Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD0378

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-04-2008
Datum publicatie
28-04-2008
Zaaknummer
01/825007-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van drie jaar waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor het samen met anderen invoeren van 8 kilo cocaïne vanuit Suriname naar Nederland.

Op basis van onder meer tapgesprekken, observaties en een aantal sms-berichten van een 06-nummer, bij verdachte in gebruik, naar een medeverdachte acht de rechtbank medeplegen van opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825007-08

Datum uitspraak: 28 april 2008

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

wonende te [woonplaats], [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 april 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 maart 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2007 tot en met 03 januari 2008

te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het

grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van

de Opiumwet, ongeveer 8 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij

die wet behorende lijst I;

(artikel 2A van de Opiumwet)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meerdere onbekend

gebleven perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 01 december 2007 tot en

met 03 januari 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, als

bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 8 kilogram, in elk geval

een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een

middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I,

bij/tot het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk behulpzaam is

geweest, danwel opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft

verschaft, immers, heeft verdachte,

- voor het vervoer van voornoemde hoeveelheid cocaïne een bestelbus gehuurd,

althans het (verdere) transport verzorgd en/of

- voor het openen van de (ijzeren) buis, (waarin voornoemde cocaïne

verstopt/gestopt was/zat), gereedschap(pen) aangeleverd, althans benodigde

gereedschappen voor het openen van de deklading verzorgd en/of

- zich met voornoemde bestelbus/voornoemd transportmiddel en/of

gereedschap(pen) begeven naar de [adres 1] te [plaats 1];

(artikel 2A van de Opiumwet)

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De rechtmatigheid van de bewijsmiddelen.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de in het proces-verbaal gerelateerde omstandigheden ten tijde van de aanhouding jegens zijn cliënt geen redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit opleveren en dat mitsdien de aanhouding onrechtmatig is geschied en de daaruit voortvloeiende bewijsmiddelen onrechtmatig zijn verkregen en niet tot bewijs van het tenlastegelegde kunnen bijdragen, zodat de verdachte -bij gebrek aan voldoende overig bewijs- van het hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat uit de in het betreffende proces-verbaal van bevindingen (nummer PL2219/07-000034) op pagina 304 gerelateerde omstandigheden, verbalisanten op goede gronden een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering hebben kunnen afleiden.

Ook overigens zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die zouden moeten leiden tot een ander oordeel. De rechtbank oordeelt dat het onderzoek rechtmatig is uitgevoerd en de daaruit voortvloeiende bewijsmiddelen derhalve rechtmatig zijn verkregen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

in de periode van 01 december 2007 tot en met 03 januari 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 8 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Bijzondere overweging omtrent het bewijs.

De beslissing dat verdachte als medepleger bij het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 8 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne is betrokken, berust op de navolgende feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien.

Uit de in het betreffende proces-verbaal van bevindingen op pagina 304 gerelateerde omstandigheden blijkt dat de verbalisanten op 3 januari 2008 bezig waren met een onderzoek in verband met de vermoedelijke handel in verdovende middelen door onder andere [medeverdachte 2], welke woonachtig is op het [adres 1] te [plaats 1].

Uit opgenomen en afgeluisterde tapgesprekken, weergegeven in de analyse van het telecomverkeer op pagina 69 e.v, blijkt dat in de ochtend van 3 januari 2008 om 07.16 uur verdachte aan [medeverdachte 2] een sms-bericht heeft verstuurd met de mededeling dat hij vervoer heeft geregeld.

Uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 306 gerelateerde omstandigheden blijkt dat [verdachte] op 3 januari 2008 om 11.41 uur een bestelbus [merk] heeft gehuurd.

Uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 304 gerelateerde omstandigheden blijkt verder dat de verbalisant op 3 januari 2008 tijdens de observatie van de woning van [medeverdachte 2], vanaf 13.30 uur meermalen heeft gezien dat een bedrijfsbus [merk], welk voertuig naar later blijkt door verdachte wordt bestuurd, stapvoets langs de woning aan het [adres 1] reed en vervolgens in de directe omgeving van genoemd adres bleef rondrijden.

Daarop is de bestuurder van de [merk] aangesproken door de verbalisanten en, omdat de bestuurder geen plausibele verklaring kon geven voor zijn aanwezigheid aldaar, is de bestuurder [verdachte] om 16.05 uur aangehouden.

Hierop is [verdachte] in een dienstvoertuig geplaatst en overgebracht naar het bureau ter voorgeleiding.

Omstreeks 18.00 uur die dag vond een verbalisant op de achterbank in de politieauto waarin [verdachte] naar het bureau was vervoerd, een accu en een beschermkapje met aan de binnenzijde een sticker met daarop het 06-[nummer].

De verbalisant verklaart dat eerder er beslist geen GSM in het voertuig lag en dat deze GSM door verdachte moet zijn achtergelaten in de auto.

In de analyse van het telecomverkeer op pagina 69 e.v. blijkt uit de opgenomen en afgeluisterde tapgesprekken dat met dit GSM-[nummer] op 3 januari 2008

3 SMS-berichten verstuurd zijn naar de GSM met het nummer [nummer 1] in gebruik bij [medeverdachte 2].

Genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende om aan te nemen dat er zo'n volledige en nauwe samenwerking heeft plaatsgevonden tussen verdachte en zijn mededaders, dat zijn gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als medeplegen gericht op het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een materiaal bevattende cocaïne.

Dat [verdachte] ook voor het moment van inbeslagname van de cocaïne (18 december 2007) al op de hoogte moet zijn geweest van de plannen tot invoer hiervan en zijn eigen rol hierbij, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het feit dat [verdachte], zodra hij hoort dat het transport op 3 januari 2008 zal arriveren, in actie komt en kennelijk zonder nadere instructies precies weet wat hem te doen staat (vervoer en gereedschap regelen en hiermee naar het adres [adres 1] te [plaats 1] rijden).

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 27, 63.

Opiumwet art. 2, 10.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering.

De op te leggen straf.

Bij de beslissing over een passende afdoening van deze zaak, heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Voor wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Met name wordt verdachte ernstig aangerekend dat hij zich mede schuldig heeft gemaakt aan de invoer van circa 8 kilo van een materiaal bevattende cocaïne.

De ingevoerde hoeveelheid cocaïne was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor de verdere verspreiding en handel. Het is een feit van algemene bekendheid dat cocaïne grote gevaren oplevert voor de gezondheid van de gebruikers ervan.

Daarnaast gaat de verspreiding en handel in cocaïne veelal gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door de gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Verdachte heeft zich om dit alles kennelijk volstrekt niet bekommerd.

Daarnaast heeft de rechtbank bij de beslissing over een passende afdoening in het bijzonder

rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van verdachte, niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

De rechtbank zal bepalen dat een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk zal worden opgelegd, mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken.

De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door nogmaals invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht wordt niet opgelegd. In deze zaak is geen reclasseringsrapport opgemaakt, en ook overigens is niet gebleken dat toezicht door de reclassering wenselijk zou zijn.

DE UITSPRAAK

Verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

DE BESLISSING:

- een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel

27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. van Biesbergen, voorzitter,

mr. I. Rijnbout en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van M.P.M. van Goethem, griffier,

en is uitgesproken op 28 april 2008.