Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC9932

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-03-2008
Datum publicatie
21-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/1565
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand voor de kosten van het verrichten van een contra-expertise naar aanleiding van een door de IND verrichte taalanalyse in een asielprocedure. Oordeel rechtbank idem als Ljn: BB9618 (rechtbank Zutphen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/1565

Uitspraak van de meervoudige kamer van 27 maart 2008

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. C.J. Looijen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss,

verweerder,

gemachtigde S. Philipse.

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand in de kosten van een contra-expertise voor een taalanalyse afgewezen.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij ongedateerd besluit, verzonden op 28 maart 2007, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van 29 januari 2008 door de enkelvoudige kamer van deze rechtbank. Eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde. De rechtbank heeft na de zitting met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak met toepassing van artikel 8:10, tweede lid, van de Awb verwezen naar een meervoudige kamer.

De zaak is vervolgens behandeld ter zitting van 14 maart 2008, waar eiser is verschenen in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van bijzondere bijstand om te voorzien in de kosten van een contra-expertise, terecht heeft afgewezen op de grond dat geen sprake is van noodzakelijke kosten van het bestaan.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Eiser, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1982 te [plaats] in Sierra Leone en beschikkende over de Sierra Leoonse nationaliteit, heeft op 14 oktober 2004 in Nederland asiel aangevraagd. Omdat er twijfels waren gerezen over de geloofwaardigheid van de door eiser opgegeven identiteit en nationaliteit, heeft er door het Bureau Land & Taal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie nader onderzoek plaatsgevonden. In het kader van dit onderzoek is op basis van een taalanalyse op 26 juni 2006 gerapporteerd dat eiser eenduidig niet herleidbaar is tot de spraakgemeenschap binnen Sierra Leone. Uit het rapport blijkt dat eiser eenduidig te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Guinee. Op 26 juli 2006 heeft de IND vervolgens aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om eisers asielaanvraag af te wijzen, hetgeen inmiddels, na de afgifte van het hier bestreden besluit, daadwerkelijk is geschied bij besluit van 15 mei 2007. Bij uitspraak van 18 januari 2008 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld, waarop door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) nog niet is beslist.

4. Op 23 augustus 2006 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend tot het verlenen van bijzondere bijstand voor de kosten van een door eiser in de asielprocedure in te brengen contra-expertise met betrekking tot de uitkomst van de taalanalyse. Deze aanvraag om bijzondere bijstand is bij het primaire besluit van 4 september 2006 afgewezen om reden dat de kosten van een taalanalyse niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan behoren. Er zijn, aldus verweerder, door eiser geen inhoudelijke argumenten aangedragen op grond waarvan er twijfels zijn gerezen aan de juistheid van de door de IND uitgevoerde taalanalyse en ook zijn er geen aanwijzingen dat deze analyse onzorgvuldig zou hebben plaatsgevonden.

5. Blijkens het bestreden besluit op bezwaar stelt verweerder zich op het standpunt dat de kosten van het gewenste onderzoek ter bestrijding van de bevindingen van het Bureau Land & Taal van de IND niet als noodzakelijke kosten in de zin van de Wet werk en bijstand (Wwb) kunnen worden aangemerkt, omdat er een met voldoende waarborgen omklede procedure is waarin eiser het standpunt van de IND kan betwisten en er geen dwingende noodzaak is om, vooruitlopend op de door de Minister van Justitie in die procedure te nemen beslissing, een contra-expertise te laten uitvoeren. Verweerder stelt onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat de enkele wens tot positieversterking in een gerezen geschil geen toereikende grond vormt voor het inschakelen van een deskundige.

6. Namens eiser is gesteld dat bij verweerder de expertise ontbreekt om te beoordelen of er al dan niet moet worden getwijfeld aan de uitkomst van de taalanalyse. Eiser heeft een verklaring van de ambassade van Sierra Leone dat hij Sierra Leoner is, zodat er voldoende aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de uitkomst van de taalanalyse. Namens eiser is voorts gesteld dat het verblijfsrecht van eiser in Nederland afhangt van de taalanalyse en dat in dat kader een contra-expertise essentieel is. Verweerder had daarom de aanvraag om bijzondere bijstand in die kosten niet mogen afwijzen. Namens eiser is verder een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel omdat de gemeenten Schiedam en ‘s-Gravenhage in vergelijkbare gevallen wel bijstand hebben verleend.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. Door de gemachtigde van verweerder is ter zitting van 14 maart 2008 de vraag opgeworpen of eiser nog wel een procesbelang heeft bij het beroep inzake de afwijzing van zijn aanvraag om bijzondere bijstand, waarbij namens verweerder is gesteld dat eiser, kennelijk, blijkens jurisprudentie van de Afdeling, de contra-expertise niet meer kan inbrengen hangende het hoger beroep in de asielprocedure. In de onderhavige beroepsprocedure inzake de bijzondere bijstand kan niet zonder meer worden gesteld dat er geen procesbelang meer zou zijn. Het is immers niet aan de rechtbank om te anticiperen op het antwoord op de vraag of de Afdeling de uitkomst van een contra-expertise al dan niet in haar beoordeling van het hoger beroep in de asielprocedure zal betrekken.

9. De rechtbank komt thans dan ook toe aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil en stelt daarbij voorop dat eiser, ten tijde van de aanvraag om bijzondere bijstand, rechtmatig verblijf in Nederland had en ingevolge de bij en krachtens artikel 11 van de Wwb vastgestelde voorschriften onder het toepassingsbereik van de Wwb viel.

10. In artikel 35, eerste lid, van de Wwb is bepaald, voor zover thans van belang, dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

11. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de kosten van een contra-expertise - die door de gemachtigde van eiser zijn begroot op € 1.611,00 - in dit geval behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wwb.

12. De in het kader van eisers asielprocedure verrichte taalanalyse heeft plaatsgevonden in het licht van artikel 34, te lezen in verband met artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Ingevolge deze bepalingen kan de Minister van Justitie eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (onder meer) afwijzen, indien eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens destijds tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zouden hebben geleid. Met het oog op deze afwijzingsgrond heeft het eerdergenoemde Bureau Land & Taal van de IND geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn dat eiser zijn land van herkomst niet correct heeft opgegeven, in verband waarmee is geadviseerd een taalanalyse te verrichten. Vervolgens is deze taalanalyse verricht onder supervisie van ditzelfde Bureau Land & Taal. De uitkomst van deze taalanalyse, neergelegd in een rapport van 26 juni 2006, heeft geresulteerd in het voornemen van 26 juli 2006 om de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd af te wijzen op basis van de grond die vervat is in artikel 34, te lezen in verband met artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

13. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie onder andere de uitspraken van 8 april 2004 en 30 september 2004 en nog recentelijk 20 september 2007, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN: AR5356, AO8566 en BB5253, heeft eisers gemachtigde op goede gronden betoogd dat een contra-expertise in feite de enige mogelijkheid is voor een vreemdeling om de uitkomst van de onder supervisie van het Bureau Land & Taal verrichte taalanalyse met kans op succes te bestrijden. Volgens deze rechtspraak kan de vreemdeling immers niet enkel door het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de uitgevoerde taalanalyse bewerkstelligen dat de minister een nieuwe taalanalyse moet verrichten, dan wel dat de minister van een van de taalanalyse afwijkende conclusie dient uit te gaan. In het licht van de vaste jurisprudentie van de Afdeling heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser in zijn asielprocedure op een andere wijze, bijvoorbeeld door het inbrengen van een verklaring van de ambassade, had kunnen aantonen afkomstig te zijn uit Sierra Leone. Derhalve was het voor eiser van wezenlijk belang om in het kader van zijn asielprocedure een contra-expertise te doen verrichten. Dit leidt tot de slotsom dat de kosten van een contra-expertise door verweerder ten onrechte niet zijn aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wwb.

14. Verweerder heeft, onder verwijzing naar jurisprudentie van de CRvB, gesteld dat de omstandigheid, dat een belanghebbende zijn positie in een gerezen geschil wenst te versterken door inschakeling van een deskundige, op zichzelf nog geen grond vormt om de kosten van deze deskundige noodzakelijk te achten. Deze jurisprudentie, zie onder andere de uitspraken van de CRvB van 22 februari 2005 en 1 maart 2005, LJN: AT0334 en AT0388, sluit echter allerminst uit dat de kosten van een deskundige in een individueel geval wel degelijk als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van de Wwb kunnen worden aangemerkt en dat een belanghebbende in een dergelijk geval in aanmerking komt voor bijzondere bijstand om te voorzien in de kosten van een deskundige wiens inschakeling in feite de enige mogelijkheid vormt om een geschil in zijn voordeel te doen beslechten. Zoals uit het vorenoverwogene blijkt doet een dergelijke situatie zich hier voor.

15. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in het bestreden besluit de kosten van een contra-expertise ten onrechte niet heeft aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Het bestreden besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking wegens een onjuiste toepassing van artikel 35 van de Wwb, zulks onder gegrondverklaring van het beroep.

16. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

17. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 805,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• 1/2 punt voor het verschijnen op een volgende zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

18. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de gemeente Oss aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 39,00 dient te worden vergoed.

19. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen veertien dagen na het verzenden van deze uitspraak een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast de gemeente Oss aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ad € 39,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 805,00 en te betalen aan de griffier;

- wijst de gemeente Oss aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. B.A.J. Zijlstra als voorzitter en mr. W.P.C.G. Derksen en

mr. E.H.B.M. Potters als leden in tegenwoordigheid van R.G. van der Korput als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2008.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002,

3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: