de duur van 3 maanden.

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- door de strafbare gedraging van verdachte hebben twee slachtoffers, onder wie een jong meisje, ernstig letsel bekomen, hetgeen diepe sporen heeft nagelaten binnen het persoonlijk leven van het bij het ongeval betrokken gezin.

Met betrekking tot de op te leggen ontzegging zal de rechtbank bepalen dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat zij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

DE UITSPRAAK

Verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

primair

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen

gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. primair:

Werkstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis

T.a.v. primair:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder

begrepen) voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K. Visser, voorzitter,

mr. drs. W.A.F. Damen en mr. W. Overbosch, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.W.A. Kap-Knippels, griffier,

en is uitgesproken op 22 mei 2008.

mr. Overbosch is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

6

Parketnummer: 01/821378-07

[verdachte]