Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BD0041

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
AWB 08-427
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoekster gesommeerd om de verhuizing van haar dierenopvangtehuis naar het onderhavige perceel stop te zetten en haar activiteiten ter plaatse niet verder uit te breiden.

Bij gebreke van een omschrijving in het bestemmingsplan van het begrip "pension" moet voor de uitleg van dit begrip aansluiting worden gezocht bij hetgeen daaronder in het dagelijks spraakgebruik wordt verstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/427

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2008

inzake

Stichting Dierenthuis,

te Aarle-Rixtel,

verzoekster,

gemachtigde mr. H.J. Breeman,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek,

verweerder,

gemachtigde M.L.M. van Heijnsbergen en A.J.M. van Doorn.

Aan het geding hebben als partij deelgenomen [derden], te [woonplaats] (hierna: derde-belanghebbenden), gemachtigde mr. M.G.H. Vogels.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder verzoekster gelast op het perceel, plaatselijk bekend Bakelseweg 27 te Aarle-Rixtel, kadastraal bekend, gemeente Aarle Rixtel, sectie G, nummer 264:

- het met het bestemmingsplan strijdig gebruik van de opstallen en de gronden binnen dertien weken na de verzending van het bestreden besluit te beëindigen en beëindigd te houden, hetgeen betekent dat alle honden en katten niet meer aanwezig mogen zijn in de bebouwing en op de (overige) gronden van het perceel;

- het met de bouwvoorschriften strijdige bouwwerk - het nieuwe hekwerk nabij de bedrijfsruimte op het achterterrein van het perceel - binnen acht weken na de verzending van het bestreden besluit te verwijderen en verwijderd te houden.

Daarbij heeft verweerder aangegeven dat, indien verzoekster niet volledig voldoet aan genoemde last, verzoekster een dwangsom verbeurt van € 75.000,00 ineens.

Hiertegen heeft verzoekster op 31 januari 2008 bezwaar gemaakt.

Bij brief van diezelfde datum heeft verzoekster zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek ten aanzien van verweerders besluit van 20 december 2007 een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij brief van 15 februari 2008 heeft verweerder te kennen gegeven de werking van het bestreden besluit op te schorten vanaf het moment dat het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend tot aan het moment dat daarop uitspraak is gedaan. Daarbij is uiteengezet dat vanaf laatstbedoeld moment het resterende deel van de gestelde begunstigingstermijn (13 weken) weer gaat lopen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 20 maart 2008, waar verzoekster is verschenen bij haar gemachtigde. Tevens is J.W. Mankes verschenen.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Tevens zijn derde-belanghebbenden verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Voor zover de toetsing aan dit criterium meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.

Verzoekster wenst op het onderhavige perceel en in de daarop aanwezige bebouwing een honden- en kattenopvangtehuis te vestigen. Verzoekster heeft het perceel en bebouwing aangekocht per 1 oktober 2007 ten behoeve van de dierenopvang inmiddels in gebruik genomen. Vóór 1 oktober 2007 was het opvangtehuis van verzoekster gevestigd op een andere locatie te Wilbertoord, alwaar verzoekster 2.500 m² ter beschikking had ten behoeve van de opvang. Het onderhavige perceel heeft een oppervlakte van ca. 30.000 m², waardoor het in de toekomst mogelijk wordt om de opvang van katten en honden uit te breiden. Ten tijde van de verhuizing waren er in het opvangtehuis 550 dieren - waarvan 43 honden - ondergebracht. In het opvangtehuis worden door verzoekster oude, zieke en kansarme honden en katten opgevangen die elders geen opvang meer kunnen krijgen, zodat de dieren van een zorgeloze oude dag kunnen genieten. Veelal zijn de honden en katten afkomstig uit dierenasiels. Het opvangtehuis wordt bemand door 30 vrijwilligers.

Bij brief van 2 oktober 2007 heeft verweerder verzoekster gesommeerd om de verhuizing van haar dierenopvangtehuis naar het onderhavige perceel stop te zetten en haar activiteiten ter plaatse niet verder uit te breiden.

Bij brief van 11 oktober 2007 heeft verweerder verzoekster in kennis gesteld van het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom, waarbij verzoekster in de gelegenheid is gesteld een zienswijze kenbaar te maken. Verzoekster heeft op 24 oktober 2007 gebruik gemaakt van deze gelegenheid.

4. Verzoekster heeft tegen het door haar bestreden besluit het navolgende aangevoerd.

5. Volgens verzoekster heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat verzoeksters activiteiten niet onder de vigerende bestemming ‘honden- en paardenpension’ vallen. Bij gebreke van een definitie van het begrip ‘pension’ in de planvoorschriften, heeft verweerder ten behoeve van de uitleg van dit begrip ten onrechte aansluiting gezocht bij hetgeen de DIBEVO onder pension verstaat, namelijk ‘het tijdelijk huisvesten en verzorgen van gastdieren’.

Naar de mening van verzoekster moet worden aangesloten bij hetgeen onder ‘pension’ in het spraakgebruik moet worden verstaan, te weten ‘een bedrijf waar huisdieren tijdelijk worden verzorgd’. Volgens verzoekster voldoet het dierenopvangtehuis aan deze definitie. Verzoekster heeft er in dit verband op gewezen dat het in de praktijk regelmatig voorkomt dat in een pension dieren worden opgevangen, zonder dat van te voren vaststaat wat de duur van het verblijf van de dieren zal zijn en zonder dat sprake is van ‘gastdieren’. Verzoekster heeft in dit verband gewezen op een voorbeeld in de gemeente Achtkarspelen, waarbij sprake is van een pension voor permanente opvang van zwerfkatten.

Verweerders standpunt dat het gebruik strekkende tot de opvang van katten niet binnen de bestemming ‘honden- en paardenpension’ valt, nu in de planvoorschriften ook nog een aparte categorie ‘dierenpension’ is opgenomen moet volgens verzoekster opgevat worden als een gelegenheidsargument, nu het bestemmingsplan voor het overige immers dit onderscheid niet kent.

Onder verwijzing naar artikel 3 van de planvoorschriften moet volgens verzoekster worden uitgegaan van de medebestemming ‘honden- en paardenpension’. Verzoekster acht het derhalve niet van belang of sprake is van een agrarisch bedrijf. Op grond van de medebestemming is het daarom volgens verzoekster dan ook toegestaan dat dieren op het tot ‘Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden’ bestemde terreingedeelte te verblijven. De opvang van honden past in ieder geval onder de medebestemming, aldus verzoekster.

Verzoekster heeft voorts gewezen op de mogelijkheid van legalisering op grond van het Streekplan waarin staat vermeld dat als agrarisch verwant bedrijf onder meer wordt aangemerkt ‘een bedrijf dat is gericht op het verlenen van diensten aan particulieren door middel van het houden van dieren’. Als voorbeelden worden dierenasiels en hondenkennels genoemd. Volgens verzoekster heeft verweerder in het bestreden besluit niet gemotiveerd waarom een asiel wel en het onderhavige honden- en kattenopvangtehuis niet als een ‘agrarisch verwant bedrijf’ als bedoeld in het Streekplan kan worden aangemerkt. Verzoekster heeft in dat kader opgemerkt dat in een asiel helemaal geen diensten worden verleend aan particulieren. Daarentegen zijn de activiteiten van verzoekster - het bieden van opvang aan huisdieren op verzoek van particulieren - wel degelijk gericht op het verlenen van diensten aan particulieren. Verzoekster concludeert dan ook dat haar activiteiten vallen onder het begrip ‘agrarisch verwant bedrijf’ als bedoeld in het Streekplan. Daarbij komt nog dat blijkens de toelichting van het bestemmingplan meer dan dertig niet agrarische bedrijven in het buitengebied zijn gevestigd, waaronder een schildersbedrijf en meerdere dierenpensions in het buitengebied.

Volgens verzoekster zijn haar activiteiten niet in strijd met de Groene Hoofdstructuur (GHS). Verzoekster ontgaat dan ook de relevantie van verweerders overwegingen in het bestreden besluit daaromtrent.

Met betrekking tot verweerders standpunt dat met de komst van het opvangtehuis geen goed woon- en leefklimaat zou kunnen zijn gewaarborgd, zulks onder verwijzing naar de VNG-brochure Bedrijven en milieuzorg, bevreemdt het verzoekster dat verweerder uitgaat van de afstanden die gelden voor nieuwvestiging van dierenasiels en dierenpensions. Verweerder is immers van mening dat activiteiten die vallen binnen de huidige bestemming geen strijd met de VNG-normen opleveren, terwijl een honden- en kattenpension volgens verweerder een dergelijke strijd wel zou opleveren. Verzoekster wijst er in dit verband op dat katten minder geluid maken en minder geur produceren dan paarden en honden.

Volgens verzoekster is het handhavingsbesluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel, hetgeen eveneens geldt voor de hoogte van de dwangsom. Verzoekster wijst dienaangaande op de aard van de vermeende overtreding, alsmede op het belang van de 550 zieke dieren die niet elders gehuisvest kunnen worden. Daarbij komt nog dat verzoekster bestaat bij de gratie van donateurs.

Het door de last bestreden hekwerk, moet volgens verzoekster worden getoetst aan de medebestemming ‘honden- en paardenpension’, als bedoeld in artikel 3 van de planvoorschriften. Om die reden zijn volgens verzoekster de planvoorschriften als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften niet van toepassing.

6. Het wettelijk toetsingskader luidt als volgt.

Ingevolge artikel 125, eerste lid van de Gemeentewet, is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 125, tweede lid van de Gemeentewet, wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan een last onder dwangsom opleggen.

In het tweede lid van genoemd artikel is bepaald dat een last onder dwangsom ertoe strekt de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel herhaling van de overtreding te voorkomen.

Het onderhavige perceel is gelegen binnen het plangebied van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ vastgesteld door de raad van verweerders gemeente op 21 juli 1998. Aan het perceel is daarin de bestemming ‘Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden’ (hierna: Alca) en ‘Bos’ toegekend, alsmede voor een deel de medebestemming ‘Bedrijfsdoeleinden - B’ - met aanduiding ‘honden- en paardenpension’.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften geldt, waar een bestemming, aangegeven op plankaart 1, samenvalt met een medebestemming, aangegeven op een detailplankaart, primair het bepaalde ten aanzien van de medebestemming.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op plankaart 1 aangewezen voor ‘Bos’ bestemd voor de volgende doeleinden:

a. instandhouding van het bos met daarop afgestemde bosbouw;

b. instandhouding van de aanwezige natuurwaarden;

c. extensief recreatief medegebruik.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op plankaart 1 aangewezen voor ‘Alca’ bestemd voor de volgende doeleinden:

a. duurzame agrarische bedrijfsuitoefening;

b. instandhouding van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden,

c. extensief recreatief medegebruk.

Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften mag op de gronden aangewezen voor ‘Alca’ niet worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, welke ter plaatse noodzakelijk zijn uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering dan wel uit een oogpunt van beheer en onderhoud overeenkomstig de doeleinden, waaronder begrepen beperkte voorzieningen ten behoeve van extensieve recreatie. (…)

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op een detailplankaart aangewezen voor ‘Bedrijfsdoeleinden - B’ overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart mede bestemd voor:

a. de uitoefening van de volgende bedrijven:

B1

(…)

B3: dierenpension

(…)

B5: honden- en paardenpension

(…).

Onder artikel 26a, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de in dit plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangegeven in de doeleinden.

7. Allereerst moet worden beoordeeld of verweerder bevoegd is om handhavend op te treden.

8. Verweerder stelt zich dienaangaande in het bestreden besluit op het standpunt dat het onderhavige perceel en de daarop aanwezige bebouwing niet overeenkomstig de vigerende bestemming ‘honden- en paardenpension’ wordt gebruikt.

Omdat het begrip ‘pension’ in dit verband niet wordt gedefinieerd in het bestemmingsplan heeft verweerder voor de uitleg van dit begrip aansluiting gezocht bij hetgeen volgens de vakorganisatie DIBEVO (Dieren Benodigdheden Voeders), een organisatie waarbij dierenpensions zijn aangesloten, hieronder moet worden verstaan. Volgens verweerder wijst deze definitie van het begrip ‘pension’ op een tijdelijk huisvesten en verzorgen van gastdieren. De opvang van dieren en katten door het opvangtehuis van verzoekster voldoet volgens verweerder niet aan deze definitie, nu deze een permanent karakter heeft, namelijk tot aan de dood van de betreffende dieren, zodat geen sprake is van een gastdier.

9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet, bij gebreke van een omschrijving in het bestemmingsplan van het begrip ‘pension’ zoals bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de planvoorschriften, voor de uitleg van dit begrip aansluiting worden gezocht bij hetgeen daaronder in het dagelijks spraakgebruik wordt verstaan. De voorzieningenrechter stelt vast dat het begrip ‘dierenpension’ volgens dagelijks spraakgebruik de betekenis heeft van ‘inrichting waar huisdieren bij afwezigheid van hun eigenaar tijdelijk kunnen verblijven’ (Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal, 14e editie). De voorzieningenrechter merkt op dat deze omschrijving in essentie overeenkomt met de door verweerder gehanteerde definitie.

10. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoet het onderhavige gebruik van het perceel en van het daarop aanwezige pand, waarbij oude, zieke en kansarme honden en katten - die elders niet terecht kunnen - worden opgevangen teneinde de dieren van een zorgeloze oude dag kunnen laten genieten, niet aan het in de definitie van ‘pension’ besloten vereiste dat sprake moet zijn van ‘tijdelijk verblijf’. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat ten aanzien van de op te vangen dieren niet kan worden gezegd dat zij slechts tijdelijk door verzoekster worden opgevangen, nu immers een eenmaal opgevangen dier niet meer (door zijn eigenaar) op een bepaald tijdstip zal worden opgehaald, zodat van te voren in het geheel niet vaststaat hoe lang een opgevangen dier in het opvangtehuis zal verblijven. Nog afgezien van de omstandigheid dat katten niet op een lijn zijn te stellen met paarden, kan daarom, anders dan verzoekster heeft betoogd, niet gezegd worden dat het onderhavige perceel en de daarop aanwezige bebouwing overeenkomstig de vigerende bestemming ‘honden- en paardenpension’ wordt gebruikt.

11. De voorzieningenrechter kan verzoekster evenmin volgen in haar stelling dat verblijf van honden en katten op het overige terreingedeelte - dat wil zeggen het perceelsgedeelte dat buiten de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden - B’ valt - op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Op het betreffende perceel rust immers uitsluitend de bestemming ‘Alca’. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het vrij laten rondlopen van de honden en katten op deze gronden strijdig is met deze bestemming, nu bedoeld gebruik ten behoeve van de opvang van honden en katten geen betrekking heeft op de in artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften genoemde doeleinden, te weten duurzame agrarische bedrijfsuitoefening, instandhouding van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden, dan wel extensief recreatief medegebruik.

12. Verweerder heeft zich dan ook terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat het in geding zijnde gebruik van de onderhavige pand en van het perceel strijdig is met de bestemming die het perceel ingevolge het geldende bestemmingsplan heeft. Gelet hierop is verweerder bevoegd verzoekster de onderhavige last onder dwangsom op te leggen teneinde het strijdige gebruik te doen beëindigen.

13. Niet in geschil is het dat hekwerk nabij de bedrijfsruimte op het achterterrein van het perceel op het perceel zonder de vereiste bouwvergunning is opgericht. Hieruit volgt dat verweerder bevoegd is te gelasten het hekwerk te verwijderen.

14. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving zal, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van een bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

15. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie van het door verzoekster gewenste gebruik en van het door de last bestreken hekwerk.

Naar ook tussen partijen niet in geschil is, biedt het bestemmingsplan geen mogelijkheden om (binnenplans) vrijstelling te verlenen teneinde het illegale gebruik alsnog te legaliseren. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder, zoals hij in het bestreden besluit heeft overwogen en uitgebreid heeft gemotiveerd, niet bereid is vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Reeds hierom moet worden geoordeeld dat van concreet zicht op legalisatie geen sprake is. Dit zou slechts anders zijn, indien reeds op voorhand moet worden geoordeeld dat verweerders weigering om planologische medewerking te verlenen aan verzoeksters activiteiten op het perceel, in rechte geen stand zal kunnen houden. Daarvan is in casu geen sprake. Daarbij is in aanmerking genomen dat, ook indien met verzoekster zou moeten worden aangenomen dat het Streekplan zich op zichzelf niet tegen verzoeksters activiteiten verzet – hetgeen verweerder overigens gemotiveerd betwist – daarmee niet zonder meer vaststaat dat verweerder gehouden is mee te werken aan de legalisering daarvan. Verweerder heeft in dit verband vooralsnog voldoende aannemelijk gemaakt dat er legitieme redenen zijn die medewerking te weigeren.

Een tijdelijke vrijstelling ex artikel 17 van de WRO is evenmin aan de orde nu niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een tijdelijke situatie.

16. Met betrekking tot het opgerichte hekwerk staat in dit verband nog ter beoordeling of legalisatie door middel van het alsnog verlenen van een bouwvergunning op korte termijn voorzienbaar is.

De oprichting van het hekwerk is strijdig met artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften, dat bepaalt dat op de gronden aangewezen voor ‘Alca’ niet mag worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, welke ter plaatse noodzakelijk zijn uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering dan wel uit een oogpunt van beheer en onderhoud overeenkomstig de doeleinden, waaronder begrepen beperkte voorzieningen ten behoeve van extensieve recreatie. Verweerder heeft er naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het bestreden besluit terecht op gewezen dat het hekwerk niet noodzakelijk is uit oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering - er is immers geen sprake van een agrarisch bedrijf -, en evenmin uit een oogpunt van beheer en onderhoud overeenkomstig de doeleinden, waaronder begrepen beperkte voorzieningen ten behoeve van extensieve recreatie. De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat de ter plaatse vigerende bestemming ‘Alca’ verlening van bouwvergunning voor het oprichten van een hekwerk ten behoeve van de opvang van honden en katten, niet toestaat. Voorts is gesteld noch gebleken dat het bestemmingsplan mogelijkheden biedt, dan wel anderszins mogelijkheden aanwezig zijn om vrijstelling te verlenen teneinde het hekwerk alsnog te legaliseren.

17. Ten aanzien van de hoogte van de dwangsommen overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Blijkens het bepaalde in artikel 5:32, vierde lid, van de Awb, moet het bedrag waarop de dwangsom is vastgesteld in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. In het onderhavige geval heeft verweerder bij de bepaling van de hoogte van de dwangsom rekening kunnen houden met de omstandigheid dat in het verleden - ondanks een uitdrukkelijk verzoek van verweerder om de verhuizing stop te zetten en haar activiteiten ter plaatse niet verder uit te breiden - de gewraakte overtredingen door verzoekster zijn voortgezet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder derhalve, mede gelet op het voordeel dat verzoekster heeft bij niet-naleving van de voor haar geldende regels, voldoende aannemelijk gemaakt dat de opgelegde dwangsommen in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsommen, die een afdoende financiële prikkel moeten zijn om de overtreding te beëindigen.

18. De voorzieningenrechter verwerpt tenslotte de stelling van verzoekster, dat de begunstigingstermijn waarbinnen aan de lastgeving kan worden voldaan, te kort is gesteld. Als uitgangspunt dient hierbij te gelden dat een besluit tot handhaving gericht is op het - volledig - opheffen van de overtreding en dat daarbij een zodanige termijn dient te worden gesteld dat daarbinnen in redelijkheid aan bedoelde opheffing kan worden voldaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan in redelijkheid van verzoekster worden verwacht dat zij binnen de termijn van de last de dieren op een andere locatie kan onderbrengen.

19. Nu niet is gebleken van andere bijzondere omstandigheden die maken dat het opleggen van een last in dit geval als onevenredig zou moeten worden bestempeld, heeft verweerder het belang bij wetshandhaving in redelijkheid laten prevaleren boven het belang van verzoekster bij handhaving van de status quo.

20. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot het gebruik van zijn bestuursdwangbevoegdheid heeft kunnen komen.

21. Gelet op vorenstaande overwegingen acht de voorzieningenrechter het waarschijnlijk dat in de hoofdzaak het bezwaar ongegrond zal worden verklaard. Om deze reden acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig hiertoe een voorlopige voorziening te treffen en zal hij het daartoe strekkende verzoek afwijzen.

22. De voorzieningenrechter acht onder de gegeven omstandigheden geen termen aanwezig voor toepassing van de artikelen 8:74, tweede lid, en 8:75 van de Awb.

23. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hooghuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2008.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschriften verzonden: