Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD2023

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
AWB 07/1595
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering openbaarmaking gespreksverslagen.

Verweerder heeft gelet op de heroverweging ex nunc op goede gronden gesteld dat artikel 25 van de Gemeentewet aan openbaarmaking in de weg staat en dat de toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur niet meer aan de orde is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/1595

Uitspraak van de meervoudige kamer van 25 april 2008

inzake

Brabants Dagblad B.V.,

te 's-Hertogenbosch,

eiseres,

gemachtigde R. Lodewijks,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdonk,

verweerder,

gemachtigde M.J.M. van de Ven.

Aan het geding heeft als derde belanghebbende partij deelgenomen [derde] te [woonplaats].

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft verweerder het verzoek van eiseres om inzage op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) in een tweetal verslagen van gesprekken tussen burgemeester P. Boelens en de familie [derde] afgewezen.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 28 maart 2007 ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het besluit van 31 oktober 2006 in stand gelaten, met verbetering van de motivering.

Eiseres heeft tegen dit besluit bij brief van 8 mei 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. Ten aanzien van de documenten waarop het verzoek om openbaarmaking betrekking heeft, is door verweerder de mededeling gedaan als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 26 juli 2007 heeft de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Eiseres heeft aan de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, gegeven om mede op de grondslag van die stukken uitspraak te doen.

De zaak is behandeld op de zitting van 28 maart 2008, waar eiseres niet is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Verder is verschenen de derde belanghebbende partij.

Overwegingen

1. In deze zaak is in geschil of verweerders besluit van 28 maart 2007 in rechte kan worden gehandhaafd.

Feiten

2. Op 27 oktober 2007 heeft eiseres met een beroep op de Wob om inzage verzocht in een tweetal verslagen van gesprekken die eerder dat jaar door burgemeester P. Boelens zijn gevoerd met de familie [derde] over de [adressen]. Een van de leden van de familie die bij gesprekken aanwezig waren, was mevrouw [derde], lid van de raad van verweerders gemeente.

3. Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft verweerder het verzoek van eiseres om openbaarmaking afgewezen op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, omdat het algemene belang dat met inzage in de twee verslagen wordt gediend, volgens verweerder niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen.

4. Op 19 december 2006 heeft verweerder met toepassing van artikel 25, tweede lid, van de Gemeentewet (Gemw) geheimhouding opgelegd inzake aan de raad verstrekte informatie over persoonsgebonden aspecten van het dossier, waaronder de twee verslagen. Op 20 december 2006 heeft de raad unaniem besloten de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen.

Standpunten partijen

5. Verweerder heeft, na heroverweging, aan de bij bestreden besluit gehandhaafde afwijzing van het verzoek van eiseres om openbaarmaking ten grondslag gelegd dat ten aanzien van de gevraagde gespreksverslagen door verweerder met toepassing van artikel 25, tweede lid, van de Gemw per 19 december 2006 geheimhouding is opgelegd en dat deze geheimhoudings-verplichting vervolgens door de raad is bekrachtigd. Aan een toetsing van het verzoek aan de Wob kan volgens verweerder niet (meer) worden toegekomen, omdat artikel 25 van de Gemw een uitputtende regeling inzake openbaarmaking en geheimhouding bevat die als bijzondere regeling voorrang heeft boven de Wob. Om deze reden is volgens verweerder de aan artikel 10 van de Wob ontleende weigeringsgrond als genoemd in het primaire besluit niet meer aan de orde.

6. Eiseres heeft zich in beroep -zakelijk weergegeven- op het standpunt gesteld dat verweerder heeft miskend dat het verzoek om openbaarmaking had moeten worden beoordeeld op grond van de Wob omdat van een geheimhoudingsverplichting op grond van artikel 25 van de Gemw ten tijde van het indienen van het verzoek geen sprake was. Door het verzoek om openbaarmaking niet te beoordelen op grond van de Wob heeft verweerder naar de mening van eiseres artikel 25 van de Gemw met terugwerkende kracht van toepassing verklaard op het verzoek en zich op een oneigenlijke manier onttrokken aan de basale informatieplicht die voor een overheidsorgaan uit de Wob volgt.

Wettelijk kader

7. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Gemw kan de raad op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wob, omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de raad worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de raad haar opheft.

8. Ingevolge het tweede lid, kan op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wob, de geheimhouding eveneens worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt.

9. Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, wordt de krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan leden van de raad overgelegde stukken in acht genomen, totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het stuk waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan de raad is voorgelegd, totdat de raad haar opheft.

Oordeel van de rechtbank

10. Uit artikel 7:11 van de Awb volgt dat de heroverweging van een besluit als het onderhavige ex nunc geschiedt, dat wil zeggen met inachtneming van alle feiten en omstandigheden zoals die zich voordoen op het tijdstip van heroverweging. Per 19 december 2006, bekrachtigd bij raadsbesluit van 20 december 2006, geldt een geheimhoudingsplicht op grond van artikel 25 van de Gemw ten aanzien van de twee gespreksverslagen, waarvan openbaarheid was verzocht. Dit is door eiseres niet betwist. Gelet op de heroverweging ex nunc heeft verweerder vorenbedoelde geheimhoudingsplicht terecht betrokken bij het nemen van het bestreden besluit.

11. Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 11 september 2002, zaaknummer 200105660/1, LJN: AE7453, herhaald bij uitspraak van 26 oktober 2005, zaaknummer 200501784/1, LJN: AU 5001, moet artikel 25 van de Gemw worden aangemerkt als een uitputtende regeling inzake openbaarmaking en geheimhouding, welke als bijzondere regeling voorrang heeft boven de algemene regeling van de Wob. Verweerder heeft derhalve op goede gronden gesteld dat artikel 25 van de Gemw aan openbaarmaking van de gespreksverslagen in de weg staat en dat toepassing van de Wob niet meer aan de orde is.

12. Op grond van voorgaande overwegingen komt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding zijn voor vernietiging van het bestreden besluit, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

13. De rechtbank acht geen termen aanwezig één van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

14. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.H.N. Kruijer als voorzitter en mr. D.J. de Lange en mr. F.P.J.M. Otten als leden in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2008.