Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC9828

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
110774 - HA ZA 04-1156
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade na verkeersongeval. Beoordeling rapporten verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. Vergoeding van kosten voor huishoudelijke hulp, daarbij rekening houden met mantelzorg. Smartengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 110774 / HA ZA 04-1156

Vonnis van 9 april 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. J.A.T.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. NOORDHOLLANDSCHE VAN 1816 ALGEMENE VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ,

gevestigd te Oudkarspel, gem. Alkmaar,

gedaagde,

procureur mr. J.E. Benner.

Partijen zullen hierna [eiseres] en De Noordhollandsche genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 augustus 2006

- twee maal een akte houdende overlegging productie van De Noordhollandsche (betalingsbewijs voorschot)

- het deskundigenbericht van de verzekeringsarts [S], gedeponeerd op 20 februari 2007

- het deskundigenbericht van de arbeidsdeskundige [R], gedeponeerd op 15 augustus 2007

- de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres]

- de akte uitlating deskundige van De Noordhollandsche

- de akte uitlating deskundige / facturen van [eiseres]

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van De Noordhollandsche.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank heeft bij vonnis van 9 augustus 2006 de verzekeringsarts [S] benoemd en hem opgedragen een belastbaarheids/beperkingenprofiel op te stellen. [S] heeft op 16 december 2006 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voor [eiseres] opgesteld. In zijn rapportage heeft hij een onderbouwing van zijn conclusies gegeven. Onder het kopje “Beantwoording vraagstelling” schrijft hij:

“[eiseres] heeft normale mogelijkheden om persoonlijk en sociaal te functioneren (rubrieken I en II FML). Vergeleken met het voor haar gebruikelijke niveau zijn er specifieke voorwaarden in arbeid zoals aangegeven.

[eiseres] heeft beperkingen ten aanzien van fysiek functioneren (rubrieken III-V FML) zoals aangegeven en nader gespecificeerd in bijbehorende functionele mogelijkhedenlijst.

Ze is qua arbeidspatroon (rubriek VI FML) in staat te functioneren zoals hierboven aangegeven.

Voor het overige heeft [eiseres] mogelijkheden ongeveer in overeenstemming met haar achtergrond en leeftijd.”

2.2. Op basis van de rapportage van [S] heeft arbeidsdeskundige [R] een rapport opgesteld en de vragen van de rechtbank als volgt beantwoord (voor zover relevant):

Is benadeelde als gevolg van de eventuele beperkingen bij het verrichten van loonvormende arbeid geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt te achten voor het eigen beroep en zo ja, voor welk percentage?

“Hoewel er sprake is van enige beperkingen achten wij deze dermate licht van aard dat er slechts sprake is van marginale hinder in de beroepsmatige arbeid alsmede de huishoudelijke werkzaamheden in het eigen gezin. Er zijn betrokkene diverse functies te duiden waarbij geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid. Denkbare functies zijn medewerker postkamer, archiefmedewerker en assemblage-/montagemedewerker.”

Indien benadeelde geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is voor het eigen beroep: is benadeelde wel geheel of gedeeltelijk arbeidsgeschikt te achten voor ander passend werk, rekening houdende met de beperkingen, het opleidings- en arbeidsverleden van benadeelde en de belangstelling van benadeelde. Zo ja:

* Hoeveel uur per week zou benadeelde met deze arbeid belast kunnen worden?

* Welk bruto-inkomen kan benadeelde met deze arbeid verdienen?

* Welke opleidingen zou benadeelde eventueel moeten volgen, hoe lang duren deze opleidingen en welke kosten zijn daaraan verbonden?

* Hoe groot zijn de kansen van benadeelde op de arbeidsmarkt voor dit soort werk bij bedrijven/instellingen in de omgeving van benadeelde?

“De belastbaarheid hanterende achten wij betrokkene in staat gemiddeld tot 8 uur per dag of tot 40 uur per week te werken (…)

- Uitgaande van de belastbaarheid achten wij een arbeidsinzet tot 40 uur per week mogelijk. Hanteren wij de gemiddelde arbeidsinzet van betrokkene vóór het ongeval (circa 37 dagen per jaar) dan stellen wij vast dat dit op basis van de vastgestelde belastbaarheid geen problemen zal opleveren.

- Wij hanteren hiervoor het wettelijk minimumloon per dag van € 60,04.

- Het gaat veelal om werkzaamheden waarvoor geen opleiding is vereist.

- Afgaande op de beschikbare vacatures achten wij de kansen voor betrokkene om aan het werk te komen alleszins redelijk, zij het dat wij de indruk hebben dat zij hierover anders denkt afgaande op de door haar ervaren klachten en beperkingen.”

Hoe groot is de behoefte aan huishoudelijke hulp per week als gevolg van de eventuele beperkingen bij het verrichten van huishoudelijk werk?

“Afgaande op de vastgestelde belastbaarheid, waarbij wij nadrukkelijk aangeven dat er slechts sprake is van lichte beperkingen dan wel dat er slechts beperkingen bestaan voor zwaar belastende werkzaamheden, bedraagt de hulpbehoefte voor de zwaardere huishoudelijke werkzaamheden maximaal 1 uur per week (uitval ¼ deel) en voor het doen van boodschappen bedraagt de uitval maximaal 1/5 deel (0,25 uur).”

Valt in redelijkheid aan te nemen dat de eventuele behoefte aan huishoudelijke hulp in de toekomst zal afnemen (bijvoorbeeld nadat de kinderen van benadeelde het huis verlaten hebben en/of haar echtgenoot gepensioneerd is) en zo ja, in welke mate en vanaf welk moment?

“Aangezien de door ons geschatte uitval betrekking heeft op de zwaardere werkzaamheden ten behoeve van de zorg voor de woning zal de behoefte aan hulp afnemen indien er sprake is van verandering van de woonsituatie en er sprake is van een kleinere woning. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de kinderen uit huis gaan. Uitgaande van het jongste kind, thans 12 jaar, zal hiervan gemiddeld gezien pas sprake zijn over 8 jaar. Ook kan de pensioendatum van 1 april 2030 van de echtgenoot (geboren 31 maart 1965) een tijdstip van verandering zijn indien men dan een andere woning zal betrekken. Een en ander is echter moeilijk aan te geven omdat persoonlijke omstandigheden hierin een rol van betekenis spelen.”

2.3. [eiseres] kan zich niet vinden in de deskundigenberichten en voert het volgende aan. Het is naar haar mening niet juist dat [S] zelfstandig medisch onderzoek heeft verricht. Er moet van uit worden gegaan dat hij zijn oordeel mede op dat onderzoek heeft gegrond en daarmee is hij buiten zijn opdracht getreden. [eiseres] wijst erop dat neuroloog [B] (aanwijzingen voor) een posttraumatische stressstoornis signaleert, wat aanleiding voor een psychiatrische expertise moet zijn. [S] stelt – buiten zijn opdracht om – vast dat sprake is van een psychische stoornis, maar laat die vervolgens ten onrechte buiten beschouwing, aldus [eiseres]. De rechtbank heeft immers vastgesteld dat de klachten van [eiseres], derhalve inclusief de psychische klachten en vermoeidheidsklachten, ongevalsgevolg zijn. [S] heeft [eiseres] ten onrechte niet beperkt geacht in het concentreren van de aandacht en het verdelen van de aandacht, nu [B] heeft geconcludeerd dat sprake is van een post whiplashsyndroom met verminderde belastbaarheid van de nek en schouder, hoofdpijn alsook geheugen- en concentratiestoornissen. Dit gegeven verhoudt zich ook niet met de conclusie van [S] dat [eiseres] 40 uur per week zou moeten kunnen werken. Het rapport van [R] kan volgens [eiseres] niet worden gevolgd omdat het is gestoeld op de rapportage van [S]. Bovendien is zijn aanname dat de beperkingen dermate licht zijn dat er slechts sprake is van marginale hinder in strijd met de conclusie van het Neuro-Orthopedisch Centrum dat het gaat om een matig ernstig post whiplashbeeld. Voorts geeft [R] een tegenstrijdig antwoord op de vraag of [eiseres] naast de huishoudelijke taken (dit zou meer dan 28 uur per week zijn) voor 40 uur belastbaar zou zijn voor arbeid.

2.4. De Noordhollandsche is van mening dat [eiseres] geen zwaarwegende en steekhoudende argumenten aanvoert tegen de rapportages en dat de rapporten dan ook als uitgangspunt moeten worden genomen. Het rapport van [S] is deugdelijk en de kritiek daarop van [eiseres] berust op een onjuiste lezing van het dossier, aldus De Noordhollandsche. Wat betreft de huishoudelijke hulp kan een beroep worden gedaan op mantelzorg; van verplaatste schade is volgens De Noordhollandsche geen sprake.

2.5. De rechtbank heeft in haar vonnis van 4 mei 2005 overwogen dat de conclusies van [B] en [P] van het Neuro-Orthopedisch Centrum als uitgangspunt hebben te gelden voor de bepaling van de schade van [eiseres]. [eiseres] leest naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte in die rapportage dat [B] een posttraumatische stressstoornis bij haar aanwezig acht. In zijn rapport merkt hij weliswaar op dat er aanwijzingen zijn voor een “lichte posttraumatische stressproblematiek”, maar hij komt niet tot een diagnose op dat gebied, al was het maar omdat “een en ander (..) uiteraard niet thuis [hoort] op het vakgebied van een neuroloog”. Daarover zegt hij nog: “Een goede bepaling van de ernst van deze problematiek (de ontstemmingsproblemen, rb) is dus vooralsnog niet goed mogelijk door mij en lijkt pas nader te kunnen worden beantwoord na een gedegen uitgevoerd neuropsychologisch onderzoek waarbij ook de andere psychologische factoren kunnen worden meegewogen.” En: “Bij een adequaat uitgevoerd neuropsychologisch onderzoek met mede zoeken naar psychologische factoren zou wellicht een andere weging (van het functiestoornis percentage van 2% i.v.m. een matig ernstig postwhiplashbeeld, rb) kunnen plaatsvinden.” [B] concludeert dan ook (voorlopig): “Naast deze problemen zijn er uiteraard ook klachten op het terrein van hoofdpijn en posttraumatische stressproblematiek waarvoor op dit moment geen duidelijke beperkingen kunnen worden aangegeven.” Na kennisname van het door klinisch psycholoog [V.B.] verrichte neuropsychologisch onderzoek constateert [B]: “Tezamen genomen kan het neuropsychologisch onderzoek als gevolg hiervan [chronisch onderpresteren, rb] technisch niet goed interpreteerbaar zijn. (…) Het psychologisch beeld past eigenlijk het beste bij een posttraumatische stressproblematiek.” En komt tot de volgende conclusie: “Alles tezamen genomen is er op dit moment geen reden de door mij geuite interpretatie van de vorige rapportage te wijzigen.” Het is derhalve niet juist te noemen dat [B] bij [eiseres] een posttraumatische stressstoornis of een andere psychische stoornis dan wel beperkingen op dit vlak aanwezig heeft geacht.

2.6. Wel heeft [B] c.s. aangenomen dat de (nek)klachten van [eiseres] samenhangen met“een premorbide bestaande verhoogde somatisatie problematiek bij een licht verhoogd nerveuze constitutie” hetgeen betekent “dat de thans getoonde klachten ongetwijfeld sterker uitpakken op basis van premorbide neiging tot ontwikkelen van problemen op dit terrein.” [S] heeft, gezien de overwegingen van [B], dus terecht overwogen: “de in juli 2001 rapporterende deskundigen maken melding van nervositeit maar niet van een psychische stoornis en zij geven evenmin een indicatie voor psychiatrisch onderzoek zodat ik de psychische stoornis buiten beschouwing laat voor het vaststellen van beperkingen.” Voorts heeft hij voornoemde predispositie van [eiseres] (licht verhoogde nerveuze constitutie) in aanmerking genomen door voorwaarden in arbeid op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren voor te schrijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [S] de overwegingen en conclusies van [B] en [P] dus op een juiste wijze geïnterpreteerd en heeft hij terecht zijn eigen constatering dat bij [eiseres] sprake is van een psychische stoornis, nog daargelaten of hij op basis van zijn onderzoek tot de diagnose van een psychische stoornis heeft kunnen komen, buiten beschouwing gelaten.

2.7. [eiseres] acht het noodzakelijk om een aanvullende psychiatrische expertise te laten verrichten. De rechtbank deelt dat standpunt niet. Zoals overwogen in het tussenvonnis van 4 mei 2005, was [eiseres] het eens met de conclusies van het rapport van [B] en [P]. In de conclusie van repliek heeft zij daarover gesteld dat in dit geval een afrondende expertise heeft plaatsgehad. De rechtbank acht het dan ook tardief om nu te verlangen dat alsnog een psychiatrische expertise wordt uitgebracht teneinde eventuele beperkingen naar aanleiding van psychische klachten vast te stellen. Indien de opmerking van [B] dat er aanwijzingen zijn voor posttraumatische stressproblematiek [eiseres] aanleiding gaf om een nader psychiatrisch onderzoek te verlangen, had zij dit eerder kunnen en moeten opmerken. Naar aanleiding van het verrichte neuropsychologisch onderzoek heeft [B] expliciet overwogen: “Het psychologisch beeld past eigenlijk het beste bij een posttraumatische stressproblematiek. Alles tezamen genomen is er op dit moment geen reden de door mij geuite interpretatie in de vorige rapportage te wijzigen. (…) Of deze posttraumatische stressproblematiek in aanmerking komt voor een invaliditeitspercentage ontrekt zich aan de beoordeling van de neuroloog.” Kennelijk heeft deze conclusie van [B] [eiseres] tevreden gesteld, althans geen aanleiding gevormd om een nader (psychiatrisch) onderzoek te verlangen. De omstandigheid dat [S] in zijn rapport melding maakt van een psychische stoornis leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat een aanvullende psychiatrische expertise vereist is. Wat ook zij van zijn diagnose, [eiseres] heeft niet gesteld dat de psychische klachten die aanleiding zouden moeten vormen voor een aanvullend deskundigenbericht, pas recent zijn ontstaan en zij aldus niet eerder om een dergelijk onderzoek heeft kunnen verzoeken. Integendeel, zij wijst er juist op dat ook [B] “de” stoornis al constateert.

2.8. Vervolgens heeft [eiseres] aangevoerd dat zij ten onrechte niet beperkt is geacht in het concentreren van de aandacht en het verdelen van de aandacht en bevreemdt het haar dat zij in staat wordt geacht om 40 uur per week te kunnen werken. De rechtbank overweegt dat [S] [eiseres] niet beperkt heeft geacht op het concentreren en verdelen van de aandacht in de rubriek Persoonlijk functioneren. Wel heeft hij geconcludeerd tot specifieke voorwaarden in arbeid voor persoonlijk en sociaal functioneren, die in het rapport van [R] (na overleg met [S]) zijn vertaald in: betrokkene is aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen, op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is. Daarmee is in de rapporten naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate rekening gehouden met de bevindingen van [B]. [S] geeft in zijn rapport ook een aantal maal expliciet aan dat (overeenkomstig de opdracht van de rechtbank) het onderzoek van [B] en [P] richtinggevend is voor hem. Daarbij komt dat [B] in zijn rapportage slechts summier aanstipt dat er geheugen- en concentratieklachten bestaan zonder die nader te specificeren. Ook het later uitgevoerde neuropsychologisch onderzoek geeft [B] geen aanleiding tot het aannemen van specifieke conclusies of beperkingen op dat gebied. In dat licht is het dus aan [S] om die summiere bevindingen te vertalen in de FML van [eiseres]. Hij heeft dat op een onderbouwde en gemotiveerde wijze gedaan. Hetzelfde geldt voor wat betreft een eventuele beperking in werktijden.

2.9. Ook voor het overige is het rapport van [S] deugdelijk gemotiveerd en onderbouwd en vloeien zijn conclusies logisch voort uit de overwegingen. De rechtbank zal dan ook de conclusies van zijn rapport overnemen en deze als uitgangspunt nemen. Dan is het rapport van [R] aan de orde. Het enkele argument dat zijn rapport niet kan worden gevolgd omdat het is gestoeld op de rapportage van [S] kan, gelet op het voorgaande, niet slagen. Vervolgens heeft [eiseres] betoogd dat zijn aanname dat de beperkingen dermate licht zijn dat er slechts sprake is van marginale hinder in strijd is met de conclusie van het Neuro-Orthopedisch Centrum dat het gaat om een “matig ernstig post-whiplashbeeld”. De rechtbank volgt dat standpunt niet. [eiseres] heeft met dit betoog slechts één term zonder nadere context uit het rapport van [B] genomen. Zij heeft daarbij geen onderbouwing gegeven van haar standpunt dat de conclusies van [S] en [R] niet zouden stroken met de bevindingen van [B] op dit aspect. De rechtbank zal dan ook voorbijgaan aan deze onvoldoende onderbouwde stelling.

2.10. [eiseres] verwijt [R] dat uit zijn rapport niet duidelijk blijkt of hij [eiseres] naast het huishoudelijk werk (van 28 uur per week) in staat acht per week 40 uur te werken of dat hij [eiseres] in staat acht 40 uur per week te werken, daaronder begrepen 28 uur huishoudelijk werk. De rechtbank acht het niet nodig om dit argument inhoudelijk te bespreken. In het tussenvonnis van 8 februari 2006 heeft de rechtbank als redelijke verwachting aangenomen dat [eiseres] in de hypothetische situatie zonder ongeval dezelfde werkzaamheden in dezelfde omvang zou zijn blijven verrichten als vóór het ongeval. Dat betrof gemiddeld 37 werkdagen per jaar, hetgeen gemiddeld minder dan 1 werkdag per week is. Zelfs als wordt uitgegaan van een totale belastbaarheid van 40 uur per week (dus inclusief de door [eiseres] genoemde 28 uur per week aan huishoudelijk werk), levert dit geen fricties op. Het bezwaar dat [eiseres] oppert, namelijk dat het voor een werkgever niet doenlijk is om iemand voor een beperkt aantal uur per week in te roosteren, speelt naar het oordeel van de rechtbank niet. Gelet op de beperkte omvang van haar arbeidsverleden, dat dus als verwachting moet worden doorgetrokken voor de hypothetische situatie zonder ongeval, is aan te nemen dat [eiseres] via uitzendbureaus of op basis van een nul urencontract zou hebben gewerkt.

2.11. Ook voor het overige is het rapport van [R] deugdelijk gemotiveerd en onderbouwd en vloeien zijn conclusies logisch voort uit de overwegingen. De rechtbank zal dan ook de conclusies van zijn rapport overnemen. Dit betekent het volgende voor de vorderingen van [eiseres].

Het verlies aan verdienvermogen

2.12. Op basis van de door [S] opgestelde FML en het door [R] ingestelde onderzoek concludeert [R] dat voor [eiseres] een arbeidsinzet tot 40 uur per week mogelijk is. Dit betekent dat de gemiddelde arbeidsinzet van [eiseres] vóór het ongeval (circa 37 dagen per jaar), die de rechtbank voor de situatie zonder ongeval als redelijke verwachting heeft aangenomen, geen problemen oplevert. Het betreft werkzaamheden waarvoor geen opleiding is vereist en waarvoor de rechtbank (en [R]) het wettelijk minimumloon als uitgangspunt heeft genomen. [R] concludeert dat de kansen voor [eiseres] om aan het werk te komen (bijvoorbeeld als medewerker postkamer, archiefmedewerker of assemblage-/montagemedewerker) alleszins redelijk zijn gelet op de beschikbare vacatures in de regio.

2.13. Gelet op deze constateringen en conclusies komt de rechtbank tot het oordeel dat [eiseres] wat betreft haar verdienvermogen geen schade heeft geleden dan wel zal lijden tengevolge van het ongeval. Dit leidt echter uitzondering voor de periode vlak na het ongeval. Gezien de beenbreuk en de operatie daaraan enerzijds en de aard van haar werkzaamheden anderzijds is duidelijk dat zij een zekere periode in het geheel niet heeft kunnen werken. In het rapport van [B] leest de rechtbank dat [eiseres] vanaf 11 maart 1999 het been weer volledig mocht belasten, dat het been in april 1999 nog wat gezwollen was met pijnklachten bij het lopen en dat [eiseres] bij de laatste controle op 29 juli 1999 het been volledig kon belasten en er sprake was een vorderende consolidatie. De rechtbank zal op grond van deze medische informatie aannemen dat [eiseres] een half jaar na het ongeval (februari tot en met juli 1999) volledig arbeidsongeschikt was. Dit strookt met de rapportage van [S] waarin staat dat [eiseres] medio maart 1999 het been weer volledig mocht belasten, dat ze in juli nog met één kruk liep en in augustus zonder krukken. Dit betekent dat [eiseres] in 1999 19 dagen niet heeft kunnen werken vanwege de gevolgen van het ongeval. Het verlies aan verdienvermogen bedraagt 19 maal het toenmalige minimumloon. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om voor wat dat betreft een berekening van de schade in het geding te brengen. Voor het overige worden de vorderingen van [eiseres] op dit punt afgewezen. Daaruit volgt dat een rekenkundige expertise in deze kwestie achterwege kan blijven.

Huishoudelijke hulp

2.14. In het tussenvonnis van 8 februari 2006 heeft de rechtbank aangenomen dat [eiseres] in de periode vlak na het ongeval (tot en met maart 1999), mede vanwege haar beenletsel, huishoudelijke hulp nodig heeft gehad. In dat kader heeft de rechtbank in dat vonnis al beslist dat het gevorderde bedrag van NLG 1.800,- (EUR 817,07) aan particuliere hulp voor de periode 28 januari 1999 tot 28 maart 1999 (15 uur per week gedurende 8 weken) toewijsbaar is, alsmede hulp van Thuiszorg ad NLG 831,- (EUR 377,21). Gelet op de redelijkerwijs aan te nemen omstandigheid, zoals hiervoor in 2.13 overwogen, dat [eiseres] voor een deel van 1999 immobiel is geweest, neemt de rechtbank aan dat ook voor de periode van maart 1999 tot en met juli 1999 (enige extra) huishoudelijke hulp nodig was. De door [eiseres] in dat kader opgevoerde kosten zijn 4 uur huishoudelijke hulp per week á NLG 15,- in de periode van 11 maart 1999 t/m 31 december 1999. De wekelijkse omvang van de hulp en het tarief komen de rechtbank redelijk voor zodat een bedrag van

NLG 1.080,- ofwel EUR 490,08 zal worden toegewezen voor de periode van 1 april t/m 31 juli 1999 (18 weken x 4 uur á NLG 15,-). Het verweer van de De Noordhollandsche dat de overgelegde informatie onvoldoende gespecificeerd is en betalingsbewijzen ontbreken, wordt verworpen. Vaststaat dat [eiseres] in die periode huishoudelijke hulp nodig heeft gehad. Om de schade te kunnen begroten gaat het erom vast te stellen wat de omvang van die huishoudelijke hulp redelijkerwijs moest zijn en welk redelijk tarief daarvoor is vast te stellen. Er kunnen niet al te hoge eisen worden gesteld aan de onderbouwing daarvan (in de vorm van schriftelijke bewijzen).

2.15. Voor de periode vanaf 1 augustus 1999 gelden de conclusies van [R], die de rechtbank heeft overgenomen: er is sprake van beperkingen voor zwaar belastende werkzaamheden, zodat de hulpbehoefte voor de zwaardere huishoudelijke werkzaamheden maximaal 1 uur per week bedraagt (uitval ¼ deel) en voor het doen van boodschappen de uitval maximaal 1/5 deel bedraagt (0,25 uur). De Noordhollandsche heeft aangevoerd dat dit opgelost wordt via de zogeheten mantelzorg, zonder dat er sprake is van verplaatste schade. Die huishoudelijke hulp hoeft immers niet door professionals te worden verricht, aldus De Noordhollandsche. De rechtbank overweegt dat, nu vaststaat dat [eiseres] vanwege haar beperkingen niet in staat is om bepaalde huishoudelijke werkzaamheden te verrichten, dient te worden bepaald of kosten van huishoudelijke hulp voor vergoeding in aanmerking komen en in hoeverre daarbij rekening moet worden gehouden met door derden verleende (kosteloze) mantelzorg. Voor de beantwoording van die laatste vraag dient naar het oordeel van de rechtbank te worden aangesloten bij de maatstaf die de Hoge Raad in zijn arresten van 28 mei 1999 (NJ 1999, 564) en 6 juni 2003 (NJ 2003, 504) heeft aangelegd, te weten of en in hoeverre het inschakelen van professionele hulp voor het verrichten van de huishoudelijke werkzaamheden normaal en gebruikelijk is. Indien de derde (kosteloos) werkzaamheden verricht die tot de normale dagelijkse werkzaamheden van een huishouden behoren (boodschappen doen, was, afwas, maaltijden bereiden), zullen die in zijn algemeenheid niet voor vergoeding in aanmerking komen. Indien het werkzaamheden betreffen waarvoor het inschakelen van professionele hulp normaal en gebruikelijk is (zoals schoonmaakwerkzaamheden), zullen die werkzaamheden in het algemeen wel vergoed moeten worden. In dit concrete geval komt dus de hulpbehoefte voor de zwaardere huishoudelijke werkzaamheden voor vergoeding in aanmerking, maar de hulpbehoefte voor het doen van boodschappen niet. Dit betekent dat De Noordhollandsche aan [eiseres] in beginsel een vergoeding dient te betalen voor huishoudelijke hulp van 1 uur per week vanaf 1 augustus 1999.

2.16. Naar het oordeel van de rechtbank dient de De Noordhollandsche die vergoeding voor huishoudelijke hulp te betalen tot 1 april 2030, de pensioendatum van de echtgenoot van [eiseres]. Een redelijke verwachting voor de toekomst houdt in dat [eiseres] ofwel dan geen behoefte meer heeft aan huishoudelijke hulp vanwege een verhuizing naar een kleinere woning ofwel op dat moment ook in de situatie zonder ongeval behoefte aan hulp voor zwaardere huishoudelijke werkzaamheden zou hebben gehad in verband met haar leeftijd en de leeftijd van haar echtgenoot.

2.17. [eiseres] zal in de gelegenheid worden gesteld om gegevens in het geding te brengen waaruit kan blijken of zij op dit moment betaalde huishoudelijke hulp inschakelt en tegen welk uurtarief dat gebeurt. Indien zij geen betaalde hulp heeft, dient zij aan te geven wat zij als een redelijk uurtarief beschouwt voor het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden. Tevens dient zij in te gaan op de door De Noordhollandsche ingenomen stelling dat zij mogelijk in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget en zij aldus geen schade zou lijden. De Noordhollandsche is daarna in de gelegenheid om een antwoordakte te nemen. Ook op dit punt acht de rechtbank het voorshands niet noodzakelijk om een rekenkundige te benoemen.

Immateriële schade

2.18. Nu de gevolgen van het ongeval in voldoende mate vaststaan, kan de rechtbank een beslissing nemen over de hoogte van het smartengeld. De rechtbank neemt daarbij de volgende omstandigheden in aanmerking. [eiseres] is op 28 jarige leeftijd buiten haar schuld op haar fiets aangereden, terwijl haar dochtertje bij haar achterop de fiets zat. Ten gevolge van het ongeval heeft [eiseres] blijvend letsel opgelopen. Zij had een fractuur aan haar onderbeen, is daaraan geopereerd en moest één week in het ziekenhuis blijven. Er is volgens de deskundigen sprake van 4% blijvende invaliditeit voor de gehele persoon, bestaande uit letsel aan het rechter onderbeen (2%) en een matig ernstig postwhiplashbeeld (2%). [eiseres] is door de lichamelijke gevolgen van het ongeval gedurende zes maanden volledig arbeidsongeschikt geweest. Zij zal blijvend enige beperkingen in het verrichten van arbeid ondervinden en in het verrichten van (zwaar) huishoudelijk werk. Door haar persoonlijkheidsstructuur vallen de lichamelijke beperkingen haar zwaar. Gelet op al deze omstandigheden en gelet op vergoedingen voor immateriële schade die in vergelijkbare zaken worden toegekend acht de rechtbank een vergoeding wegens immateriële schade op zijn plaats van EUR 7.500,-.

Materiële schade

2.19. De rechtbank heeft over het merendeel van deze schadeposten al een oordeel gegeven in het vonnis van 8 februari 2006 en verwijst naar het overzicht van toe te wijzen bedragen in rechtsoverweging 2.41 van dat vonnis. [eiseres] diende de facturen van de aankoop van een orthopedisch matras en kussen in het geding te brengen. Zij heeft bij akte aangegeven dat zij niet is overgegaan tot aanschaf van het matras en kussen omdat haar de financiële middelen daartoe ontbreken. Nu de rechtbank in het vonnis van 8 februari 2006 heeft overwogen dat zij deze schade pas kan vorderen als zij het kussen en matras heeft aangeschaft, moet deze post worden afgewezen.

2.20. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor uitlating door [eiseres] over hetgeen in 2.13 en 2.17 is overwogen, waarna De Noordhollandsche daarop mag reageren.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 mei 2008 voor het nemen van een akte door [eiseres] over hetgeen is vermeld onder 2.13 en 2.17,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2008.