Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC9857

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
153390 - HA ZA 07-163
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Provisionele vordering van de Stichting Historisch Materieel (SHM) tegen de stichting Nederlands Nationaal Oorlogs- en verzetsmuseum (NOVM). SHM heeft een collectie zwaar militair materieel aan NOVM in bruikleen gegeven. Het geschil in de hoofdzaak komt erop neer dat SHM de samenwerking met NOVM wil beëindigen en de Collectie terug wil. NOVM verzet zich daartegen.

In het incident vordert SHM - kort gezegd - dat NOVM de Collectie in de oude staat terugbrengt en de door NOVM daarbij geplaatste voorwerpen verwijdert. De door SHM aangevoerde omstandigheden zijn niet van dien aard, dat van SHM niet kan worden gevergd dat zij de beslissing in de hoofdzaak afwacht. Evenmin is sprake van andere omstandigheden die voldoende belang bij toewijzing van de vordering opleveren.

De gevraagde voorziening wordt geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 153390 / HA ZA 07-163

Vonnis in incident van 23 april 2008

in de zaak van

de stichting

HISTORISCH MATERIEEL,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. J.E. Lenglet,

advocaat mr. T. Steffens te Amsterdam,

tegen

de stichting

NEDERLANDS NATIONAAL OORLOGS- EN VERZETSMUSEUM,

gevestigd te Overloon,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiseres in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. F.V.B.M. Mutsaerts,

advocaat mr. M. Koelemeijer te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna SHM en NOVM genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- het vonnis in incident van 1 augustus 2007, met de daarin genoemde stukken,

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie,

- de conclusie van repliek in conventie, tevens vermeerdering van eis alsmede conclusie van antwoord in reconventie,

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens van repliek in reconventie,

- de incidentele conclusie tot het treffen van een voorlopige voorziening,

- de incidentele conclusie van antwoord,

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. In deze zaak draait het – kort gezegd – om het volgende. SHM is eigenaar van een collectie zwaar militair materieel (hierna: de Collectie). Op enig moment zijn SHM en NOVM besprekingen gestart over een mogelijke samenwerking met betrekking tot het tentoonstellen van de Collectie. Dit heeft geresulteerd in drie overeenkomsten: een voorovereenkomst van 28 oktober 2003 en een samenwerkings- en bruikleenovereenkomst van 9 augustus 2005. Op grond van die overeenkomsten is de Collectie verhuisd van Zwijndrecht, waar zij aanvankelijk was ondergebracht, naar Overloon, alwaar NOVM is gevestigd. De Collectie bevindt zich thans op het museumcomplex “Liberty Park” in het expositiegebouw genaamd “Marshall Museum”. Het geschil in de hoofdzaak komt – samengevat – op het volgende neer. SHM wil de samenwerking met NOVM beëindigen (en daarmee samenhangend de Collectie terughebben). NOVM verzet zich daartegen en vordert op haar beurt veroordeling van SHM tot nakoming van haar verplichtingen uit de voorovereenkomst en de samenwerkings-overeenkomst.

2.2.In het incident vordert SHM dat de rechter bij wege van voorlopige voorziening voor de duur van het geding NOVM zal veroordelen tot:

Primair:

a. het in de oude staat terugbrengen van de Collectie;

b. het uit het Marshall Museum verwijderen van de aan de Collectie toegevoegde stukken. Dat betreft:

1. de stukken zoals die zijn opgenomen in productie 1 bij de incidentele conclusie, en

2. de recent toegevoegde stukken:

> een vrachtwagen (6x6) DAF, type YA 328 brandweerwagen,

> een vrachtwagen (6x6) DAF, type YA 616,

> een 4x4 ééntonner DAF, type YA 126,

c. een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 5.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat NOVM ter zake van het voorgaande op enigerlei wijze in gebreke is,

Subsidiair:

a. het uit het Marshall Museum verwijderen van de aan de Collectie toegevoegde stukken. Dat betreft:

1. de stukken zoals die zijn opgenomen in productie 1 bij de incidentele conclusie, en

2. de recent toegevoegde stukken:

> een vrachtwagen (6x6) DAF, type YA 328 brandweerwagen,

> een vrachtwagen (6x6) DAF, type YA 616,

> een 4x4 ééntonner DAF, type YA 126,

b. een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 5.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat NOVM ter zake van het voorgaande op enigerlei wijze in gebreke is,

Meer subsidiair:

a. het uit het Marshall Museum verwijderen van de aan de Collectie toegevoegde stukken. Dat betreft:

> een vrachtwagen (6x6) DAF, type YA 328 brandweerwagen,

> een vrachtwagen (6x6) DAF, type YA 616,

> een 4x4 ééntonner DAF, type YA 126,

b. een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 5.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat NOVM ter zake van het voorgaande op enigerlei wijze in gebreke is,

Nog meer subsidiair:

dat de rechtbank in goede justitie een beslissing zal nemen.

Een en ander met veroordeling van NOVM in de kosten van het incident.

2.3. SHM legt aan de incidentele vordering ten grondslag dat op grond van de samenwerkingsovereenkomst de aard, samenstelling en omvang van de Collectie onder alle omstandigheden gewaarborgd dient te blijven. NOVM handelt hiermee in strijd, door zonder overleg met SHM stukken die aan NOVM toebehoren in het Marshall Museum bij de Collectie te plaatsen.

2.4. NOVM voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.5. De rechtbank overweegt allereerst dat de vordering van SHM, voor zover die luidt om de Collectie in de oude staat terug te brengen, onvoldoende duidelijk is. Uit niets blijkt dat het SHM ook op dit punt om meer te doen is dan de verwijdering van de in het petitum van de incidentele conclusie genoemde voertuigen, de voertuigen zoals vermeld op productie 1 bij die conclusie, en de T-55 tank. De rechtbank zal daarvan dan ook uit gaan.

2.6. SHM heeft voldoende processueel belang bij de incidentele vordering. De gevraagde voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdvordering en is gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven. Derhalve moet worden beoordeeld of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel rechtvaardigt.

2.7. Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer SHM daarbij voldoende belang heeft. Artikel 223 Rv stelt niet met zoveel woorden het vereiste van spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening, zoals SHM ook aanvoert, maar dat neemt niet weg dat er niettemin wel sprake moet zijn van een zodanig dringend belang bij de gevraagde voorziening dat van de eisende partij, SHM, niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de procedure in de hoofdzaak afwacht. Dat kan het geval zijn wanneer een deel van de hoofdvordering krachtens een eindbeslissing reeds toewijsbaar is. Maar dat is in het onderhavige geval niet aan de orde. Voor zover SHM met de verwijzing naar de aantekeningen bij artikel 223 Rv in de Losbladige Kluwer Rechtsvordering beoogt te stellen dat in het onderhavige geval de aanspraak van SHM in de hoofdzaak in voldoende mate vaststaat om vooruit te lopen op de einduitspraak in het bodemgeschil, volgt de rechtbank SHM daarin niet. De standpunten van partijen liggen in de hoofdzaak teveel uiteen en zij hebben zich te zeer op hun eigen stellingen teruggetrokken om daarover thans een oordeel te kunnen vormen.

2.8. Volgens SHM stelt NOVM in het Marshall Museum een T-55 tank ten toon en wordt daarmee ook gereden, met het risico op schade aan de Collectie. De bewuste tank komt niet voor op de lijst die is overgelegd als productie 1, noch wordt de tank met zoveel woorden in het petitum van de incidentele conclusie genoemd. De rechtbank zal de tank daarom bij de beoordeling betrekken voor zover het de vordering strekkende tot het in de oude staat terugbrengen van de Collectie betreft. De rechtbank is van oordeel dat het belang van SHM bij verwijdering van de T-55 tank niet is komen vast te staan. Tegenover het verweer van NOVM dat met de tank incidenteel door gediplomeerde chauffeurs volgens de bij het Ministerie van Defensie geldende protocollen wordt gereden, heeft SHM onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat er een reëel risico op schade aan de Collectie bestaat.

2.9. Het argument van SHM dat erop neer komt dat de goede naam van de Collectie wordt aangetast doordat daar stukken van mindere kwaliteit en/of een ander tijdperk bij worden geplaatst, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om te kunnen oordelen dat er sprake is van een voldoende belang bij toewijzing van de vordering. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

2.10. Op de eerste plaats mist de stelling van SHM iedere feitelijke onderbouwing. Zonder een uitspraak te willen doen over de kwaliteit van de Collectie, overweegt de rechtbank dat uit niets blijkt dat het hier om méér gaat dan de persoonlijke opvatting van de bij SHM betrokken personen.

2.11. Voorts gaat het om een relatief klein aantal voertuigen en/of voorwerpen van NOVM (een twintigtal) afgezet tegen de totale omvang van de Collectie. Die bestaat blijkens bijlage 1 bij de bruikleenovereenkomst (productie 6 bij dagvaarding) uit een 120-tal voertuigen. Alleen al daarom ligt het niet in de lijn der verwachting dat het bezoekende publiek zich een negatief oordeel zal vormen over de Collectie als geheel.

2.12. Een van de bezwaren van SHM is voorts dat NOVM gebruikt maakt van niet-originele voertuigen of voorwerpen. Als voorbeeld is aangehaald de zogenoemde Hetzer van NOVM. Die wordt gepresenteerd als een Duits exemplaar uit de Tweede Wereldoorlog, terwijl het in feite een naoorlogse Zwitserse kopie is. Wellicht dat een kenner dit onderscheid kan zien, maar voor wat betreft het grote publiek is dat naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk.

2.13. De rechtbank honoreert evenmin het bezwaar van SHM dat de voertuigen uit haar Collectie veelal werkende exemplaren zijn, terwijl die van NOVM alleen aan de buitenzijde gerestaureerd zijn en het binnenwerk vaak ontbreekt. Ook dat betreft naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid die voor een kleine groep van kenners wellicht verschil zal maken, maar waarvan bij grote publiek niet is te verwachten dat dit tot een negatief beeld van de Collectie zal leiden.

2.14. Van andere omstandigheden op grond waarvan van SHM niet kan worden gevergd dat zij de beslissing in de hoofdzaak afwacht of die anderszins voldoende belang bij toewijzing van de incidentele vordering opleveren, is geen sprake. De gevraagde voorziening zal daarom worden geweigerd.

2.15. SHM zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. wijst het gevorderde af,

3.2. veroordeelt SHM in de kosten van het incident, aan de zijde van NOVM tot op heden begroot op EUR 1.356,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2008.